
AURORA OF MORGENROOD IN OPGANG
(dat is: De wortel of moeder der
filosofie,
astrologie en theologie, naar
de beschrijving der natuur.)
DOOR
JACOB BOEHME
INHOUDSOPGAVE
Voorrede van de schrijver van
dit boek aan de lezer.
Hoofdstuk I: - Het onderzoek naar het Wezen der Godheid in de natuur; naar zijn
beide hoedanigheden.
- Over de
hoedanigheid van de koude.
- Over de
hoedanigheid van de lucht en van het water.
- Over de invloeden
van de andere eigenschappen in de drie elementen, vuur, lucht en water.
Hoofdstuk II: - Handleiding, hoe men het
goddelijke en het natuurlijke wezen beschouwen moet.
- Over de
hoedanigheid der Zon.
Hoofdstuk III: - Over de hooggebenedijde,
triomferende, drie maal heilige Drievuldigheid, God de Vader, de Zoon, de Heilige
:Geest, een Enig God.
- over het wezen en de kenmerken des Vaders.
- over de Heilige Drievuldigheid.
Hoofdstuk IV: - Over de schepping der heilige Engelen. Een
aanwijzing of open poort des Hemels.
- Over de Goddelijke hoedanigheid.
- Over de schepping der Engelen.
Hoofdstuk V: - Over het stoffelijke lichaam, het wezen en de hoedanigheid van
een Engel.
- Over de
hoedanigheid der Engelen.
Hoofdstuk VI: - Hoe Engel en Mens Gods Beeld en Gelijkenis kunnen zijn.
- Over de zuivere en dankbare
liefde van de Engelen jegens God.
Hoofdstuk VII: - Over
de plaats, de woning, zowel als over de heerschappij der Engelen, zoals het in
de beginne geweest is en zoals het worden zal.
- Over de geboorte
der Engelenkoningen en hoe zij geworden zijn.
- Over de oorsprong
en het geheimenis der dingen.
Hoofdstuk VIII: - Over
de hoedanigheid van een koninkrijk der Engelen.
- Over de derde
hoedanigheid of toestand.
- Over de vierde hoedanigheid.
- Het grote geheimenis van den Geest.
- Merk nu op: het einde van het natuurgebeuren in deze
wereld.
- Over de vijfde hoedanigheid.
Hoofdstuk IX: - Over de lieflijke,
vriendelijke en barmhartige Liefde Gods; het grote Hemelse en Goddelijke
Geheimenis.
- Over de liefde,
zaligheid en eensgezindheid dezer vijf bronnen Gods.
Hoofdstuk X: - Over de zesde oergeest in de
goddelijke kracht.
Hoofdstuk XI: - Over de zevende oerbron in
de Goddelijke kracht.
- Wat is het
voordeel ervan, een Christen te zijn?
- Van de Goddelijke en Hemelse natuur, werking en
eigenschappen.
Hoofdstuk XII: - Over de geboorte der Heilige Engelen. Over de heerschappij en
ordening der Engelen en over het Hemelse vreugdeleven.
- Over de vreugde der Engelen.
- Over de Hemelse
verrukking van de drie koninkrijken der Engelen.
- Over de
koninklijke voorrang of het gezag der drie Engelenkoningen.
- Over de andere koning, thans Lucifer genaamd, terzake van
zijn val.
- Over de derde Engelenkoning, Uriël genaamd.
Hoofdstuk XIII: - Over de verschrikkelijke, bedroevende en
ellendige val van het Koninkrijk van Lucifer.
- Over de heerlijke
geboorte en de schoonheid van de koning Lucifer.
- Over het verschrikkelijke hovaardige en droevige begin van
de Zonde.
Hoofdstuk XIV: - Hoe Lucifer, de schoonste Engel in de Hemel,
de vreselijkste duivel geworden is.
- Van de val van al de Engelen van Lucifer.
- Over de eerste gestalten of vormen.
- Over de andere gestalten of de geest van de zonde-oorsprong in
Lucifer.
Hoofdstuk XV: - Over de derde
gestalte der zonde in Lucifer.
- Over de vierde verschijningsvorm of gestalte in Lucifer.
- Over de vijfde gestalte van
het zondebeginsel in Lucifer en zijn Engelen.
- Over de zesde gestalte of verschijningsvorm van het zondebeginsel
in Lucifer en zijn Engelen.
Hoofdstuk XVI: - Over de zevende gestalte of verschijningsvorm van het
zondebeginsel Lucifer en zijn Engelen.
- Over het ontsteken van het
vuur des toorns.
- Over de eerste zoon: de
hovaardij.
- Over de tweede zoon: de
begeerte.
- De derde zoon is de nijd, de
afgunst.
- Over de strijd en de verstoting van deze koning Lucifer en zijn
Engelen.
Hoofdstuk XVII: - Over de droevige en ellendige toestand der verdorven natuur en de
oorsprong der vier elementen, in de plaats van de Heilige Godsregering.
Hoofdstuk XVIII: - Over de schepping der
Hemelen en der aarde en de eerste dag.
- Over de schepping van het
Licht in deze wereld.
Hoofdstuk XIX: - Over de Hemel en de gestalte
der aarde en van het water, over het licht en de duisternis over de Hemel.
Hoofdstuk XX: - Over de tweede dag.
- De poorten van het geheimenis.
Hoofdstuk XXI: - Over de derde dag.
- De vreugdevolle poorten der
mensen.
- Over de zeven geesten Gods
en hunne werking in de aarde.
Hoofdstuk XXII: - Over het ontstaan der sterren en over de schepping van de vierde
dag.
Hoofdstuk XXIII:
- Van de diepte boven de
aarde.
- Van de siderische geboorte
en Gods geboorte.
- De poorten van de Heilige
Drievuldigheid.
Hoofdstuk XXIV: - Van het samenstellen der sterren.
Hoofdstuk XXV: - Van het gehele sterrenlichaam, dat is de gehele astrologie of het
gehele lichaam dezer wereld.
- Van de aansteking van het hart of het leven dezer wereld.
- De voornaamste grondslag van de zon en de planeten.
Hoofdstuk XXVI: - Van de planeet Saturnus.
- Het centrum of de cirkel van de geboorte des levens. De grote
diepte.
- Van de mensen en de sterren.
- De toegang tot het grote
geheimenis.
- Uit de Salniter, uit de natuurgeesten.
Waarde
lezer, ik vergelijk de gehele filosofie, astrologie en theologie tezamen met haar
moeder met een kostelijke boom, die in een lusthof groeit. Nu geeft de aarde,
waarin de boom geplant is, aan de boom altijd het sap, waaraan de boom zijn
levenskrachten dankt; de boom op zich zelf namelijk groeit van het sap van de
aarde en wordt groot en breidt zich uit met zijn takken. Zoals nu de aarde met
haar kracht-aan-de-boom arbeidt, zodat hij groeit en toeneemt, zo arbeidt de
boom steeds met zijn takken, met zijn ganse vermogen, zodat hij altijd veel
goede vruchten moge voortbrengen.
Wanneer
echter de boom weinig vruchten voortbrengt, daarbij zeer kleine, vol met maden
en wormstekig, dan ligt de schuld niet bij de boom, alsof hij met een
vooropgezette bedoeling begeren zou slechte vruchten voort te brengen, want hij
is een kostelijke boom van een goede soort, maar de schuld is hieraan te
wijten, dat dikwijls grote koude, hitte, meeldauw, rupsen of ongedierte hem
belagen. Nu heeft de boom echter deze eigenaardigheid, dat hij, naar gelang hij
groter en ouder wordt, zoetere vruchten voortbrengt. In zijn jeugd draagt hij
weinig vruchten, want dat maakt de ruwe en wilde bodemgesteldheid en het
overtollige vocht in de boom onmogelijk en al bloeit hij ook, zo vallen toch
gedurende de groeitijd zijn vruchten voor 't merendeel af, wanneer hij
namelijk in een goede akker geplant is. Nu heeft de boom ook een goede
kwaliteit, hij is zoet. Tegenovergesteld daaraan heeft hij ook drie andere
kwaliteiten, als: bitter, zuur en wrang. Zoals de boom nu is, zo worden óók
zijn vruchten, als de zon ze beschijnt en zoet
maakt, zodat zij een lieflijke smaak verkrijgen, al moeten zijn vruchten
bestand zijn tegen regen, wind en onweer.
Wanneer evenwel de boom oud wordt, zodat zijn takken
verdorren en het sap niet meer omhoog trekt, dan groeien onder aan de stam veel
groene twijgjes, ook op de wortel, en herinneren de oude boom er aan, dat hij
ook een mooi groen twijgje en boompje geweest is en nu toch zo oud is geworden
Want de natuur of het sap verweert zich hiertegen, totdat de stam geheel is
verdroogd; dan wordt hij afgehouwen en in het vuur verbrand.
Merk dan op, wat ik met deze vergelijking heb aangeduid.
De tuin, waarin deze boom staat is de wereld, de akker is de natuur, de stam
van de boom zijn de sterren, de takken zijn de elementen, de vruchten, die aan
de boom groeien, zijn de mensen, het sap in de boom de zuivere goddelijkheid.
Nu zijn de mensen uit de natuur, de sterren en de
elementen geschapen. God, de Schepper echter, beheerst alles, zoals het sap de
gehele boom beheerst. Maar de natuur heeft twee hoedanigheden in zich tot aan
de oordeelsdag: een lieflijke, Hemelse en heilige en een grimmige, helse en
versmachtende.
Nu werkt de goede eigenschap altijd met grote ijver,
zodat zij goede vruchten voortbrengt; de Heilige Geest beheerst haar en geeft
bovendien kracht en leven. De verkeerde eigenschap werkt ook volijverig, zodat
zij altijd boze vruchten voortbrengt; de duivel geeft haar voor dat doel het
helse vuur.
Nu zijn deze twee de natuurlijke eigenschappen van de
boom en de mensen zijn uit de boom gemaakt en leven in deze wereld in deze tuin
temidden van deze twee in groot gevaar en op hen valt beurtelings zonneschijn,
regen, wind en sneeuw. Dat wil zeggen: als de mens zijn ziel opheft tot God,
dan ontspringt en werkt in hem de Heilige Geest; wanneer hij echter zijn geest
in deze wereld laat ondergaan, in
de lust tot het boze, dan ontspringt en heerst in hem de duivel en het helse
vuur. Zoals de vrucht aan de boom wormstekig wordt, als de vorst, de hitte en
de meeldauw hem bewerken, zodat hij gemakkelijk afvalt en bederft, zo is het
ook met de mens, wanneer hij de duivel met zijn vergif in hem laat heersen.
Zoals nu in de natuur het goede en het kwade ontstaat en
heerst, evenzo is het ook met de mens. Maar de mens is
het kind van God, die God uit het beste, wat er in de natuur is, gemaakt heeft,
ten einde het goede te doen en het kwade te overwinnen; al kan hij van het
kwade niet los komen, evenals in de natuur het goede en het kwade met elkaar
verbonden zijn.
Noch kan hij het kwade overwinnen, wanneer hij zijn geest
verheft tot God; dan ontspringt in hem de Heilige Geest en helpt hem
zegevieren. Zoals het goede in de natuur kan zegevieren over het boze, omdat
het goede uit God is, en de Heilige Geest het beheerst, evenzo zegeviert het
kwade in de boosaardige ziel, want de duivel is een machtig heerser in het rijk
van het kwade en hij blijft er altijd koning.
De mens echter heeft zich zelf in de zonde gebracht door
de val van Adam en Eva, zodat het kwade hem aanhangt; als dit niet zo was, zou
alleen het goede in hem ontspringen en alleen dát zou zijn streven zijn. Nu
evenwel werken zij beide in hem en het is er mee gesteld, zoals Paulus zegt:
“Weet gij niet, dat wien gij u zelven stelt tot dienstknechten ter
gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt dergenen die gij gehoorzaamt of der
zonde tot de dood of der gehoorzaamheid tot gerechtigheid.”
Daar nu echter beide in de mens werken, zo kan hij zich
werpen op wat hij wil, want hij leeft in deze wereld tussen deze beide in en
het boze en het goede is beide in hem; hij wordt aangedaan met heilige of met
duivelse kracht. Want Christus zegt: “Mijn Vader wil de Heilige Geest geven aan
die, die hem daarom bidden”. Lukas 11, 13. Zo heeft God ook de mens geboden het
goede te doen en het kwade na te laten en Hij laat nog dagelijks prediken en de
mensen vermanen het goede te doen, opdat men zal erkennen dat God het kwade
niet wil, maar wel, dat Zijn rijk kome en Zijn wil zal geschieden in de Hemel,
als ook op de aarde. Daar nu echter de mens door de zonde is vergiftigd, zodat het
boze zowel als het goede in hem heerst en nu, half buiten het leven gesteld en
vol onverstand, God zijn Schepper, evenals de natuur en haar werking, niet meer
wil erkennen, zo heeft de natuur van de aanvang af tot op heden zich volijverig
geweerd: God heeft tot dat doel zijn Heilige Geest gegeven, zodat er overal
wijze, heilige en verstandige mensen geboren en bereid gemaakt worden, die de
natuur, evenals God hun Schepper hebben leren erkennen en die steeds met hun
geschriften en leringen een licht voor de wereld geweest zijn. Met hen heeft
God zijn kerk op aarde gesticht tot Zijn eeuwige lof; de duivel heeft daartegen
gewoed en geraasd en menige edele twijg vernield door de boosheid in de
natuur, welker koning en God hij is. Terwijl nu de natuur dikwijls een geleerd,
verstandig mens toegerust heeft met edele gaven, zo heeft de satan zich er
volijverig op toegelegd, de mens te verleiden in vleselijke lusten, geldzucht
en macht. Daarmede heeft de duivel in hem geheerst en de boze kwaliteit heeft
de goede overheerst en uit 's mensen verstand, zijn kunst, zijn wijsheid, zijn
ketterij en dwaling voortgekomen, die de waarheid bespotten en grote
vergissingen op aarde aangericht hebben en de duivel is hun aanvoerder geweest.
Want de kwade hoedanigheid in de natuur heeft van den beginne af aan nog altijd
met de goede geworsteld en zich omhoog gewerkt en menige edele vrucht in het
moederlichaam vernietigd, wat duidelijk voor de eerste maal te zien is bij
Kaïn en Abel, die uit één moederlichaam zijn voortgekomen. Kaïn was, van de
moederschoot af aan, één die God verachtte en hoogmoedig was; Abel daarentegen
een deemoedig, godvruchtig mens.
Zo ziet men het evenzo bij de drie zonen van Noach, zo
ook bij Abraham met Israël en Ismael, in het bijzonder echter bij Israël met
Ezau en Jacob. Daarom zegt God ook “Jacob heb ik liefgehad en Ezau heb ik
gehaat.” Dit is niets anders, dan dat beide eigenschappen in de natuur hevig
met elkander hebben geworsteld. Want wanneer God in de natuur terzelfder tijd
werkt en Hij wil zich aan de wereld openbaren door de vrome Abraham, Izaak en
Jacob en Hij wil Zijn kerk op aarde stichten tot Zijn glorie en heerlijkheid,
zo werkt in de natuur ook mede de boosheid en haar aanvoerder Lucifer. Wijl nu
in de mens het boze en het goede was, zo konden beide eigenschappen in hem
regeren; daarom werd een slecht en een goed mens in één moeder tegelijk
geboren.
Zo is het ook in de aanvang aller dingen, evenals in
deze, onze tijd, duidelijk te zien, dat het Hemelse en het duivelse in de
natuur steeds en allerwege met elkander geworsteld hebben en gezwoegd, als een
vrouw in barensnood.
Bij Adam en Eva is dat het duidelijkst te zien, want er
groeide in het Paradijs een boom des goeds en des kwaads, dus van beide eigenschappen.
Adam en Eva moesten beproefd worden, of ze leven konden uit het goede op de
wijze zoals Engelen leven. Want de Schepper ver
bood Adam en Eva van de vrucht te eten. Maar de boze
eigenschap in de natuur worstelde met de goede en bracht Adam en Eva er toe,
van beide te eten. Daarom verkregen ze ook op dat zelfde ogenblik de dierlijke
gestalte en vorm en aten van het boze en van het goede en zij moesten zich op
dierlijke wijze vermenigvuldigen en 'leven en menige edele twijg, die uit hen
werd geboren, werd vernietigd. Hieruit ziet men, hoe God in de natuur heeft
gearbeid, toen de heilige vaderen in de aanvang geboren werden, zoals Abel,
Seth, Enos, Henau, Mahalaleel, Jared, Henoch, Methusalem, Sanech en de heilige
Noach; zij hebben aan de wereld de naam des Heren verkondigd en boete gepredikt,
want de Heilige Geest heeft in hen gewerkt. Daartegenover staat, dat de
duivelse geest ook in de natuur heeft gewerkt en spotters en verachters heeft
doen geboren worden, eerstens Kaïn en zijn nakomelingen en het is met de
mensen van de oude tijd gegaan als met een jonge boom, hij groeit, groent en
bloeit wel maar brengt, wegens zijn wilde natuur, weinig goede vruchten voort.
Zo gaf ook de natuur in de oude tijd weinig goede vruchten, al bloeide ze ook
overdadig, want de Heilige Geest, die ook ditmaal in de natuur gewerkt had,
zoals ook heden nog, kon er geen bezit van nemen. Daarom sprak God: “het berouwt
mij, dat ik de mensen gemaakt heb” en liet alle vlees, dat op land leefde,
sterven; de wortel en de stam bleven staan en God heeft de wilde boom bemest en
toebereid, opdat hij betere vruchten zou dragen. Maar toen de boom weer
groende, bracht hij wederom goede en slechte vruchten voort, nml. bij de zonen
van Noach; er kwamen spoedig weer spotters en Godsverachters en er groeide
nauwelijks één groene tak aan de boom, die heilige en goede vruchten
voortbracht, de andere takken droegen wilde loten.
II.
Toen God echter zag, dat het menselijke inzicht
verduisterd was, stelde Hij de natuur nog eens te werk en toonde de mensen dat er
in de natuur aanwezig was het boze en het goede, opdat zij het goede leren
zouden en hij liet het vuur van de Hemel dalen en verbrandde Sodom en Gomorra,
tot een afschrikwekkend voorbeeld voor de wereld.
Toen evenwel de menselijke blindheid hand over hand
toenam en zij zich niet door de Geest Gods wilden 'laten onderwijzen, zo gaf
Hij hun wetten en leringen, waarin vastgelegd was, hoe zij zich gedragen
moesten en hij bevestigde deze met wonderen en tekenen, opdat de erkenning van
de waarachtige God niet zou worden uitgewist. Maar het licht wilde op deze
wijze ook niet aan de dag treden, want de duisternis en de boosheid in de
natuur verweerden zich en hun vorst regeerde oppermachtig. Toen echter de toorn
der natuur op middelbare leeftijd kwam 'droeg hij verscheidene sappige, zoete
vruchten en begon te voorspellen, dat hij in het vervolg heerlijke vruchten zou
dragen. Want toen werden de heilige profeten geboren, zij leerden en predikten
over het licht, hetwelk in de toekomst de boosheid in de natuur zou overwinnen.
Zo ging ook te midden van de heidenen een licht op, zodat zij de natuur en haar
werking erkenden, hoewel dit nog niet het heilige licht was. Want de wilde
natuur was nog niet overwonnen en licht en duisternis worstelden zo lang met
elkander, totdat de zon opging en deze boom met haar warmte dwong, heerlijke,
zoete vruchten te dragen, wel te verstaan, tot de Vorst des lichts ontsproot
uit het hart van God en een mens in de natuur werd en worstelde in zijn
menselijke lichaam, in de kracht van het goddelijk 'licht, te midden van de
wilde natuur. Deze zelfde vorstelijke en koninklijke twijg groeide op en werd
een boom en breidde zijn takken uit van het Oosten naar het Westen en omvatte
de gehele natuur, worstelde en kampte met de boosheid, die in de natuur was en
met zijn vorst, totdat hij overwon en triomfeerde als een koning der natuur en
de koning der duisternis in zijn eigen huis gevangen nam. (Psalm 68). Toen dit
gebeurde, groeide uit de koninklijke boom die in de natuur gegroeid was, veel
duizenden kostelijke, frisse twijgjes, die alle de geur en de smaak van de
koninklijke boom hadden. En hoewel regen, sneeuw, hagel en onweer hem niet
gespaard bleven, zodat menig twijgje van de boom gerukt en kapot geslagen werd,
groeiden er steeds weer nieuwe twijgjes. Maar deze takjes smaakten verrukkelijk
zoet en vreugdevol, zodat noch mensen-, noch Engelentong het kan uitspreken,
want ze bezaten grote kracht en deugdzaamheid; ze dienden tot gezondheid der
blinde heidenen. De heiden, die van het twijgje van deze boom at, werd ontheven
aan de wilde natuurdrift, waaruit hij geboren was, en werd een zoete twijg aan
de kostelijke boom en groeide en droeg kostelijke vruchten, zoals de
koninklijke boom.
Daarom wendden vele heidenen zich naar de kostelijke
boom, waar de kostelijke twijgen lagen, die de vorst der duisternis met zijn
stormwinden had afgerukt; en de heiden, die aan deze afgerukte takjes rook, hij
werd gezond en genezen van de wilde boosheid die hem ingeschapen was. Toen
evenwel de vorst der duisternis zag, dat de heidenen de twijgjes afrukten en
zijn grote schade en het verlies zag, zo hield hij op met de storm in de morgen
en in de middag en plaatste een koopman onder de boom, die de takjes opraapte,
die van de kostelijke boom afgevallen waren. En als dan de heidenen kwamen en
vroegen naar de goede en krachtige twijgjes, dan bood de koopman hen aan om ze
voor geld te verkopen, opdat hij rente van de boom zou hebben. Want dit eiste
de vorst der duisternis van zijn koopman, omdat de boom in zijn land gegroeid
was en zijn akker bedierf.
Toen nu de heidenen zagen, dat de vruchten van de
kostelijke boom te koop waren, liepen zij in grote getale naar de koopman en
kochten van de vruchten van de boom en men kwam ook uit verre streken om er van
te kopen, ja van 't einde van de wereld. Toen nu de koopman zag, dat zijn waar
zoveel waard was en ook iedereen zo welgevallig was, bedacht hij een list opdat
hij voor zijn heer een grote som geld zou kunnen inzamelen en hij stuurde
kooplieden naar alle landen en hij liet zijn waren te koop aanbieden en prijsde
ze hoog. Maar hij vervalste de waren en verkocht andere vruchten inplaats van
de goede, die niet aan de boom waren gegroeid, opdat de inkomsten van zijn heer
maar groter zouden worden. De heidenen echter en alle volkeren, die op aarde
woonden, waren allen uit de wilde boom geboren, die tegelijkertijd goed en
kwaad was; daarom waren zij half blind en zagen de goede boom niet, die toch
zijn takken uitstrekte van boven tot beneden, anders hadden zij de valse
vruchten niet gekocht. Omdat zij echter de kostelijke boom niet kenden, die
toch zijn takken over hen allen uitstrekte, zo liepen ze allen de kooplieden
na en kochten vermengde, valse waren in plaats van goede en meenden dat zij
gezond zouden maken. Omdat zij echter allen zozeer naar de goede boom
verlangden, die toch over hen allen zich uitstrekte, zo werden velen van hen
gezond door het grote verlangen, dat zij naar de boom hadden. Want de geur van
de boom, die over hen zweefde,
maakte hen gezond en genas hen van hunne
boosheid.
Toen
nu de vorst der duisternis, die de bron is van woede, boosheid en verderf, zag
dat de mensen gezond werden door de geur van de kostelijke boom, werd hij
toornig en plantte tegen middernacht een wilde boom en liet uitroepen: dit is
de boom des levens; wie daarvan eet wordt gezond en zal eeuwig leven. Want de
plek waar de wilde boom groeide, was een wilde plaats en de volkeren hadden het
ware goddelijke licht van de beginne af en ook nu nog niet gevonden; en de boom
groeide op de berg van Hagear, in het huis van Israël de spotter. Daar echter
van de boom gezegd werd, dat hij was de boom des levens, zo liepen de wilde
volkeren naar de boom. Zij waren niet uit God geboren, maar uit de wilde natuur
en zij hielden van de wilde boom en aten van zijn vruchten. En de boom groeide
en werd groot en breidde zijn takken uit van dag in, dag uit, de boom evenwel
had zijn oorsprong en wortel in de wilde natuur, die boos en goed was, evenzo
waren ook zijn vruchten. Omdat echter de mensen van deze plaats allen uit de
wilde natuur geboren waren, zo groeide de boom over hen allen heen en werd zo
groot, dat hij met zijn takken reikte tot in het dierbare land onder de heilige
boom. Dit was evenwel de oorzaak ervan, dat de wilde boom zo groot werd; de
volkeren onder de goede boom liepen allen de kooplieden na, die de valse waren
verkochten en zij aten van de boze vruchten, die ook èn boos èn goed waren, en
meenden, dat ze daardoor gezond werden, en zij lieten de heilige, goede en
krachtige boom maar steeds staan. In die tussentijd werden zij blind, matter en
zwakker, en konden niet verhinderen dat de wilde boom doorgroeide. Als zij niet
de kooplieden met de valse vruchten waren nagelopen en hier niet van hadden
gegeten, maar van de kostelijke vruchten hadden gegeten, dan zouden zij
krachtig zijn geworden en de wilde boom tegengehouden hebben in zijn groei.
Omdat zij nu de wilde natuur in hun beuzelarij naar hartelust vol huichelarij
hoereerden, zo heerste ook de wilde natuur over hen en de wilde boom groeide
hoog over hen heen en vernietigde hen met zijn wilde kracht. Want de vorst der
duisternis gaf aan de boom zijn kracht en vernietigde de mensen, die van de
wilde vruchten van de koopman aten. En daar ze de boom des levens in de steek
lieten en hun eigen inzichten volgden, zoals moeder Eva in het paradijs, zo
werd hun eigen karakter overheersend en raakten zij in zulk een grote dwaling,
zoals Paulus bedoelt in 2 Thess. 2, 11. En de vorst der duisternis deed oorlog
en stormwinden ontstaan en liet ze losbarsten over de volkeren die niet uit de
kwade boom geboren waren en zij vielen in hun vermoeidheid en zwakheid door het
onweer, dat van de wilde boom uitging. En de koopman onder de goede boom
bedroog de volkeren dag in, dag uit en prees zijn waren zeer hoog en bedroog de
eenvoudigen listig en de verstandigen maakte hij tot zijn kooplieden, zodat ook
zij winst er bij hadden, tot hij het zover bracht, dat niemand de heilige boom
meer goed zag en onderscheidde; hij werd het eigendom van het land en hij liet
uitroepen: (2 Thess. 2) “Ik ben de stam van de goede boom en sta op de wortels
van de goede boom en ik ben ingeënt in de boom des levens. Koop mijn vruchten,
zo zult ge gezond worden en eeuwig leven. Ik ben uit de wortelen van de goede
boom opgegroeid en ik heb de vruchten van de heilige boom in mijn macht en ik
zit op de stoel van de goddelijke kracht en ik heb macht in Hemel en op aarde,
komt tot mij, koopt voor geld van de vruchten des levens.”
Toen liepen alle volkeren
toe, kochten en aten, tot ze er aan ten gronde gingen. Alle koningen aten ten
alle tijde van de vrucht van de koopman en leefden in grote onmacht, want de
wilde boom overschaduwde hoe langer hoe meer en vernietigde hen gedurende een
lange tijd. En er was een zo grote ellende op aarde, als :er sinds de wereld
geschapen was, niet geweest was, maar de mensen meenden dat het een goede tijd
was, zozeer was de koopman onder de boom verblind. Ten laatste echter klaagde
de barmhartige God over des mensen ellende en verblindheid en stelde nog
eenmaal de goede, heerlijke en goddelijke boom in werking, die de vrucht des
levens droeg, toen groeide er een twijg dicht bij de wortel en deze werd groen
en aan dit twijgje werd gegeven het sap en de geest van de boom en het was,
alsof het met mensentong sprak en iedereen de kostelijke boom toonde en zijn
stem weerklonk tot in verre landen. De bewoners kwamen toelopen om te zien, wat
dat was. Toen werd hun getoond de kostelijke en deugdzame boom des levens,
waarvan de mensen in den beginne gegeten hadden en zij waren verlost. En zij
verheugden zich zeer en aten van de boom des 'levens vol vreugde en werden
verkwikt. En zij ontvingen nieuwe kracht en zongen een nieuw lied en werden
verlost en haatten de koopman met zijn valse vruchten. Allen die hongerden en
dorsten naar de boom des levens, kwamen, ookzij die, in de
stof terneer zaten en zij aten van de heilige boom en werden gezond en verlost
van hun boosheid en zij werden ingeënt in de boom des levens. Alleen de
handlangers van de koopman en de huichelaars en zij die woekerwinst hadden
gemaakt met hun valse waren en sommen hadden verzameld, kwamen niet, want zij
waren in de woeker van de koopman ten onder gegaan en de dood gestorven, en zij
leefden in de wilde natuur; en de angst en schande, die blootgelegd werden
hield hen terug. Zij hadden met de koopman zo lang gehoereerd en de zielen van
de mensen verleid, terwijl ze er zich toch op beroemden, dat ze in de boom des
levens ingeplant waren en in goddelijke, heilige kracht leefden, maar ze
verkochten de vruchten van de boom des levens.
Omdat nu hun schande, bedrog,
gierigheid en sluwheid openbaar werd, verstomden zij en schaamden zich inplaats
van boete te doen voor hun gruweldaden en afgoderij en met de hongerigen en
dorstigen naar de bronwel van het eeuwige leven te gaan. Daarom versmachtten
zij ook van dorst en hun pijn verergerde van eeuwigheid tot eeuwigheid en hun
geweten knaagde. Toen nu de koopman met de valse waren zag, dat zijn bedrog
bekend was geworden werd hij zeer toornig en bevreesd, en richtte zich tegen
het heilige volk, dat zijn waren niet meer kopen wilde en doodde er velen van
het heilige volk en sprak wederom kwaad van de groene twijg, die uit de boom
des levens was ontsproten, Maar de grootvorst Michael, die voor God staat,
kwam en streed voor het heilige volk en overwon.
Toen echter de vorst der duisternis zag dat zijn koopman
was gevallen en dat zijn bedrog bekend was geworden, deed hij storm ontstaan
tegen het heilige volk en de koopman woedde ook tegen hen; toen nam het heilige
volk zeer toe, zoals het in de aanvang met de heilige en kostelijke boom ook
was.
Deze overwon de boosheid der natuur en haar aanvoerder.
Toen nu de edele en heilige boom aan alle volken zich had geopenbaard, zodat
zij zagen, hoe hij boven hen allen zweefde en zijn schoonheid aan hen allen
gaf, en allen die wilden, van de vruchten liet eten, werd het volk oververzadigd
van de vruchten, die aan de boom groeiden en begeerden van de wortel van de
boom te eten; en de wijzen en verstandigen zochten de wortel en twistten er om.
De strijd werd hevig, zo hevig, dat zij vergaten van de vruchten van de zoete
boom te eten.
Maar het was hun niet om de wortel en niet om de boom te
doen, de vorst der duisternis had iets anders in de zin. Omdat hij zag, dat zij
niet meer van de goede boom eten wilden, maar twistten om de wortel, zag hij
ook wel dat zij zeer moe en zwak werden en dat de wilde natuur wederom in hen
heerste. Daarom gaf hij hun hoogmoed, zodat ieder voor zich meende, dat hij de
wortel had en men hem moest eren en naar hem moest zien en luisteren. Toen
bouwden zij zich paleizen en dienden in het geheim de mammon, “daardoor werden
de oningewijden geërgerd”, en zij leefden naar de lusten huns vlezes, in
begeerte naar de natuur en verzadigden zich; zij verlieten zich op de vruchten
van de boom, die over hen al zijn takken uitbreidde, in de hoop dat ze, al
waren ze nu al in het verderf geraakt, weer gezond mochten worden. En
terzelfder tijd dienden zij de vorst der duisternis naar de wilde natuurdrift
en de kostelijke boom stond daar maar te kijken en velen van hen leefden als de
wilde dieren en leidden een slecht leven in hoogmoed, pracht en overvloed en de
rijke verbruikte de arbeid en het zweet van de arme en verdrukte hem nog
daarbij. Alle boze daden werden met geschenken goed gemaakt, een ieder jaagde
naar veel geld en goed, was hoogmoedig, dwaalde en braste. De ellendige zag
geen uitredding; schelden, vloeken en zweren werd niet tot zonde gerekend, zij
wentelden zich in het boze als een zwijn in de modder.
Zo deden de herders met de schapen en zij hielden niets
meer over dan de naam van de boom; zijn vrucht, zijn kracht en leven moest de
dekmantel voor hun zonden zijn.
Alzo leefde de wereld in die tijd, uitgezonderd een
kleine groep, die werd geboren temidden van de doornen; in grote tegenspoed en
verachting leefden zij; zij werden gevonden onder alle volkeren der aarde, van
Oost tot West.
Daar was geen onderscheid, behalve dat kleine groepje,
dat uitgered was uit alle volkeren. Zij leefden allen naar de wilde
natuurdrift, in hun overmacht. Zoals het was vóór de zondvloed en vóór het
ontstaan van de edele boom, zo was het in die tijd. Dat echter de mensen
tenslotte zeer naar de wortel van de boom verlangden, is een geheimenis, een
mysterie, en dat is voor de wijzen en verstandigen tot die tijd verborgen gebleven,
evenals de edele boom met zijn kern altijd voor de wereldwijzen borgen is
gebleven. Al meenden ze ook, dat ze iets heel bijzonders waren “zo is het toch
maar als een lichte damp voor hun ogen geweest.” Dei edele boom evenwel heeft
van de aanvang tot op heden volijverig in de natuur gearbeid, opdat hij aan
alle volkeren, tongen en talen zou worden geopenbaard; daarentegen heeft de
duivel in de wilde natuur geraasd en getierd en zich verweerd als een grimmige
leeuw. Maar de edele boom bracht hoe langer hoe zoeter vruchten voort en
openbaarde zich al meer en meer tegen het woeden en tieren van de Satan in, tot
aan het einde; toen brak het licht door. Want er ontsproot een groen twijgje
aan de wortel van de edele boom en dit kreeg het sap en de levenskracht van de
wortel en de geest van de boom werd hem gegeven, die de boom aan de mensen
moest verklaren in zijn kracht en heerlijkheid. Toen dit gebeurde gingen in de
natuur de beide deuren open, de erkenning van de beide hoedanigheden, het boze
en het goede, en het Hemelse Jeruzalem werd geopenbaard aan alle mensen,
evenals het rijk van de Satan. En het Licht scheen en de Stem klonk naar alle
windstreken en de oneerlijke koopman werd ontmaskerd en die de zijnen waren
haatten hem en doden hem. Toen dit gebeurde, verdorde ook de wilde boom tegen
middernacht en het gehele volk zag de heilige boom in verre verten met verwondering
aan. En de vorst der duisternis werd bekend en zijn geheimenissen ontdekt en
de mensen op aarde zagen zijn schande en bespotting, want het was licht
geworden.
Maar het duurde slechts een korte tijd, daarna lieten de
mensen het licht weer in de steek en leefden naar de lusten huns vlezes tot hun
verderve; want evenzo als de poort des lichts was opengegaan, alzo ook de poort
der duisternis en uit die beide gingen allerlei krachten en al wat daar binnen
was.
Zoals de mensen van de aanvang af geleefd hadden naar de
wilde natuur en zich
slechts naar het aardse hadden gericht, zo wilde het ook niet beter, maar wel erger
worden. In dit tijdsgewricht werden dag in, dag uit veel hevige stormen
ontketend; een grote waterstroom overspoelde de heilige boom en bedierf veel
twijgen van de heilige boom en midden in de stroom werd het licht en de wilde
boom verdorde tegen midder
nacht. En de vorst der duisternis
werd te midden van de grote beroering der natuur vertoornd; want de heilige
boom verhief zich en werd ontstoken ter verheerlijking van de heilige,
goddelijke majesteit en deed de boosheid van zich, die hem zo lange tijd was
tegemoet getreden en die zo met hem geworsteld had. Evenzo verhief de boom der
duisternis zich vol grimmigheid en verderf en toen hij ontstoken zou worden
ging de vorst der duisternis met zijn legioenen heen om de edele vruchten van
de goede boom te vernielen. En het was verschrikkelijk, zoals de vorst der
duisternis woedde, het was, alsof men een zwaar onweer zag opkomen, dat zich
met veel lichtflitsen en veel stormwinden gruwelijk en verschrikkelijk
openbaarde, zodat men zich er over verbaasde. Daarentegen was het, waar de
heilige boom des levens stond, zeer lieflijk, vreedzaam en vreugdevol, als in
het Hemelse rijk der vreugden. Deze beide verhieven zich zodanig tegen
elkander, dat de gehele natuur werd ontstoken, zowel het goede en het kwade in één
ogenblik. En de boom des levens werd ontstoken naar zijn eigen aard met het
vuur van den Heiligen Geest en hij brandde met het vuur van het Hemelse
vreugdenrijk in onnaspeurlijke klaarheid en helderheid.
In dit vuur lieten zich alle stemmen horen die van
eeuwigheid af er waren geweest en het licht van de heilige Drie-eenheid
straalde van de boom des levens en vervulde de plaats waarop hij stond. En de
boom des kwaads, die het andere deel van de natuur uitmaakte, werd ook
aangestoken en hij brandde in het vuur van de goddelijke toorn met helse
vlammen en de boze vlam steeg op, zonder einde en de vorst der duisternis met
zijn legioenen bleef in de boosheid als in zijn eigen rijk. In dit vuur verging
de aarde, de sterren en de elementen, want alles brandde tegelijk, elk in zijn
eigen vuur, en alles werd ontbonden. Want het oude kwam in beweging, en alle
krachten en alle schepselen en alles wat er bestond en de krachten van de
Hemel, van de sterren en de elementen werden weder soepel en zij werden in
dezelfde vorm gegoten, die ze voor de aanvang der schepping gehad hadden.
Alleen de beide eigenschappen, goed en kwaad, die in de
natuur verweven waren geweest, werden van elkander gescheiden en het boze werd
aan de vorst der duisternis tot een eeuwigdurende woonplaats gegeven; dit heet
de hel of verwerping. welke door het goede in eeuwigheid niet meer kan worden
aangeraakt; een vergeten van al het goede en dat wel in alle eeuwigheid.
De boom des eeuwigen levens stond in de goede aarde en
hij vindt zijn oorsprong in de Heilige Drie-eenheid, en de Heilige Geest
doorlicht hem. En alle mensen werden geboren uit Adam, de eerste mens, een
ieder met zijn eigen kracht en met zijn eigen karakter. Die op aarde van de
goede boom gegeten hadden, die Jezus Christus heet, in hen groeide de
barmhartigheid Gods tot eeuwige vreugde; zij hadden de kracht tot het goede in
zich en werden opgenomen in de goedheid en heiligheid Gods en zongen het lied
van hun Bruidegom, een ieder met zijn eigen stem, al naar hij gevorderd was.
Zij die echter in het licht der natuur en des geestes geboren waren en op aarde
de boom des levens nooit recht erkend hadden, al waren zij in Zijn kracht
gegroeid (de boom des levens overschaduwde alle mensen op aarde, zoals daar
zijn vele heidenen en vele volkeren en onwaardigen), zij werden ook opgenomen
in de kracht, waarin zij gegroeid waren en waarvan hun geest doordrongen was,
en zij zongen het lied van de edele boom des eeuwigen levens; want een ieder
werd geoordeeld naar de mate van zijn kracht. En de heilige natuur deed Hemelse
vreugdevolle vruchten geboren worden. En de mensen, die nu aan de Engelen
gelijk waren, aten, een ieder van de vrucht van zijn eigen kwaliteit en zongen
het lied van God en het lied van de boom des eeuwige levens.
En dat was als een heilig spel, een triomferende vreugde;
want daartoe waren alle dingen in de aanvang door den Vader gemaakt, en dat
blijft in eeuwigheid hetzelfde. Zij echter die gegroeid waren uit de kracht van
de boom des worms, dat wil zeggen, die door het boze waren overwonnen en
verdord waren in hun zonden, zij werden opgenomen in het rijk der duisternis en
hun koning heet Lucifer, een verstotene uit het Licht. En de helse macht bracht
ook vruchten voort, zoals ook op aarde was geschied. Alleen was het goede van
hen weggegaan, daarom bracht zij boze vruchten voort. En de mensen, die thans
ook aan de geesten gelijk waren aten van deze vruchten, evenals ook de Satan;
want zoals er onderscheid is tussen de mensen op aarde en zij niet allen van
één hoedanigheid zijn, zo is het ook met de verstoten geesten, evenzo ook met
de in Hemelse glorie vertoevende Engelen en mensen en dat duurt in eeuwigheid.
Amen.
Waarde lezer, dit is een korte
uiteenzetting van de twee eigenschappen in de natuur, van de aanvang af tot aan
het einde; men ziet, hoe daaruit twee rijken zijn ontstaan, een Hemels en een
hels en hoe zij in deze tegenwoordige tijd tegen elkander strijden en hoe het
in de toekomst met hen zal gaan.
Nu heb ik echter dit boek genoemd: De Wortel of Moeder
der filosofie, astrologie en theologie. Weet echter, waarover dit boek handelt.
1. De filosofie handelt over de
goddelijke kracht; wat God is en hoe de natuur, sterren en elementen in het
wezen Gods bestaan, vanwaar elk ding zijn oorsprong heeft; hoe de Hemel en de aarde
zijn geschapen; ook Engelen, mensen en duivelen, evenals Hemel en hel, alsook
al het geschapene; ook behandelt de filosofie de beide eigenschappen in de
natuur, het inzicht in de geestelijke dingen, in verband met wat God ten
opzichte hiervan bewerkstelligt.
2. De astrologie behandelt de krachten der natuur, der
sterren en elementen en hoe uit hen alle schepselen zijn voortgekomen. Hoe
deze krachten het Al voortstuwen, regeren en bewerken. Hoe het boze en het
goede door hen in de mensen en dieren wordt neergelegd; gezegd wordt, dat deze
krachten veroorzaken, dat het boze en het goede in deze wereld heersen en dat
het Hemelse rijk, evenals de hel bestaan. Het ligt niet in mijn bedoeling, de
loop, de plaats of de naam van alle sterren te beschrijven of hoe zij
jaarlijks hun conjunctie of oppositie of quadraat hebben, hoeveel zij per jaar
en per uur arbeiden; dit alles is na vele jaren bekend geworden bij wijze,
verstandige mensen door vlijtig aanschouwen en opmerken; door diep denken en
narekenen. Dit alles heb ik ook niet geleerd en bestudeerd en ik laat het de
geleerden behandelen; mijn voornemen evenwel is naar de geest
en het verstand te schrijven en niet naar de aanschouwing.
3. De theologie behandelt het rijk
van Christus, hoe dit is gesticht en hoe het gesteld is tegenover het Rijk der
Duisternis. Ook hoe het in de natuur met het Rijk der Duisternis kampt en
worstelt. De theologie behandelt, hoe de mensen door den Geest en door het
Geloof het helse rijk kunnen overwinnen en in Gods kracht kunnen triomferen en
de eeuwige zaligheid kunnen verkrijgen. Hoe zij de zege na de strijd kunnen wegdragen.
Hoe de mens zich, door de werking van de helse macht in het verderf stort en
ten slotte, hoe het met beide eindigen zal. De eerste titel: “Morgenrood in opgang”
is een geheimenis, een mysterie, de wijzen en verstandigen in deze wereld
verborgen, zoals zij zelf binnen korte tijd zullen moeten ervaren. Degenen
echter, die dit boek in eenvoud des harten lezen, vol van heilige begeerte,
die hun hoop alleen op God stellen, voor hen zal het geen geheimenis zijn, maar
een geopenbaarde kennis. Ik wil deze titel niet verklaren, maar aan de
onpartijdige lezer, die in deze wereld worstelt om het goede te bereiken, ter
beoordeling overlaten.
Wanneer nu de eigenwijze, die in het boze is, dit boek in
handen krijgt, zal hij zich er tegen verzetten, evenals het Hemelse en het
helse rijk zich tegenover elkander stellen. Allereerst zal hij zeggen, dat ik
veel te hoog in godgeleerdheid ben gestegen, en dat mij zoiets niet betaamt.
Dan zullen ze zeggen, dat, als ik in den Heiligen Geest roem, dat ik er ook
naar moet leven en dat met wonderen moet bewijzen. Ten derde zullen ze zeggen,
dat ik zo handel uit begeerte naar roem. Ten vierde zal men zeggen, dat ik er
niet geleerd genoeg voor ben. Ten vijfde zal de grote eenvoud van de schrijver
hen ergeren, zoals het in de wereld gebruikelijk is slechts naar het hoge te
zien en zich aan het eenvoudige te ergeren. Aan de partijdige “wijzen” wil ik
de aartsvaders uit de oude wereld voor ogen stellen; zij waren ook slechts
geringe en verachte mensen, tegen wie de wereld en de satan woedden en raasden,
als in de tijd van Henoch, toen de heilige vaderen de naam des Heren met macht
hebben gepredikt; ook zij zijn niet lichamelijk ten Hemel gevaren en hebben ook
niet alles met hun ogen gezien; de Heilige Geest heeft zich aan hun geest
geopenbaard. Hierna ziet men het ook bij de heilige aartsvaders, patriarchen
en profeten; zij waren allen tezamen slechts eenvoudige lieden, eensdeels
slechts herders. Ook toen de Messias, Christus, de Held in de strijd tegen de
natuur, een Mens werd, zo leefde Hij toch in deze wereld in grote eenvoud, al
was Hij ook een Vorst en de Koning der Mensheid. Hij was slechts huisgenoot
dezer wereld, evenals zijn discipelen alle tezamen maar arme, verachte vissers
en kleine lieden waren. ja, Christus zelf dankt Zijn Hemelse Vader ervoor, dat
Hij het de wijzen en verstandigen van deze wereld verborgen heeft en het de
kinderkens heeft geopenbaard. (Mattheus 1).
Daaruit ziet men, hoe ook zij arme zondaars zijn geweest
en beide eigenschappen, de goede en de boze hen hebben aangekleefd. Dat zij
echter ook tegen de zonde der wereld en tegen hun eigen zonde de strijd hebben
gevoerd, dat hebben zij gedaan door de drang des Heiligen Geestes, en niet uit
zucht naar roem. Ook hebben zij uit eigen kracht en vermogen niets gedaan, en
zij hebben uit zichzelf niets over de geheimenissen Gods geweten; het is alles
geschied door Gods wil. Zo kan ik van mijzelf ook niets anders zeggen, roemen
of schrijven dan dit, dat ik een eenvoudig man ben, daarbij een arme zondaar en
dat ik elke dag moet bidden: “Heer, vergeef ons onze schuld.” En ik moet mèt
den apostel zeggen: “O, Heer, Gij hebt ons door uw bloed verlost.” Ook ik ben
niet ten Hemel gevaren en heb alle werken en alle schepselen Gods niet gezien,
maar de Hemel is in mijn wezen geopenbaard, opdat ik de werken Gods en al wat
Hij geschapen heeft zal erkennen; de wil daartoe is ook niet mijn natuurlijke
wil, maar het is de drijfkracht des Geestes; ik heb ook menige duivelse aanslag
moeten ondervinden. De geest des mensen is echter niet alleen uit sterren en
elementen voortgekomen, maar er is ook een vonk van het Goddelijk Licht en de
Goddelijke kracht in verborgen. Het woord, dat in Gen. 1, vers 21 staat, is
niet zonder betekenis: “God schiep de mens naar Zijn beeld”, ja, naar het beeld
Gods schiep Hij hem. Hij is uit het Wezen der Godheid gemaakt. Het lichaam is
uit de elementen, daarom moet het ook overeenkomstige spijzen hebben. De ziel heeft
haar oorsprong niet alleen in het lichaam en hoewel zij in het lichaam ontstaat
en haar eerste begin het lichaam is, zo heeft zij toch haar bron ook daar
buiten door de lucht; de Heilige Geest heerst ook in haar naar zijn aard en
wijze, zoals hij alles vervult en zoals in God alles is en God Zelf alles is.
Omdat de Heilige Geest in de ziel woont, als der ziele eigendom, daarom
doorvorst de ziel de Godheid en ook de natuur, want zij is uit het wezen der
godheid ontstaan en dat is haar bron. Doordat zij aangestoken is door den
Heiligen Geest, ziet zij wat God, haar Vader, maakt, zoals een zoon des huizen
ziet, wat zijn vader tot stand brengt. Zij is een 'lid of een kind in het huis
van den Hemelsen Vader.
Zoals het oog van de mens ziet tot in de hersenen,
vanwaar het zijn oorsprong heeft, zo ziet ook de ziel tot in het Goddelijke
Wezen, in Wie zij leeft.
Omdat echter de ziel ook haar
oorsprong in de natuur heeft, en in de natuur het goede, zowel als het boze is,
en zich de mens ook door de zonde in de boosheid der natuur geworpen heeft,
zodat de ziel dagelijks en ieder uur met zonden wordt bevlekt, zo is haar
inzicht slechts gebrekkig, want de boosheid in de natuur heerst nu ook in de
ziel. De Heilige Geest echter wil niets weten van deze boosheid maar beheerst
de bron der ziel, die is het Licht Gods, en de Heilige Geest strijdt tegen de
boosheid in de ziel. Daarom kan de ziel in dit leven niet tot volkomen inzicht
komen, omdat licht en duisternis gescheiden zijn en de boosheid wordt met het
lichaam tegelijk in de aarde verteerd; dan ziet de ziel helder en volkomen in
God, hare Vader.
Als echter de ziel door den Heiligen Geest wordt
aangestoken, zo triomfeert ze in het 'lichaam alsof er een groot vuur ontstoken
is, dat hart en nieren van vreugde doet beven. Er is echter niet dadelijk de
grote en diepe kennis van God, hare Vader, maar de liefde jegens God triomfeert
in het vuur van den Heiligen Geest. De kennis van God wordt in het vuur van den
Heiligen Geest gezaaid; zij is in het begin klein, als een zaadkorreltje, zoals
Christus zegt. (Mattheus 13); daarna groeit zij en wordt als een boom en breidt
zich uit in God, hare Schepper; het is er mee als met een druppel water in de
grote zee, deze kan alleen niet veel uitrichten; wanneer echter een brede
stroom er in uitstroomt, dan kan deze veel meer teweeg brengen.
Het verleden, het heden en de toekomst, zowel als de
breedte, diepte en hoogte, het dichtbije en verre is in God slechts één, één
begrip; en de heilige ziel van de mens ziet dit ook, maar in deze wereld nog
slechts ten dele. Het valt haar echter ook vaak op, dat zij niets ziet, want de
duivel houdt het boze, dat in de ziel is, krachtig in stand en bedekt dikwijls
het edele zaadkorreltje; daarom moet de mens altijd strijd voeren.
Op zulk een wijze, met zulk een kennis van den Geest wil
ik in dit boek over God, onzen Vader schrijven, in Wie alles is en Die zelf
“het Al' is; op deze wijze wil ik behandelen, hoe alles is ontstaan en hoe
alles leeft en beweegt in de ganse boom des Levens. Zo zult ge de oorsprong der
Godheid zien en hoe Hij bestond voor 's werelds aanvang; ook zult ge zien, hoe
de heilige Engelen werden geschapen en waaruit; ook van de vreselijke val van
Lucifer met zijn legioenen zult ge horen; ook waaruit
Hemel, aarde, sterren en elementen zijn ontstaan, zowel
als de metalen in de aarde, de stenen en al het geschapene; de geboorte van het
Leven en de stoffelijkheid aller dingen; ook wat is de Hemel, waar God en Zijne
heiligen wonen, en wat de toorn Gods en het helse vuur is en hoe alles is aangestoken.
In één woord: Wat en Wie het Wezen van alle Wezen is. De eerste zeven
hoofdstukken behandelen zeer eenvoudig en begrijpelijk het wezen van God en de
Engelen door middel van gelijkenissen, opdat de lezer, stap voor stap eindelijk
de diepe zin -en de juiste grond zal kunnen begrijpen.
In hoofdstuk 8 begint de
diepte van het Goddelijk Wezen, hoe langer hoe wijder en dieper. Menig gedeelte
wordt herhaald en steeds intenser beschreven, terwille van de duidelijkheid,
voor degene die het leest en ook voor mijzelf.
Wat ge echter in dit boek niet duidelijk uitgelegd vindt,
dat zult ge later helder en duidelijk vinden, want wegens 's mensen
verderfelijkheid is onze kennis en ons inzicht slechts stukwerk en niet op
eenmaal volkomen, hoewel dit boek een wereldwonder is, hetwelk de geheiligde
ziel wel zal verstaan. Hiermee beveel ik de lezer in de tedere -en heilige
Liefde Gods aan.
EERSTE
HOOFDSTUK.
Hoewel vlees en bloed het Wezen der Godheid niet kunnen
verstaan, maar alleen de geest dat kan, wanneer hij door God verlicht en door
God ontstoken is, zo moet men, wil men echter van God spreken, ijverig gewagen
van de krachten in de natuur, waaruit de ganse schepping, Hemel en aarde,
sterren, elementen en schepselen zijn voortgekomen; alsook de heilige Engelen,
de Satan en de mensen, ja, de Hemel en de hel. In deze beschouwing ontdekt men
twee hoedanigheden, een goede en een kwade, die in deze wereld in alle
krachten, in sterren en elementen, evenzo als in alle schepselen verborgen
zijn; en er bestaat ook geen vleselijk schepsel in het natuurlijke leven, dat
deze beide kwaliteiten niet in zich heeft. Hier moet men verstaan, wat het
woord hoedanigheid of eigenschap betekent.
Dit wil zeggen de beweeglijkheid, het stuwen of drijven
der dingen, zoals daar is de hitte, die brandt, verteert en alles opslurpt, wat
binnen haar bereik komt, en wat niet van haar eigen “hoedanigheid” is.
Daartegenover staat, dat zij alles verlicht en verwarmt wat koud, nat en
donker is en hetgeen zacht is, hard maakt. Ze heeft echter nog twee factoren in
zich, nl. het Licht en het Verderf; daarover is 't volgende op te merken. Het
Licht of het “Hart van de Warmte” is op zichzelf iets lieflijks en vreugdevols,
een levenskracht, een verlichting van dingen die onduidelijk zijn, en het is
een gedeelte, of ook kan men zeggen de bron, van het Hemelse Vreugdenrijk. Want
het maakt in deze wereld alles levend en beweeglijk; alle vlees, zowel als
bomen, loof en gras groeien op deze wereld door de kracht van het Licht en
ontvangen hun leven hier door. Dit is het goede. Maar daar staat tegenover, dat
het Licht óók het verderf in zich heeft, want het brandt, verteert en
vernietigt; dit verderf ontstaat, werkt en verheft zich in het Licht en maakt
het Licht beweeglijk; het worstelt en strijdt met het goede, dat er in het
Licht is. Het Licht heeft dus een tweevoudige bron. Het Licht bestaat in God,
zonder hitte, maar in de natuur bestaat het niet; want in de natuur zijn alle
eigenschappen in elkander verzonken, alsof ‘t één eigenschap was, naar zijn
aard en wijze; evenals God “Alles” is en door Hem alles ontstaat en van Hem
alles uitgaat. God is het Hart of de bronwel der natuur, uit Hem komt alles
voort. Nu heerst de hitte in alle krachten der natuur en verwarmt alles en is
een bron van alles; wanneer dat niet zo was, dan zou het water veel te koud
zijn en de aarde zou verstijven, en er zou geen lucht zijn. De hitte heerst in
alles, in de bomen, in kruid en gras en ze maakt het water beweeglijk, opdat
hierdoor op aarde kruid en gras zal groeien. Daarom is zij een eigenschap,
omdat zij in alles heerst en alles doortintelt. De factor “licht” echter, in de
eigenschap hitte, geeft aan alles datgene waardoor het lieflijk en vreugdevol
wordt. De hitte zonder licht is van geen nut, maar eerder een vernietiging van
het goede, een boze bron, want alles gaat teniet in haar razernij. Maar het
element “licht” in de “hitte” is een levende bron, waarin de Heilige Geest kan
leven. De hitte maakt het licht beweeglijk, zodat het werkt en stuwt, hetgeen
men waarneemt in de winter; dan is het zonlicht ook op de aarde, maar de
warmtestraal der zon kan de aardbodem niet bereiken; daarom groeit er ‘s
winters ook geen enkele vrucht.
De koude is ook een eigenschap, evenals de hitte. Zij is
in alle schepselen en in alles, wat zich beweegt; in mensen, dieren, vogels,
vissen, wormen, loof en gras en zij is tegengesteld aan de hitte. Zij keert de
woede van de hitte en stilt en kalmeert deze. Ze heeft echter ook twee factoren
in zich, nl., dat zij de hitte verzacht en alles zeer lieflijk maakt. Ze is in
alle schepselen een levensfactor, want er is geen schepsel, dat buiten de koude
bestaan kan, want zij is een drijvende beweeglijkheid in alle dingen. De andere
eigenschap is het verderf, want waar dit macht krijgt, drukt het alles terneder
en vernietigt alles, evenals de hitte; er kan geen leven bestaan, wanneer de
hitte de koude niet weert. Het verderf van “de koude” is een vernietiging van
alle leven en het kan vergeleken worden met een huis des doods, evenals het
verderf, dat gepaard gaat met de hitte.
De lucht heeft haar oorsprong in de hitte en in de koude;
want de hitte en de koude arbeiden voortdurend en vervullen alles; daardoor
ontstaat een levende en werkende beweging.
Wanneer evenwel de hitte en de koude zich wat matigen,
wordt de kwaliteit van beide ijl; soms ook wordt het gecondenseerd; de lucht
echter heeft haar oorsprong in de hitte en het water ontstaat uit de koude. Nu
strijden de beide eigenschappen steeds met elkander; de hitte doet het water
vervluchtigen en de koude doet de lucht verstijven. Nu is echter de lucht de
oorzaak en de geest van alle leven en alle beweging in deze wereld, zowel in
het vlees als in alles, wat op aarde groeit. Zo dankt alles zijn bestaan aan de
lucht, en niets kan daarbuiten bestaan. Het water ook is oorzaak van de levende
en werkende dingen in deze wereld; het lichamelijke van alle dingen wordt
bepaald door het water; de geest door de lucht, of het nu betreft het lichaam
des mensen of het gewas op de aarde, en deze beide worden bepaald door de hitte
en de koude en zij beide zijn als één Eenheid. Nu zijn echter in deze beide
hoedanigheden ook twee soorten op te merken, nl. de levenwekkende en de dodende
werking. De lucht is een levenwekkende eigenschap, doordat zij gematigd in het
een of andere voorwerp aanwezig is en de Heilige Geest heerst in de
zachtmoedigheid der lucht en alle schepselen zijn vrolijk daar in. Zij heeft
echter ook een boze eigenschap in zich, zodat zij doodt en verderft door haar
gruwzaamheid. Deze eigenschap ontstaat uit het Boze, het werkt en worstelt in
alles, wat bestaat; daarom moeten beide in dit leven aanwezig zijn. Het water
heeft ook een boze, dodelijke bron in zich, want het veroorzaakt dood en
verrotting. Al het levende en bewegende moet in het water vervuilen en
bederven. Alzo ziet men, dat de hitte en de koude oorzaak en oorsprong zijn van
het water en van de lucht. Daarin werkt en bestaat alles. En daarover zal ik
duidelijk schrijven van voor de schepping der sterren af.
Over
de eigenschap bitterheid.
Het bittere is het hart van alle
leven; zoals deze eigenschap het water, dat in de lucht aanwezig is,
tesamenvoegt, zodat het deelbaar wordt, zo werkt ze ook in alle schepselen,
alsook in het gewas, dat op de aarde groeit, want loof en gras hebben hun
groene kleur ontvangen door deze eigenschap. Als nu deze hoedanigheid in enig
schepsel gematigd woont, zo is ze deze mens tot vreugde, want zij doet alle
andere boze invloeden teniet en is een begin en de oorzaak van de vreugde en
van de lach. Want wanneer zij in werking gesteld wordt, maakt zij een mens aan
het sidderen en vol van vreugde, en heft hem met zijn gehele wezen op, want het
is als ware het ‘t Hemelse Rijk der Vreugde, een opheffing van de Geest; geest
en kracht in alles wat groeit op aarde; een moeder des levens.
De Heilige Geest werkt en stuwt
machtig in deze eigenschap, want zij is een stuk van het Hemelse Vreugdenrijk,
zoals ik hierna zal bewijzen. Ze heeft echter nog een factor in zich, nl. de
boosheid. Deze is dodend, en bederft al het goede; een vernietiging en
vernieling van het lichamelijke leven. Want wanneer zij zich in een wezen te
zeer verheft en zich ontsteekt aan de hitte, zo scheidt zij het vlees van de
Geest en het schepsel moet dan de dood sterven, want zij vindt haar oorsprong
in het element vuur en zij ontsteekt zich ook daaraan. Daar kan geen vlees
bestaan in deze grote hitte en bitterheid.
Over
de eigenschap zoetheid.
Deze eigenschap staat tegenover de
eigenschap bitterheid en zij is een gelukzalige, lieflijke eigenschap; een
verrukking des levens, een verzachting der boosheid; zij maakt alles lieflijk
en vriendelijk in alle schepselen, het gewas op de aardbodem maakt zij
welriekend en goed smakend; met mooie gele, witte en rode kleuren. Zij is een
der aanzichten van de zachtmoedigheid en vindt ook hierin haar oorsprong; zij
is gelukzaligheid uit het Hemelse Vreugdenrijk; een huis van de Heilige Geest,
een factor in de liefde en de barmhartigheid, een vreugde in het leven.
Daarentegen heeft zij ook een element van dood en verderf in zich, want als zij in de
bittere eigenschap ontstoken wordt in het element water, veroorzaakt zij ziekte
en pestilentie, en verderf in het vlees. Als zij evenwel in de hitte en de
bitterheid ontstoken wordt, zo infecteert zij het element lucht, daardoor
ontstaat pestilentie en plotselinge dood.
Over de eigenschap zuur.
Deze
eigenschap is tegenovergesteld aan de eigenschap bitter en zoet en tempert
alles, zij is een verrukking en verlossing, waar het bittere en het zoete zich te
veel hebben doen gelden. Zij prikkelt de smaak, zij geeft een lust om te leven,
een opborrelende vreugde in alle dingen, begeerte, verlangen en lust van het
vreugderijk, een stille verrukking des geestes: zij geeft een matiging aan alle
levende en opbruisende dingen. Zij heeft echter ook in zich een bron van
boosheid en verderf; want als zij zich te zeer verheft of in een bepaald geval
te veel de boventoon voert, zo veroorzaakt zij treurigheid, melancholie; in het
water een reuk, drassig en moerassig, het is dan als een huis des doods, het
begin der droefenissen en het einde der vreugde.
Over de eigenschappen wrangheid, scherpheid
en zoutheid.
Deze
zijn een goede tempering van het bittere, zoete en zure; ze maken alles zeer
lieflijk; ze houden het opkomen van het bittere tegen; evenals ook het zoete en
het zure, zodat zij niet ontbranden; zij zijn pittige eigenschappen, een lust
voor de smaak, een bron van vreugde en levenslust. Wanneer zij in het vuur
ontstoken worden, veroorzaken zij iets hards, scheurends, steenachtigs. Zij
hebben ook in zich het boze, de vernietiging van het leven. In het vlees groeit
de steen, die zoveel kwelling teweeg brengt. Wordt zij echter in het water
ontstoken, dan veroorzaakt zij in het vlees boze schurft, gezwellen en uitslag;
het is als een treurend huis des doods; ellendig en van al het goede verlaten.
HOOFDSTUK II.
Dit
alles, zoals het hierboven is verteld heet daarom: “Eigenschap”, omdat het
alles in de diepte, over de aarde, op de aarde en in de
aarde in elkander overvloeit als in één Eenheid. Toch hebben al deze dingen
velerlei werking en zijn ze krachtig. Ze zijn evenwel geboren uit Eén Moeder,
uit wie alles geboren wordt; en alle schepselen zijn uit deze eigenschappen
gevormd en te voorschijn gekomen en leven hierin als in hun moeder. Zo heeft
ook de aarde en hebben ook de gesteenten daaruit hun oorsprong, en alles, wat
groeit op de aardbodem. Dit alles leeft uit en ontspringt aan deze eigenschappen.
Geen verstandig mens kan dit ontkennen. Uit deze tweevoudige bron, boos en goed
(in alle dingen) komt alles voort, uit de sterren; want, zoals de schepselen op
aarde zijn, zo zijn ook de sterren. Want door deze tweevoudige bron heeft alles
zijn grote beweeglijkheid, zijn snelle gang, zijn voortgang, zijn oorsprong,
stuwing en groei. Want de zachtmoedigheid in de natuur is een stille rust; maar
de boosheid in alle krachten maakt alles beweeglijk, voortgaand en jagend. De
voortdrijvende eigenschappen brengen in alle schepselen de lust tot het goede
en het kwade teweeg, zodat alles zich met elkander vermengt, en alles begeert,
toeneemt, afneemt, schoon wordt, lief heeft en haat. In alle schepselen dezer
wereld leeft een goede en een boze wil, geboren uit de Bron, die én goed én
boos is; in mensen, dieren, vogels en vissen, en ook in al het andere dat
bestaat, nl. goud, zilver, tin, koper, ijzer, staal, hout, loof en gras. Ook in
de aarde, in stenen, in water, en in alles,
wat mensen doorvorsen kunnen. Er is niets in de natuur, dat niet het goede en
het boze in zich bergt; alles groeit en leeft in deze tweevoudigheid, hoe dan
ook. Slechts de heilige Engelen en de boze duivels niet; want deze zijn
gescheiden en een ieder van hen leeft, beweegt en heerst in zijn eigen
hoedanigheid. De heilige Engelen leven en bewegen zich in het Licht, in het
goede, waarin ook de Heilige Geest oppermachtig is. De duivels leven en heersen
in het boze, in de toorn en het verderf. Zij zijn echter beide, de goede en de
boze Engelen, uit de eigenschappen der Natuur gemaakt, waaruit alle dingen
gemaakt zijn. De heilige Engelen leven uit de kracht van de zachtmoedigheid
van het Licht en het Vreugderijk en de duivelen leven uit de kracht van het
boze, dat zich verheft, uit de kracht van schrik en duisternis en zij kunnen
het Licht niet begrijpen, waaruit zij zich zelven gestoten hebben door hun
opstandigheid, zoals ik hier na ook beschrijven zal (over de Schepping).
Wanneer gij echter niet geloven wilt, dat in deze wereld
alles zijn oorsprong vindt in de sterren, zo wil ik u dat bewijzen; wanneer
gij echter geen stompzinnige zijt en een weinig verstand bezit, let op hetgeen
volgt. Bezie ten eerste de Zon. Zij is het hart of de koningin van alle
sterren. Zij geeft alle sterren licht van het opgaan tot aan het ondergaan en
verlicht en verwarmt alles. Alles leeft en groeit in haar kracht. De vreugde
van alle schepselen groeit in haar kracht. Wanneer zij nu zou worden
weggenomen, zou alles duister en koud worden; er zou ook geen vrucht meer
groeien. Mens noch dier zou zich kunnen vermenigvuldigen, want de hitte zou
verdwijnen en het zaad, dat overal aanwezig was, zou koud worden en verstenen.
Wilt gij een filosoof en natuurkundige zijn en het Wezen
Gods in de natuur doorvorsen, zoals het alles geschapen is, bidt dan tot God om
zijn Heilige Geest, opdat Hij U door dien geest verlichte. Want in vlees en
bloed kunt ge dit niet begrijpen; of ge het ook leest, zo is het toch als een
damp voor uw ogen; alleen in de Heilige Geest, die in God is en ook in de ganse
natuur, waaruit ook alle dingen geschapen zijn, kunt ge vorsen tot in het
Lichaam Gods, hetwelk de natuur is. Zo ook kunt ge de heilige Drie-eenheid
doorzoeken. Want de Heilige Geest gaat uit van de heilige Drie-eenheid en
heerst in het lichaam Gods, d.i. in de gehele natuur. Zoals de geest van een
mens in het gehele lichaam in alle aderen heerst en de gehele mens vervult, zo
vervult de Heilige Geest ook de ganse natuur en Hij is het Hart der Natuur en heerst
in de goede eigenschappen van alle dingen. Wanneer ge nu deze Geest in u hebt,
zodat Hij uw geest doorlichten en vervullen kan, zo zult ge verstaan, wat hier
geschreven zal worden. Wanneer ge de Heilige Geest echter niet in u hebt, zo
zal 't u vergaan als de wijze heidenen, die zich aan de Schepping vergastten en
haar uit hun eigen wijsheid wilden doorvorsen. Zij kwamen met al hun nadenken
tot voor Gods aangezicht, maar konden
het toch niet zien en waren stekeblind wat betreft het inzicht in de Goddelijke
dingen. Zo konden ook de kinderen Israëls in de woestijn het aangezicht van
Mozes niet zien. Daarom moest hij zijn aangezicht bedekken, toen hij voor het
volk trad. Dat kwam, doordat zij de Ware God en Zijn Wil niet kenden noch
verstonden, Die toch temidden van hen wandelde. Daarom was het bedekte
aangezicht een teken en een bewijs van hun verblinding en onverstand. Zo weinig
het maaksel zijn maker kan begrijpen, zo weinig ook kan een mens zijn Schepper
begrijpen en kennen, tenzij de Heilige Geest hem verlicht, hetgeen alleen hèn
te beurt valt, die niet op zichzelf vertrouwen, maar hun hoop en al hun willen
op God vestigen en wonen in de Heilige Geest. Zij zijn één met de Goddelijke
Geest. Wanneer men nu de zon en de sterren op de juiste wijze beschouwen wil
naar hun verschijning, werkingen en hoedanigheden, zo vindt men in het hart
daarvan het Goddelijke Wezen, evenals de krachten der sterren bepaald worden
door de natuur. Wanneer men de omloop van het gehele sterrenheir beziet, dan is
het spoedig duidelijk, dat dit is: “de moeder van alle dingen” of “de natuur”,
waaruit alle dingen geboren zijn, en waarin alle dingen leven en zich bewegen;
en alle dingen zijn uit deze zelfde krachten gemaakt, zij blijven eeuwigdurend
daarin. En of ze nu aan het einde van deze tijdkring zullen worden veranderd,
doordat het goede en het boze zich van elkander afscheiden, zo zullen toch
Engelen en mensen in de kracht der Natuur, waaruit zij in oorsprong ontstaan
zijn, in God, eeuwig bestaan. Gij moet echter uw denken vergeestelijken en
bedenken, hoe de gehele natuur, met alle krachten, die daarin aanwezig zijn,
zoals wijdte, diepte, hoogte, Hemel, aarde en alles, wat daarin is, en in de
Hemel, het lichaam Gods is; en de krachten der sterren zijn de bronaderen
in het natuurlijke Lichaam Gods in deze wereld. Ge moet niet denken, dat in het
lichaam der sterren de gehele triomferende drie-eenheid, God de Vader, de Zoon
en de Heilige Geest, aanwezig is, waarin geen kwaad woont, maar die de heilige,
lichtende, eeuwige Vreugdebron is, die onverbrekelijk en onveranderlijk is, zo,
dat geen schepsel het begrijpen of uitspreken kan. Zijn diepte kan geen
schepsel meten. Maar ge moet ook niet denken, dat Hij in ‘t geheel niet
aanwezig is in het lichaam der sterren en in deze wereld; want wanneer men
zegt: “Alles” of “van eeuwigheid tot eeuwigheid”, of “alles in alles”, zo
bedoelt men hiermee God in Zijn volle betekenis. Neem een voorbeeld aan een
mens; hij is gemaakt naar het beeld en de gelijkenis van God; zoals geschreven
staat in het eerste boek van Mozes, vers 27.
Het
inwendige van het lichaam des mensen beduidt de diepte tussen de sterren en de
aarde; het gehele lichaam met alles wat er bij hoort, beduidt Hemel en aarde;
het vlees betekent de aarde en is ook van de aarde, het bloed stelt voor het
water, en is ook van water, de adem beduidt de lucht en is ook de lucht; de
blaas, waarin de lucht werkt, is de diepte tussen sterren en aarde, waarin
vuur, lucht en aarde naar hun aard werkzaam zijn, en de warmte, de lucht en het
water werken ook in deze ruimte, evenals in de diepte van de aarde. De aderen
stellen de krachtwegen der sterren voor en zijn ook de krachtwegen der sterren;
want de sterren beheersen met hun krachten de aderen en zij drijven de mensen
in hun bepaalde vorm en gestalte. De ingewanden of darmen stellen voor hoe de
werking der sterren is. Alles, wat uit hun kracht ontstaan is, wat zij zelf
gemaakt hebben, dat verteren zij zelf wederom en dat blijft onderhevig aan hun
kracht; de darmen bewerkstelligen ook de vertering van al datgene, wat de mens er in opzamelt; alles, wat uit de kracht der
sterren gegroeid is. Het hart van de mens stelt voor de warmte of het element
vuur; het ís ook de warmte, want deze heeft in het hart haar oorsprong. De
blaas stelt het element “lucht” voor, en de lucht heerst er ook in. De lever is
het element water, zij ís ook het water, want uit de lever komt het bloed in
het gehele lichaam, in alle leden; de lever is de moeder van het bloed. De
longen stellen de aarde voor en ze zijn ook van dezelfde hoedanigheid. De
voeten stellen de nabijheid en de verte voor, want in God is verte en nabijheid
één en hetzelfde.
De
handen zijn de almacht Gods, want zoals God in de natuur alles kan veranderen
en om kan zetten tot iets, wat Hem behaagt, zo kan ook de mens met zijn handen
alles wat uit de natuur gegroeid is veranderen, en hij kan er met zijn handen
van maken wat hij ook wil; hij regeert met zijn handen het werk en het wezen
van de ganse natuur; zij beduiden nadrukkelijk de almacht van God.
Merk nu
verder op:
Het
gehele lichaam tot aan de hals stelt de ronde cirkel van de omloop der sterren
voor, evenals de diepten tussen de sterren, waarin de planeten en elementen
regeren. Het vlees is de aarde; zij is verstijfd en heeft geen soepelheid; zo
heeft ook het vlees in zichzelf geen verstand, begrip of beweeglijkheid, het
wordt door de kracht der sterren, welke in het vlees heersen, bewogen. Zo zou
ook de aarde geen vrucht geven, ook zou er geen metaal, goud, zilver, koper,
ijzer of steen in verborgen zijn, als
de sterren er niet in zouden werken; er zou ook geen grasje op de
aardbodem groeien zonder de werking der sterren.
Het
hoofd beduidt de Hemel; het is met de aderen en krachtwegen aan het lichaam
verbonden en alle krachten gaan vanuit het hoofd en de hersenen naar het
lichaam en in de bronaderen van het vlees.
De Hemel
is echter een lieflijke, vreugdevolle verblijfplaats, waarin alle krachten
aanwezig zijn, evenals in de natuur en in de sterren en elementen. Maar geen ruwe,
voortjagende en kwellende krachten zijn daar. Maar iedere kracht heeft slechts
een bepaald aanzicht, zij is nl. licht en kalmerend, en niet boos en goed zoals
de krachten die in de sterren en elementen aanwezig zijn. De Hemelse krachten
zijn louterend en rein. De boosheid is daarin niet. De Hemel behoort zeker niet
minder tot het gebied der natuur dan het voorgenoemde, want de sterren en
elementen hebben hun oorsprong in de Hemel en ook hun kracht komt vandaar. Want
de Hemel is het hart van het water; zoals in alle schepselen en in alles wat in
deze wereld bestaat, het water het hart, de kern is; of het nu lichamelijk of
onstoffelijk is, in gewassen der aarde of in metaal of stenen. Van alle dingen
is het water het hart of de kern. Zo is de Hemel het hart in de natuur, waarin
alle krachten verborgen zijn, evenals in sterren en elementen. Evenals de
hersenen in het hoofd van de mens van een weke en zachte substantie zijn, zo is
het ook met de Hemel, wanneer deze wordt voorgesteld als
het hart der natuur, waarin deze krachten zachtmoedig en soepel zijn.
Nu ontsteekt de Hemel met zijn
kracht de sterren en elementen, zodat zij ontvlammen en zich voortbewegen. Zo
is ook het hoofd van de mens, als de Hemel. Zoals in de Hemel alle krachten
zachtmoedig, lieflijk en vreugdevol zijn en ook zodanig arbeiden, zo zijn ook
in het hoofd of de hersenen van de mensen alle krachten zachtmoedig en
vreugdevol. En zoals de Hemel zijn grenzen stelt aan de sterren, terwijl toch
alle krachten uit de Hemel de sterren toevloeien, zo heeft ook het hoofd zijn
grenzen gesteld aan het lichaam, terwijl eveneens alle krachten uit de
hersenen in het lichaam gestuwd worden en in de gehele mens. Het hoofd bergt in
zich de vijf zintuigen als daar zijn: zien, horen, ruiken, proeven en tasten.
Hierin werken de sterren en elementen en daarin ontstaat de sterren- of
natuurgeest in mensen en dieren; hierin ontspringt het boze en het goede, want
het is een huis der sterren, zulk een kracht ontnemen de sterren aan de Hemel
dat zij een lichamelijke, levende en beweeglijke geest kunnen doen geboren
worden in mensen en dieren. De beweging van de Hemel maakt ook de sterren
beweegbaar; zo maakt ook het hoofd het lichaam beweegbaar. Open nu uw
geestelijke ogen en aanschouw God, uw Schepper.
Hier doet de vraag zich voor,
vanwaar dan de Hemel zulk een kracht heeft of neemt, zodat hij zulk een
beweeglijkheid in de natuur veroorzaakt. Hier moet ge nu zien boven de natuur
uit, en buiten de natuur, in de
lichtende, heilige, triomferende en goddelijke kracht; in de onveranderlijke
Heilige Drievuldigheid, die een triomferend, opborrelend en beweeglijk Wezen
is. En alle krachten zijn daarin verborgen, evenals in de natuur. Want deze is
de eeuwige Moeder der Natuur, waaruit Hemel, aarde, sterren, elementen, Engelen,
duivelen, mensen, dieren en tenslotte alles ontstaan is, en waarin alles alleen
maar kan bestaan. Wanneer men de
Hemel en de aarde noemt, de sterren en elementen en alles wat daarin is, ook
alles wat boven alle Hemelen is, zo noemt men hiermee God in Zijn volle
Rijkdom, die zich in al dit geschapene, in de kracht, die van Hem uitgaat,
lichamelijk gemaakt heeft. God is evenwel in Zijn Drievuldigheid
onveranderlijk en alles wat in de Hemel, op de aarde en boven de aarde is,
vindt zijn oorsprong in de kracht die van God uitgaat. Nu moet ge evenwel niet
denken dat daarom het boze en het goede uit God ontspringt; God is zelf “Het
Goede”, Hij heeft ook de naam: de Goede, “de triomferende eeuwige Vreugde”.
Alle krachten, die ge in de natuur doorvorsen kunt, gaan van Hem uit, en zij
zijn in alle dingen. Nu zoudt ge kunnen zeggen: “Er is toch goed en kwaad in de
natuur. Omdat nu alle dingen van God komen, zo moet het boze ook van God
komen.”
Ziet, de mens heeft in zich de gal, dat is het vergif en
hij kan zonder dat vergif niet leven, want de gal maakt de geesten beweegbaar,
vreugdevol, triomferend en blij, want zij is een bron der vreugde. Wanneer zij
echter in een element ontstoken wordt, bederft zij de gehele mens, want de
toorn in de siderische geesten ontstaat door de gal. Dat wil zeggen: Wanneer de
gal naar het hart gaat, ontsteekt zij het element vuur en het vuur steekt de
siderische geesten aan, die in het bloed, in de aderen, in het element water
heersen; dan siddert het gehele lichaam van toorn door het gif van de gal. Een
dergelijke bron echter geeft ook vreugde, uit dezelfde substantie als de toorn.
Dat gebeurt, wanneer de gal wordt ontstoken ten goede, in dat wat de mens lief
is, dan trilt het gehele lichaam van vreugde en daardoor worden de sterregeesten
ook aangestoken. Maar een zodanige substantie is er in God niet, want Hij heeft
geen vlees en bloed, maar Hij ís Geest en in Hem zijn alle krachten (Joh. 4:2)
zoals wij ook in het “Onze Vader” bidden: “U is de kracht”. Ook Jesaja schrijft
van Hem: Hij is Wonderbaar, Raad, Sterke God, Vader der Eeuwigheid, Vredevorst.
(Jesaja 9).
Het bittere is ook in God, maar niet op de wijze, zoals
de gal bij de mensen aanwezig is, maar het bittere is aanwezig als een
eeuwigdurende kracht, een geweldige, juichende bron van vreugde. En hoewel in
Mozes geschreven staat (2 Mozes 20:5, Mozes 4:25) : “Ik ben een naijverig God”,
zo betekent dat nog niet, dat God zou toornen of dat er een vuur van toorn zou
ontvlammen in de Heilige Drievuldigheid. Neen, zo kan het niet zijn, want er
staat geschreven: “in hen, die Mij haten, wordt het vuur van de Worm
ontstoken”. Wanneer God echter in Zichzelf ontstoken zou worden, zo zou de
gehele natuur branden, wat eenmaal op de jongste dag ook zal geschieden in de
natuur, maar niet in God. Door God evenwel zal de triomferende Vreugde
branden, zoals het van eeuwigheid af niet anders geweest is en ook niet anders
worden zal. Nu maakt echter de verheffende, opborrelende, triomferende Vreugde
in God de Hemel triomferend en beweeglijk en de Hemel maakt de sterren en
elementen beweeglijk en de sterren en elementen doen dat weer met de
schepselen. Uit de Godskrachten is de Hemel geschapen, uit de Hemel zijn de
sterren geboren, uit de sterren zijn de elementen voortgekomen, uit de
elementen zijn de aarde en haar schepselen geboren. Zo heeft alles zijn begin,
zelfs de Engelen en duivelen, deze zijn voor de schepping van Hemel, aarde en
sterren uit dezelfde krachten ontstaan, waaruit deze zijn geboren.
Dit is alzo een korte inleiding, hoe men het goddelijke
Wezen en het natuurlijke Wezen beschouwen moet.
Hierna wil ik de ware oorsprong en de diepte beschrijven
van wat God is en hoe in het wezen Gods alles gelegen is. Dit is weliswaar voor
een deel van vóór de schepping der wereld verborgen gebleven en de mens heeft
het met zijn verstand niet kunnen begrijpen, maar omdat God zich in Eenvoud in
deze laatste tijd wil openbaren, laat ik het aan Hem over, Zijn Wil kenbaar te
maken.
Ik ben slechts een vonkje. Amen.
HOOFDSTUK III.
Waarde lezer, ik wil u hier getrouwelijk vermanen, dat ge
uw eigendunk laat varen en u niet aan heidense wijsheid vergaapt, u ook niet
ergert aan de eenvoud van de schrijver; want het werk is niet te danken aan
zijn wijsheid, maar aan de werking van de Heilige Geest. Tracht de Heilige
Geest, die uit God is, in uw eigen geest te laten inwerken, dan zal Hij u in
alle waarheid leiden en Zich aan u openbaren; dan zult ge in Zijn Licht en Zijn
Kracht in de heilige Drievuldigheid zien en verstaan, wat hier zal worden
geschreven.
Toen onze Heiland, Jezus Christus, Zijn discipelen leerde
bidden, sprak Hij: Wanneer ge bidden wilt, doe het zo: “Onze Vader, Die in de
Hemel zijt” (Mattheus 6.) Dit betekent niet, dat de Hemel de Vader zou kunnen
begrijpen of omvatten, want de Hemel zelf is door de goddelijke Kracht gemaakt.
Want Christus spreekt: “Mijn Vader is groter dan alles.” (Joh. 10:29) en in de
profeten zegt God: “De Hemel is mijn troon en de aarde is de voetbank Mijner
voeten.” (Jesaja 66). Wat wilt ge Mij een huis bouwen? Wie heeft de wateren met
zijn vuist gemeten en van de Hemelen met de span de maat genomen en heeft met
een drieling het stof der aarde begrepen. (Jes. 40:12). Want de Here heeft zich
Jacob verkozen, Israël tot Zijn Eigendom. (Psalm 135:4). Dat echter Christus
Zijn Vader een Hemelse Vader noemt, daarmee bedoelt Hij, dat de glanzende Kracht
Zijns Vaders zeer zuiver, helder en rein in de Hemel schijnt en dat boven het
uitspansel, dat wij met onze ogen zien en dat wij Hemel noemen, de gehele
triomferende, heilige Drievuldigheid, Vader, Zoon en Heilige Geest schijnt. Zo
onderscheidt Christus hiermee Zijn Hemelse Vader van de Vader der Natuur, dat
is: de sterren en elementen; zij zijn onze natuurlijke Vader, uit wie wij
gemaakt zijn en uit wiens wil wij hier in deze wereld leven en van wie wij onze
spijs en onze voeding ontvangen. Hij is echter onze Hemelse Vader, omdat onze
ziel steeds naar Hem verlangt en Hem begeert, ja, zij hongert en dorst
voortdurend naar Hem. Het lichaam hongert en dorst naar de Vader der Natuur,
dat is: de sterren en elementen, en dezelfde Vader spijst en drenkt hen ook. De
ziel echter dorst naar de heilige Hemelse Vader en Hij spijst en drenkt hen met
Zijn Heilige Geest en Zijn Vreugdebronnen. Nu hebben wij evenwel geen twee
Vaders, maar slechts één; de Hemel is gemaakt door Zijn Kracht en de sterren
door Zijn Wijsheid, die in Hem is en van Hem uitgaat.
Wanneer
men de gehele natuur en haar kenmerken beschouwt, zo ziet men de Vader; wanneer
men de hemel en de sterren beziet, zo ziet men Zijn eeuwige Kracht en Wijsheid.
Zoveel sterren er aan het firmament staan, die toch ontelbaar en voor het
verstand onbegrijpelijk zijn, (ook voor een deel onzichtbaar), zo groot en
menigvuldig is Gods Kracht en Wijsheid. Iedere ster die aan de hemel staat,
heeft echter een andere kracht en een andere hoedanigheid als de volgende,
zoals het ook is met alle schepselen op aarde, als gevolg hiervan. Zo is het
met al het geschapene. Nu vinden alle krachten, die in de natuur zijn in God de
Vader hun oorsprong; alles, licht, warmte, koude, lucht, water en alle krachten
der aarde, nl. bitterheid, zuurheid, zoetheid, wrangheid, hardheid, zachtheid
en alles, wat men niet noemen kan, dat alles gaat uit van de Vader. Wanneer
men de Vader met iets vergelijken wil, dan moet men Hem vergelijken met het
gewelfde uitspansel. Men moet niet denken, dat iedere kracht, die in de Vader
is, op een bepaalde plaats en op een bepaald gedeelte aanwezig is, zoals de
sterren op een bepaalde plaats aan de hemel staan, neen, maar de Geest toont,
dat alle krachten, die in de Vader zijn, door elkander en met elkander verweven
zijn als een centrale kracht, zoals men dat voorgesteld vindt in het boek
Ezechiël, Hoofdstuk 1. Hij ziet de Heer in de geest en zinnebeeldig voorgesteld
als een wiel, waarvan de vier raderen in elkander uitlopen en elk van de vier
is gelijk aan de andere, en toen ze draaiden, draaide elk slechts voor zich
zelf; zoals de wind woei zo draaiden zij alle vier en geen van hen had nodig
omgewend te worden. Zo is ook God de Vader, want alle krachten zijn in de Vader
aanwezig als één centrale kracht en alle krachten zijn in de Vader in
onnaspeurlijke klaarheid en ondoorgrondelijk Licht. Ge moet niet denken, dat
God in de Hemel en boven de Hemel troont en heerst als een kracht en een macht,
die geen verstand en kennis in Zich heeft, zoals de zon: zij loopt haar baan en
straalt warmte van zich en licht; zij brengt de aarde en alle schepselen
voorspoed of tegenspoed, hetgeen dan vrijelijk zou kunnen plaats hebben,
wanneer de andere planeten en sterren dat niet tegen hielden. Neen, zo is de
Vader niet. Hij is een almachtige, alwijze, alwetende, alziende, alhorende,
alom riekende, alom voelende, alom proevende God, die in Zichzelf is,
zachtmoedig, vriendelijk, lieflijk, barmhartig en vol van vreugde, ja Hij is de
vreugde zelf. Hij is echter van eeuwigheid tot eeuwigheid onveranderlijk, Hij
heeft Zijn Wezen nog nooit veranderd en zal zich in alle eeuwigheid ook nooit
veranderen. Hij is niet uit iets voortgekomen of geboren, maar Hij is Zelf
alles, in alle eeuwigheid, en alles wat bestaat is door Zijn Kracht tot stand
gebracht, door de kracht, die van Hem uitgaat. De natuur en alle schepselen
zijn uit Zijn Kracht geboren. Zijn hoogte, lengte en diepte kan geen schepsel,
ook geen Engel uit de Hemel doorvorsen. De Engelen in de Hemel leven in des
Vaders kracht vol vreugde en vrede en zingen uit de volheid van Zijn Kracht.
Wil men God de Zoon op de juiste wijze beschouwen, dan moet men
andermaal de natuurlijke dingen bezien. De geest ziet Hem wel, maar men kan Hem
niet beschrijven of beredeneren, want het Goddelijke wezen bestaat in Kracht en
laat zich niet beschrijven of beredeneren. Daarom moeten wij gelijkenissen te
hulp roepen, als wij van God willen spreken; want wij leven in deze wereld op
een gebrekkige wijze en zijn in onvolkomenheid
geschapen. Ik zal duidelijk en klaar met de lezer over dit hoge onderwerp
spreken. Wanneer hij wil letten op de diepere betekenis, zal hij het kunnen
verstaan; hij zal ook kracht ontvangen, wanneer hij hongert.
Merk nu op. De heidenen en de Turken zeggen: God heeft
geen Zoon. Open uw ogen wijd, en weest niet verblind, dan zult ge de Zoon zien.
De Vader is alles en alle kracht is van de Vader; Hij is het Begin en het einde
aller dingen en buiten Hem is niets, en alles wat ontstaan is, is uit de Vader
ontstaan. Want voor de aanvang van de schepping der creaturen was er niets;
alleen God was er, en waar niets is, daar kan ook niets ontstaan, elk ding moet
een oorzaak of een wortel hebben, anders kan er niets geboren worden. Nu moet
ge echter niet denken, dat de Zoon een andere God is als de Vader; ge moogt ook
niet denken, dat de Zoon buiten de Vader bestaat, en een aparte persoonlijkheid
is, zoals het geval is, wanneer twee mensen naast elkander staan en de een de
ander niet begrijpt, neen, zo is het niet bij de Vader en de Zoon; want de
Vader is niet een Wezen, dat met iets of iemand vergeleken kan worden, maar Hij
is de Bronwel aller krachten; daarom heet Hij ook een Enig Heer. Anders,
wanneer Zijn krachten gedeeld waren, zou Hij niet almachtig zijn; nu echter is
Hij de zelfstandige, almachtige en volkrachtige God. De Zoon echter is het
hart des Vaders; alle krachten, die in de Vader zijn, zijn des Vaders eigendom
en de Zoon is het hart of de kern in alle krachten; Hij is oorzaak van alle
opbruisende vreugden in de Vader. Uit de Zoon ontspringt de eeuwige hemelse
Vreugde, zulk een vreugde, als geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord
en in geen mensenhart is opgeklommen, zoals Paulus zegt in 1 Kor. 2:9. Zo een
mens hier op aarde door de Heilige Geest verlicht wordt uit de Bronwel Jezus
Christus, zodat de geesten der natuur, die de Vader vertegenwoordigen, worden
ontstoken, zo ontspringt in hem zulk een vreugde, dat zijn gehele lichaam
siddert en de dierlijke geest triomfeert, als ware hij in de Heilige
Drie-eenheid, hetwelk alleen zij verstaan, die dat hebben ondervonden. Dit
alles is slechts een voorbeeld of aanzicht van de Zoon van God in de mens,
waardoor het geloof wordt versterkt en behouden, want de vreugde kan in een
aards vat niet zo groot zijn als in een hemels, dat vol is van de volmaakte
kracht Gods. Hier moet ik in gelijkenissen schrijven.
Ik wil u hier een vergelijking maken tussen de natuur en
het Heilige Wezen, in de Heilige Drie-eenheid.
Beziet de hemel; deze is een ronde kogel en heeft noch
begin, noch einde; overal is evenwel zowel begin als einde, waar ge de hemel
ook beziet, alzo is God ook in en boven de hemel, ook Hij heeft begin noch
einde. Ziet nu verder de sterrenbaan, zij beduiden des Vaders menigvuldige
Kracht en Wijsheid en zij zijn geschapen uit de Kracht en de Wijsheid des
Vaders. De hemel, de sterren en de ganse ruimte tussen de sterren, benevens de
aarde, stellen de Vader voor en de zeven planeten beduiden de zeven geesten van
God of de vorsten der Engelen, bij welke Lucifer ook behoorde vóór zijn val.
Deze alle zijn uit de Vader geboren bij de aanvang van de schepping der
Engelen, voor de wereld bestond. Merk nu op: de zon beweegt zich midden in de
ruimte tussen de sterren in ronde omgang en zij is het hart der sterren en
geeft alle sterren licht en kracht en zij tempert de kracht van alle sterren,
zodat alles zeer lieflijk en vreugdevol wordt; zo verlicht ze ook de hemel, de
sterren en de ruimte boven de aarde en werkt in alle dingen, die in deze wereld
zijn en zij is de koningin dezer wereld en het hart van alle dingen en dit
alles beduidt God de Zoon. Want zoals de zoon midden tussen de sterren en de
aarde staat en alle krachten verlicht en het licht en het hart is van alle
krachten en de vreugde van deze wereld, dewijl alle schoonheid en lieflijkheid
leeft in het licht en de kracht der zon, zo leeft ook de Zoon van God in de
Vader; Hij is de kern des Vaders en Zijn Kracht is de bewegende, opborrelende
vreugde in de Vader, zoals de zon de gehele aarde vreugde geeft.
Als men de aarde zou kunnen wegnemen, die het huis der
droefenis of de hel is, zo zou de gehele oneindige ruimte op de ene plaats even
licht zijn als op de andere; zo is ook de diepte in de Vader op de ene plaats
even licht als op een andere, door de glans van de Zoon van God. En zoals de
zon een zelfstandig wezen is, vol kracht en licht, dat niet uit alle schepselen schijnt, maar in alle
schepselen en alle schepselen zich verheugen in haar kracht, zo is ook de Zoon een
aparte zelfstandigheid in de Vader en Hij is des Vaders vreugde of het hart of
middelpunt van de Vader.
Merk hier op het grote geheimenis Gods.
De zon is uit alle sterren geboren en het licht dat uit
de natuur voortkomt en zij schijnt in de ganse natuur in deze wereld en zij is
met de andere sterren verbonden, als ware zij met hen allen te samen slechts
één ster. Zo is ook de Zoon Gods uit alle Krachten Zijns Vaders van eeuwigheid
af geweest en niet geschapen, Hij is het hart en de glans uit alle Krachten van
Zijn Hemelse Vader, een zelfstandige persoonlijkheid, het centrum. Want de
Kracht des Vaders waakt, dat de Zoon van eeuwigheid af daar is; wanneer de
Vader zou ophouden voort te brengen, zo zou de Zoon niets meer zijn en wanneer
de Zoon niet meer in den Vader zou stralen, zo zou de Vader een donker dal
zijn, want de Kracht des Vaders zou niet meer van eeuwigheid tot eeuwigheid
opvaren en het Goddelijk Wezen zou niet kunnen bestaan. Alzo is de Vader het
zelfstandige Wezen van alle krachten en de Zoon is het hart van de Vader. Ge
moet niet denken, dat en de Vader en de Zoon tot één Wezen versmolten zijn, dat
men Zijn persoonlijkheid niet meer zou onderkennen of zou zien, neen, als dat
zo was, zo zou Hij slechts één persoonlijkheid zijn. Zo min als de zon uit de
andere sterren schijnt, al zou zij uit de andere sterren ontstaan zijn, zo min
schijnt ook de Zoon uit de Krachten des Vaders wat betreft Zijn Lichaam. En
hoewel Hij uit de Krachten des Vaders geboren werd, zo straalt Hij toch weder
in de Vader terug, want Hij is een andere persoonlijkheid als de Vader, maar
niet een andere God; Hij is eeuwig de Vader. En de Vader en de zoon zijn één
God, één zelfde Wezen in kracht en almacht.
De Zoon ziet, hoort, proeft, voelt, ruikt en begrijpt
alles evenals de Vader; in Zijn Kracht leeft en beweegt zich alles wat goed is,
zoals in de Vader; maar het boze is in Hem niet.
God, De Heilige Geest is de derde
Persoon in de triomferende Heilige Godheid en gaat uit van de Vader en de Zoon,
de heilig werkende Vreugdebron die in de Vader aanwezig is, een lieflijk, zacht
en stil zuchten, dat uitgaat uit de Vader en de Zoon, hetgeen te zien is bij de
profeet Elias op de Horeb en op 't Pinksterfeest bij de apostelen van Christus
(Handelingen der apostelen 2).
Wil men echter Zijn Hoedanigheid, Zijn Wezen goed
beschrijven, dan moet men het in gelijkenissen omschrijven, want de Geest kan
men niet zo beschrijven, omdat hij geen schepsel is, maar de werkende kracht
Gods. Bezie nu eens de zon en de sterren, de velerlei soorten van sterren, die
ontelbaar zijn en niet te noemen: deze beduiden de Vader. Uit deze zelfde
sterren is de zon ontstaan, want God heeft de zon daaruit gemaakt: deze is de
Zoon Gods. Nu zijn uit de zon en de sterren de vier elementen ontstaan: vuur,
lucht, water en aarde, zoals ik hierna duidelijk zal bewijzen, als ik over de
schepping zal schrijven. Merk nu op: de drie elementen Vuur, Lucht en Water
hebben drieërlei bewegingen of werkingen, maar slechts één verschijningsvorm.
Ziet, het vuur of de hitte verheft zich uit de zon en de sterren, en uit de
hitte verheft zich de lucht en uit de lucht het water. En deze beweging of
werking veroorzaakt het leven en de geest van alle schepselen; ook alles, wat
in deze wereld maar genoemd kan worden; en dit is de Heilige Geest. Zoals de
drie elementen vuur, lucht en water uit de zon en de sterren uitgaan en als het
ware één zijn met elkaar, zo gaat ook de Heilige Geest van de Vader en de Zoon
uit. En zoals de drie elementen in de diepte werken als één zelfstandige geest,
en hitte, koude en wolken maken, en uit de sterren vloeien en alle krachten van
de zon en van de sterren zijn in de drie elementen verborgen, alsof zij zelf de
zon en de sterren waren, waaruit alle schepselen leven, alzo gaat de Heilige
Geest uit van de Vader en de Zoon. Merk nu op het diepe geheimenis. Alle
sterren, die men ziet en niet ziet, stellen de kracht van God de Vader voor;
uit deze zelfde sterren is de zon geboren, die het hart is van alle sterren. Nu
gaat van alle sterren de kracht uit, die in iedere ster in de diepte aanwezig
is; de kracht, de hitte en het licht van de zon, ook in de diepte, en in deze
diepte de kracht van alle sterren in eenheid met het licht der zon en de hitte
der zon, een bewegende werking, van een stof of een geest, alleen hier is geen
verstand, want de Heilige Geest is het niet; zo hoort ook het vierde element
tot een natuurlijke geest. Nu is in de ganse diepte des Vaders, buiten de Zoon,
niets, want de grote, onmeetbare en onnaspeurlijke Kracht des Vaders en de
ondoorgrondelijke kracht en het ondoordringbare Licht van de Zoon, veroorzaakt
een levende, volkrachtige, alwetende, alhorende, alproevende, altastende en
alvoelende Geest, waarin alle kracht en wijsheid is, zo als in de Vader en de
Zoon. Zoals in de vier elementen de kracht en de glans van de zon en alle
sterren verborgen is, zo is dat ook in de diepte des Vaders, en dit is eerst
recht de Heilige Geest, die de derde zelfstandige persoonlijkheid is in het
Wezen van God.
Wanneer men nu spreekt of schrijft van drie personen in
het Goddelijke Wezen, zo moogt ge niet denken, dat er daarom ook drie godheden
zijn; dat ieder van Hen op zich zelf heerst en regeert, zoals de aardse
koningen doen. Neen, zo is het Wezen van God niet; want God is kracht en heeft
geen lichaam of stoffelijke verschijning. De Vader is goddelijke kracht,
waaruit alle schepselen geboren zijn, en dat is van eeuwigheid af zo geweest,
Hij heeft geen begin en geen einde. De Zoon is in de Vader, Hij is des Vaders
Hart en Licht, en de Kracht en de Glans van de Zoon straalt weer terug in de
Vader, zoals de zon straalt in deze wereld.
En hoewel de Zoon een andere persoonlijkheid is dan de Vader,
zij 't niet buiten de Vader, en ook een God met de Vader, zo is Zijn Kracht,
Zijn Glans en Zijn Almacht niet geringer dan die des Vaders.
De Heilige Geest gaat uit van de Vader en van de Zoon en
is de derde zelfstandige persoonlijkheid in het Goddelijk Wezen. Deze is de
beweeglijke geest in de Vader en gaat van eeuwigheid tot eeuwigheid van de
Vader en de Zoon uit; Hij vervult de Vader; hij is niet kleiner of groter dan
de Vader en de Zoon. Zijn werkende kracht vervult de Vader. Alle dingen in deze
wereld zijn gemaakt naar het voorbeeld van deze Drie-eenheid. Gij blinde joden,
Turken en heidenen, opent de ogen uwer ziel. Ik moet u aan uw lichaam en over
alle natuurlijke dingen bewijzen, aan mensen, dieren, vogels en wormen, zowel
als aan hout, stenen, kruid, loof en gras, dat alles gemaakt is naar het
voorbeeld van de heilige Drie-eenheid van God. Ge zegt: God is één enig Wezen,
God heeft geen Zoon. Opent nu uwe ogen en bezie u zelve; een mens is naar Gods
beeld en uit deze drievuldige kracht Gods geschapen. Beziet uw inwendige mens;
dan zult ge dit helder en duidelijk kunnen waarnemen, als ge geen dwaas zijt.
Merk op: in uw hart, aderen en hersenen zetelt uw geest; in al de krachten, die
zich doen gelden in uw hart, uw aderen en uw hersenen en die uw leven uitmaken,
openbaart zich God de Vader. Uit dezelfde kracht verheft zich het Licht, dat ge
aanschouwt, opdat ge zien en weten zult, wat ge te doen hebt; want het Licht
is in uw gehele lichaam, en dit beweegt zich in de kracht en de kennis van het
Licht, want het lichaam helpt alle leden in de kennis van het Licht. Dit
beduidt God de Zoon. Wanneer, zoals de Vader de Zoon uit Zijn Kracht geboren
doet worden, en de Zoon in de Vader uitstraalt, zo doet ook de kracht van uw
hart, uw aderen en uw hersenen een Licht te voorschijn komen, dat zich in al uw
krachten openbaart en in uw gehele lichaam. Open de ogen uwer ziel en denk er
over na, zo zult ge het vinden. Merk nu op: zoals van de Vader en de Zoon de
Heilige Geest uitgaat, zo gaat uit de krachten van uw hart, uw aderen en uw
hersenen datgene uit, wat in uw ganse lichaam woont en werkt, en uit het Licht
dat in u is, gaat wijsheid, verstand en kunst uit, welke het gehele lichaam
beheersen, en ook is daarmee alles wat buiten het lichaam is, te onderscheiden.
En deze beide zijn in uw gemoed als één: uw geest, en dit is als God de Heilige
Geest. En de Heilige Geest uit God beheerst ook uw geest, anders zoudt ge geen
kind des Lichts zijn, maar een kind der duisternis. Want door dit Licht, dit
verstand en deze beheersing is de mens te onderscheiden van het dier en hij is
een Engel Gods, hetgeen ik duidelijk wil bewijzen, als ik zal schrijven over de
schepping van de mens. Daarom: let uitdrukkelijk op de ordening van dit boek;
en ge zult er in vinden wat uw hart verlangt of ooit maar zou begeren. Zo vindt
ge in één mens drie bronnen: ten eerste de kracht in uw gemoed; deze
vertegenwoordigt God de Vader; dan het Licht in uw gemoed, dat vertegenwoordigt
God de Zoon, ten slotte gaat vanuit al uw krachten en uit het licht dat in u
is, een geest uit, die wijs is en dat is uw ziel, en ook de Heilige Geest die
van de Vader en de Zoon uitgaat. Het lichaam echter, of het dierlijke vlees des
mensen, is als ‘t ware de dode, verdorven aarde, die de mens, door zijn val,
zelf zo gemaakt heeft, wat ik hierna zal beschrijven. Zo vindt ge ook de
Goddelijke Drie-eenheid terug in de dierenwereld; want zoals de geest van een
mens ontstaat, zo ontstaat hij ook bij het dier en daartussen is geen verschil.
Alleen dit is het enige verschil, dat de mens uit het beste van de natuur door
God is geschapen naar Zijn Beeld en Gelijkenis en God regeert in de mens met
Zijn Heilige Geest, zodat de mens spreken, begrijpen en onderscheiden kan. Het
dier is evenwel uit de wilde natuurdrift van deze wereld voortgekomen, de
sterren en elementen hebben de dieren geboren doen worden door hun bewegingen naar de Wil
van God. Zo ontspringt ook de Geest in vogels en wormen en heeft alles zijn
drievoudige oorsprong naar het voorbeeld van de goddelijke Drie-eenheid. Zo
ziet ge ook de Goddelijke Drie-eenheid gereflecteerd in hout en stenen, zowel
als in kruid, loof en gras, hoewel dit alles aards is. Ook brengt de natuur
niets voort, wat het ook moge wezen in de wereld, (en al zou het slechts één
uur leven), of het is naar het voorbeeld van de goddelijke Drie-eenheid
gemaakt. Merk nu op: In hout, steen of kruid zijn drie factoren en er kan niets
ontstaan of groeien, wanneer een van deze drie factoren zou ontbreken. Ten
eerste is daar de kracht, waaruit een bepaald lichaam of voorwerp ontstaat, of
het nu hout, of steen of kruid is; ten tweede is in het voorwerp of lichaam
aanwezig een sap, een vocht; dat is het hart van dat voorwerp; ten derde is er
een opborrelende kracht, reuk of smaak; dat is de geest van dat voorwerp of
lichaam, waardoor het groeit en toeneemt. Wanneer nu van deze drie factoren een
ontbreekt, kan géén ding zijn gewone bestaan hebben. Alzo vindt ge de
Drie-eenheid van het Goddelijke Wezen in alle dingen terug, ge moogt zoeken,
waar ge ook wilt; en niemand moet in zijn verblinding menen, dat het anders is,
of denken, dat God geen Zoon of geen Heiligen Geest heeft. Dit zal ik naar
voren brengen, als ik over de schepping zal schrijven en het duidelijk en klaar
bewijs, want ik schrijf geen andere meesters na. En al zal ik ook vele voorbeelden
en getuigenissen van de Heiligen Gods hierin bespreken, zo is me dit alles toch
door God in mijn binnenste geopenbaard, zodat ik het ontwijfelbaar geloof,
erken en zie, niet naar het vlees, maar in de Geest, door den drang van God in
mijn wezen. Dat moet ge niet zó verstaan, dat mijn verstand groter zou zijn dan
dat van alle anderen, die daar leven; maar ik ben een twijg des Heren, slechts
een klein en gering vonkje uit hem geboren, en Hij mag mij plaatsen, waar Hij wil;
ik kan Hem dat niet verhinderen. Zo ook is dit niet mijn natuurlijke wil, die
ik met eigen krachten vermag te volbrengen, want als de Geest aan mij
onttrokken werd, zo zou ik mijn eigen arbeid niet meer kennen of begrijpen, en
zou mij aan alle kanten tegen de duivel moeten verweren en zou aan verleiding
en noodlot onderworpen zijn; zoals alle mensen. Maar gij zult in de volgende
hoofdstukken de duivel spoedig ledig zien staan; zijn hovaardigheid en schande
zullen ten toon gespreid worden.
HOOFDSTUK IV.
De
geleerden en bijna alle schrijvers hebben veel gedacht, gestreefd, nagevorst en
zich zeer veel moeite gegeven, om te weten te komen, wanneer en hoe, of
vanwaar toch de heilige Engelen zijn voortgekomen. Veel meningen zijn
hieromtrent te berde gebracht; daartegenover hebben zij er ook naar gestreefd
te onderzoeken, wat toch de diepe val van de grootvorst Lucifer geweest is, of
hoe hij toch zulk een boze en grimmige duivel geworden is; waar toch deze boze
bron uit is ontstaan, of wat hem daar toch toe gedreven kan hebben. Hoewel dit
grote geheimenis van voor ‘s werelds aanvang verborgen is gebleven, en ook
menselijk vlees en bloed dit niet begrijpen en doorgronden kan, zo wil toch
God, die de wereld geschapen heeft, zich thans eindelijk openbaren, en alle
grote geheimenissen zullen worden geopenbaard; aangekondigd wordt, dat de
grote dag der openbaring en het uiteindelijke gericht thans nabij zijn en
dagelijks te verwachten. Alsdan zal wederom hersteld worden, hetgeen door Adam
werd verloren. Op die dag ook zullen in deze wereld het Rijk des Hemels en het
Rijk van de Satan gescheiden worden. Dit alles, zoals het is geschapen, wil God
in de grootste eenvoud kenbaar maken, zodat niemand het trotseren kan; dat een
ieder zijn ogen opheft, opdat zijn verlossing kan aanvangen, en laat hij niet
na het uitleven van zijn begeerte, na hovaardij en overmatig brassen en pralen
menen, dat hier op aarde het beste leven geleefd wordt, want hij is in zijn
overmoed midden in de hel, waar hij met Lucifer kan vertoeven, die hij spoedig vol schrik, angst en eeuwige vertwijfeling, spot en
schande zal moeten ontmoeten; een verschrikkelijk voorbeeld hiervan zijn de
duivelen, die eens de schoonste Engelen in de Hemel geweest zijn, hetgeen ik
naderhand beschrijven en openbaar maken zal. Ik laat God besturen, ik kan Hem
niet weerstaan.
Daar ge nu in het derde hoofdstuk duidelijk vernomen
hebt, dat er de Drie-eenheid is in het Goddelijk Wezen, zo wil ik hier nu
duidelijk de kracht en de werking in het Goddelijk Wezen aantonen, zowel de
eigenschappen als de werkingen, en ook wil ik aantonen waaruit de Engelen
geschapen zijn, en wat hun lichamen zijn en waaruit hun kracht bestaat. Zoals
ik hiervoor ook heb meegedeeld, is in God de Vader alle kracht en geen mens kan
deze kracht evenaren; de sterren en elementen, evenals als al het geschapene in
deze wereld, geven hiervan duidelijk blijk. Alle kracht is in God de Vader en
gaat ook van Hem uit, dit komt tot uiting in Zijn Eigenschappen: licht, hitte,
koude, zachtheid, zoetheid, bitterheid, zuurheid, wrangheid, geluid en alles,
waarvan men onmogelijk kan spreken en dat niet te begrijpen is. Dit alles is in
God aanwezig als ene centrale kracht.
De krachten, die in God verborgen zijn, zijn echter niet
op dezelfde wijze aan het werk als de natuur werkt in de sterren en elementen
of in de schepselen. Neen, zo iets moet ge niet denken. Want Lucifer heeft in
zijn opstandigheid de krachten van de reine natuur brandend, bitter, koud, ruw,
zuur, duister en onrein gemaakt: in de Vader echter zijn alle krachten mild,
zacht, gelijk de Hemel, vol van vreugde. Alle krachten gaan jubelend in
elkander over en hun schallen stijgt op van eeuwigheid tot eeuwigheid. Daarin
is niets anders dan liefde, zachtmoedigheid, barmhartigheid, vriendelijkheid.
Er is zulk een jubelende, verheffende bron der vreugden, dat alle stemmen van
het Hemelse Vreugdenrijk zich laten horen. Men kan het met niets vergelijken,
zo schoon is het. Wil men het echter toch ergens mee vergelijken, zo moet men
het vergelijken met de ziel des mensen. Wanneer deze door de Heiligen Geest
ontstoken is, zo is ze evenzo vreugdevol en jubelend; alle krachten stijgen
jubelend in haar omhoog, zij doen het lichaam sidderen. Dit is een juist beeld
van de Goddelijke hoedanigheid; in God is alles Geest.
De hoedanigheid van het water is niet op een zelfde wijze
in God aanwezig als in deze wereld, maar zij is een geest, zeer helder en
fijn; een kracht, waarin de Heilige Geest omhoog stijgt. De bittere
hoedanigheid werkt in de zoete, in de zure en in de wrange, en de Liefde stijgt
daar in op van eeuwigheid tot eeuwigheid, want de Liefde in het Licht en de
Waarheid gaat uit van het hart of de Zoon van God, en de H. Geest heerst in
alles. En dit is in de diepte des Vaders als een goddelijke heilbrenger, welke
ik noodgedwongen met de aarde vergelijken moet, die vóór haar ondergang zo’n
heilbrenger geweest is, alleen niet zo hard, koud, bitter, zuur en duister,
maar zoals de Hemel, zeer licht en rein; en alles, wat daarin was, was
goed en Hemels; maar vorst Lucifer heeft dat te gronde gericht, zoals hierna
zal worden verteld. Deze Hemelse krachten brengen Hemelse en vreugdevolle
vruchten en kleuren voort, allerlei bomen en heesters waaraan de schone en
lieflijke vrucht des levens groeit; ook groeien er allerlei bloemen met schone
Hemelse kleuren en geuren. Hun smaak is velerlei, ieder heeft zijn eigen
eigenschap, heilig, goddelijk en vol van vreugde; iedere eigenschap draagt haar
eigen vrucht; zoals in de aarde schone gesteenten, zilver en goud verborgen
zijn, zo brengt de Hemel ook zijn vruchten voort. De natuur arbeidt volijverig
aan de verdorven en dode aarde, opdat zij op Hemelse wijze zou kunnen voortbrengen,
maar zij brengt dode, duistere en harde vruchten voort, die niet zijn naar het
voorbeeld van de Hemelse vruchten; ze zijn boos, bitter, zuur, heet,
koud en ruw en er is nauwelijks één goede vrucht daarbij. Hun sap is vermengd
met de helse eigenschappen, hun reuk is onaangenaam; alzo heeft Lucifer het
aangericht, wat ik hierna duidelijk bewijzen wil.
Wanneer ik nu schrijf van bomen, struiken en vruchten, zo
moet ge dit niet aards verstaan, want het is niet mijn bedoeling, dat in de
Hemel een dode, harde, houten boom of steen zou groeien, die aards en
stoffelijk is. Neen, mijn bedoeling is Hemels, geestelijk en waarachtig. In de
Goddelijke Rijkdom zijn voornamelijk twee zaken te onderscheiden. Ten eerste de
Goddelijke Krachten; zij zijn een bewegende, opborrelende kracht, waaruit elke
vrucht naar eigen hoedanigheid en aard geboren wordt, zoals Hemelse bomen en
heesters, die zonder ophouden vrucht dragen, bloeien en groeien in Goddelijke
Kracht, zo verrukkelijk, dat ik het niet kan beschrijven, maar ervan stamel als
een kind dat leert spreken. De andere factor in de goddelijke rijkdom is het
geluid, zoals in de krachten der aarde ook het geluid aanwezig is. Daaruit komt
voort goud, zilver, koper, ijzer en dergelijke, waarvan men allerlei instrumenten
maken kan die galmen en vreugde geven, zoals klokken, bazuinen en alles wat
geluid geeft; dit zelfde geluid is ook in alle schepselen op aarde, anders kon
alles geluidloos zijn.
Alles groeit vreugdevol op en vol sierlijkheid en
schoonheid. Zoals nu de Goddelijke Krachten velerlei zijn, zo is ook het geluid
meervoudig. Wanneer de Krachten in God omhoog stijgen, brengt de ene de andere
in beweging; zij vloeien inéén, het is een gestadig vermengen; dan zijn
verschillende kleuren daarin te onderscheiden en in deze kleuren groeien
verschillende vruchten; het geluid vermengt zich hiermee en stijgt hieruit op;
dan klinken de tonen en de galmen in het Hemelse Vreugderijk. Wanneer ge in
deze wereld vele duizenden instrumenten en snaarinstrumenten tezamen brengt en
ge liet ze alle op zijn schoonst door elkander klinken en ge zoudt de knapste
meester hebben om ze te bespelen, zo zou dit toch maar als hondengeblaf klinken
in vergelijking met de goddelijke muziek en de heerlijke klanken die zouden
opgaan van deze muziek van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Wanneer ge nu de Hemelse, Goddelijke Rijkdom en
heerlijkheid wilt aanschouwen, en wat voor gewas er wordt voortgebracht, wat
voor lust en vreugde er is, zie dan met intense belangstelling deze wereld aan,
en merk op welke vruchten er uit de krachten der aarde groeien aan bomen,
struiken, wortelen, bloemen, olie, wijn, graan en alles, wat bestaat en wat uw
hart kan doorvorsen; dat alles is een voorbeeld van wat de Hemelse rijkdom
vermag te geven. Want de aardse en verdorven natuur heeft van de aanvang der
schepping tot op heden voortdurend gearbeid, opdat zij Hemelse Vormen zou
kunnen voortbrengen, in de aarde en in mensen en dieren. Men ziet, hoe alle
jaren nieuwe kunstuitingen ontstaan, van de aanvang af tot nu toe, maar zij
hebben geen goddelijke krachten en werkingen kunnen voortbrengen; daarom is
haar vrucht half dood, verdorven en onrein.
Ge moet niet denken, dat in het Rijk van God dieren,
wormen of schepselen ontstaan, zoals in deze wereld; neen, ik bedoel slechts de
wondervolle verhoudingen, krachten en bekwaamheden te vermelden die in Gods
Rijkdom besloten liggen. De natuur arbeidt volijverig, opdat zij naar haar
vermogen Hemelse Vormen en Beelden zal kunnen voortbrengen, zoals men die
aanschouwt in mensen, dieren, vogels en wormen, zowel als in het gewas, dat op
de aarde groeit en dat alles zo bovenmatig kunstig is geschapen, want de natuur
wil gaarne haar nietswaardigheid verliezen, opdat de Hemelse vorm in heilige
kracht kan worden geboren. Deze vruchten zijn niet dood, hard, zuur of wrang,
zij verrotten niet en worden niet onwelriekend in deze wereld, neen, zij rijpen
in heilige, Goddelijke Kracht. Hun samenvoeging is uit de Goddelijke Kracht,
uit de Goddelijke Rijkdom, een spijze van de heilige Engelen. Wanneer de diepe
val van de mens het niet onmogelijk had gemaakt, zou hij in deze wereld ook op
deze zelfde wijze aan de dis genood zijn en van deze vruchten hebben gegeten,
zoals zij hem in ‘t Paradijs zijn aangeboden; maar de boze lust en de zucht des
duivels, die de krachten infecteert waaruit Adam is voortgekomen en ze bederft,
bracht de mens in verzoeking van het boze en van het goede te eten, waarover ik
hierna duidelijk zal schrijven en hetgeen ik ook bewijzen zal.
De Geest toont aan en bewijst helder en duidelijk, dat
vóór de schepping der Engelen het Goddelijke Wezen met Zijn Werkingen en Zijn
Wasdom van eeuwigheid af bestaan heeft en dat God ook aandeel heeft in de
schepping der Engelen, dat Hij er voor die tijd dus was, dat Hij er nu is en
dat Hij in alle eeuwigheid zal bestaan. De ruimte in het heelal, daarbij de
hemel, die wij met onze ogen zien, zowel als de plaats, waar de aarde en de
sterren zijn, alsmede de ruimte, tussen de hemellichamen, hebben een vorm
gehad, zoals zij nog heden boven de hemelen, in de goddelijke praal en pracht
hebben. Zij is echter het rijk geworden van de grootvorst Lucifer, toen de
Engelen geschapen werden.
Er is ook een andere verklaring, nml. dat hij (Lucifer)
uitgestoten werd in het allerbuitenste,
hetwelk ook het alleruitwendigste is. Hij heeft in zijn trotse opstandigheid in
zijn koninkrijk de krachten, waaruit hij is voortgekomen, ontstoken en
brandende gemaakt. Hij heeft bedoeld zich boven de Zoon Gods te verheffen en
groter en lichter te zijn dan hij; maar hij is een dwaas geworden, daarom kon
hij in deze toestand niet bestaan in God, waarop toen de schepping dezer wereld
gevolgd is.
Ten slotte zal deze wereld toch weder te bestemder tijd
door God zó worden als ze was voor de schepping der Engelen; en Lucifer zal een
hel, grafgewelf of woonplaats toegewezen worden in deze wereld en eeuwig in
zijn zelf veroorzaakte ellende blijven; het zal zijn als een woestijn, een
woning der schande, als een donker dal, een hel vol geheimzinnigheid. Merk nu
op: God heeft de heilige Engelen allen in één keer geschapen, niet uit een
vreemde stof, maar uit Zichzelf, uit Zijn eigen Kracht en Wijsheid. De
filosofen hebben gemeend, dat God de Engelen geschapen heeft uit het Licht;
maar zij hebben zich vergist; zij zijn niet alleen uit het Licht gemaakt, maar
uit alle Krachten van God.
Zoals ik hiervoor al heb opgemerkt, er zijn in Gods Wezen
twee verschillende dingen te onderscheiden: ten eerste de Kracht, beter gezegd
alle Krachten van God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest; deze zijn
lieflijk, vreugdevol en zij zijn als één centrale kracht. Zoals in de lucht de
kracht van alle sterren heerst, zo is het ook met de Krachten die in Hem zijn,
alleen: iedere Kracht, die in God aanwezig is, openbaart zich afzonderlijk in
zijn speciale werking. Iedere Kracht heeft zijn eigen geluid en dit weerklinkt
naar zijn eigen aard; het Hemelse Rijk der Vreugden hoort men er in
weerklinken. Uit deze Goddelijke Krachten zijn alle Engelen geschapen, d.w.z.
uit het lichaam der natuur. Nu zoudt ge kunnen vragen: Hoe zijn ze geschapen of
geboren, of hoe is hun verschijningsvorm? Ja, wanneer ik een Engelentong zou
hebben en gij het verstand van een Engel, zo zouden wij hierover schoon kunnen
spreken, maar de geest ziet het, en dat kan de tong niet uitspreken; ik kan
geen andere taal spreken dan de taal van deze wereld. Maar wanneer de Heilige
Geest in u is, zal uw ziel het verstaan. Ziet, de heilige Drievuldigheid heeft
uit zichzelf een Lichaam of Beeld gevormd, als een kleine God er uitziende. Dit
Beeld of Lichaam ziet er ongeveer uit als de mens. In God is geen begin en geen
einde; de Engelen echter hebben een begin en een einde; maar niet merkbaar of
begrijpelijk, want een Engel kan nu eens groot, dan weer klein zijn; hun snelle
verandering gaat even snel als de gedachten van de mensen. Alle hoedanigheden
en krachten zijn in een Engel aanwezig, evenals ze in de Godheid aanwezig zijn.
Nu moet ge het volgende goed verstaan. Zij zijn gemaakt uit de Krachten Gods,
daaruit zijn hun verschijningsvormen tezamen gevoegd. Ziehier een voorbeeld.
Uit de zon en de sterren ontstaan de elementen, en deze scheppen een levende
Geest in de aarde, en de sterren blijven in hun baan en de geest ontvangt de
eigenschap der sterren. Nu is echter de geest, naar zijn samenstelling iets
buitengewoons en hij heeft een substantie als alle sterren, en de sterren zijn
en blijven ook iets bijzonders, een ieder voor zich. Maar toch heerst de
eigenschap der sterren in de geest: de geest kan en mag zich verheffen, of ook
het tegenovergestelde kan het geval zijn; hij leeft onder de invloeden der
sterren, het mag zo zijn, maar toch heeft hij de eigenschap der sterren tot
zijn eigendom gemaakt, al had hij ze ook oorspronkelijk van de sterren. Evenzo
als de moeder, die het zaad in zich heeft; omdat ze het in zich heeft en omdat
het het zaad is, zo is het van de moeder; wanneer echter een kind daaruit
geboren wordt, is het niet meer van de moeder, maar van het kind. En hoewel het
kind woont in het huis van de moeder en de moeder het met haar voedsel spijzigt
en het kind ook zonder de moeder niet zou kunnen leven, toch zijn de geest en
het lichaam dat uit het zaad der moeder gegroeid is, het eigendom van het kind
en het kind behoudt het recht op zijn eigen lichaam. Zo is het ook met de
Engelen: zij zijn ook allen uit het Goddelijk Zaad voortgekomen, maar een ieder
van hen heeft een eigen lichaam, dat hen toebehoort, en ofschoon ze in God
wonen en eten van de vruchten hunner moeder, uit wie ze geboren zijn, zo is
toch hun lichaam hun eigendom. Maar de Eigenschap buiten hen en buiten hun
lichaam, als het ware te vergelijken met hun moeder, waaruit ze geboren zijn,
deze Eigenschap is niet van hen, evenzo als de moeder niet het eigendom is van
het kind; en ook de spijze van de moeder is niet het eigendom van het kind,
maar de moeder geeft het hem uit liefde, omdat zij het kind gebaard heeft. Zij
mag het kind ook uit haar huis verstoten, als het haar niet gehoorzamen wil; ze
mag hem ook de spijs onthouden, hetgeen Lucifer ook overkomen is. Alzo mag God
Zijn Goddelijke Kracht, die buiten de Engelen om bestaat, ook aan hun
onttrekken, wanneer zij zich tegen Hem verzetten. Wanneer dit echter gebeurt,
moet een geest versmachten en vergaan, evenals wanneer aan een mens de lucht,
die zijn moeder is, wordt onttrokken, dan moet hij sterven. Alzo kunnen ook de
Engelen zonder hun moeder niet leven.
HOOFDSTUK V.
Nu komt hier de vraag naar voren: wat heeft een Engel
voor lichaam, gestalte of verschijningsvorm en hoe wordt hij voorgesteld? Zoals
de mens naar Gods Beeld en Gelijkenis is geschapen, zo is het ook bij de Engelen, want zij zijn broeders
van de mensen en in de opstanding zullen de mensen geen andere vorm en
beeltenis hebben dan de Engelen; hetgeen onze koning Christus ook betuigt in
Mattheus 22, 30.
Zo hebben de Engelen zich hier op de aarde ook nooit
anders aan de mensen geopenbaard dan in mensengestalte. Daar wij nu in de
opstanding aan de Engelen gelijk zullen zijn, zo moeten we ons de Engelen ook
voorstellen, evenzo gevormd als wijzelf zijn, anders zouden wij in de
opstanding een andere gestalte hebben, hetgeen in strijd zou zijn met de eerste
schepping. Zo verschijnen ook Mozes en Elia aan de discipelen van Christus in
hun eigen vorm en gestalte op de berg Thabor, terwijl zij reeds lang in de
Hemel zijn geweest; en Elia is lichamelijk in de Hemel opgenomen en heeft geen
andere gestalte als hij op aarde gehad heeft. 2 Korr. 2:11. Ook toen Christus
ten Hemel voer, zweefden er twee Engelen in de wolken, die tot de discipelen
spraken: “Gij Galileese mannen, wat staat gij en ziet ge op naar de Hemel. Deze
Jezus, die van U opgenomen is in de Hemel, zal alzo wederkomen, gelijk gij Hem
naar de Hemel hebt zien henevaren.” Hand. der Apostelen 1,11.
Het is helder en duidelijk, dat hij in zulk een gestalte
ten jongste dage zal wederkomen met een goddelijk en verheerlijkt Lichaam, als
een vorst van de heilige Engelen, zoals de mensen ook eenmaal zullen zijn. De
geest toont ook helder en duidelijk aan, dat de Engelen en de mensen een
beeltenis hebben, want God heeft in de plaats van de verstoten Engel Lucifer,
uit dezelfde substantie waaruit Lucifer gemaakt was, een andere Engel
geschapen; dat was Adam, wanneer hij slechts zuiver gebleven ware. Maar dit is
de zekere verwachting der opstanding: wij zullen wederom de reinheid en
zuiverheid der Engelen verkrijgen. Nu vraagt ge: Hoe zijn dan de Engelen naar
het Beeld van God gemaakt? Antwoord: Ten eerste is er het Lichaam, dat is
gevormd, niet te scheiden en niet te verwoesten en voor de mensen
onbegrijpelijk; dit is uit de Goddelijke Kracht geschapen en deze Kracht kan in
de eeuwigheid niet teniet gedaan worden. Zo min als iemand of iets in staat is
de Godheid te niet te doen, zo min kan ook iemand of iets een Engel teniet
doen, omdat deze uit God is gemaakt, niet met menselijk vlees en bloed, maar
uit Goddelijke Kracht. In deze zelfde kracht bestaat het Licht van God, de Zoon.
Nu scheppen deze Krachten, die in de Vader en in de Zoon zijn en zich in de
Engel manifesteren, een verstandige geest, die weer van de Engel uitgaat. In
het begin doen de Krachten des Vaders een Licht ontstaan, waardoor een Engel de
Vader ziet en waardoor hij de uiterlijke Kracht en Werking Gods, die buiten
zijn lichaam liggen, zien kan en ook zijn medebroeders, evenals de heerlijke
vruchten Gods; deze kan hij genieten en daaraan zijn vreugde hebben. En
ditzelfde Licht is oorspronkelijk afkomstig van de Zoon van God, en heeft
gestalte aangenomen in het Lichaam van de Engel en is het eigendom van de
Engel; het kan hem door niets ontnomen worden, slechts door hem zelf, zoals bij
Lucifer het geval is geweest. Alle kracht nu, die in de Engel is, veroorzaakt
dat Licht. Zoals God de Vader Zijn Zoon geboren doet worden, en Hij als het
ware het hart des Vaders is, zo doet de Kracht van de Engel ook diens Zoon
geboren worden, dat ook als zijn hart is, en zo worden alle Krachten in de
Engel verlicht. Daarna ontspringt er een bron uit die Krachten en dit is Zijn
Geest, die in alle eeuwigheid opstijgt; de wetenschap en het inzicht omtrent
de goddelijke dingen zetelen in die geest. Deze geest komt tot uiting in het
gemoed, hij vindt hier vijf open deuren en kan zien, wat in God is en ook, wat
in hemzelf is. Merk nu op: Er zijn ook twee dingen te onderscheiden in het
wezen van een Engel. Ten eerste is er de kracht; in de kracht is de toon, de
klank, die zetelt in het hoofd, in het gemoed, zoals bij de mensen in de hersenen,
en in het gemoed heeft hij zijn open poorten, in het hart heeft hij zijn
oorsprong en zijn zetel; uit het hart ontspringen immers alle krachten en zij
keren ook weder terug tot het hart, zoals ook bij de mens; in het hoofd heeft
hij zijn vorstelijke verblijfplaats, daar ziet hij alles, wat buiten hem is, en
hoort alles, proeft alles, ruikt alles en voelt alles. En als hij nu de
Goddelijke Toon en galm, die buiten hem is, ziet opstijgen en hoort, dan wordt
zijn geest aangestoken met vreugde, en verheft zich in zijn vorstelijk stoel en
zingt vol vreugde de verrukkelijke woorden van de heiligheid Gods en van de
vruchten en het gewas van het eeuwige leven, van de lieflijkheid en de kleuren
van het eeuwige, en van de volzalige aanblik van God de Vader, de Zoon en de
Heilige Geest.
Ook zingt zijn geest van de
broederschap der Engelen, van het eeuwigdurende Vreugderijk van de Heiligheid
Gods, van hun vorstelijke heerscharen, in één woord van alle krachten,
waarover ik, helaas, wegens mijn verderf in ‘t vlees, niet schrijven kan, was
ik slechts daarbij geweest. Wat ik echter hier niet schrijven kan, dat wil ik
aan uwe ziel toevertrouwen om te overdenken: ge zult het
op de dag der opstanding helder en duidelijk zien. Ge moogt met mijn geest niet
spotten, hij is niet uit, een wild dier voortgekomen; maar uit mijn
kracht en door de Heiligen Geest verlicht.
Ik schrijf hier niet zonder inzicht; wanneer gij echter
als een Epicurist uit een duivelse aandrift over deze dingen zoudt spotten, en
zeggen zoudt: deze man is niet ten Hemel gevaren en heeft het niet gezien of
gehoord, het zijn fabelen, zo zal ik u in naam van mijn inzicht voor het
jongste gericht dagen. En als ik nu lichamelijk niet in staat ben, u daarheen
te leiden, zo is Hij, van Wie ik mijn kennis ontvangen heb, machtig genoeg, u
in de afgrond der hel te werpen. Wees daarom gewaarschuwd en bedenk, dat ge
ook tot de Engelenschaar behoort, en lees het navolgende vol vreugde: Zo zal de
Heilige Geest in u gewekt worden en ge zult verlangen deel te nemen aan de
Hemelse reidansen. Amen. De speler heeft zijn snaren al gespannen, de bruidegom
komt. Ziet toe, dat ge niet de duivelse jicht in uw voeten hebt, wanneer de
dans begint, zodat ge geheel ongeschikt zijt om de dans der Engelen mede te
dansen en zodoende van de Bruiloft zijt buiten gesloten, omdat gij geen Engelenkleed
draagt. Waarlijk, de deur zal achter u dicht geworpen worden en ge zult niet
meer binnenkomen, maar ge zult met de helse wolven in het helse vuur dansen; de
spot zal u dan wel vergaan en het berouw zal dan aan uw ziel knagen.
Nu is de vraag: wat heeft een Engel voor eigenschappen?
Antwoord: De heilige ziel des mensen en de geest van een Engel is één en
hetzelfde en er is tussen deze twee geen onderscheid. Wat van buitenaf in de
mens door de lucht komt, is van een aardse verdorvenheid, daartegenover staat,
dat er ook een goddelijke en hemelse eigenschap is, aan de schepselen
verborgen, maar de heilige ziel verstaat dat wel zoals de koninklijke Profeet
David zegt in Psalm 104:3, “De Heer maakt van de wolken zijn wagen en wandelt
op de vleugelen des winds.” Een eenvoudig mens zou echter kunnen vragen: Wat
meent ge wel hiermee? Ik bedoel hiermee de kracht, die van buiten komt in het
lichaam van een Engel en ook weer naar buitentreedt, zoals bijvoorbeeld het
geval is, wanneer een mens ademhaalt en hij ademt weer uit, want daaruit kan
het lichaam en ook de geest alleen leven. De eigenschap van buiten steekt de
geest, in het hart, in de bronwel aan; daardoor worden alle krachten in
beweging gebracht, dan stijgt dezelfde eigenschap op in de geest, die de
natuurgeest is van de mens of van de Engel; hij stijgt op naar het hoofd; daar
is de plaats. waar hij raad houdt met zich zelf.
De eerste factor is: de ogen, die op alles reageren, wat
ze ook zien, want zij zijn het licht. Zoals het licht uit de Zoon Gods uit gaat
tot de Vader, in al Zijn Krachten, en alle Krachten des Vaders aandoet en evenzo andersom, zo werken
de ogen op de dingen, die zij bezien, en omgekeerd, en vandaar wordt het naar
het hoofd gevoerd en daar wordt het bewust gemaakt. Vandaar gaat het naar het
hart, en het hart geeft het door aan de anderen in het ganse lichaam; dan
grijpen mond, hand en voet
toe. De tweede is: de oren, zij ook werken in het gehele lichaam door de geest;
hun oorsprong ligt in de klank, de toon, die overal uit opstijgt. Zoals in alle
Krachten Gods de toon klinkt, die ‘t Hemelse weergeeft, en deze toon of klank
weer van deze krachten uit gaat en terug is te vinden in de verbinding van de
Geest met God, zo komt deze toon naar voren; wanneer de éne kracht de andere in
beweging brengt. Dan klinkt ze duidelijk, zij stijgt dan weer op in de Vader,
en alles, wat in de Vader is wordt er door aangeraakt, zij brengen steeds weer
dezelfde toon voort. Zo zijn dus de oren het tweede motief in het hoofd, zij
staan open en de klank of toon gaat door hen heen in alles, wat geluid geeft.
Wanneer dit gebeurt wordt de geest aangeraakt en deze wordt gebracht voor de
vorstelijke zetel, die in het hoofd is, daar wordt hij goedgekeurd. En zoals de
Geest het int, zo brengt hij het over in het hart en het hart, of de bron van
het hart, geeft eraan alle krachten die in het lichaam zijn; dan werken mond en
handen mede. Wanneer het evenwel aan de vorstelijke zetel, die bij het hoofd
is, niet bevalt, wanneer het beproefd is, zo laat deze het van zich gaan en
brengt het niet over naar de moeder - het hart. Het derde motief is de neus; de
bron uit het lichaam stijgt op naar de neus, wat betreft de functie van dit
orgaan. De neus heeft twee open poorten. Zoals de lieflijke en verrukkelijke
geur uitgaat uit alle krachten van de Vader en van de Zoon, en door de Heilige
Geest wordt getemperd, zodat uit de bron van de Heilige Geest deze kostbare
geur opstijgt, en werkt, in alle krachten des Vaders, en deze ontsteekt, zodat
ze opnieuw zwanger worden van de verrukkelijke geur en deze opnieuw bij en in
de Heiligen Geest doen geboren worden. Alzo stijgt ook in mens en Engel deze
kracht van de reuk uit alle lichaamskrachten door middel van de Geest op,
verlaat wederom de neus en doet alle reuk aan en voert die terug door de neus,
de derde factor in ‘t hoofd. Ook deze wordt gebracht voor de vorstelijke zetel
in het hoofd. Daar wordt zij gekeurd, of het een goede reuk is, aannemelijk of
niet. Is zij goed, dan wordt zij doorgegeven aan de moeder, zodat zij begint te
werken, is zij niet goed, dan wordt zij verwijderd. En deze factor, deze reuk,
die ontstaat uit de krachten Gods, behoort tot het hemelse Vreugderijk en
heeft een heerlijke, lieflijke en schone bron in God. Het vierde is: de smaak,
die de tong heeft; zij stijgt ook op uit alle krachten des lichaams door de
Geest, naar de tong, want alle bronnen van het gehele lichaam gaan naar de
tong en deze is het essentiële van alle krachten of de smaak. Zoals de Heilige
Geest uitgaat van de Vader en de Zoon, en goed is, en in zijn werken alles doet
opstijgen wat goed is, en weer verenigt met de Vader, zodat de Krachten des
Vaders wederom zwanger worden en opnieuw de smaak voortbrengen; wat echter niet
goed is wordt door de Heilige Geest uitgespuwd, als iets, dat walging opwekt,
zoals staat in de openbaring van Johannes: “hij spuwt de grootvorst Lucifer uit
in zijn hoogmoed en bederf, want hij kon de hovaardige, vurige, onwelriekende
geur niet meer verdragen,” alzo gaat het ook alle hovaardige mensen. O mens,
laat u dit gezegd zijn, want de geest ijvert zeer in dit opzicht: Laat af van
de hoogmoed, of het zal u vergaan als de duivelen, het is ernst, de tijd is
kort, en zo ge niet luistert, zult ge spoedig het helse vuur bemerken. Zoals nu
de Heilige Geest alles keurt, zo doet de tong dit ook; zij keurt elke smaak. En
wanneer de geest het goedkeurt, dan wordt de smaak voor de vier andere factoren
geplaatst, voor de vorstelijke zetel, daar wordt onderzocht, of de smaak nuttig
is ten opzichte van de andere eigenschappen van het lichaam: ten slotte komen
dan mond en handen in werking. Wanneer de smaak evenwel niet goed is wordt ze
door de tong uitgespuwd, voor ze voor de vorstelijke zetel verschijnt; bevalt
ze de tong echter wel, en is ze goed maar dient ze niet het gehele lichaam, zo
wordt ze toch, wanneer ze voor de vierschaar verschijnt, verworpen en de tong
moet ze uitspuwen en niet meer aanroeren. Het vijfde zintuig is: het voelen, de
tastzin. Deze stijgt ook op in alle krachten des lichaams, naar het hoofd. Want
uit God de Vader en God de Zoon gaan alle krachten uit en de ene brengt de andere
in beweging, wat weer tot gevolg heeft, dat het geluid ontstaat, zodat alles
klinkt en beweegt; wanneer de ene kracht de andere niet wekte, zou zich niets
bewegen. Dit in beweging brengen brengt ook de Heilige Geest in werking, zodat
Hij opstijgt in alle krachten des Vaders waarin het hemelse Vreugdenrijk
triomferend tot stand komt, zowel als het groeien en
bloeien, klinken en geboren worden. Christus spreekt in het Evangelie: “Ik werk
en Mijn Vader werkt ook.” Joh. 5:17. Door deze werking wordt de Heilige Geest
geboren en hierin zijn alle krachten beweeglijk en in werking. Hij stijgt op
van eeuwigheid tot eeuwigheid en maakt de Krachten des Vaders zwanger. Zo iets
heeft ook plaats bij Engelen en mensen. Alle krachten in hun lichaam stijgen op
en de een wekt de andere tot werking; wanneer dit niet zo was, zou de mens en
de Engel niets kunnen voelen. Wanneer één lid van het lichaam te zwaar
getroffen wordt, zo roept het het gehele lichaam aan om hulp en het gehele
lichaam komt in werking alsof er een groot oproer was, alsof de
vijand nabij was, en het komt het éne lid te hulp en verlost het van zijn
smarten.
Dat kunt ge zien, wanneer ge uw
vingers stoot, kwetst of verwondt of een of ander lichaamsdeel, zoals ge wilt.
De Geest loopt snel te hulp, hij gaat
naar zijn moeder, het hart, en klaagt het aan de moeder, en wanneer de smart
groot is, dan wekt de moeder alle leden van het gehele lichaam en moet alles
het éne lid te hulp komen. Merk nu op: Zo beweegt zonder onderbreking de ene
kracht de andere in het lichaam, en alle krachten gaan naar het hoofd en staan
voor de vorstelijke zetel die hen allen keurt. Wanneer één lid zich te veel zou
laten gelden en één de anderen schade zou berokkenen, zoals bijvoorbeeld het
geval kan zijn met het “zien”; wanneer dit zintuig datgene zou liefhebben, wat
hem niet toekwam, zoals Lucifer deed, die de Zoon Gods zag en het heerlijke
licht liefhad en zich te veel deed gelden, bovendien voornemens was Hem gelijk
te worden of nog schoner en heerlijker dan Hij; zulk een werker wijst de
vierschaar af. Of, het kan ook zijn, dat het “horen” zich te zeer laat gelden
en gaarne valse woorden en zaken horen wil en deze naar het hart wil
overbrengen; dit wordt ook door de raadsheren voor de zetel afgekeurd. Of het
“ruiken” kan zich ook zo gedragen, dat het lust heeft te ruiken, wat hem niet
toebehoort, zoals Lucifer ook deed en hij liet zich de heilige reuk van de Zone
Gods welgevallen en meende, dat hij zelf in zijn zelfverheffing en
zelfontbranding nog veel lieflijker zou geuren, zoals hij moeder Eva ook
bedroog en zei dat wanneer zij zou eten van de verboden boom, zij even wijs zou
zijn als God en aan Hem gelijk. Mozes 3:5. Ook dit wordt afgekeurd door de vier
ouderen. Ook kan het nog zijn dat de “smaak” zich datgene laat welgevallen, wat
niet geschikt is voor het lichaam, of datgene wil eten, wat niet het zijne is,
zoals Moeder Eva zich in het Paradijs des duivels appels liet smaken en daarvan
at. Ook dit wordt afgekeurd. Ten slotte: Daarom zijn er vijf factoren, vijf
zintuigen, opdat de ene de andere raad zou geven en een ieder van hen is een
bijzondere eigenschap, en de samengestelde geest, die uit al deze kracht
geboren wordt, is hun koning en vorst en zetelt in het hoofd van de mens, in
zijn hersenen, en bij de Engelen zetelt de kracht ook in het brein op de
vorstelijke zetel en legt beslag op datgene, wat door de gehele vorstelijke
raad besloten is.
HOOFDSTUK
VI.
Ziet,
zoals Gods Wezen is, zo is ook het wezen der Engelen en der mensen; en zoals
het Goddelijk Lichaam is, zo is ook het lichaam der Engelen en der mensen. Alleen
is dit het onderscheid, dat Engel en mens een schepping zijn, een gedeelte van
het gehele wezen en niet het gehele wezen zelf; als het ware één zoon van het
gehele wezen; daarom is het redelijk, dat hij een onderdaan is van het gehele
wezen, daar hij slechts de zoon is. En wanneer zich de zoon verzet tegen de
Vader, zo is het rechtvaardig, als de Vader hem uit zijn huis verstoot, want
hij verzet zich dan tegen Hem, die hem heeft doen geboren worden en van Wiens
kracht hij een schepping is. Want wanneer iemand iets formeert uit datgene wat
hem toebehoort, zo heeft hij, wanneer datgene, wat hij geschapen heeft, zich
niet naar zijn wil gedraagt, het recht daarmee te doen wat hij wil, een val ter
ere of ter onere; hetgeen ook met Lucifer voorviel. Merk nu op: De gehele
goddelijke Kracht des Vaders spreekt uit alle eigenschappen des Vaders. Het
woord, dat gesproken wordt verpersoonlijkt de Zoon Gods.
Nu
gaat dit zelfde woord, dat de Vader spreekt, uit van Zijn Krachten. Dit spreekt
de Vader uit en dit woord is de glans die van Hem uitgaat en wanneer dit woord
is uitgesproken, zo is het niet meer in de Vader, maar weerklinkt in alles wat
de Vader zegt. Nu heeft dit door de Vader gesproken woord zulk een scherpte,
dat de klank ervan ogenblikkelijk zeer snel door
de gehele volheid des Vaders opgenomen wordt; en deze zelfde scherpte is de
Heilige Geest. Want het woord, dat uitgesproken is, blijft als een glansrijke
of heerlijke opdracht voor de Koning bestaan; de klank of toon evenwel, die van
het woord uitgaat, en door het woord heen klinkt, verricht de opdracht des
Vaders, die Hij door middel van dat woord heeft te kennen gegeven. Dit nu is de
geboorte van de Heilige Drievuldigheid.
Ziet nu: zo is het ook gesteld met de Engel en de mens.
De kracht in het gehele lichaam aanwezig, heeft alle eigenschappen, zoals ze
ook in God de Vader zijn. Zoals nu in God de Vader alle krachten opstijgen van
eeuwigheid tot eeuwigheid, zo stijgen ook in Engelen en mensen alle krachten op
in het hoofd; hoger kunnen zij niet opstijgen, want het is slechts een
schepsel, eindig en gebonden aan een begin en een einde. En in het hoofd zetelt
de goddelijke vierschaar, de goddelijke rechterstoel of God de Vader, en de
vijf zintuigen of eigenschappen zijn de raadgevers; zij ontvangen hun verschillende
indrukken uit het gehele lichaam, uit alle krachten die in het lichaam werken.
Nu beraadslagen de vijf zintuigen altijd zo, dat het gehele lichaam
vertegenwoordigd is, en als er raad gehouden is en een besluit genomen, dan
spreekt de rechter het oordeel uit. Hij spreekt een oordeel uit in het hart,
het midden van het lichaam, het centrum, want het hart is de bronwel aller
krachten vanwaaruit ook het opstijgen der krachten aanvangt. Daar staat dat
woord nu in het hart, als een uit alle krachten samengesmolten eenheid, en dit
beduidt God de Zoon. Nu gaat het uit het hart over in de mond; deze formuleert
het en verduidelijkt het, zo, dat het opklinkt en duidelijk naar de vijf
zintuigen is te onderkennen. Naar gelang van de eigenschap, waaruit het woord
zijn oorsprong heeft, wordt het woord door de tong uitgesproken; en het
onderscheid tussen de woorden wordt bepaald door de tong; en dit beduidt de
Heilige Geest.
Want evenals de Heilige Geest van de
Vader en de Zoon uitgaat en alles onderscheidt en alles verduidelijkt en
datgene teweeg brengt wat de Vader door het woord spreekt, evenzo verduidelijkt
en onderscheidt de tong al datgene wat de vijf zintuigen in het hoofd door het
hart aan de tong overbrengen en de geest gaat uit van de tong door middel van
de klank, zoals de raad der vijf zintuigen het heeft besloten en dat, wat daar
besloten is, wordt uitgevoerd.
De mond doet duidelijk uitkomen, dat ge een zoon van uw
Vader zijt, met beperkte macht begiftigd, of ge nu mens of Engel zijt, want
door middel van de mond moet ge de kracht uws Vaders in u opnemen, opdat ge
zult kunnen leven.
Een Engel kan dat doen, zowel als een mens; al heeft hij
ook aan het element lucht niet op dezelfde wijze behoefte als de mens. Hij moet
toch door middel van de mond de geest in zich opnemen, waardoor de lucht in
deze wereld is ontstaan. Want in de Hemel bestaat de lucht niet in dezelfde
vorm en op dezelfde wijze, maar de lucht is daar zeer zacht en vreugdevol, ze
is als een lieflijk suizen en de Heilige Geest is in alles aldaar aanwezig. Een
Engel moet uit dit alles ook leven, anders zou hij geen levend en bewegend
schepsel zijn; hij moet ook van de hemelse vruchten kunnen eten met zijn mond.
Dit moet ge echter niet op aardse wijze verstaan, want een Engel heeft geen
ingewanden, vlees of beenderen; hij is door de goddelijke kracht geformeerd
naar het voorbeeld van de mens, ook wat betreft zijn ledematen en andere
lichaamsdelen. De geslachtsdelen en ook een uitgang onder aan het lichaam heeft
hij niet; dit behoeft hij ook niet. Want deze dingen heeft de mens eerst
ontvangen na zijn droevige val. Een Engel doet niets van zich uitgaan dan de
goddelijke Kracht, die hij met de mond tot zich neemt, opdat zijn hart daardoor
zal worden aangestoken en het hart doet alle andere leden ontbranden. Datzelfde
gaat door zijn mond wederom van hem uit, wanneer hij spreekt en God prijst. De
hemelse vruchten echter, die hij eet, zijn niet aards en al gelijken zij in
vorm en verschijning op de aardse vruchten, zo zijn zij toch goddelijke Kracht
en hebben een zeer lieflijke smaak en geur, zodanig, dat ik het met niets in
deze wereld kan vergelijken, want zij smaken en geuren voor de Heilige
Drievuldigheid. Ge moet niet denken, dat wat er in de Hemel is, een flauwe
afschaduwing is van datgene, wat op aarde is. Neen, de Geest toont helder en
duidelijk aan, dat in de Hemelse heerlijkheid goddelijke bomen, heesters en
bloemen groeien en velerlei andere gewassen, zoals ook op de aarde. Zoals de
Engelen zijn, zo zijn ook de gewassen en de vruchten; alles uit goddelijke
Kracht ontstaan. Ge moet dit gewas des Hemels niet vergelijken met dat der
aarde, want in deze wereld bestaan twee eigenschappen, een goede en een boze en
veel is er dat groeit uit de kracht van het boze. Dàt groeit in de Hemel niet.
Want in de Hemel groeit slechts dat, wat goed is. Er groeit niets, dat niet
goed is.
Alleen
Lucifer heeft deze wereld zo toegericht, als zij nu is. Daarom schaamde moeder
Eva zich, toen zij gegeten had van datgene, wat ontstaan was uit het boze; zij
schaamde zich ook voor haar vrouwelijkheid, die zij door het eten van de appel
deelachtig geworden was. Iets dergelijks nu heeft nooit plaats met de Hemelse
vruchten. Er zijn wel allerlei zeer geurige vruchten in de Hemel, niet alleen
bij wijze van symbool; en de Engelen vatten de vruchten aan met hunne handen,
eten ze als wij mensen doen, maar zij hebben daarbij geen tanden nodig, zij
hebben ze ook niet, want de vrucht is van goddelijk maaksel. Dit alles nu, wat
een Engel tot zich neemt, wat buiten hem is gelegen en wat hij verwerkt ten
einde zijn leven op te bouwen, is niet zijn lichamelijk eigendom, dat hij heeft
ontvangen uit het recht der natuur; de Hemelse Vader geeft alles uit liefde.
Hun lichaam is weliswaar hun eigendom, want God heeft het hun tot een heiligdom
gegeven en wat aan iemand ten eigendom gegeven is, dat is van hem, naar een
natuurrecht, en hij, die dat wederom afneemt, zonder dat dat overeengekomen is,
handelt verkeerd.
Alzo
handelt God ook niet; daarom is een Engel een eeuwig en onvergankelijk
schepsel, dat in alle eeuwigheid bestaat. Wat zou hem nu evenwel het lichaam
van nut zijn, wanneer God hem niet zou spijzigen? Dan zou hij geen beweging
kennen en zou daar neerliggen als een dood stuk hout. Daarom gehoorzamen de
Engelen God en verdeemoedigen zich voor den geweldigen God; loven, eren, roemen
en prijzen Hem om Zijn grote wonderdaden en zingen voortdurend van Gods
Heiligheid, opdat Hij hen zal spijzigen.
De
rechte liefde in de goddelijke natuur stamt uit de bronwel; deze is de Zoon
Gods. Ziet gij mensenkind, laat het u gezegd zijn: De Engelen weten, wat de
rechte liefde jegens God is; ook gij hebt deze nodig in uw koude harten.
Merk op:
Wanneer de lieflijke, vreugdevolle glans en het licht met de kracht, die in den
Zoon Gods is, in alle krachten des Vaders weerspiegelt,
zo worden deze alle door dit licht en deze kracht ontstoken en
gaan vol vreugde triomferen. Zo ook, wanneer het lieflijke en vreugdevolle
licht van den Zoon van God de Engelen verlicht en in hunne harten schijnt, zo
worden alle krachten in hun lichaam aangedaan en zulk een vreugdevol liefdevuur
ontbrandt, dat zij van grote vreugde gaan loven en zingen, zodanig dat noch ik,
noch enig ander mens het uitspreken kan. Met dit gezang wil ik de lezer tot dit
leven oproepen; ge zult dit kunnen ondervinden; ik kan het niet beschrijven.
Wilt ge echter dit alles in uw leven zelf ervaren, laat dan af van huichelarij,
geldgierigheid en bedrog, ook van uw spotternij en wendt uw hart vol ernst tot
God en doe boete voor uw zonden, met het eerlijke, ernstige voornemen heilig te
leven en bidt God om Zijn Heiligen Geest; en worstel met Hein zoals de
aartsvader Jacob de gehele nacht met Hem heeft geworsteld tot liet morgenrood
aanbrak, en hij heeft Hem niet laten gaan, voor Hij hem gezegend had. 1 Mozes
32. Doe gij ook alzo, en de Heilige Geest zal gestaltenis in u aannemen.
Wanneer ge echter niet versaagt, zo zal dit vuur plotseling over u komen en u
overstromen; alsdan zult ge ervaren, hetgeen ik hier geschreven heb, en ge zult
geloven, wat ik in dit boek heb geschreven. Ge zult ook een ander mens worden
en gij zult hieraan denken; gij zult meer in de Hemel verkeren dan op de aarde.
Want de wandel van de heilige ziel is in de Hemel en of zij al lichamelijk op
de aarde wandelt, zo is zij toch te allen tijde bij haar Verlosser, Jezus
Christus en houdt met Hem Avondmaal.
HOOFDSTUK VII.
De duivel zal zich hier weren als een hond, die bijt,
want zijn schande zal hier geopenbaard worden en dit zal de lezer menige diepe
schok geven en hem wat dit aangaat, menigmaal doen twijfelen. Want niets doet
hem onaangenamer aan dan dat men hem zijn heerlijkheid voor de voeten werpt en
hem laat voelen, welk een vorst en koning hij geweest is. Wanneer hem dat wordt
voor de voeten geworpen, woedt en werkt hij als wilde hij de wereld bestormen.
Wanneer nu enig lezer, in wie de Heilige Geest niet oppermachtig is, dit
hoofdstuk mocht lezen, zo vrees ik, dat de duivel het er op zal toeleggen hem
er aan te doen twijfelen, of het ook inderdaad zo is, als het hier beschreven
staat. Dit zou hij doen, opdat zijn rijk niet zou worden te kort gedaan en zijn
schande niet zou worden blootgelegd. Wanneer hij in enig hart twijfel hieromtrent
zou kunnen zaaien, zo zou hij hieraan geen nodige arbeid sparen. Ik voorzie,
dat hij dit in de zin heeft en wil daarom de lezer waarschuwen, opdat hij dit
ijverig zal lezen en zoveel geduld heeft, totdat hij gekomen is bij de
bespreking van de schepping en de heerschappij dezer wereld; dan zal hij dit
alles helder en duidelijk uit de natuur kunnen bewijzen. Merk op: Toen God de
Almachtige in Zijn Raad besloten had, dat hij Engelen of schepselen uit
Zichzelf scheppen wilde, zo maakte Hij hen uit Zijne eeuwige kracht en
wijsheid, naar het voorbeeld van de Goddelijke Drie-eenheid en naar de
eigenschappen in Zijn Goddelijk Wezen. Eerst schiep hij drie koninklijke
heerschappijen, naar het getal der Heilige Drievuldigheid en ieder koninkrijk
had de ordening, de kracht en de eigenschappen van het Goddelijk Wezen. Dring
hier binnen in de diepte der Godheid, want hier wordt een deur voor u geopend.
Deze plaats, onze wereld, de diepte der aarde, en de ruimte tot aan datgene,
wat wij de Hemel noemen, zowel de geschapen Hemel, die uit het water is gemaakt
en boven de sterren zweeft, die wij met onze ogen zien, welker diepte wij met
onze ogen niet doorgronden kunnen; deze ruimte, dit alles tezamen is een
koninkrijk geweest en hierin was Lucifer koning, voordat hij werd verstoten. De
andere twee koninkrijken, die van Michael en Uriël, zijn boven de geschapen
Hemel en aan dat koninkrijk gelijk. Deze drie koninkrijken tezamen omspannen
zulk een grondeloze diepte, dat zij niet door mensen gemeten kunnen worden.
Maar deze drie koninkrijken hebben zeer zeker een begin en een einde; maar de
God, die deze drie koninkrijken uit Zichzelf gemaakt heeft, heeft geen einde.
Er is echter, behalve deze drie koninkrijken evenwel de kracht der
Drievuldigheid, want God de Vader heeft geen einde. Ge zult echter dit
geheimenis weten, dat temidden van deze drie koninkrijken de luister of de
Zoon Gods geboren wordt. En de drie koninkrijken zijn rond als een cirkel,
rondom den Zoon Gods; geen der drie is verder dan één der andere van Hem
verwijderd; zij zijn allen Hem even dicht nabij. Uit deze bron en vanuit de
krachten des Vaders gaat de Heilige Geest uit, benevens het Licht en de kracht
van den Zoon van God, in en door alle Koninkrijken der Engelen, en buiten deze
hetgeen Engel noch mens kan doorvorsen. Ik heb mij ook niet voorgenomen
hierover dieper door te denken, nog veel minder er over te schrijven; hetgeen
mij geopenbaard is, reikt tot in de drie koninkrijken, zoals de kennis van een
Engel; niet mijn kennis, begrip of volmaaktheid dank ik deze openbaring. Stuksgewijze
wordt het mij geopenbaard, slechts zo lang de geest in mij volhardt. Wanneer
deze van mij wijkt, weet ik ook slechts elementaire en aardse dingen; de geest
ziet tot in de diepte der Godheid. Nu zou iemand kunnen vragen: Hoe kan het
zijn, dat de Zoon Gods temidden dezer drie Koninkrijken geboren wordt. Het ene
heirleger van Engelen is toch waarlijk Hem meer nabij dan het andere? Dewijl
hun rijk zulk een diepte heeft? Zo zal ook buiten deze Koninkrijken de
klaarheid en de kracht van den Zoon van God niet zo groot zijn, als bij hen,
die Hem zeer nabij zijn en bij de regionen der Engelen.
Antwoord: De Heilige Engelen zijn daartoe tot
schepselen Gods uit Hemzelf geschapen, opdat zij voor het hart van God,
hetwelk is Gods Zoon, zouden loven, zingen en jubelen en de Hemelse vreugde
zouden vermeerderen. En waarheen zou de Vader hen zenden, ware het niet voor de
deur van Zijn Hart? Ontspringt niet alle menselijke vreugde uit de bronwel van
het hart? Ontspringt ook in God niet de grote vreugde uit de bronwel, Zijn
Hart? Daarom heeft Hij de Heilige Engelen uit Zich zelf geformeerd; zij zijn
als kleine goden, geschapen naar het Wezen en de eigenschappen van God, opdat
zij in Goddelijke kracht zouden spelen, leven, zingen en schallen, en de
vreugde, die opstijgt uit het Hart van God zouden vermeerderen. De luister en
de kracht van Gods Zoon of het Hart van God, hetwelk het Licht of de bron der
vreugde is, ontspringt temidden van deze Koninkrijken volschoon en vreugdevol
en doorlicht alle paarlen der Engelen.
Ge moet
echter het volgende verstaan, zoals het bedoeld is, want wanneer ik in
vergelijkingen spreek en de Zoon van God met een Zoon of een ronde kogel
vergelijk, zo betekent dat niet dat Hij een meetbare bronwel is, welks diepte,
begin of einde men doorgronden kan. Ik schrijf slechts in vergelijkingen,
totdat de lezer tot het juiste begrip zal zijn gekomen. Want het beduidt niet,
dat de Zoon Gods alleen temidden van deze poorten der Engelen zou worden
geboren en ook niet buiten deze. Want de krachten des Vaders zijn toch
allerwegen; daaruit wordt de Zoon geboren en daaruit ontspringt de Heilige
Geest. Dit slechts is de betekenis, dat de Heilige Vader, die 't Alles is, in
deze Engelenpoorten Zijn allervreugdevolste en liefderijkste eigenschappen
ontwikkelt, waaruit het vreugdevolste en liefderijkste Licht, het Woord, het
Hart der krachten of de bronwel geboren wordt. Daarom heeft Hij ook hier de
heilige Engelen geschapen tot Zijn vreugde, eer en heerlijkheid. In de
ondoorgrondelijke eeuwigheid in de ene plaats gelijk aan de andere; maar waar
geen schepselen zijn, daar kent niemand deze plaats, slechts de Geest kent haar
in haar wondervolte openbaring. En dit is de uitgelezen plaats van de
heerlijkheid Gods, die God gekozen heeft, en waar Zijn Heilig Woord in hoogste
klaarheid, kracht en triomferende vreugde geboren wordt. Want merkt op dit
geheimenis: Wordt het Licht, hetwelk uit des Vaders krachten ontspringt,
hetwelk de ware bron van den Zoon van God is, ook in een Engel en in een
Heiligen mens geboren, opdat hij in
dit
Licht en deze kennis vol vreugde triomfeert, hoe zou dat Licht dan niet alom in
den Vader geboren worden, aangezien Zijn Kracht alomtegenwoordig en in alles
is, ook daar, waar ons hart en onze zinnen deze niet kunnen bereiken. Waar nu
de Vader is, daar is ook de Zoon en de Heilige Geest, want de Vader doet den
Zoon geboren worden, Zijn Heilig Woord, Zijn Kracht, Zijn Licht en Geluid en de
Heilige Geest gaan allerwegen van den Vader en den Zoon uit, ook in de poorten
der Engelen daarbuiten.
Wanneer
men nu den Zoon van God met een ronde bol vergelijkt, zoals ik in de vorige
hoofdstukken meermalen gedaan heb, zo spreekt men in natuurlijke vergelijkingen
en ik heb zo moeten schrijven, terwille van het onverstand van den lezer, opdat
hij door deze natuurlijke dingen tot beter begrip zou komen en zodoende zou
kunnen stijgen van de ene sport tot een hogere, totdat hij het grote geheimenis
zou kunnen verstaan. Het beduidt evenwel niet, dat de Zoon Gods een beeltenis
is, gelijk de zon; wanneer dat zo was, zo zou Hij een begin moeten hebben en de
Vader zou Hem op een bepaalde tijd hebben doen geboren worden, dan zou Hij niet
een eeuwige en almachtige Zoon des Vaders zijn, maar Hij zou zijn gelijk een
Koning, die nog een grotere Koning boven zich zou hebben, welke Hem zou kunnen
veranderen. Dat zou een Zoon zijn, die een begin zou hebben, en Zijn kracht en
luister zou zijn als de kracht der zon en het 'lichaam of de bol der zon op de
plaats, waar hij is. Als dit zo was, zo zou de ene poort der Engelen veel
dichter bij den Zone Gods zijn dan de andere; ik wil u nu hier de hoogste
ingang in de Goddelijke geheimenissen tonen en ge moogt naar een hogere zoeken,
want deze is er niet. Merk op: Des Vaders Kracht omvat alles in en boven alle
Hemelen, en deze zelfde kracht doet allerwegen het Licht geboren worden. Dit is
nu de alom aanwezige kracht des Vaders en het Licht, dat in deze al-kracht
geboren wordt, heet de Zoon. Daarom heet het Zoon, omdat het uit den Vader
geboren wordt, en het het Hart des Vaders is.
En als
het geboren is, zo is het een andere persoonlijkheid als de Vader, want de
Vader is de Kracht en het Rijk en de Zoon is het Licht en de glans is de Vader,
en de Heilige Geest is de uitwerking van beide, en formeert alles en geeft er
vorm aan. Zoals de lucht uitgaat vanuit de zonnekrachten en de sterrekrachten
en in deze wereld arbeidt, en alle schepselen doet geboren worden en gras en
kruid en bomen opgroeien evenals alles, wat in deze wereld bestaat, evenzo gaat
ook de Heilige Geest uit van den Vader en den Zoon en schept en vormt alles. Al
het gewas en elke vorm, die de Vader wil scheppen, worden in 't leven geroepen
door den Heiligen Geest; daarom is God één Enig God -en zijn de drie
persoonlijkheden van Vader, Zoon en Heilige Geest in Hem aanwezig.
Wanneer
men nu zou zeggen: de Zoon Gods is een afbeeldsel, dat meetbaar is zoals de
zon, zo zou op de plaats waar de Zoon was, drie persoonlijkheden zijn en de
glans en glorie, die van den Zoon uitging. En wanneer de Vader buiten den Zoon
alleen bestaanbaar was, zo zou de kracht des Vaders, die ver van den Zoon
verwijderd was, buiten de poorten der Engelen geen Zoon en Heilige Geest doen
geboren worden en Hij zou niet een almachtig Wezen zijn zonder den Zoon; en Hij
zou een meetbare zelfstandigheid moeten zijn. Maar zo is het niet. Het is er
evenzo mee als met een kostelijk stuk goud. Ten eerste is er de materie, dat is
als 't ware de moeder, het wezenlijke, die in dat stuk goud het goud doet ontstaan
en in het goud is de kracht van het voorwerp gelegen. De materie beduidt den
Vader, het goud beduidt den Zoon, de kracht is te vergelijken met den Heiligen
Geest.
Op een
dergelijke wijze kan men ook het drievoudige in de Heilige Drievuldigheid
beschouwen, slechts met dit verschil, dat in het laatste geval alles beweegt en
leeft door den Heiligen Geest en alles van Hem uitgaat. Men vindt ook in een
stuk goud een bepaald gedeelte, waarin meer en schoner goud aanwezig is, dan in
een ander gedeelte, hoewel toch het gehele stuk van goud is. Evenzo is die
plaats, waar Zijn Zoon en Hart geboren werd, den Vader het lieflijkste en
schoonste. Zo weet ge de juiste grond van dit geheimenis en zo weet ge ook, dat
de Zoon niet op eenmaal, op een bepaald tijdstip uit den Vader werd geboren, en
zo een begin zou hebben en zich als een Koning zou laten aanbidden. Neen, dan
zou Hij niet een Enigen Zoon zijn; Hij zou dan ook niet alwetend kunnen zijn,
want Hij zou niet weten, hoe het was voor Hij geboren was. De Zoon wordt van
eeuwigheid tot eeuwigheid voortdurend geboren en straalt van eeuwigheid tot
eeuwigheid Zijn Licht uit. De krachten des Vaders zijn altijd vervuld van den
Zoon en doen Dezen steeds opnieuw geboren worden. Daaruit ontstaat de Heilige
Geest, gaat van den Vader
en den
Zoon uit en heeft ook begin noch einde. En de Heilige Geest is alom in den
Vader tegenwoordig; geen schepsel kan dit bevatten of nadenken. Amen.
De persoonlijkheid of het lichaam van een koning der Engelen is
uit alle eigenschappen en uit alle krachten van Zijn ganse koninkrijk geboren
door de werkende Geest Gods, en daarom is hij hun koning, opdat Zijn kracht in
alle Engelen van zijn ganse koninkrijk zou overvloeien. Hij is het hoofd en de
aanvoerder; de allerschoonste en krachtigste cherub of troonEngel. Zulk een
Engel is Lucifer óók geweest vóór zijn val.
Wanneer men het geheimenis wil doorgronden in zijn diepste grond,
zo moet men ijverig bezien en overdenken de schepping dezer wereld, de ordening
en de heerschappij, zowel als de eigenschappen der sterren en elementen, hoewel
de schepping verdorven en tweevoudig is; ook niet levend en met verstand
begiftigd; koning Lucifer heeft er zijn boze werkingen in uitgeoefend, hoewel
het toch de waarachtige kracht God is, die rein en helder gebleven is, zoals
het nu nog in de Hemel is. Deze krachten van sterren en elementen heeft de
Schepper, na de gruwzame val van het rijk van Lucifer, wederom zodanig
geordend, als het Rijk der Engelen was, vol goddelijke luister, vóór de val. Ge
moet evenwel niet denken, dat het Rijk der Engelen met zijn schepselen evenzo
bewogen wordt, zoals nu met de sterren het geval is, die slechts krachten zijn,
en vanwege de geboorte dezer wereld hun rondgang hebben. De geboorte dezer
wereld was vol kwellende angst, en ontwikkelde het boze en het goede, verderf
en verlossing, tot aan het einde van deze openbaring op de jongste dag.
Merk nu
op: De zon staat midden in de ruimte en is het Licht of Hart van alle sterren;
toen de Salniter voor de Schepping in het Rijk van Lucifer ijl geworden was en
een bepaalde vorm had aangenomen, zo heeft God het Hart uitgenomen uit al deze
krachten en hieruit de zon geformeerd. Daarom is zij de allerlichtendste en
verlicht alle sterren en alle sterren arbeiden in haar kracht en zij bezit zelf
de kracht van alle sterren en steekt met haar glans en warmte alle sterren aan
en iedere ster ontvangt van de zon, wat hij naar zijn aard en voor zijn doel
nodig heeft. Evenzo is ook het Rijk der Engelen geschapen. De zon stelt voor de
eerste troonEngel, zoals Lucifer ook was voor zijn val. Hij heeft in het midden
van zijn rijk zijn zetel gehad en heeft met zijn kracht over al zijne Engelen
geheerst, zoals de zon al de krachten dezer wereld beheerst, nl.. in de hitte
en in de koude, in hardheid en zachtheid, in zoetheid en zuurheid, in
bitterheid en wrangheid, in lucht en in water. Wanneer men waarneemt, hoe het
in de winter zo koud is, dat het water tot ijs wordt, dan blijft het toch een
feit, dat de zon even warm schijnt te midden van deze koude, niettegenstaande
in de straten waar zij schijnt, sneeuw en ijs liggen.
Ik zal u echter hier het juiste geheimenis meedelen. Ziet, de zon
is het hart van alle krachten in deze wereld en zij is uit alle krachten der
sterren tezamen gevoegd; zij verlicht op haar beurt alle sterren en alle
krachten dezer wereld. (Versta het magisch, want het is een spiegel of
vergelijking met de eeuwige wereld.)
Zoals de Vader Zijn Zoon, d.w.z. Zijn Hart of Licht uit al zijn krachten
doet geboren worden, alzo is het ook met het Rijk der Engelen; dit is gemaakt
naar de gelijkenis en het Wezen Gods. Een cherub of aanvoerder van een
Koninkrijk der Engelen is de bron of het hart van zijn gehele koninkrijk en is
geschapen uit alle krachten, waaruit de Engelen ook geschapen zijn; hij is de
lichtgevendste en de krachtigste. (De Koning der Engelen is het middelpunt of
de bronwel, zoals Adams ziel het middelpunt is van alle zielen; en zoals uit de
loco Solis, d. i. de plaats van de zon, de omgang der planeten voortkomt, omdat
iedere ster de glans en de kracht van de zon begeert, zo ontvangen ook de
Engelen de kracht van hun cherub of vorst, alles naar de gelijkenis van 't
Goddelijke. Want de Schepper heeft uit de Salniter der goddelijke krachten het
hart genomen en de cherub of koning daaruit geformeerd, opdat deze met zijn
kracht wederom al zijne Engelen zou kunnen doordringen en hen allen zou aandoen
met zijn kracht, zoals de zon met haar kracht alle sterren doordringt of, zoals
het geval is met de krachten Gods en die van den Zoon van God, waardoor het
Hemelse vreugdenrijk ontstaat. De Engelen van 't koninkrijk beduiden de vele en
menigvuldige krachten des Vaders en de koning der Engelen beduidt den Zoon des
Vaders of zijn Hart, waaruit de Engelen geschapen zijn. De werking die van den
koning der Engelen uitgaat ten opzichte van zijn Engelen, of de aanraking
zijner Engelen met zijn kracht stelt voor God den Heiligen Geest. zoals de
kracht van den Vader en den Zoon uitgaat en alle Hemelse vruchten en vormen
aandoet, waardoor alles in opgang is en het Hemelse vreugdenrijk bevestigd
wordt, alzo werken ook de krachten van den cherub of troonEngel, hij arbeidt in
al zijn Engelen, zoals de Zoon en de Heilige Geest, of zoals de zon in de sterren
werkt. Daarom ontvangen alle Engelen de wil van den troonEngel en zijn hem
allen gehoorzaam. Zij zijn leden en hij is hun hart en zoals alle Hemelse
vormen en vruchten de leden zijn des Heiligen Geestes en Deze is hun hart, of
zoals de zon het hart van alle sterren is en alle sterren zijn leden der zon en
allen werken alsof zij slechts één ster waren, terwijl de zon het hart is, in
het midden van hen. Of er nu veel en menigvuldige krachten zijn, alles werkt
tenslotte door de zonnekracht en alles bestaat door de kracht der zon, wat ge
ook ziet, 't zij lichaam, metaal of gewas.
HOOFDSTUK VIII.
De
koninkrijken der Engelen zijn over 't algemeen gevormd naar het voorbeeld van
het Goddelijk Wezen en hebben geen andere gestalte dan het Goddelijke Wezen in
Zijn drie-voudigheid; dit slechts is het onderscheid, dat hun
verschijningsvormen een begin en een einde hebben, en dat het Rijk, waartoe zij
behoren, niet hun eigendom is, dat zij van nature bezitten, maar dat het is het
Rijk van God den Vader, die hen uit Zijn krachten gemaakt heeft en hen mag
plaatsen, waarheen Hij wil. En uit hun kracht ontspringt het Licht en het
inzicht sterk op: Zoals een Engel in zijn lichamelijke verschijning, met al
zijn leden, gevormd is, zo is ook de verschijningsvorm van een geheel
koninkrijk; het is geheel als een Engel is. Wanneer men alle factoren goed
beziet, blijkt, dat de koninkrijken in hun gebied te vergelijken zijn met het
lichaam van een Engel, of met de Heilige Drievuldigheid. Merk hier op de
diepte: In God den Vader is alle kracht en in Hem is de bronwel aller krachten;
in Hem is Licht en Duisternis, licht en water, hitte en koude, hardheid en
zachtheid, toon en klank, zoetheid en zuurheid, bitterheid en scherpheid, en
alles, wat ik niet noemen kan: aan mijn lichaam neem ik dit waar, want dit is
van de aanvang af uit alle krachten Gods en naar Zijn beeld gemaakt. Ge moet
echter niet denken, dat de krachten Gods zó zijn en op een zo verderfelijke
wijze werken, zoals het geval is, bij een mens, die door Lucifer is aangeraakt;
nee, wie God heeft aangeraakt, is lieflijk, vreugdevol, en vol van zachtheid.
Ten
eerste is het Licht zoals het licht der zon, maar niet zo weinig te verdragen
als het licht der zon is voor onze ogen, maar zeer lieflijk en genotvol, als
een aanblik der liefde. De duisternis echter is in het licht verborgen, dat wil
zeggen, wanneer enig schepsel uit de kracht des lichts werd geschapen en in
deze kracht hoger en hoger zou willen stijgen dan God zelf, zo zou dat licht in
hem uitdoven (versta mij goed: Hij ontsteekt het vuur, wanneer de geest vol
liefde oprijst in ootmoed) en in plaats van het licht komt de duisternis, dan
ervaart men, dat in het licht de duisternis besloten kan liggen. Evenzo als
wanneer men een waskaars aansteekt, dan verspreidt ze licht, wanneer men ze
echter uitdooft, zo is zij duisternis; als de krachten bezoedeld worden, dooft
het licht uit en de duisternis komt, zoals bij Lucifer te zien is. De lucht is
ook niet op deze zelfde wijze in God aanwezig, maar zij is een lieflijk zacht
suizen en opstijgen; dat wil zeggen: De oorsprong der krachten is de oorsprong
der lucht, waarin de Heilige Geest opstijgt. Het water is ook niet op een
dergelijke wijze in God aanwezig, maar het is de bron der krachten, hoewel niet
op aardse wijze. Zo ik het ergens mee zou willen vergelijken, zo zou ik het met
het sap van een appel willen vergelijken, maar zeer licht, zoals de Hemel is.
Lucifer heeft het zozeer bedorven, dat het in deze wereld woedt en werkt, loopt
en snelt en vloeit, dat het donker en dik is en daarbij komt, dat het, wanneer
het niet snel vloeit, onaangenaam gaat ruiken, hetgeen ik, als ik over de
Schepping zal schrijven, nog uitvoerig zal behandelen. De warmte of hitte is in
God een lieflijk zacht koesteren, uitgaande van het Licht en zich daaruit
omhoog heffend. De koude is in God aanwezig als het afkoelen der hitte, een
verzachting des Geestes, een opstijgen des Geestes. Merk hier op de diepte: God
spreekt door middel van Mozes, als hij de kinderen Israëls de wet geeft: Ik ben
een naijverig God, die de misdaad der Vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het
derde en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten. Ex. 20 : 5. Hierna noemt
hij Zichzelf ook een barmhartige God. Ex. 20 : 6. En doe barmhartigheid aan
duizenden dergenen, die Mij liefhebben en Mijne geboden onderhouden.
Nu is de
vraag, wat dan de toorn Gods in de Hemel is? Of God zich dan uit Zichzelf
toornig maakt, of dat Hij toornig gemaakt wordt. Ziet, over deze dingen zijn
zeven hoedanigheden op te merken. Ten eerste is in de Goddelijke kracht in het
verborgen die hoedanigheid aanwezig, die de kern vormt van het verborgen Wezen,
een scherpte, een samenvoeging of doordringen;
zij brengt hardheid en koude voort en wanneer zij aanwezig is, doet zij een
scherpte ontstaan, die gelijk is aan het zout. Dat is een bepaalde factor in de
goddelijke manifestatie. Wanneer deze bron aangeboord wordt, hetgeen kan
gebeuren door grote beweging of beroering, zo begint grote koude te ontstaan;
ze is scherp als het zout, en samentrekkend als een steen. Ze is echter in de
Hemelse heerlijkheid en pracht niet belangrijk, want zij kan zich zelf niet aan
't werk zetten en zij kan niet uit zichzelf ontstaan; slechts koning Lucifer
heeft deze eigenschap in zijn rijk door zijn opstand en hovaardigheid teweeg
gebracht en daarom zal ze blijven tot op de jongste dag. Daardoor schitteren en
branden nu in de schepping dezer wereld de sterren en elementen, zowel als alle
schepselen; daaruit is dan voortgekomen het huis des doods en der hel en een
eeuwige woning der schande voor Lucifer en alle goddeloze mensen.
Deze eigenschap veroorzaakt in de
Hemelse pracht de scherpte des geestes, waaruit en waardoor het schepsel
geformeerd is, opdat een Hemels lichaam kan worden opgebouwd, evenals
verschillende kleuren, vormen en gewassen. Want het is de vorm van een bepaald
ding, die allereerst bepaald wordt, daarom is zij de eerste eigenschap en een
begin van alle vormen en vorming der Engelen. Een begin van alles wat er in de
Hemel en op deze wereld is, ja, van alles wat maar kan worden genoemd. Zo zij
echter wordt teweeg gebracht door de schepselen, die geschapen zijn door God,
in Zijn Rijk en die dit alleen maar kunnen doen, zo is zij een brandende bron
van goddelijke toorn, want ze is een van de zeven Geesten Gods, in Wiens kracht
het Goddelijke Wezen bestaat in goddelijke kracht en Hemelse praal. Wanneer ze
teweeg gebracht wordt, is ze een grimmige bron van toorn en een hels
verschijnsel, een foltering en groot verdriet door het helse vuur, een
eigenschap der duisternis, want de Goddelijke Liefde en ook het Goddelijke
Licht dooft er in uit. (Het is een sleutel, die voert tot de doodskamer, en de
dood veroorzaakt.)
De andere eigenschap of de andere uiting van den Geest
van God is de eigenschap zoetheid; zij werkt door in alles, wat zuur en wrang
is en verzacht dat, zodat dit lieflijk en zacht wordt. Zij is een overwinning
op dit wrange en zij is zelfs de
bron van Gods barmhartigheid, die de toorn overwint, waardoor het boze verzacht
wordt en de barmhartigheid Gods zegeviert. Hiervan ziet ge een voorbeeld bij de
appel. Deze is aanvankelijk zuur, wrang; wanneer echter de zoete eigenschap de
zuurheid gaat overheersen, wordt de appel door en door zoet en heerlik om te
eten; zo is het ook gesteld met de goddelijke kracht. Want als men over de
barmhartigheid van God den Vader spreekt, zo spreekt men van Zijne kracht, van
Zijn Oergeesten, waaruit de Zoon of het Goddelijk Hart geboren wordt.
Merk op: Deze eigenschap of kern in
de goddelijke kracht is de samentrekking of vorming of inkrimping, want zij is
de koude, die men ziet wanneer het water bevriest. De zachte hoedanigheid, het
milde is de warmte, waardoor de koude wordt omgezet. Het water heeft hierin
zijn oorsprong. De wrange, zure scherpe eigenschap heet dus: Hart en de andere,
tegenovergesteld daaraan, heet warmte, verzachting, mildheid en het zijn twee
eigenschappen, waaruit de Zoon Gods geboren wordt. Want wanneer de eigenschap
scherpheid, wrangheid in eigen kracht werkt, is zij naar haar kern duisternis,
en de eigenschap warmte is in eigen kracht gelijk een opborrelend en verwarmend
omhoog strevend licht; een bron van zachtmoedigheid en weldadigheid. Omdat ze
echter in God den Vader in elkander overvloeien als waren zij slechts
één krachtuiting, zo ontstaat daardoor een lieflijke, barmhartige werking. En
zij zijn twee geesten Gods te midden van de zeven Oergeesten in de goddelijke
kracht; hiervan geeft de openbaring van Johannes een duidelijk beeld.
(Hoofdstuk 1). Hij ziet zeven gouden kandelaars voor den Zoon van God, die
betekenen de zeven Geesten Gods, die in volle klaarheid lichten vóór den Zoon
van God, en waaruit van eeuwigheid tot eeuwigheid de geboorte van Gods Zoon
voltrokken wordt, en Hij is het Hart van deze zeven geesten.
Alle dezen wil ik hier na elkander beschrijven; ge moet
echter uw geest instellen op de hogere dingen, wilt ge het verstaan, uit u zelf
zijt ge slechts als een blinde.
De derde eigenschap of de derde uiting van de Goddelijke
Geest die in den Vader is, noemt men de bittere eigenschap. Deze dringt door in
de beide andere eigenschappen; ze werkt er in door; zij is een sidderende, en
omhoog strevende eigenschap. Ze triomfeert over de beide anderen. Ze is de
oorzaak en vreugdebron der dingen; de oorzaak der lachende, verheffende
vreugde, door haar beeft en jubelt alles; de Hemelse vreugde vindt hierin haar
oorsprong. Door haar ontstaan veelsoortige rode kleuren; zij geeft daar als 't
ware vorm aan; door de zoete eigenschap worden witte en blauwe kleuren en door
de wrange, zure of scherpe worden allerlei groene en donkere en gemengde
kleuren in verschillende verschijningsvormen en geuren gevormd. Het bittere is
de eerste geest, die het leven beweeglijk maakt; door deze geest is het
heugelijke geschapen; zijn naam is 't Hart, want Hij is de sidderende,
morrende, doordringende, verheffende geest, een vreugdevol triomferende geest,
een belangrijke bron van het lachen. Door de eigenschap “zoetheid” wordt de
eigenschap bitterheid opgelost, verzacht, zodat zij geheel lieflijk en
vreugdevol wordt. Wanneer zij echter te veel naar voren treedt en zich te veel
doet gelden, zo ontsteekt zij het zoete en het zure en is gelijk een bijtend, verscheurend
en brandend vergif. Het is er evenzo mee, als wanneer een mens een
verscheurende wond heeft, die hem ach en wee doet roepen. Deze eigenschap is in
de goddelijke kracht, wanneer zij ontstoken wordt, de Geest van een toornig en
naijverig God; zij is onuitblusbaar, hetgeen te zien is bij de legioenen van
Lucifer. Wat meer zegt: deze eigenschap is, als zij ontstoken wordt, als een
hels vuur, dat het licht uitdooft; het maakt het zoete onwelriekend, het zure
snijdend., hard en kond, brengt een stank, een ellende, een treurnis teweeg,
veroorzaakt een huis der duisternis, des doods en der hel en het einde der
vreugden, want niets is in staat dit tegen te honden en ook niets is in staat
deze duisternis weer opnieuw te doorlichten, want deze duistere, bittere,
grimmige bron welt in alle eeuwigheid.
Merk nu op: In deze drie hoedanigheden ligt het
lichamelijke bestaan besloten, of het nu geldt de lichamelijkheid van de
Engel, van de mens, of van het vee, de vogels of het gewas. Al het geschapene,
in de Hemel en op deze aarde is hieraan onderworpen, zowel wat betreft de
Hemelse, alsook de aardse vormen, soorten, zo ook alle kleuren. Tenslotte:
alles, wat vorm heeft aangenomen, is afhankelijk van deze drie
hoofdeigenschappen; door hun kracht en gezag komt alles tot stand en
geformeerd. Ten eerste is de scherpe eigenschap en de zure een bron of lichaam.
Zij doet de
kracht der zoetheid samentrekken en de koude in deze
scherpte maakt, dat zij droog wordt. Want het zoete is als 't ware het hart, de
kern van het hart, want het maakt soepel en licht en is met de Hemel te
vergelijken;
de bittere eigenschap maakt, dat het deelbaar is, zodat
de krachten als aparte leden gevormd worden en in het gehele lichaam
beweeglijkheid veroorzaken. En wanneer dan deze zoete eigenschap op de
hierboven beschreven wijze droog is geworden, zo is zij als een volmaakt
lichaam, maar met dit verschil, dat zij zonder verstand is. De bittere
eigenschap dringt door in het lichaam, dwars door de wrangheid, zuurheid en
zoetheid heen en brengt allerlei kleuren teweeg. De eigenschap, die de boventoon
voert in een bepaald lichaam, of die eigenschap, die met het lichaam de meeste
affiniteit vertoont, deze is het ook, die door de bittere eigenschap het
'lichaam met zijn bepaalde kleur vormt en naar deze eigenschap heeft het
schepsel zijn grootste hang en neiging, zijn willen en streven.
De vierde
eigenschap of de vierde oergeest in de kracht van God den Vader is de hitte;
deze is het ware levensbegin en ook de rechte levensgeest. De wrange, zure en
zoete kwaliteit is de kracht, die behoort bij het lichaam en deze heeft ook het
lichaam gevormd. Want in het lichaam is de samentrekking en verdroging, de
wrangheid, de koude en de hardheid, en in het water wordt de zoete
hoedanigheid weerspiegeld en het licht en de gehele stoffelijke substantie van
het lichaam. De bittere hoedanigheid brengt de scheiding of de vormgeving tot
stand; de hitte is de geest of ontsteker des levens; door de hitte wordt de
geest in het lichaam vaardig, en de geest werkt in het gehele lichaam en
straalt uit het lichaam naar buiten en maakt alle hoedanigheden van het lichaam
levend en bewegend. Men moet echter in het bijzonder op twee dingen in deze
eigenschappen het oog vestigen. Wanneer men een bepaald lichaam beschouwt, zo
ziet men allereerst de kern van alle hoedanigheden en die gevormd uit al de
verschillende eigenschappen, als daar zijn: wrangheid, zuurheid, zoetheid,
bitterheid en warmte; deze eigenschappen zijn alle tezamen verdroogd en zij
maken het lichaam uit; de stam, de kern, waarom 't gaat.
Deze eigenschappen nu zijn in het lichaam vermengd, als
waren zij alle tezamen slechts één eigenschap; toch borrelt ieder van hen in
zijn eigen kracht omhoog en werkt naar buiten toe. Een ieder dezer kwaliteiten
gaat over in alle andere en brengt deze in beweging, dat wil zeggen: zij doet
de andere aan, en daardoor bekomen de andere hoedanigheden de wil, van de
bepaalde hoedanigheden, die zich met hen heeft verweven. Zij erkennen haar
scherpte en haar geesten vermengen zich steeds met haar. Nu veroorzaakt wrange,
scherpe en zure eigenschap altijd, dat de andere eigenschappen zich
samentrekken. Deze wrangheid, scherpheid doet het lichaam verdrogen; alle andere
krachten verdrogen erdoor, en door haar aanraking komen de andere hoedanigheden
niet tot hun recht. De zoete kwaliteit verzacht en bevochtigt alle andere, ze
matigt de andere en daardoor worden zij lieflijk en zacht. De bittere maakt
alle andere levend en bewegend en deelbaar in onderdelen, zodat ieder apart
deel ook deel ontvangt van de krachten der oerbron, waardoor de beweeglijkheid
ontstaat. De hitte ontsteekt alle eigenschappen, het licht verheft zich
hieruit, zodat de ene eigenschap de andere kan opmerken, want wanneer de hitte
in de zoete vochtigheid werkzaam is, zo doet zij het licht in alle
eigenschappen geboren worden. Daaruit ontstaan de meningen en gedachten, zodat
de ene hoedanigheid de andere ziet en erkent, die ook in haar aanwezig is,
opdat zij beide als één worden, één wil, die in het lichaam opstijgt vanuit de
eerste bronwel in de bittere kwaliteit. Dan doordringt de bittere kwaliteit de
hitte, door de zuurheid heen, en de zoetheid in het water laat haar rustig er
doorheen dringen, dan vaart het bittere in de hitte door het zoete water uit
het lichaam en geeft het lichaam twee open poorten; dat zijn de ogen, de eerste
uiting van lichamelijkheid.
Hiervan hebt ge een voorbeeld in deze wereld, deze aarde.
Allerlei gestalten nemen vorm aan in de aarde. Ten eerste bevindt zich in de
aarde de zure, scherpe eigenschap, die de salniter samentrekt en de aarde
vastheid geeft, zodat zij één geheel is en niet uit elkaar valt. Allerlei voorwerpen
bevat zij, naar hun eigen aard en substantie, zoals stenen, ertsen en allerlei
wortelen. Wanneer deze nu gevormd is, zo ligt ze daar als stoffelijke en
bewegende substantie als in een eigengevormd lichaam;
zij heeft echter nog geen leven, waardoor zij kan groeien
en zich kan uitbreiden, wanneer de warmte er niet is, deze is de natuurgeest.
Wanneer de warmte der zon de aardbodem verlicht, groeien in de aarde allerlei
vormen van ertsen, kruiden, wortelen en al wat daar nog meer is. Versta dit
goed: De warmte van de zon doet in de aarde de zoete eigenschap van het water
in alle gestalten, die gevormd zijn, ontstaan; nu ontstaat door de hitte in het
zoete water het licht, dat verlicht, de zure, bittere en wrange eigenschap,
opdat zij in het licht zullen kunnen zien en terwijl zij zien vloeit de
ene eigenschap in de andere over en erkent de andere, d.w.z. zij proeft,
terwijl zij ziet de scherpheid van de andere; daaruit komt de smaak voort. En
wanneer de zoete eigenschap de smaak van de bittere proeft, wijkt zij uiteen
evenals het gaat bij een mens wanneer hij bittere of wrange gal proeft; dan
verwijdt zich in zijn mond zijn geHemelte en dit wordt als 't ware breder, dan
waarmee hij geboren is; alzo is het gesteld met de zoete eigenschap ten
opzichte van de bittere. En wanneer het zoete zich op deze wijze uitzet en-
wijkt voor het bittere, zo probeert het wrange nader te komen en wil ook gaarne
van het zoete proeven en maakt het lichaam droog. Want het zoete is de moeder
van het water en zeer zacht. Wanneer nu het wrange, zure en bittere door de
hitte hun licht ontvangen, zo zien zij het zoete en proeven zij zoet water,
dan jagen zij het zoete water voortdurend na en drinken er van, want zij zijn
hard, ruw en dorstig en de hitte doet hen te enen male verdrogen. En het zoete
vlucht altijd voor het bittere en het zure en wijkt steeds daarvoor en het
bittere en het zure jagen altijd het zoete na en laven zich aan het zoete en
doen het lichaam verdrogen.
Alzo is de waarachtige groei in de natuur; of het nu
betreft de groei van mens, dier, hout, kruid of steen.
Wanneer het zoete voor het bittere, het zure en het
wrange vlucht, zo ijlen het bittere en het zure het na, alsof het zoete hun
grootste schat ware, en het zoete weert zich zo heftig en tracht zo snel zich te
verwijderen, dat zij het lichaam verscheurt en van het lichaam wijkt, buiten
en boven de aarde. Zij vliedt zo snel, tot een lange halm groeit. Dan dringt de
hitte op de halm aan, en de bittere hoedanigheid wordt alsdan door deze hitte
ontstoken en ontvangt een schok, zodat zij schrikt; daarna doet de zure, wrange
kwaliteit haar verdrogen. Dan strijden de zure, zoete en bittere eigenschap en
de hitte met elkander, en de zure doet met haar koude altijd de droogte
ontstaan, dan verdwijnt het zoete en de andere vluchten het na. Wanneer het
evenwel ziet, dat het zal worden gevangen genomen, dat het bittere op het
aandringt en ook de hitte, zo maakt het de bitterheid brandend en ontsteekt
het. Dan werpt het zich te midden van het zure en wrange en stijgt er dan weer
uit op; dan ontstaat daaruit een harde knoop op de plaats, waar de strijd heeft
plaats gegrepen en de knoop krijgt een opening. Wanneer echter het zoete
hiermee in aanraking komt, zo infecteert het het bittere zodanig, dat dit gaat
sidderen en zodra het boven de knoop komt, zet het zich snel naar alle zijden
uit, ten einde het bittere te ontvluchten. En in zulk uitzetten blijft zijn
lichaam in 't midden hol en terwijl het de sidderende sprong maakt door de
knoop, ontvangt het steeds meer halmen en loof en is vrolijk, omdat het de
strijd ontlopen is. En wanneer nu de hitte van buiten op een dergelijke wijze
op zulk een halm toekomt, zo worden de eigenschappen, die in de halm zijn,
ontstoken en doordringen de halm, en zij worden door de zon aangedaan en doen
de kleuren in de halm geboren worden naar hun aard. Wanneer echter het zoete
water in de halm is, zo behoudt deze zijn groene kleur, naar de aard der zoete
hoedanigheid. Zo werken de verschillende eigenschappen tezamen met de hitte in
zulk een halm, en deze groeit steeds voort en zal in de ene storm na de andere
stand houden; daardoor krijgt de halm steeds meer knopen en zijn takken worden
steeds wijder uitgebreid. In die tussentijd laat de hitte van buiten
voortdurend het zoete water in de halm opdrogen en deze wordt hoe langer hoe
dunner; hoe groter hij wordt, hoe dunner hij ook wordt, totdat hij niet meer
uitgroeien kan. Dan geeft de zoete eigenschap zich gewonnen, daarna heerst dan
de bittere, zoete, zure en wrange tegelijkertijd nevens elkander en het zoete
zet zich nog iets uit, maar het kan niet veel meer uitrichten, want het is
gevangen genomen. Dan groeit uit alle kwaliteiten, die in dat bepaalde lichaam
aanwezig zijn, een kolf of kop en er ontstaat een nieuw lichaam in die kolf, en
dit wordt gevormd, zoals in het begin de wortel in de aarde gevormd was, met
dit verschil, dat deze laatste nu een andere, meer subtiele vorm ontvangt. Dan
begint de zoete kwaliteit zacht en langzaam te werken en er groeien kleine,
fijne blaadjes in de kolf; deze hebben alle eigenschappen in zich. Want het
zoete water is nu gelijk een zwangere vrouw, die het zaad ontvangen heeft en de
kolf zet zich hoe langer hoe meer uit, tot zij eindelijk uiteen springt. Dan
openbaart zij zich in haar blaadjes, zoals een vrouw zich openbaart in het kind
dat uit haar geboren wordt, maar de blaadjes of bloesems hebben niet meer
dezelfde kleur en gestalte als de moederplant, maar zij hebben alle
overige genoemde eigenschappen; want de zoete eigenschap moet nu uit de andere
eigenschappen kinderen verwekken. En als dan deze moeder, de zoete kwaliteit,
de schone, groene, blauwe, witte, rode en gele bloemen of kinderen heeft doen
geboren worden, zo wordt zij zeer moede en kan hare kinderen niet lang van
voedsel voorzien; zij mag haar kinderen ook niet lang houden, dewijl het
slechts haar stiefkinderen zijn, die zeer teder zijn. En wanneer dan de hitte
van buiten af op deze kinderen aandringt, zo worden alle eigenschappen in hen
ontstoken, want de geest des levens arbeidt in hen. Dewijl zij te onmachtig
zijn tegenover deze sterke geest en zich niet kunnen verheffen, zo laten zij
hun edele krachten van zich gaan en dat ruikt zo lieflijk, dat men zijn hart
van vreugde voelt opspringen; zij moeten echter verwelken en afvallen, omdat
zij te teder zijn voor de kracht van deze geest. Want de geest vaart uit de
kolf in de bloesems, en de kolf wordt gevormd met behulp van al de genoemde
eigenschappen. De zure eigenschap doet de kolf tezamen trekken; die zoete
verzacht hem en doet hem uitzetten; de bittere verdeelt de materie in
onderdelen en de hitte is de levende geest in alle.
Nu arbeiden al deze hoedanigheden en
brengen hun vruchten of kinderen voort, en elk der kinderen heeft in zich het
essentiële van andere eigenschappen. Dit gaat zo voort, totdat de materie
geheel is verdroogd, totdat de zoete kwaliteit of het zoete water opgedroogd
is, dan valt de vrucht af en ook de halm verdroogt en verwelkt. En dat is het
einde van het natuurgebeuren in deze wereld.
Hierover zijn nog zeer diepzinnige
dingen te schrijven. Dat zult ge te lezen krijgen bij de behandeling van de
schepping; dit is slechts een vergelijking, die hier is ingevoegd en
kortelings beschreven. De andere verschijningsvorm der eigenschappen of de
goddelijke krachten of de Zeven Geesten Gods zijn in het bijzonder bij de hitte
op te merken. Eerstens is daar de basis of het lichamelijke wezen, hoewel dit
bij God en ook bij de schepselen geen apart lichaam heeft; maar alle hoedanigheden
bij elkander gevoegd, vormen als 't ware die basis, dat bepaalde organisme,
hoewel men tegelijkertijd de werking van iedere eigenschap afzonderlijk kan
waarnemen. In het lichaam of de bronwel nu is de hitte aanwezig, die het vuur
doet ontstaan; dat is de ene verschijningsvorm en deze kan men doorvorsen; uit de
hitte ontspringt het licht, dat straalt door alle geesten of eigenschappen en
het licht is de levende geest, die kan men niet doorvorsen. Zijn Wil echter kan
men doorvorsen, wie hij is en wat hij wil, want hij werkt in de zoete
eigenschap en in het zoete water en niet in de andere eigenschappen.
Hiervan geef ik u een voorbeeld: ge
kunt alle dingen in deze wereld aansteken, zodat zij licht geven en branden;
datgene, wat geregeerd wordt door de zoete eigenschap kunt ge niet aansteken,
zoals 't water. En of ge nu al de hitte er aan toevoegt, zo kunt ge toch niet
maken, dat het licht geeft; daarom zijn alle eigenschappen kinderen van het
zoete, want deze geest des lichts is meester alleen over het water. Wanneer ge
nu een verstandig mens zijt, in wie geest en vernuft is, ziet dan om u heen in
de wereld, dan zult ge vinden, dat hetgeen ik zeg waar is. Een stuk hout kan
men aansteken, zodat het licht van zich geeft, want het water is de eerste
factor in het stuk hout; evenzo allerlei kruiden, die op de aarde zijn, en
waarin het zoete water de eerste factor is. Een steen kunt ge niet aansteken,
want daarin is de zure, wrange eigenschap het voornaamste bestanddeel; de aarde
kunt ge ook niet aansteken, want dan worden de andere factoren getroffen en
bewerkt, hetwelk te zien is aan de pulver, welke toch slechts een uiting is van
schrik, wijl de duivel zich hierin vertoont, door de toorn van God, hetgeen ik
op een andere plaats uitvoerig beschrijven en bewijzen wil. Nu zult ge zeggen:
Men kan het water niet aansteken, zodat het licht verspreidt. Ja mensenkind,
hier ziet ge het geheimenis. Het hout, dat ge aansteekt is ook niet het vuur,
maar slechts een simpele stok; het vuur en het licht ontlenen slechts hun
oorsprong eraan. Ge moet evenwel verstaan dat dit komt door de zoete
eigenschap van het water en niet van de stok, van het hout; het wordt
veroorzaakt door de vettigheid, die daarin aanwezig is.
Nu is in het water dat op aarde is
de zoetheid niet de eerste factor of het meest overheersend, maar de wrange,
bittere en zure kwaliteit zijn overheersend; anders zou het water niet dodelijk
zijn, maar het zou zó zijn als het water, waaruit de atmosfeer is samengesteld.
Dat zal ik u bewijzen. Ik zal u bewijzen, dat in het element water op aarde de
zure, scherpe en bittere kwaliteit de eerste factor is. Neem b.v. koren, gerst,
haver, of wat ge wilt, waarin de zoete kwaliteit overheerst, en week dat in water
en verbrand het daarna, zo zal de zoete hoedanigheid boven de andere
hoedanigheden uitgaan; steek daarna het water aan, zo zult ge ook de geest
zien, die uit de vetheid van het koren in het water is overgebleven, en die
het water overwonnen heeft. Iets dergelijks ziet ge ook bij het vlees, dit
brandt niet en geeft geen licht van zich, maar het vet brandt en geeft licht.
Nu zoudt ge kunnen vragen: hoe komt dat? Ziet, in het vlees is de wrange, zure
en bittere kwaliteit overheersend en in het vet overheerst de zoete
eigenschap; daarom is iemand wiens lichaam veel vet ontwikkelt, altijd
vrolijker dan iemand die mager is, omdat de geest der zoetheid meer in hem
werkt dan in iemand die mager is. Want het licht der natuur, hetwelk de
geest des levens is, kan in hem meer licht verspreiden dan in de magere mens.
Want in dit zelfde licht komt de vreugde en de triomf in de zoete eigenschap
tot uiting; het wrange en het bittere verheugen zich, dat zij door het zoete
gelaafd worden, en gespijzigd, gedrenkt en verlicht. Want in het zure en wrange
zelf is geen leven, maar daarin is de koude, harde dood en in het bittere is
geen licht, maar de duistere, bittere en razende pijn; het is als een huis van
sidderende, vreesachtige en grimmige ellende. Wanneer de andere eigenschappen
nu bij deze zoete en lichtgevende hoedanigheid vertoeven, zo worden zij door
deze aangedaan en zij worden zeer lieflijk en vreugdevol en gaan in een bepaald
schepsel triomferen. Daarom ook is niemand die mager is vrolijk, tenzij de
warmte de voornaamste eigenschap van zijn wezen is, d.w.z. wanneer iemand
mager is en zijn 'lichaam weinig vet ontwikkelt, zo is dit, ingeval de warmte
de boventoon heeft, toch van een bijzondere zoetheid. Daar staat weer tegenover
dat menig mens, wiens lichaam veel vet vertoont, toch zeer melancholiek kan
zijn; oorzaak hiervan is, dat zijn vet te veel neigt naar het element water,
waarin de wrange en bittere eigenschap weer domineert. Zijt ge nu een
verstandig mens, zo merk dan het volgende op: De Geest, die zich uit de hitte
verheft, ontspringt uit de zoete kwaliteit, stijgt er uit op en blijft er in
lichten. Daarom is de zoete eigenschap meesteres der zachtmoedigheid en der
vriendelijke welwillendheid, en de zachtmoedigheid en de deemoed zijn de
woonplaats van deze geest. En dit is de kern der Godheid; daarom heet Hij God,
terwijl hij zachtmoedig, vriendelijk, goed en liefdevol is. Daarom heet Hij
barmhartig, omdat Zijn Zoetheid uitgaat boven het zure, wrange en bittere en
dit laaft, verkwikt, bevochtigt en verlicht, zodat het bittere en het zure
niet blijven voortbestaan als een donker dal.
Versta uw moedertaal juist: de
diepte hiervan doet niet onder voor het Hebreeuws of Latijn; al verheffen de
geleerden zich hierop als een trotse bruid; hun kunnen gaat ten gronde. De
geest toont aan, dat nog vóór het einde daar is, menige oningewijde meer zal
verstaan en meer zal weten dan de geleerdste doctoren nu weten; want de poort
des Hemels wordt geopend. Wie nu niet de blinddoek voor het gelaat heeft, die
zal Hem zien; de bruidegom kroont zijne bruid. Amen. Ziet, het woord “barm” is
op uwe lippen en wanneer ge dit zegt, zo maakt ge de mond dicht en er komt een
knarsend geluid. Dit is de wrange hoedanigheid, die in het woord aanwezig is,
zodat het hard klinkt of schalt, en de bittere hoedanigheid verdeelt het woord
weer. D.w.z. wanneer ge zegt “bar”, zo rolt de laatste letter, de r en klinkt
als een sidderende adem; dat doet de bittere hoedanigheid, deze is sidderend,
bevend. Nu is echter het woord “barm”, een dood en onbegrijpelijk woord, dat
niemand verstaat, d.w.z. dat de twee eigenschappen “zuur en bitter” zijn als
een donker, koud, kort begrip; men kan hun kracht zonder de verklarende werking
van het licht niet verstaan. Wanneer men echter zegt: “barmhart”, zo stoot men
de tweede lettergreep “hart” uit de diepte van het lichaam, uit het hart; de
ware geest die uit de hartewarmte omhoog schiet, spreekt het woord “hart” uit,
en uit het hart wordt het licht geboren en vandaar verspreidt het zich. Ziet,
als ge zegt “barm”, zo stellen de twee eigenschappen, zuur en bitter, dit woord
zeer langzaam tezamen. Dit bestaat uit een lange lettergreep, zonder klemtoon,
hetgeen zijn oorzaak vindt in de zwakheid der genoemde eigenschappen. Wanneer
ge zegt “hart”, dan vaart de geest in en door het woord “hart”, snel als de
bliksem en hij geeft het woord betekenis, inhoud en verstand. Wanneer ge
evenwel zegt “ig”, zo vormt de geest het gehele woord zodanig, dat de klemtoon
weer verlegd wordt en de geest als 't ware gevangen wordt gehouden tussen de
twee andere eigen schappen. Alzo is de goddelijke kracht; de zure en bittere
eigenschap zijn de “Salniter” der goddelijke almacht; de zoete kwaliteit is de
kern der barmhartigheid; naar deze eigenschap is het, dat God ook God genoemd
wordt met alle krachten, die aan Zijn wezen inherent zijn. De hitte is de kern
van den Geest, waaruit het Licht voortkomt. Zij wordt ontstoken in de zoete
kwaliteit en vormt een middelpunt tussen het zure en het bittere, waartussen
zij als 't ware gevangen gehouden wordt; hier wordt de Zoon van God geboren, en
Deze is het ware Hart van God. En de vlammen des Licht of de bliksem, die op 't
zelfde ogenblik in alle krachten doorstralen, zoals de zon de gehele wereld
bestraalt, is de Heilige Geest; deze gaat uit van de klaarheid van den Zoon van
God, en is als een bliksem in zijn gestrengheid; want de Zoon wordt te midden der
andere hoedanigheden geboren.
Versta deze hoge dingen toch goed:
Wanneer de Vader het Woord spreekt, d.w.z. Zijn Zoon doet geboren worden,
hetwelk immer en eeuwig geschiedt, zo vindt dat woord allereerst zijn oorsprong
in de wrange hoedanigheid, dan wordt het door de zoete eigenschap verzacht,
door de bittere geprikkeld en in beweging gebracht en door de hitte stijgt het
op en ontsteekt de middelste zoete kwaliteit. Nu brandt het in alle
eigenschappen tegelijk door het vuur, dat ontstoken is, en dit vuur brandt ook
wederom in alle hoedanigheden en dit vuur is als één groot vuur en niet als
vele vuren. En dit zelfde vuur is de waarachtige Zoon Gods, die van eeuwigheid
tot eeuwigheid steeds op deze wijze geboren wordt. Dit zal ik bewijzen aan
Hemel en aarde, sterren en elementen en aan alle schepselen, aan stenen, aan
loof en graf, ja, aan de duivel zelf. En ik zal het niet met dode, slechte,
onverstandige argumenten bewijzen, maar met levende en onoverwinnelijke
argumenten, die ook uitgaan boven alle menselijk vernuft en tegen welke alle
duivelen en poorten der hel niets kunnen uitrichten. In dit gehele boek zal
hierover in alle hoofdstukken gehandeld worden; gij zult hierover lezen bij de
behandeling van de schepping der creaturen, zo ook bij de schepping van Hemel
en aarde en van alle andere dingen, hetgeen de lezer dan begrijpelijk zal
worden. Merk nu op: Van dit zelfde vuur gaat de bliksem uit en werkt in alle
krachten en heeft in zich de bron en de kwintessens aller krachten. Dewijl dat
vuur door den Zoon in alle krachten des Vaders tot uiting komt, zo maakt het
wederom al deze krachten in den Vader levend en beweeglijk, en door dezelfde
Geest zijn alle Engelen geformeerd en uit des Vaders krachten geschapen. En
dezelfde Geest bewaart en draagt alles, formeert alles: alle gewas, alle
kleuren en schepselen in de Hemel en in deze wereld en boven der Hemelen Hemel;
want de geboorte der heilige Drievuldigheid geschiedt op deze wijze en niet
anders en zal ook in eeuwigheid niet op andere wijze geschieden. Wanneer
echter het vuur in enig schepsel ontstoken wordt, d.w.z., wanneer dat schepsel
zich te zeer verheft, zoals Lucifer en zijn heirscharen deden, zo dooft het
licht uit en de grimmige en vurige bron komt aan de dag, de bron van het helse
vuur; de geest van het vuur komt tot aanschijn in de boze, grimmige
hoedanigheid.
Merk op de omstandigheden waaronder dat geschiedt of
geschieden kan. Een Engel is geformeerd uit alle krachten des Vaders, hetgeen
ik uitvoerig beschreven heb. Wanneer hij zich nu verheft, zo verheft hij zich
ten eerste in de wrange, zure eigenschap, deze zuurheid wordt samengedrukt,
daardoor wordt zij hard en scherp, zodat zij het zoete water niet meer dwingen
kan en dit zich niet neer in het schepsel kan laten gelden; het droogt door die
zure wrangheid en het verandert in een scherpe, grimmige koude. Het wordt door
die samentrekking te hard en verliest zijn lichte glans en zijn vetheid, waarin
de Geest zich openbaart, welke de geest van het heilige leven van God en
Engelen is. Het verdroogt als een stuk dor hout. En wanneer dan de bittere
eigenschap opstijgt in de verdroogde, zoete kwaliteit. zo kan de zoete haar
niet laven, omdat zij verdroogd is. Dan woelt en werkt de bittere kwaliteit en
zoekt rust of spijze en vindt deze niet, en werkt in het lichaam als een
versmachtend vergif. Wanneer dan de hitte het zoete aansteekt en gelaafd wil
worden door het zoete water, zo vindt zij niets dan een verdroogde zoete bron,
waarin geen vloeistof meer is, daar deze door de zuurheid en de wrangheid is opgedroogd.
Dan brandt de zoete bron en gloeit als een harde steen en alle licht kan
daarvan afstralen en het gehele lichaam is als een grote duisternis, waarbinnen
niets is.
Slechts is in de wrangheid een grimmige koude, in de
zoetheid een gloeiend vuur, waarin de hitte in alle eeuwigheid opstijgt, en in
het bittere is ten slotte een steken, branden, woeden en razen. En dit is nu de
waarachtige beschrijving van een verstoten Engel, of een duivel, en hetgeen
hier is beschreven geeft u de oorzaak te verstaan.
Het is niet slechts in gelijkenissen geschreven, maar de
geest deelt het ons mede, door de kracht waaruit alles ontstaan is. Mens,
bezint u ten allen tijde, dit is niet tevergeefs.
Deze grote gebeurtenis en hoe het verloop ervan is, zult
ge uitvoerig beschreven vinden bij de behandeling van de val van de duivel.
De vijfde eigenschap of de
vijfde Geest Gods van de zeven Geesten Gods in de goddelijke kracht van den
Vader is de lieflijke, vriendelijke en vreugdevolle geest der liefde.
Merk nu op wat de oerbron is van deze liefde Gods. Het is
de kern van alles. Wanneer de hitte opstijgt in de zoetheid en de bron der
zoetheid ontsteekt, zo brandt het vuur te midden van de zoetheid, en dewijl die
zoetheid een lieflijk en fijn bronwater is, zo matigt het de hitte en dooft het
vuur uit; alsdan blijft slechts het vreugdevolle licht in de zoete bron over en
de hitte is nog slechts een zachte warmte, zoals die welke aanwezig kan zijn
in een mens, die een sanguinisch temperament heeft; ook bij hem is de hitte
slechts een aangename warmte, wanneer hij zich gedraagt als een rechtvaardig
mens.
Datzelfde drievoudige begrip liefde, licht, vuur,
verspreidt zich in de zoete, zure en bittere kwaliteiten en ontsteekt deze
beide laatsten en spijzigt en drenkt hen met haar zoete liedessappen, versterkt
hen en verlicht hen, maakt hen levend en vriendelijk. En wanneer deze
lichtende, zoete liefdekracht tot hen komt, zodat zij daarvan proeven en tot
leven gewekt worden, ach dan is er een heerlik triomferen, een grote liefde
breekt zich baan, een lieflijk welkom is bereid, het is een proeven der
zaligheid. De bruidegom kust zijn bruid, o zaligheid en grote liefde; hoe zoet
zijt gij, hoe vriendelijk zijt ge, hoe lieflijk is toch uw smaak, hoe zacht
geurt gij, ach edel licht er zuivere klaarheid; wie kan uw schoonheid meten?
Hoe schoon is uwe liefde, hoe schoon zijn uwe kleuren! Wie in eeuwigheid kan
dit uitspreken? Waarover schrijf ik toch, ik die toch slechts stamelen kan als
een kind dat leert spreken. Waarmede zal ik dit vergelijken? Zal ik het
vergelijken met de liefde dezer wereld? Deze is hierbij vergeleken slechts als
een donker dal. Ik kan het nergens anders mee vergelijken dan met de opstanding
uit de doden. Het liefdevuur zal wederom in ons branden en het zal de mensen
vreugdevol om helzen en onze bitterheid, zuurheid, koude, duisternis en dood
zullen ontbranden ten leven en het liefdevuur zal alles omvatten o, edele
Geest, waarom zijt gij van ons gegaan? 0 boosheid en zuurheid, gij zijt de oorzaak.
0 grimmige duivel, wat hebt ge toch gedaan; gij die u zelf en al uw schone
Engelen in de duisternis gestort hebt! Ach en eeuwigdurend ach! Dewijl toch de
lieflijke, schone liefde ook in u was, o, gij hoogmoedige duivel, waarom was u
dat niet genoeg? Gij waart toch 'een cherub, en in de Hemel was er niets
schoners dan gij; wat zoekt ge dan nog? Wilt gij God zelf zijn? Ge wist toch
wel, dat gij maar een schepsel waart en niet het meetsnoer in uw hand houdt!
Wat beklaagt ge u dan, o gij vervloekte, boze duivel, wat hebt ge het voor ons
bedorven. Hoe wilt ge u zelf nog rechtvaardigen, of wat verwijt ge mij. Ge
zegt, dat als gij niet gevallen waart, dan zou de mens niet bestaan hebben. 0,
gij 'leugenduivel! Als dat waar was, zo zou de Salniter, waaruit de mens
geschapen is, zowel als datgene waaruit ge zelf geschapen zijt, in eeuwige
vreugde en klaarheid daar zijn en zou in God zijn opgestegen en in de zeven
Geesten Gods de zalige liefde en de Hemelse vreugden geproefd hebben. 0 gij,
leugenduivel, wacht toch een stonde; de Geest zal u uwe schande openbaren. Toef
nog een wijle, zo zal uw rijk ten einde zijn. Wacht, de boog is reeds
gespannen; wanneer de pijl u treft, zo zult ge vallen, uw plaats is reeds
bereid, deze moet nog slechts aangestoken worden. Draag ijverig hout naderbij,
opdat ge niet zult bevriezen.
Meent ge, dat gij het licht terug zult ontvangen? Ja, nobis
infernum; denk aan uw geliefde; hoe heet zij? “Geheuna”, zij zal u eeuwig liefhebben.
Wee, gij arme, verblinde mens, waarom staat gij de duivel toe, uw lichaam en
ziel zo duister en blind te maken? O, tijdelijk goed en wellust van dit leven,
gij blinde hoereerder, waarom boeleert gij met deze helse duivel? O veiligheid,
de satan wacht op u. O, hoogmoed, gij zijt het helse vuur. O schoonheid, gij
zijt een duister dal. O geweld, gij zijt een werking van het helse vuur. O
wraak, gij zijt de grimmige toorn Gods. O mens, waarom wordt de wereld u te
benauwd? Gij wilt haar voor u zelf alleen hebben en zoudt ge haar hebben, zo
zoudt ge nog geen ruimte genoeg hebben.
Ach, dat is des duivels hoogmoed; hij, die uit de Hemel viel en in
de hel nederstortte. Ach mens, waarom danst ge met de duivel? Met hem, die uw
vijand is. Zijt ge niet bezorgd, dat hij u in de hel zal storten? Hoe kunt ge
zo zeker hiervan zijn? Ge hebt toch slechts een smal pad waarop ge danst, en
onder dat pad is de hel. Ziet ge niet, hoe hoog en gevaarlijk het daar is? Ge
danst tussen Hemel en aarde. O, gij blinde mens hoe spot de duivel met u! Ach,
waarom bedroeft gij de Hemel? Meent ge, dat ge niet genoeg zult hebben in deze
wereld? O blinde mens, de Hemel en de aarde zijn toch uwer, ja, God zelf. Wat
brengt ge mede in deze wereld en wat draagt ge er uit? Een Engelenkleed brengt
ge in deze wereld en in uw boze leven hebt ge daarvan een duivelslarf gemaakt.
O, gij arme mens, bekeert u. De Hemelse Vader heeft beide armer, uitgestrekt en
roept u. Komt gij slechts, Hij wil u in Zijne Liefde omvatten; gij zijt immers
Zijn Kind; Hij heeft u lief. Zo Hij uw vijand was, zo zou hij niet Zichzelf zijn.
O, neen, zo is het niet. In God is niets dan barmhartige, vriendelijke liefde
en klaarheid. O, gij, Hoeder Israëls, waarom slaapt Gij? Waak op uit de slaap
der hoererij en bereid uwe lampen. De bruidegom komt; laat uwe bazuinen
schallen. O, gij gierigaards en dronkaards, hoe heult ge met de duivel der
gierigheid!
Zo spreekt de Heer. Wilt ge mijn volk niet leiden, mijn volk, dat
ik u toevertrouwd heb? Ziet, ik heb u op Mozes' stoel gezet en u mijne kudde
toevertrouwd; maar ge weidt slechts de wol en niet mijne schapen, gij bouwt
uzelf paleizen, maar Ik zal u pestilentie zenden en mijn herder zal mijne
schapen eeuwig wijden. Ach, gij schone wereld, hoe bedroeft ge de Hemel, hoe
bereidt ge de elementen smart. Ach boosheid, wanneer zult ge eindigen. Waak op,
waak op en breng voort, gij treurende vrouw. Zie, uw bruidegom komt en eist van
u de vrucht. Waarom slaapt ge? Zie, Hij klopt. O, zalige Liefde en klaar Licht;
blijf toch bij ons, want het wordt avond. Ach, waarheid, o gerechtigheid en
gericht, waar zijt ge? De geest is verwonderd, als had hij de wereld nooit
tevoren gezien. Ach, wat schrijf ik toch over de boosheid dezer wereld, en de
wereld geeft mij daarvoor de dank des duivels. Amen.
HOOFDSTUK IX.
Dewijl ik hier over Hemelse en Goddelijke dingen schrijf,
die aan de verdorven menselijke natuur geheel en al vreemd zijn, zo zal de
lezer zich zonder twijfel ergeren en verwonderen over de eenvoud van den
schrijver. De verdorven natuurdrift ziet de hogere dingen aan als een trotse,
wilde, oneerbare vrouw, die in haar begeerte zich steeds naar schonere mannen
wendt om met hen te boeleren.
Zo is het ook gesteld niet de hovaardige, verdorven
natuur des mensen; zij ziet slechts naar datgene, dat in de wereld praalt en
schittert en denkt, dat God de ellendige vergeten heeft en hem deswege plaagt.
Deze verdorven menselijke natuur denkt, dat de Heilige Geest slechts naar het grote
dezer wereld ziet, naar de kunst en de diepgaande studie. Al is het er nu zo
mee gesteld, zo is het toch noodzakelijk, in het verleden te zien, dan zult ge
de oorzaak daarvan ontdekken. Wie was Abel? Een schaapherder. Wie waren Henoch
en Noach? Eenvoudige lieden. Wie was Abraham, Izaak en Jacob? Zij waren veeherders.
Wie was Mozes, de dierbare man Gods? Een veeherder. Wie was David toen Gods
mond hem riep? Een schaapherder. Wie waren de grote en kleine profeten? Gewone
en geringe lieden, eensdeels slechts boeren en herders, die men voor dwazen
hield. En of zij tekenen en wonderen deden, toch zag de wereld slechts naar het
hoge, al was de Heilige Geest de voetbank voor hunne voeten.
De trotse duivel echter heeft ten allen tijde in deze
wereld koning willen zijn. Hoe kwam nu onze Koning Jezus Christus in deze
wereld? Hij was arm en in grote kommer en ellende, en Hij had niets, waarop Hij
het Hoofd kon nederleggen. Mattheus 8 : 20. Wie waren zijn apostelen? Arme,
verachte, ongeleerde vissers. Wie geloofde aan hun prediking? Het arme en
geringe volk; de schriftgeleerden waren de beulen van Christus, die riepen:
kruist Hem. Lukas 23 : 21. Wie heeft ten allen tijde Christus' Kerk het trouwst
beleden? Het arme, verachte volk, dat om Christus' wil zijn bloed vergoten
heeft. Wie heeft de ware, reine, christelijke leer vervalst, haar overal
aangevochten? De schriftgeleerden, pausen, kardinalen, bisschoppen en grote
heren. Waarom volgde de wereld deze mensen? Omdat zij aanzienlijk waren en
schitterden voor de wereld. Zo is de menselijke natuur. Wie heeft de geldzucht,
afgoderij en bedrog van den paus in Duitsland uit de kerk verwijderd? Een arme,
verachte monnik. Door welke macht of kracht? Door de macht Gods des Vaders en
de kracht van God, den Heiligen Geest. Wat is nog verborgen? De juiste leer van
Christus? Neen, maar filosofie en de diepe oorsprong van God; de Hemelse zaligheid,
de openbaring van de schepping der Engelen, de openbaring van de gruwzame val,
van de duivel, door wie het boze ontstaan is, de schepping dezer wereld, de
diepe oorzaak en het geheimenis des mensen en van alle schepselen in deze
wereld; het jongste gericht en de verandering van deze wereld, het geheimenis
der opstanding uit de doden en van het eeuwige leven. Dit zal in grote eenvoud
en in nederigheid geopenbaard worden. Waarom niet in de hoge regionen der
kunst? Opdat niemand zou kunnen roemen, dat hij het bewerkt heeft en zodoende
de hovaardij des satans aan de dag gebracht en te niet gedaan zou worden.
Waarom doet God dat? Uit grote liefde en barmhartigheid jegens alle volkeren en
om hierdoor aan te tonen, dat nu de tijd van het wederbrengen van datgene, wat
verloren was gegaan, aangebroken is. Opdat de mensen de volkomenheid zouden
aanschouwen en genieten, en in de reine en diepe en lichtende kennis van God
zouden wonen. Daarom zal, vóórdat dit geschiedt, het morgenrood opgaan,
waardoor men de komende dag tegemoet kan treden. Wie nu slapen wil, dat hij
slape en wie waken wil en zijn lampen bereid wil maken, dat hij wake. Ziet, de
bruidegom komt; hij die waakt en bereid is, hij gaat mede ter eeuwige Hemelse
bruiloft. Wie echter slaapt, wanneer de bruidegom komt, dat hij
slape, in eeuwigheid in de duistere kerken der boosheid. Daarom wil ik de lezer
getrouw waarschuwen, dat hij dit boek volijverig leze, en zich niet aan de
eenvoud des schrijvers ergere; want God ziet niet naar het boze en verhevene,
want slechts Hij is hoog en verheven; Hij ziet op de nederige, om hèm te
helpen. Wanneer ge eenmaal de geest en de bedoeling van de schrijver begrijpt,
zo zult ge geen vermaning meer van node hebben, maar ge zult u in dit Licht
verbergen en vrolijk zijn, en uw ziel zal lachen en triomferen. Merk op: De
liefde, welke de vijfde oergeest in de goddelijke kracht is, is de verborgen
bron, die het lichamelijke schepsel niet begrijpen, noch omvatten kan. Slechts
wanneer deze bron zich in het lichaam uitleeft, zo zegeviert het lichaam in de
liefde en gedraagt zich lieflijk en vriendelijk; want deze geest behoort niet
bij de vorming van een lichaam, maar hij beïnvloedt het lichaam en stijgt in
het lichaam op, zoals een bloem uit de aarde opstijgt. Deze zelfde geest heeft
zijn oorsprong in de zoete hoedanigheid van het water. Versta dit, zoals het
verstaan moet worden. Ten eerste is daar de wrange, zure eigenschap, daarna de
zoete, dan de bittere; de zoete houdt het midden tussen de zure en de bittere.
Nu veroorzaakt de zure: hardheid, koude en duisternis en
de bittere verscheurt, jaagt, woedt en verdeelt.
Deze twee eigenschappen strijden en worstelen zo met
elkander en stellen zich zó te weer, dat uit hun wrijving de hitte geboren
wordt; deze nu is in genoemde eigenschappen duister, zoals de hitte b.v. in een
steen. Wanneer men een steen neemt, of iets anders, dat hard is, en wrijft
ermede op hout, zo worden de beide dingen verhit. Nu is deze hitte duisternis,
en daarin is geen licht; evenzo is het ook in de goddelijke kracht.
De zure en bittere hoedanigheid zonder het zoete water
worstelen zó zeer met elkander, dat zij de duistere hitte doen geboren worden en
in zich doen ontbranden. En dit nu tezamen is de toorn Gods, de bron en
oorsprong van het helse vuur, hetgeen te zien is bij Lucifer. Deze verhief zich
en stelde zich mèt zijn regimen zó zeer te weer, dat de zoete bron in hem
verdroogde, het zoete, waarin het licht ontstoken en de liefde opstijgt. Daarom
is hij nu ten eeuwige dage een zure, harde, koude, bittere, vurige en
onwelriekende bron; want, toen de zoetheid in hem verdroogde, zo werd hij
gelijk een duister jammerdal en als een
huis van verderf en ellende. Het licht wordt ontstoken
temidden van de hitte, in het zoete bronwater. Dat is het begin des levens,
wart de zure en bittere eigenschappen zijn de aanvang en de oorzaak van hitte
en licht. Alzo wordt het zoete bronwater een schijnend licht, zoals de heldere,
blauwe Hemel. En datzelfde heldere bronwater ontsteekt de zure en bittere
eigenschap; en de hitte, die door de zure en bittere eigenschap in het zoete
water ontstaat, stijgt uit dat zoete bronwater ook op in de bittere en zure
eigenschap, en in deze twee eigenschappen wordt het licht eerste droog en
schijnend, daarna beweeglijk en overwinnend. En wanneer dan het licht in het
bittere en het zure opstijgt, zo proeven zij beide het zoete en heldere water,
en in het zoete water is ook weer het licht, maar slechts licht van een
Hemelsblauwe kleur. Dan siddert de bittere eigenschap en verdrijft de hardheid
in de zure eigenschap; en het licht schijnt helder in deze eigenschap, veel
helderder dan de glans der zon. Hierdoor wordt zij zacht licht, lieflijk en
soepel en krijgt leven. Dit nu is de juiste bronwel der liefde. Hoe zou daar
niet de liefde en de vreugde zijn, waar temidden van de dood het leven geboren
wordt en midden in de duisternis het licht. Ge zegt: hoe geschiedt dat? Ja,
wanneer mijn geest in uw hart zou zetelen en in uw hart zou opstijgen, zo zou
deze uw lichaam begrijpen; maar op andere wijze kan ik het u niet aantonen; ge
kunt het ook niet begrijpen of verstaan; de Heilige Geest ontsteke uw Geest,
opdat dit licht in uwe harten schijne. Dan wordt dit licht in u geboren zoals
in God en stijgt op in de zure en bittere eigenschap van uw wezen, in het zoete
water, en zegeviert, zoals het in God zegeviert. Wanneer dit plaats vindt, zult
ge mijn boek eerst verstaan en eerder niet. Wanneer het licht in de bittere
hoedanigheid ontstaat, d.w.z.: wanneer het bittere en droge het zoete bronwater
des levens opvangt en daarvan drinkt, zo woedt de bittere Geest levend in de
zure, wrange geest en deze is nu gelijk een zwangere geest, die zwanger is van
leven en voortdurend leven voort moet brengen.
Want het zoete water en het licht, dat daarin ontstaan
is, stijgt voortdurend in de zure hoedanigheid op en de bittere eigenschap
zegeviert daarin, dit is gelijk lachen en vreugde, als louter liefhebben. Want deze
zure eigenschap heeft het zoete water lief, omdat de geest des lichts daarin
geboren werd, die haar verlicht en verwarmt; want in het water, in de hitte en
in het licht is het leven.
De zure eigenschap heeft de bittere lief, dewijl deze in
het water, in hitte en 'licht triomfeert in haar, en haar ook heimelijk maakt.
En ten derde heeft de zure eigenschap de hitte lief, dewijl in de hitte het
licht geboren wordt, waardoor zij verlicht en verwarmd wordt. De' zoete
kwaliteit heeft de zure lief, omdat zij deze doet opdrogen, zodat zij niet
wordt zoals het water, en haar hoedanigheid in kracht bestaat, zodat in de
zuurheid het licht schijnend en droog wordt. Daartoe is de zuurheid oorzaak van
de hitte, die in het zoete water ontstaat, waarin het licht opgaat, en het
zoete water schijnt in groter klaarheid. De zoete hoedanigheid heeft de bittere
ook lief, dewijl zij een oorzaak der hitte is, en dewijl deze laatste in het
zoete water, in hitte en licht triomfeert, en siddert en de zoetheid
beweeglijk en levend maakt Ten derde heeft de zoete kwaliteit de hitte zeer
lief; zo lief, dat ik het met niets kan vergelijken. Vergelijk dit met twee
jonge mensen, hoewel de vergelijking veel te zwak is; wanneer zij vol liefde in
elkander opgaan, komt zulk een vuur tot stand. Wanneer zij te samen als een
zouden zijn, zo zouden zij dat doen, maar deze aardse liefde is slechts koud
water, vergeleken bij dit vuur. In deze halfdode wereld kan men geen juiste
vergelijking vinden, als slechte deze: de opstanding der doden op de jongste
dag: dit is een volkomen zuiver voorbeeld, waarmede men de goddelijke dingen
kan vergelijken, het juiste liefde-ontvangen. De zoete eigenschap heeft daarom
de hitte zo lief, omdat zij de Geest des lichts in haar ontsteekt, die is de
geest des Levens, want leven ontstaat uit hitte; als dat niet zo was, zo zou
alles zijn gelijk een donker dal. En de bittere eigenschap heeft ook alle
andere eigenschappen of oerbronnen lief; vooreerst de zoete; want de bitterheid
wordt door het zoete water gelaafd. Zij lest haar grote dorst daarin, zodat zij
zacht wordt en licht. En in de zure eigenschap zegeviert zij en ten slotte
ontleent zij haar kracht en sterkte aan de hitte, waarin ook haar vreugde tot
uiting komt. En deze hitte heeft ook alle andere kwaliteiten lief en de liefde
is zo groot jegens allen, dat men het niet zeggen kan; zij vindt haar oorsprong
in de andere. De Vader der hitte is: de bittere en de zure kwaliteit; de zoete
eigenschap is haar moeder, die haar ontvangt, behoudt en baart, want door de
harde wrijving van het zure in het bittere ontstaat de hitte, die in de
zoetheid opgaat als in een stuk hout. Wilt ge dit niet geloven,
zo doe uwe ogen open en beschouw een
boom, zie hem aan en bezint u: eerst ziet ge de gehele boom. Neem een mes en
snijd in de boom en proef dan, hoe het hout smaakt: allereerst zult ge de zure
eigenschap waarnemen; deze doet uw tong samentrekken, deze houdt en trekt ook
alle krachten van de boom tezamen. Daarna proeft ge de bitterheid; deze
eigenschap maakt dat de boom beweeglijk is, d.w.z., dat hij groeit, groent en
takken, loof en vruchten krijgt. Daarna proeft ge de zoetheid; deze is tegelijk
zacht en scherp, want van de zure en de bittere eigenschap krijgt zij haar
scherpte. Deze drie eigenschappen nu zijn duister en dood, wanneer de hitte
niet aanwezig ware, inwendig. Zodra echter het voorjaar komt, en de zon met
haar stralen de aarde verrijkt en verwarmt, wordt de geest der hitte in de boom
levend gemaakt, en de boom begint te groenen, te groeien en te bloeien; de
geest komt tot uiting in de hitte en alle andere geesten of kwaliteiten gaan
vol liefde aan de arbeid; en tussen hen allen bestaat een hartelijke liefde. De
hitte echter wordt door de kracht en de drift der zure en bittere kwaliteit in
het zoete water geboren; de zonnewarmte echter hebben zij nodig om ontstoken te
worden, dewijl de eigenschappen in deze wereld te machteloos en niet levend
genoeg zijn, hetwelk de schuld is van koning Lucifer. Dit zult ge lezen bij de
behandeling van de val van Lucifer en bij de schepping van deze wereld.
Hoewel het onmogelijk is hierover voldoende duidelijk te
schrijven met menselijke handen, zo ziet de verlichte geest des mensen het toch
voor zich; want deze geest is evenzo geschapen als het licht in de goddelijke
kracht en hij is te vergelijken met de hoedanigheden, die in God aanwezig
zijn. Dit slechts is te bejammeren ten opzichte van de mensen: hunne
eigenschappen zijn bedorven en niet levend genoeg, waardoor hun geest of
streven, werken, opstijgen en ontsteken in deze wereld niet tot volkomenheid
kan geraken. Daartegenover staat, dat het wederom verheugend is, dat de
menselijke geest in zijn nooddruft door den Heiligen Geest wordt ontstoken en
verlicht, zoals de zon de koude in boom of kruid aanraakt en omzet in warmte,
waardoor wederom hitte wordt voortgebracht.
Merk nu op: Zoals de lichaamsdelen
van de mens elkander liefhebben, evenzo ook de geesten in de Goddelijke Kracht;
daar is niets dan verlangen, begeren en vervullen, zodat zij in elkander
triomferen en zich verheugen; want door deze geesten ontstaat het verstand en
het onderscheid tussen God, Engelen, mensen, dieren en vogels, en in alles wat
leeft. Want in deze vijf eigenschappen komt het zien, het ruiken, het proeven
en het vallen tot uiting en zij allen vormen als 't ware één Geest. Wanneer het
licht opgaat, ziet de ene geest de anderen en als het zoete bronwater in het
licht alle andere geesten aandoet, zo proeven zij elkander en nemen elkander
waar. Dan worden de geesten levend; de kracht des levens doordringt alles, de
ene voelt en ruikt de ander. Het is niets dan een hartelijk liefhebben, een vol
vriendschap elkander zien, een welaangenaam rieken, proeven en voelen, een
zalig kussen, een elkander eten en drinken, een in liefde wandelen. Dat is de
lieflijke bruid, die zich verheugt in hare bruidegom, dit is liefde, vreugde en
gelukzaligheid, licht, klaarheid en een lieflijke geur, een zoete en
verrukkelijke smaak. Eeuwiglijk en zonder einde; hoe kan enig schepsel zich
daarin ten volle verheugen! Ach, liefde en zaligheid neemt geen einde. Uw
diepte is niet te doorvorsen; ge zijt overal, slechts in de grimmige duivelen
zijt ge niet; deze hebben zich zelf te gronde gericht.
Vraag: Spreek nu,
waar kunt ge nu deze lieflijke geesten vinden? Wonen zij in de Hemel?
Antwoord:
Dat is de andere open poort der Godheid: ge moogt uwe
ogen openen en de geest in uw halfdode hart tot ontwaken voeren, want het is
geen duistere rede of fantasie.
Merk
op: De zeven geesten betrekken in hun gebied of ruimte de
Hemel en deze wereld, en de ruimte en diepte buiten en boven de Hemel, boven de
wereld, onder de wereld en in de wereld, ja, de ganse Vader, Die noch begin
nóch einde heeft. Zij omvatten ook alle schepselen in de Hemel en in deze
wereld en deze allen zijn door en uit deze geesten geschapen en leven in hen
als in hun eigendom. En hun leven en hun inzicht wordt op zulk een wijze in hen
geboren, zoals het Goddelijke Wezen geboren wordt, en ook in dezelfde kracht.
Uit ditzelfde 'lichaam der zeven Geesten Gods zijn alle dingen gemaakt en
daaruit komen voort alle Engelen, alle duivelen, de Hemel, de aarde, de
sterren, de elementen, de mensen, de dieren, de vogels, de vissen, alle wormen,
het hout en de bomen, daarnevens de stenen, het kruid, het gras en alles, wat
bestaat.
Nu vraagt ge: wijl nu God overal is
en Zelf Alles is, hoe komt het dan, dat in deze wereld zulk een koude èn zulk
een hitte is, waarbij alle schepselen zich te weer stellen en er niet veel
anders is dan ijdele boosheid in deze wereld. (De oorzaken hiervan zijn de
vier eerste gestalten der natuur). Ziet, dit is de oorzaak en de boosheid: Toen
koning Lucifer in zijn rijk zetelde als een trotse, hovaardige bruid, zo
omvatte zijn gebied de plaats, waar nu de Hemel is, die gemaakt is uit het
water, en ook de plaats van de wereld die geschapen werd, zowel als de ruimte
ertussen. Waar nu de aarde is, was een reine en heilige Salniter, waarin de
zeven Geesten Gods volkomen en lieflijk waren, zoals ze dat nu zijn in de
Hemel, hoewel ze nog in deze wereld werkzaam zijn. Toen Koning Lucifer zich
verhief, zo verhief hij zich in de zeven Oergeesten en ontstak hen, zodat alles
brandende werd. De zure hoedanigheid werd zo hard, dat zij stenen voortbracht
en zo koud, dat zij het zoete bronwater tot ijs maakte. En het zoete bronwater
werd zeer dik en onwelriekend en de bittere eigenschap werd zeer bijtend en
toornig, waardoor het gif zich een uitweg zocht; en het vuur of de hitte werd
brandend en verterend en alles tezamen werd een vermenging en bezinking, die
voosheid in zich had. Daarna nu is koning Lucifer van zijn koningsplaats of
zetel gestoten, die hij had, op de plaats, waar thans de Hemel is, en aldaar
is spoedig daarop de schepping dezer wereld gevolgd, en de harde, vaste
materie, die in de aangestoken zeven Oergeesten gearbeid had, is tezamen
gevoegd, daarvan zijn de aarde en de stenen gemaakt. Hierna zijn alle
schepselen uit de aangestoken Salniter der zeven geesten van God geschapen.
Nu zijn deze Oergeesten te vurig
geworden in hun nieuwe toestand, zodat de ene de andere voortdurend vernielde
met zijn boze werking. Alzo doen nu ook de schepselen, die uit de brongeesten
geschapen zijn en volgens dezelfde stuwkracht leven; zij verweren zich tegen
elkander, voeren strijd met elkander en toornen jegens elkaar naar de aard der
hoedanigheden.
Nu wil God in het jongste gericht
het boze van het goede scheiden, het goede wederom in het zachte en lieflijke
licht stellen, alwaar het goede voor de gruwzame val van de duivel ook was, en
Hij wil het boze aan koning Lucifer tot een eeuwige woonplaats geven. Alsdan
zullen twee rijken ontstaan; het ene ontvangen de mensen met hun koning Jezus Christus, het andere
ontvangen de duivelen in hun boosheid en alle goddeloze mensen.
Dit is
alzo een korte leiddraad, opdat de lezer het goddelik geheimenis nu des te
beter zal kunnen begrijpen. Bij de val van de duivel en bij de schepping dezer
wereld zult ge alles uitvoerig beschreven vinden; ik wil derhalve de lezer
vermanen, dat hij alles in volgorde leze, zo zal hij het juiste inzicht
bekomen. Wel is waar is dit alles van af het begin der wereld aan geen enkel
mens geheel geopenbaard geworden; dewijl het echter Gods wil is, zo zal ik Hem
laten besturen en ik wil toezien, wat Hij met dit alles wil doen. Want Zijne
wegen zijn meestentijds verborgen; later evenwel ziet de Geest Gods wegen in
hun volle diepte.
HOOFDSTUK X.
De zesde
oergeest in de goddelike kracht is het geluid of de toon waardoor alles klinkt
en geluid van zich geeft; waardoor de spraak en het onderscheid tussen de
verschillende dingen ontstaat; ook ontstaat er door het geluid en het gezang
der heilige Engelen; alle kleuren, de schoonheid en het Hemelse vreugderijk
ontstaan ook hieruit. Nu vraagt ge: Wat is de toon of het geluid, of hoe
ontstaat deze geest? Merk op: Alle zeven geesten Gods worden tegelijk
geschapen; de ene doet de andere ontstaan, geen is de eerste, en ook geen is de
laatste; de laatste doet zowel de eerste ontstaan, als de eerste de anderen, te
weten de derde, vierde tot de laatste toe.
Dat er
echter toch een de eerste genoemd wordt, vindt hierin zijn oorzaak, dat één
ten slotte begonnen is bij de vorming en ontwikkeling van een schepsel. Alle
zeven zijn ze eeuwig; geen van allen heeft begin of einde en daaruit volgt, dat
zij één, enig, eeuwig en almachtig God vertegenwoordigen. Want wanneer iets
uit of in het Goddelik Wezen geboren wordt, zo wordt het niet door één van deze
geesten geformeerd, maar door alle zeven geesten; en wanneer enig schepsel, dat
is als een afschaduwing van de Godheid, zondigt ten opzichte van één der zeven
Oergeesten, zo zondigt het ten opzichte van alle zeven geesten. Daarom is zulk
een schepsel weerzinwekkend voor God en al zijne schepselen; en hij staat in
eeuwige vijandschap en schande voor God en alle schepselen.
De toon
of Mercurius ontstaat uit de eerste, dat is de zure en harde kwaliteit. De hardheid is de oorsprong van de toon, maar zij kon
de toon niet alleen voortbrengen, zij is de Vader; en de Salniter is de Moeder;
anders wanneer de hardheid vader en moeder beide waren, zo zou een harde steen
ook geluid moeten geven. De klank of de stem stijgt op in de bliksem, in het
midden, waar het licht uit de hitte geboren wordt. Wanneer de zure kwaliteit
met de bittere strijd voert, zodat de hitte opstijgt in het zoete bronwater, zo
steekt deze hitte het zoete bronwater aan als een bliksem en deze bliksem is
het licht, dat vaart in de hitte, in de bittere kwaliteit. De bittere
eigenschap vangt het licht op, waardoor zij schrikt en daarna vaart zij met
haar sidderen en verschrikken in de wrange en harde hoedanigheid.
Nu is de bittere hoedanigheid zwanger van licht en zij
beweegt zich in de beide andere kwaliteiten en is in hen als lichamelijk
gevangen. Wanneer nu de geesten zich bewegen en spreken willen, zo moet de
harde kwaliteit dat mogelijk maken; en de bittere met haar bliksem doet haar
als 't ware openspringen; dan komt de klank te voorschijn en alle zeven geesten
zijn zwanger van geluid. Deze onderscheiden het “woord”, zoals het was in het
centrum, in de middelste cirkel, toen het nog in de raad der zeven geesten
besloten was. En daarom hebben de zeven geesten Gods aan het schepsel een mond
geschonken, opdat, wanneer hij spreken of geluid voortbrengen wil, hij dit
zonder scheuring te veroorzaken, kan doen. Daarom bevinden zich alle aderen en
kracht- of Oergeesten in de tong, opdat de toon zoet vloeiend naar buiten zou
kunnen treden.
Merk hier nu op de bedoeling en het geheimenis. Als de
bliksem opstijgt in de hitte, zo vangt het zoete water hem allereerst op, want
daarin is hij duidelijk te zien; hij schijnt in het water.
Wanneer nu het water de bliksem opvangt, d. i. de
geboorte van het licht, het allereerste licht, zo verschrikt het water daarvan,
en het wordt doorzichtig en beweeglijk. Dan stijgt de hitte in het licht op.
Wanneer dan de zure kwaliteit, die zeer koud is, de hitte en de bliksem
opvangt, zo verschrikt ook zij, alsof het onweer losbreekt. Wanneer de hitte
met het licht in deze koude doordringt, ontstaat een grimmige flikkering, vol
van vuuren lichttinten. Deze zelfde bliksemstraal of flikkering keert weer
terug en het zoete water vangt hem op, en vaart met dezelfde grimmigheid op en al
opvarend verandert zij en krijgt een groene en Hemelsblauwe kleur, en het water
siddert vanwege de door hem opgevangen bliksemstraal. De bliksemstraal op
zichzelf behoudt die grimmigheid of woede; daardoor ontstaat de bittere
hoedanigheid of de geest der bitterheid. Deze stort zich weer in de zure,
wrange eigenschap en ontsteekt de hardheid of scherpheid en het licht of de
bliksemstraal droogt op in die hardheid en schijnt helder; het is veel
helderder dan de glans der zon. Nu wordt het licht in de harde hoedanigheid
gevangen gehouden, zodat het als 't ware een lichamelijk bestaan heeft en zo
moet het eeuwigdurend licht verspreiden. De bliksem siddert in het lichaam en
door dat sidderen worden alle eigenschappen beweeglijk gemaakt, altijd en
eeuwigdurend. De bliksem van het vuur, die in het licht aanwezig is, siddert en
triomfeert altijd op deze wijze en de hardheid doet dienst als lichaam, dat hem
behoudt en doet opdrogen.
En dit bewegen in de hardheid is wederom de toon, de
klank, die het geluid voortbrengt, en het licht of de bliksem brengt de klank
of echo voort, en het zoete water maakt de toon zacht en vloeiend, zodat men
haar, om zich met het gesproken woord aan een ander kenbaar te maken, gebruiken
kan. Hier kan men de oorsprong der bittere hoedanigheid nog beter zien. De
oorsprong is dáár, waar de bliksem des levens in de hitte opgaat in de zure
eigenschap; en wanneer dan de bliksem, in vermenging met het water en de zure
eigenschap geraakt, zo ontstaat daardoor een strenge, vurige, grimmige geest,
die vernielt en rond woedt in zijn vurigheid.
Ik kan het nergens anders mee vergelijken dan met een
donderslag, waarbij het vuur van te voren naar de aarde schiet, zodat de mens
niet meer kan zien op zulk een ogenblik.
Merk nu op: Wanneer nu deze geest van het vuur en de
geest der zuurheid met elkander worstelen, zo veroorzaakt deze laatste een
strenge, harde, koude wrangheid en de geest des vuurs veroorzaakt een
verschrikkelijke, verwoede hitte. Het opstijgen van de hitte en de wrangheid
brengt een geest van toorn en woede teweeg, een geest, die woedt en raast, als
wilde hij de Godheid verscheuren. Ge moet echter dit goed verstaan. Hij brengt
zowel zijn vader en zijn moeder voort, als dezen hem voortbrengen, want nadat hij
lichamelijk geboren is, zo doet hij, met de zure, wrange eigenschap steeds
opnieuw het vuur te voorschijn treden, en het vuur brengt het licht voort, en
het licht is de bliksem, die alle leven steeds opnieuw in alle Oergeesten doet
ontstaan; daardoor worden die Oergeesten geboren, die elk op zich zelf één der
anderen tot leven roepen. Hier moet ge echter begrijpen, dat het niet zó is,
dat één geest in staat ie een andere geest te doen geboren worden, twee geesten
kunnen het ook niet, neen, het is zó te verstaan, dat de geboorte van één geest
ie het werk van alle zeven geesten tezamen, zes van hen doen altijd de zevende
geboren worden, en was de één er niet, zo zouden de anderen er ook niet zijn.
Dat ik echter hier somtijds slechts twee of drie geesten
op noem in plaats van hen allen, (wanneer er sprake is van de geboorte van één
van hen), dat doe ik terzake van mijn zwakheid; ik kan ze nl.. niet alle zeven
in mijn verdorven brein in hun volkomenheid ondervragen. Ik zie hen wel alle
zeven, maar wanneer ik over hen nadenk, zo stijgt de geest van de middelste
oerbron op, daar waar de geest des levens geboren wordt. Deze mijn geest kan de
zeven geesten Gods niet allen tegelijk bevatten; maar is slechts in staat een
bepaald gedeelte van die geesten te overzien. Iedere geest heeft zijn eigen
oorsprong; zo is het ook gesteld met het inzicht, het begrip der mensen. Hij
heeft in zich de bronwel van alle zeven geesten, maar die geest die op een bepaald ogenblik
over de andere heerst, begrijpt hij liet beste. Ook doet een bepaalde geest,
wanneer hij in werking is gesteld, niet alle zeven geesten aan. In zijn opstijgen
brengt hij ze wel in beweging, maar hij wordt al opstijgend gevangen gehouden,
zodat hij niet over hen allen zegevieren kan. Dit ie het wezen van de gedachtenouders,
wanneer een bepaalde gedachte haar weg kon nemen door alle zeven hoedanigheden
heen, zo zou zij vrij zijn van de banden der natuur.
Alzo ie het ook met de mens. Wanneer één geest in werking
komt, zo brengt hij de andere ook tot activiteit en ziet hen alle, omdat hij
uit het hart omhoog stijgt, waar in de hitte het licht ontstoken wordt, zodat
de geest, die opstijgt in dat licht, de andere geesten ziet.
Het licht is echter in onze verdorven toestand slechts
waar te nemen als een weerlichten; want wanneer ik de bliksem, die ik toch wel zie en herken voor hetgeen hij is,
niet mijn tegenwoordige lichaam werkelijk zou begrijpen, zo zou mijn lichaam
daardoor verheerlijkt worden (uit de bliksem ontstaat het licht der majesteit),
dan zou mijn lichaam niet meer een dierlijk lichaam zijn, maar het zou gelijk
zijn aan het lichaam van Gods Engelen.
Maar hoort: wacht nog een stonde en geeft het dierlijke
lichaam de wormen tot spijze. Wanneer God Zijn zeven geesten in de verdorven
aarde ontsteken wil, alsdan zal de Salniter, die ge in de aarde zaait, niet
geschikt zijn voor het vuur. Dan zullen uw Oergeesten, die zich vrij maken, in
de Salniter, die ge gezaaid hebt, wederom opstaan, daarin triomferen en weder
tot een lichaam worden. Wie echter geschikt geacht wil worden voor het vuur der
zeven goddelijke geesten, hij zal daarin blijven, en zijn Oergeesten zullen in
grote pijn opstijgen, hetgeen ik ter plaatse duidelijk bewijzen zal. Ik kan u
niet de ganse goddelijkheid meetkundig beschrijven, zij is niet meetbaar, maar
voor den Geest, die 'leeft in Gods liefde, is zij niet onbegrijpelijk; hij
begrijpt haar, zij 't slechte gedeeltelijk. Tracht daarom het ene na het andere
te verstaan; dan zult ge het geheel zien.
In deze onze verdorvenheid hebben wij geen dieper inzicht
met hetgeen aan ons ie geopenbaard; deze wereld met haar begin en haar einde
geeft ons slechts een beperkt inzicht. Ik zou ook gaarne in dit mijne benauwde
bestaan dieper doorzicht hebben, opdat mijn zieke lichaam gelaafd zou worden,
maar ik doorzoek de ganse wereld en kan niets ontdekken; alles is ziek, lam,
gewond, blind, doof en stom. Ik heb vele geschriften van grote meesters
gelezen, in de hoop de oorsprong en de diepte der dingen daarin te zullen
ontdekken, maar ik heb niets gevonden dan een half dode geest, die zich
angstvallig beijvert gezond te worden, en ik kan terzake van zijn grote
zwakheid niet tot volkomen kracht geraken.
Alzo is het met mij gesteld als met een angstige vrouw in
barensnood, volkomen lafenis zoekend en deze slechts ten dele vindend. De geest
bewijst daardoor, welk een kracht er van volkomen lafenis zou uitgaan, wanneer
eenmaal de grote Samaritaan komt en de wonden bindt en heelt, en de mens in de
eeuwige herberg leidt; aldaar zal hij ten volle verzadigd worden.
Hetgeen ik hier bedoel ie een kruid, welke reuk mijn
geest verkwikt. En dit kruid is niet aan iederen landman bekend, ook niet aan
iederen geneesheer; het groeit wel in elke tuin, maar menigmaal ie het
bedorven en slecht, want de gesteldheid van de akker ie zodanig, dat het niet
tot wasdom
kan komen. Daarom kent men het niet; zelfs de kinderen kennen dit geheimenis
nauwelijks, hoewel het vanaf 's werelds begin een dierbaar en kostelijk
geheimenis is geweest. Hoewel in menig mens een bron is aangeboord, zo is toch
de hoovaardij spoedig gekomen en heeft alles bedorven. De mens heeft het in
zijn eigene taal niet willen beschrijven, hij heeft gemeend, dat dat te
kinderlik zou zijn en dat hij zich in diepzinnige bewoordingen zou moeten
uiten, opdat de wereld zou kunnen zien, dat hij een man is; en hij hield het
voor beter, het verborgen te houden en met diepzinnige, vreemde namen aan te
duiden, opdat men het niet zou herkennen.
Alzo was
des duivels hoogmoedig verlangen. Maar hoor, gij eenvoudige moeder, gij die al
uw kinderen op deze wereld doet geboren worden, die kinderen, die zich later
uwer schamen en u verachten, en die toch uw kinderen zijn, die gij gebaard
hebt. Zo spreekt de geest, die werkt in de zeven goddelijke geesten, die uw
Vader is: versaag niet. Zie, ik ben uw sterkte en uwe kracht. Ik zal u in uwe
ouderdom een zoete drank doen drinken. Dewijl al uwe kinderen, die gij gebaard
en in hun jeugd gezoogd hebt, u verachten, en u in uw ouderdom niet willen
onderhouden, zo wil Ik u troosten en u in uwe hoge ouderdom een jonge zoon
geven. Hij zal blijven in uw huis, zolang gij leeft en u verzorgen en u
troosten, wanneer uw trotse kinderen tegen u woeden en razen. Merk hier op wat
er verder gezegd wordt omtrent de toon of klank_ Alle eigenschappen beginnen aanvankelijk
in het midden; merk op, hoe het vuur ontstaat, want daar ontstaat ook, in alle
hoedanigheden, de bliksem des levens; deze wordt in het water gevangen, dat
blijft lichten; dan verhoogt de zuurheid het wederom, en tenslotte wordt het
helder schijnend.
Merk op:
Steek een stuk hout aan, zo zult ge het geheimenis zien. Het vuur ontsteekt
zich zelf in de hardheid van het hout, dat is de zure, harde bron, de
Saturnusbron. Deze maakt het hout hard en ruw. Nu echter tast het licht, dat is
de bliksem, niet de hardheid aan, want als dat zo was, zou een steen ook
branden, maar het licht tast het sap, het vocht, dat in het hout aanwezig is,
aan; dus het water. Dewijl sap in het hout is, zo straalt het vuur als een
licht, dat glans verspreidt; als echter het vocht in het hout verdroogd is, zo
verdwijnt het licht en het hout is een gloeiende kool gelijk. Ziet nu, de
boosheid die in het licht opvaart, tast het vocht van het hout niet aan, maar
wanneer de hitte zich uitstort in de hardheid, zo wordt de bliksem geboren. De
boosheid of bitterheid wordt midden in de hardheid en hitte in de bliksem
geboren en zo ver als deze bliksem, d. i. de vlam vuurs, reikt, zo ver reikt
ook de boosheid der bitterheid, die de zoon is van de hardheid en de hitte. Dit
geheimenis echter zult ge weten: dat de bitterheid voordien al in het hout
aanwezig was; anders zou deze bitterheid niet zo plotseling in het vuur tot
uiting komen. Want zoals vuur ontstaat, wanneer men hout aansteekt, evenzo
ontstaat ook het hout in en boven de aarde. Zo evenwel de boosheid in het
schijnende licht zou ontstaan, zo zou deze boosheid gelijke tred houden met de
glans van het licht; dit geschiedt niet. Het is zo: de bliksem is de moeder
van het licht, want de bliksem doet het licht ontstaan en hij is de vader der
boosheid, want de boosheid blijft in de bliksem als een zaad in den Vader, en
deze zelfde bliksem veroorzaakt ook de toon of het geluid. Wanneer deze toon
uitgaat van de hardheid en de hitte, zo komt daaruit geluid te voorschijn en
het licht maakt de klank helder en het water maakt de klank zacht. Hij wordt
gevangen in de hardheid en hij leeft als het ware in alle andere hoedanigheden.
Want iedere oergeest in de zeven Geesten van God zijn zwanger van de andere
geesten Gods en zij zijn allen tezamen als één geest; geen bestaat buiten de
anderen en van eeuwigheid tot eeuwigheid brengt de een de anderen voort.
Hier wil
ik de lezer vermanen, dat hij de goddelijke geboorte juist beschouwt. Ge moogt
niet denken, dat de ene geest naast de andere bestaat, zoals ge de sterren aan
de Hemel naast elkander ziet staan, neen, ze zijn alle zeven met elkander
verweven, als één geest, zoals ge dat waar kunt nemen bij een mens. Hij heeft
menigerlei gedachten vanwege de werking van de zeven geesten Gods, die in het
menselijk lichaam wonen, maar ge moet toegeven, zo ge niet dwaas wilt zijn, dat
ieder lichaamsdeel ook de kracht bezit van andere delen van het lichaam. Naar
gelang van de eigenschap, die in een bepaald geval de boventoon heeft, naar
gelang daarvan beheersen ook de gedachten het gemoed. Wekt ge in uw wezen de
geest des vuurs, zo ontspringt in u bitterheid en toorn; want zodra het vuur
ontstoken wordt, hetgeen in de hardheid en de boosheid geschiedt, zo welt de
boosheid op in de bliksem. Want wanneer ge u tegen iets verzet, hetzij tegen
liefde of tegen toorn, of tegen wat ook, dan ontsteekt ge die hoedanigheid, die daarmee parallel loopt en dat brandt in
uw gehele geest in; maar de oergeest wordt ontstoken in de bliksem. Want
wanneer ge iets aanschouwt, dat tegen u gekeerd is en wat ge niet goedkeurt, zo
tekent uw hart protest aan. Het is, alsof ge een steen zoudt nemen en daarmee
op een hoefijzer zoudt slaan, zodat er een vonk zou uitspatten. Allereerst
smeult het; wanneer ge echter nog meer in opstand komt, zo is het, alsof ge
het vuur aanblaast, zodat de vlam eruit slaat. Dan is het tijd om te blussen,
of wanneer het vuur te groot is geworden, zo brandt het door en verteert alles
en doet schade aan de naaste.
Zegt ge nu: hoe kan men het vuur, dat werd ontstoken,
blussen, hoort dan toe. Ge hebt het zoete bronwater in u, giet het uit in het
vuur, zo zal het uitdoven. Laat ge het branden, zo doet het in uw wezen
opdrogen de bron van alle zeven Oergeesten, zodat ge verdroogt. Wanneer dit geschiedt,
zo zijt ge een hellebrand en voor u is geen hulp meer. Wanneer ge echter
aanziet, wat ge liefhebt, en ge maakt de geest in uw hart levend, zo ontsteekt
ge het vuur; dat brandt allereerst in het zoete water als een gloeiende kool.
Terwijl het nu smeult, zo doet het u weldadig aan en verteert u niet; wanneer
uw hart zich echter verheft en de zoete bron ontstoken wordt, zodat het een
laaiend vuur wordt, zo worden alle Oergeesten aangestoken, dan brandt uw gehele
lichaam, en mond en handen komen in werking.
Dit vuur is het meest schadelik, en heeft vanaf het begin
van de wereld het meeste verdorven en het is moeilijk om het te blussen. Want
wanneer het ontstoken is, zo brandt het in het zoete water en het moet gedoofd
worden door de bitterheid. Daarom volgt hierop ook een treurig gemoed, wanneer
iemand het zou toelaten, dat in zijn lichaam vuur zou branden in het zoete
bronwater. Maar dit zult ge weten, dat ge heerser over uw eigen gemoed blijft.
Er ontstaat géén vuur in uw lichaam of geest, of ge verwerkt het zelf. Het is waar:
al uwe geesteswerkingen ontsprongen van zelf en werken in u; de ene heeft
steeds grotere macht en kracht over u dan de andere. Want wanneer in de ene
mens de heerschappij der geesten gelijk was aan die in een andere mens, zo
zouden wij allen een gelijkvormige wil en een zelfde gestalte bezitten; zij
zijn echter alle zeven onder het gezag van uw ene belichaamde geest, welke de
ziel heet. (Zij heeft in zich het eerste principe der geest der zielen,
het tweede en de sterrengeest in de elementen, het derde,
namelijk deze wereld.) Wanneer nu een vuur in een oerbron ontstaat, zo is dit
aan de ziel niet verborgen; zij mag onmiddellik de andere bronnen wekken, die
het ontstoken vuur niet gunstig gezind zijn en zij mag het vuur blussen. Zou
echter het vuur te groot worden, zo heeft zij haar gevangenis, waarin zij de
geest, die werd aangestoken, mag opsluiten, nl.. in de harde scherpe kwaliteit,
en de andere geesten moeten hare gevangenisbewaarders zijn, totdat de toorn
voorbij gaat en het vuur uitdroogt. Merk op wat dit betekent. Wanneer een
bepaalde geest of oerbron u te heftig een bepaalde richting uitdrijft, wat
tegen de natuurwet ingaat, zo moet ge uw ogen daarvan afwenden. Helpt dat niet,
neem dan die geest en werp hem in de gevangenis. Dat wil zeggen: wendt uw hart
af van de tijdelijke wellust, van eten en drinken en overdaad, van de rijkdom
dezer wereld en denk dat op de dag van heden het einde van uw leven daar is;
wendt u af van de overvloed dezer wereld en roept ernstig tot God en geeft u
aan Hem over.
Wanneer ge dat doet, zo zal de wereld met u spotten en
zij houdt u voor een dwaas. Draag dit kruis met geduld, en laat den gevangen
Geest niet meer uit de gevangenis en vertrouw op God, Hij zal u de kroon der
goddelijke vreugde geven. Scheurt zich echter de geest weer uit de gevangenis
los, zo werpt hem er weer in; beschouwt hem als uw wederpartij, zo lang u
leeft. Wanneer ge maar zoveel overhoudt, dat hij niet de bronwel van uw hart
geheel in vlammen doet opgaan, waardoor uw ziel wordt gelijk een dor stuk hout;
en wanneer iedere bron nog zijn sap bezit, wanneer gij heen gaat, zo zal het
vuur dat ontstoken werd u ten jongste dage niet schaden en in uw Oergeesten
niet verankerd blijven, maar ge zult, na dit droevige bestel in de opstanding
een triomferende Engel Gods zijn.
Nu zoudt ge kunnen vragen: Is dan in God ook een
tegenstelling tussen de verschillende geesten Gods? Neen. Of ik ook al hier hun
oorsprong aantoon, waarbij een ieder van hen wel zeer goed de grote ernst van
God dient te verstaan, daaruit volgt nog niet, dat er onenigheid tussen hen
bestaat. Want de allerinnerlijkste, diepste geboorte in de kern is zó, dat geen
schepsel in het lichaam er door kan worden aangegrepen, maar daar, waar de
verborgen Geest geboren wordt, daar geschiedt de aanraking; deze zelfde geest
wordt op zulk een wijze en in zulk een kracht geboren.
Mij
echter wordt de poort van het gemoed geopend, opdat ik het zien en kennen kan,
anders zou het mij ook verborgen blijven tot aan deze dag. Dit is ook van voor
de grondlegging der wereld aan alle mensen verborgen geweest, maar ik laat aan
God het bestuur over. In God triomferen alle geesten als één geest; en de ene
geest verzacht en bemint steeds de anderen, en is niets dan louter vreugde en
gelukzaligheid. Hunne geboorte evenwel, welke in het verborgene plaats heeft,
moet alzo zijn, want het leven en het verstand en de alwetendheid worden alzo
geboren, en het is een eeuwige geboorte, die nooit verandert. Ge moet niet
denken, dat in de Hemel ook maar één lichaam, of één onderdeel is, dat men voor
alle anderen met de naam van God zou kunnen benoemen, neen, de ganse goddelijke
kracht, die zelf de Hemel en aller Hemelen Hemel is, wordt alzo geboren en dit
is God de Vader, uit Wie alle heilige Engelen zijn geboren en zij allen leven uit
deze goddelijke kracht; ook wordt de geest aller Engelen immer en eeuwig uit
deze kracht geboren, alsook de geest aller mensen. Want deze wereld behoort tot
het lichaam van God den Vader, als de Hemel daartoe behoort; maar de geesten
zijn in de onbegrensdheid van deze wereld door koning Lucifer ontstoken
geworden, zodat alles in deze wereld is alsof het half versmacht is en dood;
daarom zijn wij arme mensen zo verblind en leven te midden van het grootste
gevaar.
Ge moet
daarom nog niet denken dat het Hemelse licht in deze wereld in de oerbronnen
Gods geheel gedoofd is. Neen, er is slechts een duisternis, welke wij met onze
verdorven ogen niet doorschouwen kunnen; zo God echter deze duisternis doet
wijken, die zweeft boven het licht, en uwe ogen worden geopend, zo ziet ge op
de plaats, waar ge zijt, en waar ge zit of ligt, Gods schone aangezicht en de
gehele Hemelse poort. Ge durft uw ogen niet naar de Hemel opheffen, want er
staat geschreven: het “Woord” is nabij u; namelijk op uw lip en in uw hart. 5
Mozes 30 :, Romeinen 10 : 8. Zo nabij is God u, dat de geboorte der heilige
Drievuldigheid ook in uw hart plaats heeft; God de Vader, de Zoon en de Heilige
Geest worden allen in uw hart geboren. Wanneer ik hier nu schrijf over het
centrum of het midden, en dat de oerbron der Goddelijke geboorte in het midden
plaats vindt, zo betekent dat niet, dat er in de Hemel een bijzondere plaats is
of een bijzonder lichaam waaruit het vuur van het goddelijk leven ontspringt en
van waaruit de zeven geesten Gods uitgaan in de volheid van den Vader, maar ik
spreek op menselijke wijze over deze dingen ter wille van het onverstand van de
lezer, over de wijze, waarop de Engelen zijn gevormd en zoals in God alles
bestaat. Ge kunt geen plaats, noch in de Hemel, noch op de aarde noemen, waar
de goddelijke geboorte niet alzo geschiedt, noch in enige Engel of heilige
mens, noch daarbuiten. Waar een oerbron of oergeest in de goddelijke kracht
aangeroerd wordt, waar ook, behalve in de duivelen en in alle goddeloze
verdoemde mensen, zo is de goddelijke geboortebron aanwezig en daar zijn
tegelijkertijd alle zeven Oergeesten Gods aanwezig en het is, alsof ge een
ruimtelijke cirkel zou sluiten en als het ware de gehele goddelijkheid binnen
dien cirkel. Zo ook wordt de goddelijkheid in een schepsel geboren; de volheid
des Vaders is tot aan alle einden der wereld en in alle dingen. Op deze wijze
kan men God noemen: een almachtige, alwetende, alziende, alhorende, alriekende,
alproevende, alvoelende God, die alom tegenwoordig is en hart en nieren proeft
van Zijn schepselen.
En op
deze wijze zijn Hemel en aarde de Zijne, en alle duivelen, benevens alle
goddeloze zijn Zijne gevangenen, voor eeuwig, en zij moeten, in de Salniter,
die zij ontstoken hebben, eeuwige pijn lijden en eeuwige smaad en schande. Want
het volschone aangezicht Gods met alle heilige Engelen zal boven hen, onder hen
en dan rondom hen vol van schoonheid, heerlijkheid en klaarheid lichten, en
alle heilige Engelen met alle heilige mensen zullen over hen triomferen voor
eeuwig, en vol van grote vreugde, lieflijkheid en gelukzaligheid van Gods
Heiligheid zingen: van Zijne koninklijke heerschappij, van de lieflijke vrucht
van het Hemelse gewas en dat zal, naar de wijze van de zeven Oergeesten Gods,
veelstemmig weerklinken. Daar naast zullen de duivelen met alle goddelozen in
een hel geworpen worden; aldaar zal een helse walm opstijgen en er zal kwelling
zijn en het helse vuur en de helse koude en bitterheid zullen, naar de aard der
aangestoken Gods geesten, voor eeuwig in hunne lichamen branden en in al hun
heerscharen. Maar daar is voor hen geen hulp, hun smart wordt nog groter, hoe
meer zij het betreuren, hoe meer de helse grimmigheid ontstoken wordt; zij
moeten in de hel vertoeven; zij zijn als doodsbeenderen; als de schapen,
verzengd door het vuur; de afschuw knaagt aan hen, zij durven hunne ogen niet opheffen vanwege de schande, want zij zien in hun nabijheid niets
dan een strengen rechter en boven hen en rondom hen zien zij de eeuwige
vreugde. Niet, dat zij het begrijpen of zien, maar zij voelen het als zodanig.
Daar is een ach en wee, een knersen en wenen en er is geen uitredding, het is
hen, alsof de donder immer weerklinkt en het bliksemt, want alzo gedragen zich
de geesten Gods, als ze aangestoken worden. De eerste hardheid veroorzaakt de
harde, ruwe, koude en zure eigenschap; de zoetheid is verdroogt; ze is als een
gloeiende kool wanneer er geen vocht meer in het hout is; het verdroogt en er
is geen lafenis; de bitterheid is als een helse pestilentie en is bitterder dan
gal, het vuur brandt als zwavel; de liefde is vijandschap; de toon is slechts
een hard kloppen als een holle klank, alsof er een donderslag weerklonk, het gebied
van de zevende geest is als een huis der treurnis. Hunne spijze is gruwel en
deze groeit op uit de boosheid van alle hoedanigheden. Ach en wee, zonder
einde, eeuwigheid, daar bestaat geen tijd, een andere koning zit op de troon;
deze houdt een eeuwig gericht; zij zijn een voetbank voor zijne voeten. Ach,
schoonheid en wellust dezer wereld, o rijkdom en trotse pracht, o macht en
geweld, uw boze en grote pracht, wel al uw wellust tezamen is als een
brandstapel door het helse vuur verbrand. Eet en drink, verberg u onder een
schone schijn, heers gij schone Godin, die tot hoer geworden zijt; uw schande
en smaad duurt eeuwig.
HOOFDSTUK XI.
De zevende geest Gods in de Goddelijke kracht is het
lichamelijke, de stoffelijke vorm, die uit de andere zes geesten geboren wordt jen
waarin alle Hemelverschijningen tot aanschijn komen; de vorm, waarin alles
gegoten wordt en waarin alle schoonheid en vreugde opgaan. Dat is de ware geest
der natuur, ja, de natuur zelf, waardoor men de dingen begrijpt, en waarin
alle schepselen in Hemel en op aarde samengevat zijn in een stoffelijk geuit beeld. Ja, de Hemel zelf is op die wijze
geformeerd en alle natuurlijkheid in God is onderworpen aan deze geest. Zo deze
geest er niet ware, zo zou er ook geen Engel of mens zijn en dan zou God een ondoorgrondelijk
Wezen zijn, Die slechts zou bestaan in Zijn ondoorvorsbare kracht.
Nu doet de vraag zich voor: hoe is deze gestalte of vorm?
Zijt ge een wijze Mercuriusgeest, die alle zeven goddelijke geesten doordringt
en hen beproeft en doorzoekt, wie zij zijn, zo zult ge bij de verklaring van
deze zevende geest de werking en het wezen van de ganse goddelijkheid verstaan
en zijn bedoeling begrijpen. Verstaat ge echter deze geest niet, zo laat dit
boek met rust; en bemoei er u niet mee, want dan zijt ge in Saturnus te
zeer gevangen en geen filosoof in deze wereld. Laat nu uw oordeel achterwege,
of ge zult er voor gestraft worden; ik heb u daarvoor getrouwelijk
gewaarschuwd;;; wacht totdat ge in het volgende leven zijt, zo zal
de Hemelpoort voor u opengedaan worden en dan zult ge het ook verstaan.
Merk nu op: Hier moet ik het gehele Goddelijk Lichaam,
als ik het zo mag aanduiden, in het midden, in het hart raken en het verklaren.
Ge zult waarnemen, hoe alle zeven geesten steeds weder elkander doen geboren
worden en ge zult opmerken, dat de Godheid geen begin en geen einde heeft.
Aanziet daarom de lust uws geestes, en het eeuwige goddelijke vreugdenrijk, de
Hemelse zaligheid en de lichamelijke vreugden die in eeuwigheid geen einde
nemen.
Wanneer de bliksem zich in 't centrum verheft, zo is de
goddelijke geboorte in volle werking; in God is het immer en eeuwig alzo, maar
bij ons arme kinderen des vleeses niet. In dit leven duurt de zegevierende
goddelijke geboorte in ons mensen slechts zó lang, als deze bliksemstraal
aanhoudt; daarom is onze kennis stukwerk; in God echter blijft deze bliksemstraal
onveranderlijk en eeuwig voortduren. Ziet, alle zeven geesten zouden zonder
deze bliksemstraal zijn als een donker dal. Nu bewegen zich de vier geesten
(bitter enz.) in de bliksem, want ze worden alle vier daarin 'levend gemaakt,
deze viervoudige kracht stijgt op, alsof het leven zelf openging; en deze
kracht, die is opgestegen, is de liefde; dit is de vijfde geest; deze is, alsof
een dode geest wederom levend is geworden en plotseling in grote klaarheid zich
openbaarde. De ene kracht maakt de andere beweeglijk; de zure, wrange klopt, de
hitte veroorzaakt in liet kloppen een duidelijke klank of geluid; de bittere
verdeelt deze klank en het water maakt hem zacht; dit is de zesde geest. Nu
stijgt de toon op in alle vijf geesten, als een 'lieflijke muziek en blijft
bestaan, want de wrange kwaliteit doet hem verdrogen. Nu is in deze toon of
klank de kracht van de zes Oergeesten en hij is als 't ware het zaad van de zes
andere geesten die tezamen gevoegd zijn tot een lichaam en waaruit een geest is
gemaakt; deze heeft de eigenschap van alle geesten en dit is de zevende geest
van God in de goddelijke kracht. Deze geest heeft de kleur van het blauw van de
Hemel, want hij is uit de zes andere geesten geboren. Wanneer nu de bliksem,
die zijn plaats heeft te midden van de hitte, in de andere geesten zijn licht
afstraalt, zodat zij opstijgen en de zevende geest doen geboren worden, zo
stijgt ook de bliksem op in de zevende geest, bij de geboorte der zes anderen.
Dewijl echter de zevende geen aparte eigenschap heeft, waardoor hij zich van de
anderen kan onderscheiden, zo kan de bliksem in deze zevende geest niet
lichtender worden, want hij verbindt, door middel van de zevende geest, de zes
andere geesten tot één lichaam en de bliksem woonte midden dezer zeven geesten
en vindt zijn oorsprong in hen allen.
De zeven geesten zijn de vader van het Licht en het Licht
is dus hun Zoon, dien zij van eeuwigheid tot eeuwigheid baren. En het Licht verlicht
hen en maakt voortdurend de zeven geesten levend en rijk aan vreugde, want zij
leven allen en bewegen zich allen uit de kracht van het Licht. Ziet, ik wil het
u nog éénmaal tonen; of ge het ook begrijpen mocht, opdat deze grootse arbeid
niet tevergeefs zal geschieden of zonder nuttigheid. De zure, wrange kwaliteit
is de eerste geest; deze trekt tezamen, en maakt alles droog; de zoete
hoedanigheid is de tweede; deze verzacht en kalmeert. De derde geest is de
bitterheid, die ontstaat uit de vierde en de eerste; wanneer de derde vol woede
met de wrange strijdt, zo ontsteekt hij het vuur, en de boosheid ontspringt in
dat vuur en gaat op in de wrangheid. En deze zelfde boosheid of grimmigheid
wordt de geest der bitterheid. Zelfstandig en in de zoetheid wordt hij
verzacht, in de hardheid wordt hij lichamelijk concreet gemaakt; nu bestaat
hij en ook de vierde geest is geboren. Nu gaat de bliksem in de kracht van deze
vier kwaliteiten op in de hitte en stijgt op in het zoete bronwater en de
bitterheid maakt hem triomferend en de zure maakt hem schijnend, droog en
lichamelijk, de zoete maakt hem zacht. En het Licht staat in het midden van hen
als een hart. Wanneer dit Licht, dat in het midden van hen is, in de vier
geesten schijnt, zo stijgen de krachten van deze vier geesten op in dat Licht
en worden levend, en zij hebben het Licht lief, dat wil zeggen, zij laten het
op zich inwerken en worden zwanger van dat Licht en deze zelfde geest, die hen
allen omvat is de liefde des levens; dit is de vijfde geest. Wanneer zij deze
liefde in zich voelen, zo zijn zij in staat tot grotere vreugden, want de een
ziet de andere in het Licht en de ene maakt de andere werkzaam; dan ontstaat de
toon of klank, dit is de zesde geest/ In deze toon gaat de kracht
van alle zes geesten op en komt er in tot uiting. Ze vormen tezamen één lichaam
en dit is het lichaam der natuur, waarin alle Hemelse schepselen en gestalten
en gewassen geformeerd worden.
Het licht echter, waardoor de zeven
geesten kunnen bestaan, waardoor zij triomferend en vreugdevol worden, en
waarin het Hemelse vreugderijk opgaat, is de waarachtige Zoon Gods, dien wij
Christenen, aanbidden en eren, als de tweede Persoon in de Heilige
Drievuldigheid. En de zeven geesten Gods zijn allen tezamen God de Vader, want
er bestaat geen geest buiten de anderen; zij behoren allen bij elkander;
wanneer de ene er niet was, zo zou de andere er ook niet zijn.
Het Licht echter is een andere persoonlijkheid, want het
wordt uit de zeven geesten eeuwigdurend geboren en deze stijgen voortdurend op
in het Licht en hunne krachten gaan vol lichtglans uit naar de zevende
natuurgeest en vormen en scheppen alles in de zevende geest. Deze uitgang vol
licht is de H. Geest. De bliksem of het hart, dat in de krachten geboren wordt,
blijft in het midden van hen en is de Zoon; en de glans in alle krachten gaat
uit van den Vader en den Zoon en schept en vormt in de zevende natuurgeest
alles naar de kracht en de werking der zeven geesten; naar hun aard en
onderscheidingen. En dit is de waarachtige Heilige Geest, dien wij, Christenen
als derde persoon in de Goddelijkheid eren en aanbidden.
Alzo ziet gij, blinde jood, Turk en heiden, dat er drie
personen in de Godheid bestaan; ge kunt het niet loochenen, want ge leeft en
bestaat zelf in deze drie personen; ge hebt uw leven van hen ontvangen, door
hen leeft ge en ge zult ten jongsten dage uit de kracht van deze drie personen
van de doden opstaan en eeuwig leven. Wilt ge nu, volgens de wet der natuur,
heilig en goed in deze wereld hebben geleefd, en wilt ge de bliksem, die ik
noem den Zoon Gods, die u de wet der natuur in uw zeven Oergeesten leert, niet
verduisteren door boze opstandigheid, welke tegenstrijdig is aan de wetenschap
der natuur, zo zult ge met alle Christenen in eeuwige vreugde leven.
De natuurwetten zijn een goddelijke
ordening; wie daaruit leeft behoeft geen andere wetten, want hij vervult Gods
wil. Want uw ongeloof doet niet ter zake, dit heft Gods Waarheid niet op; het
geloof echter versterkt de geest der hope en betuigt, dat wij Gods kinderen
zijn; het geloof wordt in de bliksem, in het licht geboren en worstelt met God
zo lang, tot het overwint en de zege behaalt. Gij richt ons en u zelf, wanneer
ge de geest van ijverzucht tot toorn opblaast; deze blust uw licht uit. Ge zijt
toch aan een zoete boom gegroeid en ge bedwingt de boze invloeden en leeft
heilig en goed naar de wet der natuur, die u zeker aantoont, hetgeen goed is.
Zijt ge echter niet uit een boze twijg gegroeid, ik bedoel uit zeer goddeloos
zaad, daar er vaak distels groeien, hoewel er toch hulp zou zijn, wanneer de
wil zou worden gebroken; maar aan een goede boom verdorren ook nog dikwijls de
takken, en zijt ge blind, wie zal u scheiden van de liefde Gods, waarin ge
geboren zijt, en waarin ge leeft, zo ge daarin tot aan 't einde volhardt? Wie
zal u van God scheiden, in Wie ge hier geleefd hebt? Wat ge in de akker gezaaid
hebt, dat zal opkomen; of het tarwe, koren, gerst of doornen zijn; wat voor
uiteindelijk vuur niet geschikt is, dat zal ook niet branden.
God echter zal zijn goede zaad niet
zelf vernietigen, maar het opkweken, opdat het vruchten drage ten eeuwigen
leve. Dewijl nu alles in God leeft en bestaat, waarom beroemt het onkruid er
zich dan op méér te zijn dan de tarwe? Meent ge, dat God een huichelaar is, en
iemands persoon of naam aanziet? Wie was ons aller vader? Was het Adam niet?
Waar zijn zoon Kaïn boos voor Gods aangezicht leefde, waarom hielp hem zijn
vader Adam niet? Maar hier heet het: wie zondigt, moet gestraft worden.
(Ezechiel 18 : 4-20). Had Kaïn niet zijn licht verduisterd, wie zou hem dan
scheiden van de Liefde Gods. Alzo ook gij, ge beroemt u er op, een Christen te
zijn en' ge kent het Licht, waarom wandelt ge dan niet daarin? Meent ge, dat de
naam
“Christen” u heilig maakt? Wacht, en ge zult het ervaren.
Ziet, menige jood, Turk en heiden zal u voorgaan in het rijk der
Hemelen; zij hebben hunne lampen brandend gehouden.
Zij weten de weg des levens en
weten, hoe zij uit' hun val wederom tot opstanding komen. Wil echter iemand in
zijn val volharden, zo werpt men hem in de kuil, daar moet hij, met alle
goddeloze heidenen vernietigd worden. Ziet daarom toe, wat ge doet, en wie ge
zijt; gij oordeelt anderen en zijt zelve blind. De geest echter zegt: gij hebt
geen recht, hem te oordelen, die beter is dan gij; zijn wij niet allen
vleselijk geschapen en is ons leven niet Godes, zij het in liefde of in toorn?
Want wat ge zaait, dat zult ge ook maaien. God is niet de oorzaak ervan, dat
gij verloren gaat, want de wet, recht te doen staat in de natuur geschreven en
gij bezit deze wet in uwe harten.
Ge weet
zeer goed, dat ge goed en vriendelijk behoort te handelen jegens uwe naaste;
ook weet ge, dat ge uw eigen leven, dat is uw lichaam en uwe ziel, niet behoort
te schande te maken en te bezoedelen. Waarlijk, hierin bestaat de kern en de
Liefde Gods; God ziet niet naar naam of geboorte; wie echter in Gods liefde
woont, woont in het Licht; het Licht echter is het Hart van God. Wie nu God in
't harte draagt, hoe zal hij Hem wederom kunnen verliezen?
Neen,
hij is uit God geboren. O gij blinde en half dode wereld, laat àf van uw
richten; o gij blinde jood, Turk en heiden, laat af van uw laster en geef u
over aan de gehoorzaamheid aan God en wandel in het Licht; zo zult ge zien, hoe
ge uit uw val kunt opstaan, en hoe ge u in deze wereld tegen de helse
grimmigheid te weer kunt stellen. Ge zult ervaren, hoe ge kunt zegevieren en
eeuwig niet God kunt leven. Er is waarlijk slechts één God; wanneer echter de
blinddoek van uwe ogen weggedaan wordt, zodat gij Hem ziet en herkent, zo zult
ge ook al uwe broeders zien en herkennen, of het Christenen, joden, Turken of
heidenen zijn. Of meent ge, dat God slechts de God der Christenen is? Leven
niet ook de heidenen in God? Al wie rechtvaardig is, is hem aangenaam en die
heeft Hij lief. (Apost. 10 : 35). Of zoudt ge weten, gij die een Christen zijt,
hoe God u van den boze wil verlossen? God liet Zijn Zoon een mens worden,
teneinde het menselijk geslacht te verlossen! Is Hij alleen uw Koning? Staat er niet geschreven in Hagg. 2 : 8: Hij is aller
heidenen troost?
Hoort,
door éne mens kwam de zonde in de wereld en door éne rechtvaardigheid komt de
genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens (1 Cor. 15 : 22).
Wat weet
enig mens? Ge wist toch ook niet, hoe God met u wilde te werk gaan, daar gij
dood waart in uw zonden. Zoals nu de zonde, zonder onderscheid heerst door éne
mens over allen, alzo zegeviert ook de barmhartigheid en verlossing door éne
voor allen. Den heidenen, joden en Turken echter is blindheid wedervaren, zij
zoeken de rust, begeren genade, maar zoeken deze niet op de juiste plaats; God
echter is allerwegen en ziet naar des harten grond. Zo echter in hun
kommervolle bestaan het Licht in hen geboren wordt, wie zoudt gij dan zijn, dat
gij hen zoudt willen oordelen?
Ziet,
gij blinde mens, ik wil het u tonen; ga naar een weide; daar ziet ge menigerlei
kruid en bloemen; ge ziet bittere, wrange, zoete, zure, witte, gele, rode,
blauwe, groene bloemen; groeien zij niet alle uit de aarde? Staan zij niet
naast elkander? Misgunt ook de ene de andere zijn schone gestalte? Als er
echter een onder hen is, die zich te hoog verheft en verdoet, wijl hij geen
vocht genoeg in zich heeft, is dat de schuld van de aarde? Zij geeft hèm toch
ook zijn sappen, zo goed als aan de anderen. Wanneer echter doornen daaronder
groeien en de hovenier komt om te oogsten, zo houwt hij hen mede af, maar de
vele bloemen verzamelt hij in zijn schuren.
Alzo is
liet ook met de mensen; er zijn velerlei gaven en bekwaamheden; de ene mens
verstaat de dingen Gods beter dan de andere; dewijl zij echter den levenden
Geest in zich hebben, zo zijn zij niet verwerpelijk; wanneer echter de geest
verdort, zo deugt hij tot niets dan om in het vuur geworpen te worden. Behoren
echter de Turken tot de wrange en de heidenen tot de bittere kwaliteit, wat
gaat het u aan? Wanneer het Licht in de wrange en de bittere eigenschap
schijnen gaat, zo straalt het óók. Gij echter zijt in de warmte geboren, alwaar
het licht opstijgt in het zoete bronwater. Ziet toe, dat de hitte u niet
verbrandt; ge moogt het wel blussen. Gij nu spreekt aldus: Is het dan goed, dat
de heidenen, Joden en Turken volharden in hunne blindheid? Neen, maar dit zeg
ik echter: hoe kan hij zien, die geen ogen heeft, om te zien. Wat weet de arme
'leek ervan, wat de priesters in hun dronkenheid rumoeren? Hij gaat daarheen in
zijn eenvoud en het is hem angstig te moede. Ge spreekt aldus: Heeft God dan de
Turken, joden en heidenen blind gemaakt? Neen, maar voor God voor hen het
Licht ontstak, zo leefden zij voor hun hartenlust en wilden zich niet door den
Geest laten leiden, waardoor het licht werd uitgeblust. Het Licht is echter
daarom niet geheel geblust, en het kan in een mens wederom geboren worden,
dewijl de mens uit God is en in Hem leeft, hetzij in liefde of in toorn. Zo nu
de mens verlangt, zo zal hij daardoor nog niet zwanger worden; zo hij echter
zwanger is, zo kan hij ook baren. Dewijl voor hem echter het uitwendige Licht
schijnt, zo kent hij zijnen Zoon niet, dien hij heeft doen geboren worden;
wanneer echter het Licht ten jongste dage zal opgaan, zo zal hij hem zien.
Ziet, ik
zeg u een geheimenis; het is de tijd, dat de bruidegom zijn bruid kroont. Waar is
de kroon? Tegen middernacht, te midden van de zuurheid wordt het Licht geboren. Vanwaar komt evenwel de bruidegom?
Uit het midden, waar de hitte het Licht voortbrengt en het vaart tegen
middernacht in de zure eigenschap; alsdan wordt het Licht helder. Wat doen zij,
die in de volheid des dags leven? Zij zijn in de hitte ontslapen, maar het
stormweder zal hen opwekken. Velen onder hen zullen ten dode toe verschrikt
zijn. Wat doen zij die in de avondstond leven? Hun bittere kwaliteit wil
strijden met de anderen, maar wanneer zij het zoete water proeven, zo wordt hun
geest verzacht. Wat doen dan degenen die in de morgenstond leven? Ge zijt van
de aanvang af als een trotse bruid; de kroon is u, van de aanvang af aan geboden,
gij echter leefde met de anderen.
Zo gij nu weten wilt, hoe de
verschijningsvorm van de Hemel is, welke gestalte en verschijningsvorm de
Engelen hebben en wat eigenlik de heilige Hemelse en goddelijke natuur is, zo
merk dan op de bijzonderheden, die zich vertonen bij deze zevende oergeest
Gods. Deze zevende oergeest is de geest der natuur, want de zes anderen doen de
zevende geboren worden; en de zevende, wanneer hij geboren is, is als een
moeder der anderen, die hen omsluit en hèn weer doet ontstaan, want het
lichamelijke en natuurlijke is de verschijningsvorm, de uiterlijke manifestatie,
waarin de zes andere Oergeesten besloten liggen. Merk hier op de betekenis: De
zes Oergeesten stijgen elk naar zijn eigen kracht en naar zijn eigen aard op en
als zij opgestegen zijn, zo vloeien hun krachten tezamen en de hardheid doet
droogte ontstaan. Deze lichamelijke verdroging noem ik in dit boek de
goddelijke Salniter. Met het woord “Salniter” bedoel ik in dit boek het
volgende: Uit het eeuwige centrum der natuur ontstaat het andere principe,
zoals het licht uit het vuur ontstaat. Zo is het ook met de twee geesten: hitte
en lucht. In 'lucht kan pas groei bestaan en vuur veroorzaakt eigenschappen.
Alzo, wanneer geschreven is: De Engelen zijn uit God geschapen, zo wordt
daarmede bedoeld, dat zij zijn geschapen uit Gods eeuwige natuur, waarmede men
bedoelt de zeven Oergeesten. En de goddelijke heilige natuur wordt hier niet
bedoeld als te zijn: een vuur, maar een Licht. Het vuur geeft ons een
geheimenis der eeuwige natuur en der Godheid, daar er twee principes zijn,
tweeërlei bron; een waarin grimmige, zure, bittere, angstige, verterende, die
zetelt in het vuur en het Licht, dat uit het vuur ontstaat, en dat woont in het
vuur en toch niet door het vuur wordt aangetast, omdat het een andere bron
heeft. De zachtmoedigheid, waarin een begeerte der liefde is, waarmede dan
bedoeld wordt, dat deze begeerte der liefde iets anders is dan het vuur. Want
het vuur wil alles verteren en stijgt nog op en de zachtmoedigheid van het
Licht is werkelijkheid; de geest des eeuwigen levens wordt door het Licht
geschapen en het Licht maakt ook water met de oertoestand van de lucht. Alzo
zal de lezer van dit boek deze drie principes of geboortes verstaan. Deze zijn
de oertoestanden van de eeuwige natuur in de eeuwige Wil van God, welke Wil of
welk begeren zich voortstuwt in grote angst tot in het vierde principe naar het
vuur, waar het Licht ontstaat. Wij nu verstaan de heilige drievoudigheid in het
Licht buiten de natuur als een andere bron en met het vuur verbonden, evenals
vuur en licht in de natuur. En het derde principe op deze wereld is uit het
eerste geschapen. Dit alles is door de schrijver de eerste maal niet voldoende
begrepen, hoewel het hem klaar verscheen, zo, kon toch niet alles door hem
begrepen worden. Het is, als wanneer er een plasregen neervalt, waardoor de
groei ontstaat. Daarbinnen is het zaad der godheid; het is als een moeder, die het zaad ontvangt en immer weder vruchten voortbrengt
naar de hoedanigheid van het zaad. In dit opstijgen der zes Oergeesten stijgt
ook op: de Mercurius, de toon of het geluid van deze zes geesten en in de
zevende geest is hij als in de moeder; hij brengt allerlei vrucht voort en
kleuren naar de werkingen der zes geesten. Ge moet hier echter weten, dat de
Godheid niet ophoudt met arbeiden, maar zonder onderbreking werkt als een
lieflijk worstelen, kampen en bewegen; zoals twee schepselen, die elkander in
grote liefde vinden. Ge moogt het vergelijkenderwijze zó verstaan, alsof zeven
mensen een vriendschappelijk spel der vreugde speelden. De ene zegeviert over
de andere, en de derde komt de overwonnene te hulp en vertoeft alzo een
vreugdig ogenblik te midden van hen. Zij strijden wel tegen elkander, maar zijn
toch liefdevol jegens elkander gezind. Alzo is ook de werking der zes geesten
Gods in de zevende; nu eens heeft de ene de boventoon, dan weer de andere en
allen strijden in liefde met elkander. En wanneer het Licht te midden van dit
strijden mede opstijgt, zo woont de Heilige Geest in de kracht van het Licht in
het spel der zes anderen. Alsdan groeien uit de zevende allerlei vruchten des
levens, gewassen en kleuren. Welke eigenschap nu de sterkste is, die eigenschap
is in de vrucht ook het sterkst vertegenwoordigd. Ook wat betreft de kleuren.
In dit worstelen of strijden wordt de Godheid geformeerd naar oneindige en
ondoorgrondelijke gestalte en naar velerlei hoedanigheden. Want de zeven
Oergeesten zijn zeven hoofdbronnen; wanneer Mercurius erin opstijgt, maakt hij
alles beweeglijk. De natuur en de drievoudigheid is niet één en hetzelfde; er
is onderscheid tussen hen, hoewel de drievoudigheid woont in de natuur, maar
onbegrepen, en toch er eeuwig mee verbonden. Merk nu op, hoe de zevende geest
in de natuur is gevormd. Het zoete water is het begin geweest in de natuur en
de zuurheid doet het samenkrimpen. Wanneer het is samengekrompen, zo ziet het
blauw als de Hemel; wanneer het Licht of de bliksem daar binnen in op gaat, zo
gelijkt het een edele jaspis of een glazen zee, waarin de zon schijnt en die
zeer zuiver en klaar is. Wanneer echter de bittere hoedanigheid zich er aan
toevoegt, zo verdeelt het water zich, alsof het leefde en er ontstaat een
groenachtige verschijning of vorm, als een groene bliksem, waardoor iemand het
licht als 't ware benomen wordt en hij niet meer zien kan. Wanneer echter de
hitte zich daarbij voegt, zo verandert het groen in iets roodachtigs, alsof een
karbonkel er uit te voorschijn lichtte. Wanneer echter het Licht, hetwelk de
Zone Gods is, in deze natuurzee schijnt, zo bekomt het zijn gele en witte
kleur, die ik met niets kan vergelijken; met deze aanschouwing moet ge wachten
tot in het toekomende leven. Want dat is de ware Hemel, die uit God is en
waarin de heilige Engelen wonen, dewelke ook in de aanvang daaruit voortgekomen
zijn. Ziet, wanneer nu Mercurius of de toon in deze natuurHemel opgaat, dan
opent zich het goddelijke vreugdenrijk der Engelen; daar ontplooien zich de
vormen, gestalten en kleurenen de vrucht bloeit en groeit daar in zijn
volkomenheid. Vruchten van allerlei loofbomen, kruiden en gewassen,
verrukkelijk om te aanschouwen, lieflijk van geur en smaak. Ik spreek hier als
met Engelentong: ge moet het niet aards verstaan. Met de Mercurius is het
evenzo. Ge moet niet denken, dat er een hard kloppen, klinken of galmen in de
godheid is, alsof men een machtige bazuin zou nemen en daarin zou blazen. O
neen, mens, gij half dode Engel, zo is het niet; wel zingen de heilige Engelen,
schallen en bazuinen, want God heeft hen uit Zichzelf voortgebracht, opdat zij
de Hemelse vreugde zouden vermeerderen. Zulk een gestalte had Adam ook, toen
God hem schiep, voordat Eva uit hem gemaakt werd, maar de verdorven Salniter in
Adam heeft met de boom des levens gevochten totdat hij overwonnen heeft en Adam
moede werd, waardoor hij insliep. Toen geschiedde het, dat de barmhartigheid
Gods te zijner hulpe nabij was. Een vrouw werd geformeerd. Was dat niet
geschied, zo zou hij nu nog slapen. Dit, hetgeen hierboven is meegedeeld, is de
schone en heilige Hemel; deze is in de gehele Godheid en heeft begin noch
einde. Geen schepsel kan hem met zijn zintuigen bereiken. Toch moet ge dit
weten, dat een bepaalde hoedanigheid zich aan de ene plaats krachtiger vertoont
dan op een andere plaats. Nu eens heeft de tweede of derde, dan weer een der
anderen de voorrang. Het is alzo een eeuwigdurend werken, worstelen en
vreugdevol opstijgen in liefde. De Godheid betoont zich immer wondervoller,
onbegrijpelijker en ondoorgrondelijker. Zo, dat zelfs de heilige Engelen zich
nooit genoeg er in kunnen verheugen en nooit genoeg het Te Deum Laudamus kunnen
zingen. Zij zingen voor al Gods grote hoedanigheden; voor zijn wondervolle
openbaring en wijsheid; van zijn schoonheid en kleuren, vruchten en gestalten.
Aan zijn hoedanigheden is geen begin en geen einde. En hoewel ik alhier heb
beschreven, hoe alles is ontstaan, en hoe zich alles heeft gevormd, en hoe de
Godheid zich openbaart, zo moogt ge daarom nog niet denken, dat er een rust of
uitdoving plaats vindt en dat het daarna weder op dezelfde wijze voortgaat.
Neen, maar ik kan alles slechts stuk voor stuk beschrijven, terzake van des
lezers onverstand, opdat hij het zou kunnen begrijpen. Ge moogt ook niet
denken, dat ik in de Hemel heb vertoefd en deze dingen met mijn vleselijke ogen
heb gezien. O neen, ik ben slechts als gij, en heb in mijn wezen geen groter
licht ontvangen dan gij; ook ik ben een zondig en sterfelijk mens evenals gij
en ik moet elke dag en elk uur met de duivel worstelen, welke met de verdorven
natuur strijdt, die in mijn vlees is, zoals in alle mensen. Menigmaal zegevier
ik over hem, maar toch zegeviert hij ook menigmaal over mij. Ons leven is een
gestadige strijd met de duivel. Deze strijd is de edele ridderkrans; hij duurt
voort, totdat de oude mens-Adam gedood wordt; in deze oude Adam heeft de Satan
toegang tot de mens.
Hiervan wil de sophist niets weten,
want hij wordt niet uit God, maar uit vlees en bloed geboren. Hij wil niet in
gaan; de duivel houdt hem vast; God verblindt niemand. Slaat hij mij zoo moet
ik terug wijken, maar de Goddelijke kracht helpt mij wederom overeind; dan
bekomt de satan zijn straf en verliest de slag. Wanneer hij overwonnen is, zoo
gaat de Hemelpoort van mijn geest open; dan ziet de geest het goddelijk en
Hemelse Wezen; niet buiten het lichaam, maar in de oerbron van het hart opent
zich als 't ware een deur, waardoor uitzicht is op datgene, wat de geest, door
middel van de hersenen, als stoffelijk zintuig, ziet van de hogere dingen. Want
de mens is uit alle krachten Gods gemaakt, uit alle zeven geesten Gods, evenals
ook de Engelen; dewijl hij nu echter verdorven is, zo oefent de Goddelijke
geboorte niet altijd zijn invloed op hem uit, en evenmin op de anderen. En al zou dat wèl zo zijn, zo schijnt het hoge Licht nog niet in allen, en
al schijnt het, zo begrijpt de verdorven menselijke natuur het nog niet. Want
de H. Geest laat zich niet door het zondige vlees binden, maar vertoont zich
als een bliksemstraal, evenals het vuur uit een steen, wanneer men daarop
slaat. Wanneer echter deze bliksemstraal in het hart gevangen wordt, zo gaat
hij door de zeven geesten naar de hersenen; als het morgenrood stijgt hij
daarin op; dit is ook het doel. In dit Licht ziet de ene geest de andere, ruikt
de een de andere, proeft de een de andere en hoort de een de ander en elk van
hen is, alsof de gehele goddelijkheid zich in hem openbaarde.
Hierin ziet de geest tot in de diepte der Godheid; want
in God is nabij en ver één en dezelfde God, over Wie ik in dit boek schrijf en
is zowel in Zijne Drievoudigheid in het lichaam der heilige zielen als in de
Hemel. Van Hem ontvang ik mijn inzicht en van niets of niemand anders; ik wil
ook niets anders weten als God alleen; deze zelfde God en Hij is ook de
zekerheid mijns geestes, zodat ik bestendig ben in het geloof en op Hem
vertrouwe. En of een Engel uit de Hemel het mij ook zoude zeggen, zo zou ik het
toch niet kunnen geloven, veel minder het begrijpen; ik zou steeds twijfelen,
of het zo zou zijn, maar de zon gaat in mijn geest op; daarom ben ik er zeker van
en ik zie de oorsprong en de geboorte der heilige Engelen en van alle dingen,
in de Hemel en op deze aarde. Want de heilige Ziel is als één geest met God; of
zij al een schepsel is, zo is zij toch aan de Engelen gelijk; zo ziet ook de
ziel des mensen véél dieper dan de Engelen; de Engelen zien slechts tot in de
Hemelse pracht en praal; de ziel ziet in de Hemel en in de hel, want zij leeft
tussen beide in. Daarom moet zij zich wel laten verdrukken en alle dagen en
uren met de duivel worstelen, dat wil zeggen met de helse eigenschappen, en zij
leeft in deze wereld in groot gevaar; daarom heet dit leven met recht een
jammerdal vol van angst, en vol van worstelen en strijden. Maar het koude en
halfdode lichaam verstaat deze strijd der zielen niet altijd; het weet niet,
wat hem wedervaart, maar het is zwaarmoedig en angstig, en gaat van de ene
plaats naar de andere; zoekt onthouding of rust. En wanneer het dit vindt, zo
vindt het nog niets, want twijfel en ongeloof doen zich voelen; het is dikwijls
als ware het geheel van God verstoten; het verstaat niet de kamp des geestes;
hoe de geest nu eens overwint, dan weer de nederlaag lijdt, en welk een heftige
strijd er gestreden moet worden met de helse en met de Hemelse eigenschappen;
welk een vuur de duivelen aanblazen en de heilige Engelen wederom blussen, geef
ik aan iedere heilige ziel te bedenken. Ge moet weten, dat ik hier geen
geschiedenis schrijf, die mij door anderen verteld is geworden. Ik moet
voortdurend strijd voeren; menigmaal is het mij moeilijk gemaakt, evenals aan
alle mensen. Maar om des strijds wille, de strijd, die hevig is en om de wille
van de ijver, die wij aan de dag leggen, gewerd mij deze openbaring. Het is mij
een dringende behoefte, dit alles op papier te stellen. Wat echter hierna volgen
zal, weet ik nog niet geheel en al, alleen weet ik, dat mij ettelijke
toekomstige geheimenissen getoond werden. Want wanneer het licht opgaat, zo
doorlicht het alles, maar de mens kan niet alles goed verstaan, want het is
hem, alsof te midden van een onweer, de bliksem te voorschijn schiet en dan
plotseling weer verdwijnt. Alzo gaat het ook in 's mensen ziel, wanneer zij
voortgaat te strijden, zo ziet zij de Godheid als in een bliksemstraal, maar
de zonde overschaduwt alles weer, want de oude Adam behoort tot de aarde, en
niet met zijn tegenwoordige lichaam, tot de goddelijkheid. Ik schrijf dit niet
tot eigen lof en eer, maar opdat de lezer wete, waarin mijn kennis bestaat;
opdat hij mij niet aanziet voor iemand, die ik niet ben. Want hetgeen ik ben,
dat zijn al degenen, die in de kracht van Jezus Christus, onze Koning jagen
naar de troon der eeuwige vreugde en leven in de hope der Volmaking, welke
aanvangt op, in de dag der Opstanding, die nu aanstaande is. Ziet daarom toe,
dat ge niet slapend bevonden wordt in uwe zonden; waarlijk de wijzen zullen het
bemerken, maar de goddelozen blijven in hunne zonden. Zij zeggen: wanneer is de
dwaas aan het einde zijner dromen? Zij zijn ontslapen in hunne vleselijke
lusten. Ziet gij toe, welke droom gij droomt. Ik wilde ook wel rusten in alle
zachtmoedigheid, maar ik moet dit verrichten en God, die de wereld gemaakt
heeft, is mij veel te sterk; ik ken Zijner Handen werk; dat Hij mij plaatse
waar Hij slechts wil. En of ik ook al in de wereld en in des duivels getier zijn
moet, zo is toch mijn hoop op God gericht en op het toekomstige leven, en wel
wil ik het wagen en Zijne Geest niet wederstreven. Amen.
HOOFDSTUK XII.
Ge zult vragen: Wat is
eigenlik een Engel? Ziet, toen God de Engelen schiep, zo schiep hij ze uit de
zevende oergeest, welke de natuur is, of de heilige Hemel. Het woord “schiep”
moet ge verstaan, alsof men zou zeggen: te zamen trekken of samendrijven, zoals
de aarde tezamen gedreven is. Toen God, de Godheid zich bewoog, zo trok de
wrange kwaliteit de Salniter der natuur tezamen en deed deze verdrogen; zo
ontstonden de Engelen. Zoals nu een bepaalde kwaliteit was in Zijn beweging, zo
werd ook de Engel. Er zijn zeven Goddelijke Geesten; deze hebben alle zeven hun
beweging, en het Licht, dat in hen is, heeft ook zijn beweging; en de Geest,
die van de zeven Geesten Gods uitgaat, is ook in beweging. Nu wilde de
Schepper, naar het voorbeeld van Zijne Drievuldigheid, ook drie legerscharen
scheppen, niet ver van elkander verwijderd, maar de een verbonden met de ander
als een cirkel. Merk nu op: Zoals nu de Geesten waren in hun werk en tot
ontwikkeling komen, alzo werden ook de schepselen; in het midden van elk
heirleger werd het hart van elk heirleger geformeerd en als het ware
belichaamd; daaruit ontstond een vorst der Engelen of Grootvorst. Zoals de Zoon
van God temidden van de zeven geesten Gods geboren wordt, en Hij het Hart en
het Leven is van de zeven Geesten Gods, alzo werd ook een koning der Engelen in
het midden van Zijn gebied, uit de natuur of uit de Hemel geschapen en dat wel
uit de kracht der zeven Oergeesten; deze nu is het Hart van een heirleger en
heeft de hoedanigheid, macht en sterkte van dat bepaalde heirleger en is
temidden van hen de allerschoonste.
Zoals de Zoon van God is het Hart en het Leven en de sterkte van alle zeven Goddelijke Geesten, alzo is ook een Engelenkoning in zijn gebied. Zoals nu in de Goddelijke kracht zeven belangrijke kwaliteiten zijn, waaruit het Hart van God geboren wordt, alzo zijn ook ettelijke machtige Engelenvorsten, naar het voorbeeld van iedere hoofdeigenschap, in elk heirleger geformeerd. (Hun aantal weet ik niet.) Naast de koning zijn zij aanvoerders der andere Engelen. Hier zij opgemerkt, dat de Engelen niet alle van één maaksel zijn, ook zijn zij in kracht en macht niet alle aan elkaar gelijk; wel heeft iedere Engel de kracht van alle zeven oerbronnen in zich, maar in elk van hen is een bepaalde eigenschap de meest opvallende en hij glorieert ook in die eigenschap. Want, zoals op die bepaalde plaats de Salniter ten tijde der Schepping geweest is, alzo is ook de Engel geschapen; zoals van de weidebloemen elk hare kleur van haar overheersende eigenschap ontvangt en ook haar naam daaraan ontleent, alzo is het ook gesteld neet de heilige Engelen. Enkele van hen zijn gevormd uit de wrange hoedanigheid; zij zijn lichtbruinachtig en zijn het koudst. Wanneer nu het Licht van den Zoon van God hen beschijnt, zo zijn zij als een bruine lichtstraal geheel helder. Enkelen zijn genoemd naar de hoedanigheid van het water en deze zijn licht als de Hemel en wanneer het licht hen beschijnt, zo zijn zij als een kristallen zee. Enkelen zijn gevormd naar de bittere eigenschap; deze zijn als een kostelijke groene steen, die er uitziet als een bliksemstraal en wanneer het Licht hen beschijnt, zo weerkaatst het roodachtig groen, alsof er een karbonkel glansde, of, alsof het Leven daar zijn oorsprong had. Anderen zijn gevormd naar de hoedanigheid van de hitte; deze zijn de allerlichtste, geelachtig en roodachtig; en wanneer het Licht hen beschijnt, zo zien zij er uit als het Licht van den Zoon van God. Enkelen zijn hoofdzakelijk gevormd uit de hoedanigheid der Liefde; zij zijn zeer licht, wanneer het Licht hen beschijnt en zij zien er uit als het Hemelse Vreugdenrijk zelf. Zij zijn lichtblauw en hun verschijning is lieflijk. Anderen zijn gevormd uit de eigenschap van de toon, het geluid. Ook deze zijn