uit “het Aquarius Evangelie van Jezus de Christus” uitgeverij schors

 

 

In de nabijheid van Persepolis was een stromende bron, de genezende fontein genaamd.

2. En iedereen dacht, dat in een bepaald jaargetijde hun godheid neerdaalde en grotere kracht aan de wateren van de fontein verleende en dat de zieken, die zich in het water zouden onderdompelen en zich daarin wassen, genezen werden.

3. Rondom de fontein was een menigte mensen die op de komst van de Eén-Heilige wachtten, die aan de wateren van de fontein kracht zou verlenen.

4. Daar waren blinden, lammen, doven, stommen, bezetenen.

5. En Jezus staande temidden van hen, riep uit: Voorwaar, de fontein des levens. Deze wateren die falen worden vereerd als de bijzondere zegening van uw God.

6. Van waar komen genezende krachten werkelijk? Waarom is uw God zo partijdig in de verlening van zijn gaven? Waarom zegent hij vandaag de bron, en neemt morgen zijn zegeningen weer weg?

7. Een godheid met macht zou deze wateren iedere dag met genezende kracht kunnen vullen.

8. Luistert naar mij, gij zieken, troostelozen: De kracht van deze fontein is geen speciale gave van God.

9. Geloof is de genezende kracht van iedere druppel van al het water van deze bron.

10. Hij die met zijn gehele hart gelooft, dat hij door zich in dit water te wassen, genezen zal worden, zal na zijn wassing genezen worden; en hij mag zich te allen tijde wassen.

11. Laat een ieder die dit geloof in God en in zichzelf heeft zich in deze wateren onderdompelen en zich wassen.

12. En velen uit de menigte sprongen in de kristalheldere fontein; en zij waren genezen.

13. En toen werd het een geren, want alle mensen werden met geloof bezield en een ieder wilde de eerste zijn die zich waste, voor dat alle kracht geabsorbeerd zou zijn.

14. En Jezus zag een klein kind, zwak, uitgeput en hulpeloos, dat eenzaam tussen de deinende menigte zat; en er was niemand om haar naar de fontein te brengen.

15. En Jezus zeide: Wel kleintje, wat zit je hier te wachten? Waarom sta je niet op en haast je je niet naar de fontein en was jezelf, en wordt genezen?

16. Het kind antwoordde: Ik behoef mij niet te haasten; de zegeningen van mijn Vader in de hemel zijn niet in kleine kopjes uitgemeten; zij falen nooit; hun krachten zijn voor altijd dezelfde.

17. Wanneer al dezen, die een zwak geloof hebben en zich in haast wassen, uit vrees dat hun geloof tekort zou schieten, genezen zijn, zullen deze wateren ook voor mij nog evenveel macht hebben.

18. Dan kan ik gaan en een lange, lange tijd in de genezende wateren van de bron blijven.

19. En Jezus zeide: Voorwaar, een meester-ziel. Zij kwam op aarde om de mensen de macht van het geloof te leren.

20. En toen tilde hij het kind op en zeide: Waarom op iets wachten? Deze lucht die wij inademen is gevuld met de balsem van het leven. Adem deze balsem des levens vol geloof in en wees gezond.

21. Het kind ademde de balsem des levens in en was genezen.

22. Het volk verwonderde zich zeer over wat zij hoorden en zagen; zij zeiden: Deze man moet beslist de in het vlees gekomen God der gezondheid zijn.

23. En Jezus zeide: De fontein des levens is geen kleine poel; zij is even wijd als de ruimte in de hemelen.

24. De wateren van de fontein zijn liefde; hun vermogen is geloof, en hij die diep onderduikt in de levende wateren, in levend geloof, kan zijn schuld wegwassen en genezen worden, en bevrijd van zonde.

 

*  *  *

 

Vroeg in de morgen kwam Jezus weer om te onderwijzen en te genezen. Een onverklaarbaar licht straalde, alsof een machtige geest hem overschaduwde.

2. Een magiër merkte dit op en vroeg hem vertrouwelijk van waar zijn wijsheid kwam en wat de betekenis van dit licht was.

3. En Jezus zeide: Er is een stilte waarin de ziel haar God kan ontmoeten en daar is de bron van wijsheid, en allen die daar binnengaan worden in licht ondergedompeld, en worden vervuld met wijsheid, liefde en macht.

4. Vertel mij van deze stilte en dit licht, zei de magiër, opdat ik moge gaan en daar blijven.

5. En Jezus zeide: De stilte is niet te omschrijven; zij is geen plaats, door muren omsloten of door steile klippen, noch bewaakt door het zwaard van de mens.

6. De mensen dragen steeds de heilige plaats met zich mede, waar zij hun God kunnen ontmoeten.

7. Het doet er niet toe waar men verblijft, op de top van een berg, in het diepste dal, op handelsmarkten, of rustig thuis; zij kunnen direct, te allen tijde, de deur wijd opengooien en de stilte vinden, het huis van God; het is in de ziel.

8. Een mens mag niet zo door zakelijke drukte, en het spreken en denken van mensen gehinderd worden en als hij gans alleen door een diep dal of een nauwe bergpas gaat.

9. En wanneer de last des levens zwaar drukt, is het veel beter weg te gaan en een rustige plek te zoeken om te bidden en te mediteren.

10. De stilte is het koninkrijk van de ziel en kan niet door menselijke ogen worden gezien.

11. Het gebeurt wel, dat, verblijvende in de stilte, fantoom-vormen door het denken flitsen; maar zij zijn allen aan de wil ondergeschikt; de meesterziel spreekt en zij zijn verdwenen.

12. Wanneer gij deze stilte van de ziel zoudt willen vinden, dan moet gij zelf de weg daartoe bereiden. Alleen de reinen van hart kunnen hier binnengaan.

13. En gij moet alle spanningen van het denken terzijde leggen, alle zakelijke zorgen, alle vrees, alle twijfel en alle bekommerde gedachten.

14. Uw menselijke wil moet opgaan in de Goddelijke; dan zult ge komen tot bewustwording van heiligheid.

[...]

 

* * *

 

Onder de priesters van Jagannath was er een die van de joodse jongen hield. Lamaas Bramas was de naam waaronder de priester bekend was. Eens op een dag, toen Jezus en Lamaas samen op het plein van Jagannath wandelden, zeide Lamaas: Mijn joodse meester,

Wat is waarheid?

En Jezus zeide: Waarheid is het enige dat niet verandert. Er zijn in de ganse wereld twee dingen; de ene is waarheid; de andere is waan; en waarheid is dat wat IS, en waan is dat wat SCHIJNT te zijn.

Nu is waarheid IETS, en heeft geen oorzaak, en toch is zij de oorzaak van alles. Waan is niets, en toch is zij de manifestatie van iets. Alles wat ooit gemaakt is, zal ongedaan gemaakt worden; dat wat een begin heeft, moet eindigen. Alle dingen die door menselijke ogen gezien kunnen worden zijn manifestaties van iets, doch zijn niets, en moeten dus vergaan.

Alle dingen die wij zien zijn slechts weerkaatsingen, die op een moment verschijnen omdat de ethers zo en zo vibreren, en wanneer de omstandigheden veranderen, verdwijnen ze. De heilige adem is waarheid; is dat wat IS, dat wat was, en eeuwig zal zijn; deze kan niet veranderen noch voorbijgaan.

Lamaas zeide: Gij antwoordt juist; maar wat is de mens?

En Jezus zeide: De mens is een wonderlijke verstrengeling van waarheid en waan. De mens is de vleesgeworden ADEM; dus waarheid en waan zijn in hem verenigd; en dan worstelen zij, en 'niets' gaat onder en de mens als 'waarheid' blijft.

Wederom vroeg Lamaas: Wat zegt ge van macht?

En Jezus zeide: Het is een manifestatie, een uiting. Het resultaat van kracht; het is slechts 'niets'; macht is een illusie, anders niets. Kracht verandert niet, maar macht verandert zoals de ethers veranderen. Kracht is de wil van God en is almachtig, en macht is die wil in openbaring, gericht door de ADEM. Er is een macht in de winden, een macht in de golven, een macht in de blikseminslag, een macht in de menselijke arm, een macht in het oog. De ethers zijn de veroorzakers van deze machten, en het denken van Elohim  of  engel,  mens,  of  ander denkend wezen, zijn de krachten die hieraan de richting geven; wanneer het werk is verricht, is de macht verdwenen.

Wederom vroeg Lamaas: Wat kunt ge zeggen over begrip of verstand?

En Jezus zeide: Dit is de rots waarop de mens zichzelf opbouwt; het is de gnosis van het 'iets' en van het 'niets', van waan en van waarheid. Het is de kennis van het lager zelf; de gewaarwording van de machten van de mens zelf.

Lamaas vroeg weder: Wat kunt ge me zeggen over wijsheid?

En Jezus zeide: Het is het bewustzijn dat de mens 'iets' is; dat God en Mens één zijn; Dat niets is niets; dat macht slechts een waan is; dat hemel en aarde en hel niet boven, rondom ons, beneden ons zijn, maar in ons; die in het licht van iets niets worden, en God alles is.

Lamaas vroeg: Wees zo goed en zeg mij wat geloof is?

En Jezus zeide: Geloof is de waarborg van het bestaan van de almacht van God en mens; de zekerheid dat de mens het goddelijke leven zal bereiken. Redding, zaligmaking, is een ladder die vanuit het hart van de mens tot het hart Gods reikt. Deze ladder heeft drie sporten; geloof is de eerste, en dat wat een mens denkt, is misschien waarheid. En vertrouwen is de volgende en dit is waarvan men weet dat het waarheid is. De verwezenlijking is het laatste, en dat is de Mens zelf; de waarheid. Geloof gaat op in vertrouwen en beide gaan op in verwezenlijking; en de mens is gered wanneer hij het goddelijk leven heeft bereikt; wanneer hij en God een zijn.

 

 

 

Over de verborgen schat

 

Jezus onderwijst het gewone volk bij de bron. Vertelt hun hoe zij tot geluk kunnen komen. Verhaalt de gelijkenis van het rotsige veld en de verborgen schat.

 

Jezus zat in stille meditatie verzonken bij een stromende bron. Het was een heilige dag en veel mensen van de dienstbare kaste waren dicht bij. En Jezus zag de scherp getrokken rimpels van arbeid op elk voorhoofd en in elke hand. In geen enkel gelaat was enig teken van vreugde. Geen enkele uit de gehele groep kon aan iets anders denken dan aan zwoegen. En Jezus sprak tot een van hen en zeide: Waarom zijt gij zo droef? Hebt gij geen geluk in uw leven? De man antwoordde: Wij kennen nauwelijks de betekenis van dat woord. Wij zwoegen om te leven en hopen op niets anders dan op zwoegen, en zegenen de dag dat wij het zwoegen kunnen staken en ons nederleggen in de dodenstad van Buddha. En het hart van Jezus werd met medelijden en liefde voor deze arme zwoegers vervuld, en hij zeide: Arbeid mag niemand droef maken; de mensen zouden in arbeid het gelukkigste moeten zijn. Wanneer hoop en liefde de achtergrond zijn van arbeid, dan is het gehele leven van vreugde en vrede vervuld, en dat is de hemel. Weet ge niet dat er ook voor u zulk een hemel is? De man antwoordde: Van de hemel hebben wij gehoord; maar die is zo ver weg en wij moeten nog zoveel levens doorleven vóór wij die plaats bereiken. En Jezus zeide: Mens, mijn broeder, gij denkt verkeerd; uw hemel is niet ver weg; en hij is geen uitgemeten en begrensde plek, het is geen land dat ge bereiken moet; het is een staat van bewustzijn. God schiep nooit een hemel voor de mens; hij schiep nooit een hel; wij zelf zijn de scheppers en wij maken onze eigen hemel en onze eigen hel. Nu moet u ophouden om de hemel in de lucht te zoeken; open alleen de vensters van uw harten en als een stroom van licht zal de hemel komen en een oneindige vreugde in u brengen; dan zal arbeid niet zulk een moeilijke taak voor u zijn. Het volk was verbaasd en kwam dichterbij om deze vreemde jonge meester te horen spreken. En zij smeekten hem om hun meer over die Vader-God te vertellen; over de hemel die door de mensen op aarde gemaakt kan worden; over die oneindige vreugde. En Jezus vertelde een gelijkenis; hij zeide: Een zeker iemand bezat een veld; de bodem was hard en arm. Met constante zware arbeid leverde het veld nauwelijks genoeg voedsel om zijn gezin voor honger te bewaren. Op een dag kwam een mijnwerker die onder de oppervlakte van de bodem zien kon, voorbij en zag deze arme man en zijn onvruchtbare veld. Hij riep de vermoeide zwoeger en zeide: Mijn broeder, weet ge niet, dat vlak onder de oppervlakte van uw dorre veld, rijke schatten verborgen liggen? Gij ploegt en zaait en haalt slechts een schrale oogst binnen, en dag aan dag gaat ge over een mijn van goud en kostbare gesteenten. Deze schat ligt niet aan de oppervlakte van de grond; maar indien ge slechts die rotsige bodem zult weggraven en diep in de aarde gaat delven, zult ge niet langer de grond voor niets moeten bewerken. De man geloofde. Die mijnwerker kon het weten, zeide hij en ik wil die schatten die in mijn veld verborgen liggen, vinden. En toen groef hij de rotsgrond weg, en heel diep onder in de aarde vond hij een goudmijn. En Jezus zeide: De mensenkinderen zwoegen hard op verlaten vlakten, en brandend hete zanderige en rotsige gronden; zij doen wat hun vaders deden, niet dromende dat zij ook wel iets anders konden doen. Maar ziet, nu komt een meester en vertelt hun van een verborgen schat; vertelt hun dat onder de rotsige bodem van stoffelijke dingen onnoemlijke schatten verborgen liggen; Dat in het hart de schoonste juwelen in overvloed aanwezig zijn; dat hij die wil, de deur kan openen en ze kan vinden. En toen zeide het volk: Maak ons de weg bekend opdat wij de weelde die in ons hart verborgen ligt, mogen vinden. En Jezus opende de weg; de zwoegers zagen een andere zijde van het leven, en arbeid werd vreugde voor hen.

 

 

Over snoei en oogst

 

Er was eens een geheel verwaarloosde wijngaard; wijnstokken waren hoog, de groei van bladeren en takken groot. De bladeren waren breed en sloten de wijnstokken voor het zonlicht af; de druiven waren zuur en weinig en klein. De snoeier kwam; met zijn scherp mes sneed hij alle takken weg en geen blad bleef er over; alleen wortel en stok en niets meer. De bezige buren kwamen eenparig kijken en waren verbaasd en zeiden tot hem die snoeide: Gij dwaas, de wijngaard is geplunderd. Wat troosteloos. Daar is nu niets moois overgebleven, en als straks de oogsttijd komt, zullen de oogsters geen vruchten vinden. De snoeier zeide: Denk maar wat u wilt; kom met de oogsttijd terug en kijk dan. En toen de oogsttijd begon en de bezige buren kwamen terug; zij waren verwonderd. De naaktste staken hadden tak en blad gekregen en zware trossen heerlijke druiven bogen iedere tak ter aarde. De oogsters verheugden zich, elke dag droegen zij de rijke voorraad vruchten naar de pers.Ziet nu, de wijngaard van God, menselijke wijnstokken staan verspreid over de aarde. De prachtige vormen en riten van de mensen zijn de takken en hun woorden zijn de bladeren; en deze zijn zo groot geworden dat het zonlicht het hart niet meer kan bereiken; er zijn geen vruchten. Maar, de snoeier komt en met een extra scherp mes snijdt hij de takken en de bladeren van woorden weg. En niets blijft er over dan de naakte stokken van menselijk leven. De priesters en allen die van hoogdravend vertoon houden, geven de snoeier verwijten en zouden hem de arbeid willen beletten. Zij zien geen schoonheid in de staken van menselijk leven; geen beloften van vruchten. De oogsttijd zal komen en zij die de snoeier bespotten zullen weer komen kijken en verwonderd staan, want zij zullen zien, dat de menselijke staken, die zo levenloos schenen, zwaar hangen van kostbare vruchten. En zij zullen horen hoe de oogsters zich verheugen, omdat de oogst zo overdadig is. De priesters waren niet zo tevreden over de woorden van Jezus, maar zij maakten hem geen verwijten; zij vreesden de menigte.

 

 

 

Over goed en kwaad

 

En Jezus tussen alle mensen in staande, zeide: Mijn broeders, zusters, kinderen van onze Vader-God: Het meest gezegend zijt gij onder de mensenkinderen van heden, omdat gij zulke juiste opvattingen hebt van de Eén-Heilige en de mens. Uw zuiverheid in eredienst en in leven is aangenaam voor God; en voor uw meester, Zarathustra, is lof verplicht. Het is juist wanneer gij allen zegt: Daar is één God uit wiens grote wezen zeven geesten voortkwamen die de hemelen en de aarde schiepen; en voor de mensenkinderen openbaren deze grote geesten zich in de zon, en maan en sterren. Maar in uw heilige boeken lezen wij dat twee van deze zeven over buitengewoon grote kracht beschikten; dat een van deze al het goede schiep; dat de andere alles wat kwaad is, schiep. Ik bid u, geëerde meesters, zeg mij, hoe het mogelijk is, dat kwaad geboren wordt uit dat wat alleen goed is? Een magiër stond op en zeide: Als gij mij antwoorden wil, zal uw probleem opgelost zijn. Wij allen erkennen het feit dat kwaad er is. Wat er ook is, moet een oorzaak hebben. Als God, de ene niet dit kwaad gemaakt heeft, waar is dan de God die dat deed? En Jezus zeide: Wat ook God, de ene, heeft gemaakt is goed, en even als de grote eerste oorzaak zijn alle zeven geesten goed en alles wat uit hun scheppende handen komt is goed. Nu hebben alle geschapen dingen ieder hun eigen kleur, klank en vorm; maar sommige klanken, hoewel goed en zuiver op zichzelf, veroorzaken disharmoniën, wanluidende klanken, wanneer zij vermengd worden. En sommige dingen, hoewel goed en zuiver van zichzelf, veroorzaken, wanneer zij vermengd worden, disharmonische dingen, ja, worden vergiftig en dat noemen de mensen kwade dingen. Dus is kwaad de disharmonische vermenging van kleuren, klanken, of vormen van goed. Nu is de mens niet alwetend, niet in alles wijs, en heeft toch een eigen wil. Hij heeft de macht en hij gebruikt die om Gods goede dingen op allerlei manieren te vermengen, en iedere dag veroorzaakt hij disharmonische geluiden, en kwade dingen. En iedere klank en vorm, hetzij goed of kwaad, wordt een levend iets, een demon, een fee of kabouter of geest van een goede of verdorven aard. De mens maakt dus zijn duivel; en wordt dan bang en vlucht; zijn duivel is stoutmoedig, brutaal, en vervolgt hem overal en werpt hem in folterende vuren. De duivel en de brandende vuren zijn beide het werk van de mens, en niemand kan de vuren uitdoven en de kwaaddoener verdrijven, dan de mens, die ze beide heeft gemaakt. Toen ging Jezus terzijde staan en niet één magiër antwoordde hem. En hij ging weg uit de menigte en naar een afgelegen plaats om te bidden.

 

 

De drie verzoekingen

 

En hij ging naar de woestijn om alleen met God te zijn opdat hij de kracht en de deugdzaamheid van zijn meest innerlijke wezen zou leren kennen. En hij overlegde in zichzelf en zeide: Mijn lager zelf is sterk; ik ben door vele banden aan het zinnelijke leven gebonden. Heb ik de kracht die bindingen te boven te komen en mijn leven als een willig offer voor de mensheid te geven? Als ik, van aangezicht tot aangezicht voor de mensen zal staan en zij mij een bewijs zullen vragen van mijn messiasschap, wat kan ik dan zeggen? En toen kwam de verzoeker en zeide: Als gij de zoon van God zijt, gebiedt dan deze stenen, dat zij brood worden. En Jezus zeide: Wie is het die een bewijs vraagt? Het doen van een wonder is geen teken, dat iemand een zoon van God is; duivels kunnen machtige dingen doen. Deden de zwarte magiërs geen grote dingen voor de pharao's? In mijn gehele levenswandel zullen mijn woorden en daden het bewijs leveren van mijn messias-schap. En toen zeide de verzoeker: Als ge naar Jeruzalem wilt gaan en ge zult u vanaf de tinne van de tempel op de grond laten vallen, zal het volk geloven, dat ge de van God gezonden messias zijt. Ge kunt dit gerust doen; want zegt David niet: Hij zal voor u zijn engelen opdracht geven en zij zullen u op hun handen dragen, opdat ge niet zult vallen? En Jezus zeide: Ik mag de Heer, mijn God, niet verzoeken. Toen zeide de verzoeker: Kijk eens rond over de wereld; aanschouw zijn eerbewijzen en zijn roem; zijn genoegens en zijn weelde. Indien gij hiervoor uw leven wilt geven, zal dit alles het uwe zijn. Maar Jezus zeide: Weg met al deze verleidelijke gedachten. Mijn hart is vastbesloten; ik veracht dit zinnelijke zelf met al zijn ijdele eerzucht en zijn trots. Gedurende veertig dagen worstelde Jezus met zijn innerlijke zelf; zijn hoger zelf overwon. Toen was hij hongerig, maar zijn vrienden hadden hem gevonden en verzorgden hem. Toen verliet Jezus de woestijn en volledig bewust van de heilige adem, kwam hij in het kampement van Johannes en leerde.

 

 

 

Christus toespraak, het Koninkrijk

 

IN DE MORGEN KWAM JEZUS wederom en stond met Johannes bij de Jordaan; en Johannes verzocht hem dringend om te spreken en naar voren tredend, zeide hij: Gij mannen van Israël, hoort. Het koninkrijk is nabij. Voorwaar, de grote sleutelbewaarder van de eeuw staat in uw midden; en hij is gekomen met de geest van Elia. Voorwaar, hij heeft de sleutel omgedraaid; de machtige deuren vliegen wijd open en allen die willen mogen de koning begroeten. Voorwaar, deze menigte van vrouwen, kinderen, mannen, zij verdringen elkaar op de straten, zij vullen de buitenste pleinen, een ieder schijnt van plan te zijn als eerste de koning te ontmoeten. Zie, de censor komt en roept: Wie wil, mag komen; maar hij die komt moet bereid zijn zichzelf te reinigen van elke kwade gedachte; Moet elk verlangen tot bevrediging van het lager zelf overwinnen; moet zijn leven geven om de verlorenen te redden. Hoe meer gij de poort van het koninkrijk nadert, hoe meer ruimte; de massa is verdwenen. Wanneer de mensen het koninkrijk zouden kunnen binnenkomen met hun vleselijke denken, met hun begeerten en verlangens, zou er nauwelijks voor allen ruimte zijn. Maar wanneer zij deze niet door de nauwe poort mede kunnen nemen gaan zij weg; weinigen zijn bereid binnen te gaan en de koning te ontmoeten. Voorwaar, Johannes is een machtige visser, een visser van mensenzielen. Hij werpt het grote net uit in de zee van het menselijk leven; hij haalt het in en het is vol. Maar wat een mengelmoes heeft hij gevangen: krabben, kreeften en kruipende dieren, met nu en dan een vis van betere kwaliteit. Ziet, duizenden komen om de wilde man van de heuvelen te horen, zij komen in drommen opdat hij ze zal wassen in de heldere stroom en met hun lippen belijden zij hun zonden. Maar wanneer de morgen komt, vinden wij ze weer in hun oorden van ondeugd, Johannes beschimpende en God vervloekende en de koning met beledigingen overladende. Maar zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen de koning zien. En zalig zijn de sterken van hart want deze zullen niet door elke windstoot uit de koers raken. Maar terwijl de wispelturigen en de onnadenkenden naar Egypteland terug gegaan zijn op zoek naar stoffelijke kruiden om hun eetlust te bevredigen, hebben de reinen van hart de koning gevonden. Maar zelfs zij, wier geloof zwak is en die niets meer dan stoffelijke manifestaties zijn, zullen eens wederkeren en met vreugde ingaan om de koning te zien. O, mannen van Israël, neem goed in acht wat deze profeet heeft te zeggen. Wees sterk van geest; wees rein van hart; wees ijverig in hulpvaardigheid; het koninkrijk is nabij. Toen Jezus aldus gesproken had, ging hij zijns weegs en kwam met zijn zes discipelen te Bethanië, en verbleef aldaar vele dagen bij Lazarus.

 

 

ß Terug

 

 

 

HOME