OVER
DE
PENITENTIE,
Dat is,
Een korte aanwijzing
over de Sleutel tot Begrip
van de Goddelijke
Verborgenheid, of op hoedanige wijze de
mens in zichzelf tot de
Goddelijke beschouwing kan geraken.
Opgesteld door
JACOB BÖHME van Alt Seidenburg,
Teutonicus
Philosophus genaamd
~~~~~~
De H.
Paulus zegt:
Alles wat gij doet, doe dat in de naam des Heren,
en dank God en de Vader
in Christus Jesus.
Liefhebbende
lezer,wilt u dit boekje juist gebruiken, en het u ernst laten zijn, dan zult gij het nut ervan wel ondervinden. Maar ik wil u nogmaals
gewaarschuwd hebben; is het u geen ernst, laat dan de
Hoogwaardige naam Gods (waarmee de hoogste Heiligheid genoemd, bewogen en
machtig begeerd werd) staan, opdat Zij niet de toorn Gods in uw ziel ontsteekt.
Want men moet de Heilige Naam Gods niet misbruiken. Dit boekje behoort alleen
degenen die graag boete willen doen en in begeerte tot het Beginsel zijn. Zij
zullen wederzijds ondervinden wat daar voor woorden in zijn en waaruit deze
geboren zijn.
Een korte
aanwijzing, over de Sleutel tot Begrip,
van de Goddelijke
VERBORGENHEDEN.
over de
PENITENTIE,
Degene
die in zichzelf tot Goddelijke beschouwing wil komen,
en in Christus met God
spreken wil, die volge deze weg; zo
komt hij
daartoe.
I.
Hij moet al zijn verlangens en gedachten, en
ook alle inbeelding, tezamen nemen in één enkel voornemen
om zichzelf in een helder beeld te vatten, zichzelf te betrachten en overwegen;
wat is hij? Hij vat zichzelve in het
beeld waarin de Schrift hem Gods Beeld, en een Tempel des Heilige Geestes noemt
welk in hem woont, en hem Christus’ lidmaat noemt, en hem tot spijs en drank
het vlees en bloed van Christus aanbiedt.
2. Zo moet hij zich in zijn eigen leven
bezien, of hij deze grote genade ook waardig is, en deze hoge Titel van
Christus aannemelijk, en hij moet beginnen zijn hele leven te betrachten en
overwegen, wat hij gedaan heeft, en hoe hij die gehele tijd heeft doorgebracht.
Hij moet bezien of hij zich ook in Christus bevindt. Of hij ook in het
Goddelijk Willen staat. Of waar hij anders toe genegen is.
Of er zich enige wil in hem bevindt die hartelijk naar God verlangt, en graag
Zalig wil zijn.
3. En
wanneer hij nu een diep verborgen wil in zich vindt, die zich graag tot Gods
Genade wil keren, als hij ’t maar kon, dat hij dan
weet, dat deze wil het ingelijfde, en in het Paradijs (na de bedreven zonde)
ingesproken Woord Gods is. Dat de God J
E H O V A (namelijk
de Vader) hem dan nog aantrekt tot Christus. Want in onze eigenheid hebben wij geen wil meer tot gehoorzaamheid.
4. Maar deze aantrekking van de Vader
(zijnde de ingelijfde ingesproken Genade) trekt aan alle mensen, ook de meest goddelozen, wanneer deze niet geheel een distel is
en de aantrekking een ogenblik stil zal staan door zijn valse werking.
5. Zo hoeft er bij geen mens rede te bestaan
om te twijfelen over Gods Genade, als er zich maar enige begeerte in hem
bevindt om zich te eniger tijd te bekeren.
6. Hij zou geen ogenblik meer moeten
wachten, want zoals geschreven staat; Heden, wanneer gij
des Heren Stemme hoort, verstokt uw oren en harten niet.
7. Want de begeerte tot de bekering, is de
Stem Gods in de mens, welk de duivel met zijn beelden, die hij in ons voert,
bedekt en ophoudt, opdat het van een dag een jaar wordt, om het dan weer verder
uit te stellen, tot de ziel uiteindelijk tot een distel wordt, en de Genade
niet meer kan bereiken.
8. De zelfde mens zal, alleen in zijn
Hemelse Betrachtingen, zijn ganse loop des levens aanzien, en deze naast de
Tien Geboden Gods en naast de Liefde van het Evangelie stellen, welk hem gebied
zijn naasten te beminnen als hemzelf, en hij zal zien dat
hij alleen in de Liefde van Christus een Kind der Genade is. Hij beziet hoever
hij daarvan is afgeweken, en wat zijn dagelijkse oefening en begeerte is. Dan
zal de aantrekking van de Vader hem in Gods Gerechtigheid invoeren en hem
wijzen op de ingeprente beelden in zijn hart, welk hij boven God bemint en voor
zijn beste schat houdt.
9. Deze beelden zijn, ten eerste,
hovaardigheid, zichzelf te beminnen en door anderen geëerd te willen worden.
Het is een beeld tot macht en geweld, om in eer boven anderen te willen
uitstijgen. Ten tweede is daar het beeld van het zwijn, namelijk de gierigheid,
welk alles wil hebben, en al had het de wereld en de Hemel, zo zou het ook nog
over de hel willen heersen. Het is ‘t beeld welk meer
begeert dan voor het tijdelijk leven noodzakelijk is, en geen geloof van God in
zich heeft. Het is een vuil zwijn, welk begeert alles in zich op te slokken.
Ten derde is er in hem het beeld van de afgunst, welk een ander in het hart
steekt, en niets gunt, wanneer deze meer geld,
tijdelijk goed, en eer geniet. Ten vierde is er de toorn,
waar de afgunst zich in verheft. Het is als een vergif, en zal om kleinigheden
verstoten, slaan, vertoornen en hiervoor rechtvaardiging zoeken. Ten vijfde
zullen er in hem een menigte, ja vele honderden Aardse Dieren zijn die hij
bemint, want alles wat in de wereld is bemint hij, en
heeft hij in de plaats van Christus gezet, en eert hij meer dan God.
Wanneer hij maar zijn eigen woorden zou
aanzien; Hoe zijn mond anderen heimelijk schendt, veroordeelt zonder enig
fundament, achter-klapt {kwaadspreken}, hoe hij zich menigmaal verheugt over
het ongeluk zijner naasten, en hoe dit alles tezamen
de klauwen en nagels van de duivel vormt, het beeld van de slang welk hij in
zich draagt.
10. Dat hij aldaar
zichzelf tegenover Gods Woord en de Wet van het Evangelie beziet, en zo zal
zien dat hij meer dier en duivel is dan een waar Mens. En dat hij duidelijk zal
zien hoe deze ingebeelde en aan-geërfde aardse dieren hem ophouden, en afvoeren
van het Rijk Gods. Dat, wanneer hij graag boete wil doen en zich tot God wil
wenden, deze klauwen des duivels hem daarvan weerhouden, en deze monsters door
de arme ziel als Heiligheid laat inbeelden, opdat zij de lust van deze monsters
wederom ingaat, en in de toorn Gods blijft zitten, en
uiteindelijk in de Afgrond treedt wanneer hij de Genade en de aantrekking des
Vaders uitblust.
11. Hij toont deze dieren zijn eigen weg
zogauw hij ze gewaar wordt, opdat hij van stonden aan, op hetzelfde ogenblik,
zich in de Ziel voorneemt en zich terstonds in een wil invoert, dat hij van het
dierlijke willen begeert uit te gaan, en begeert zich door Ware bekering tot
God te wenden. En ofschoon hij zulks niet in eigen
kracht vermag, noch kan doen, zo zal
hij dan de Belofte van Christus in zich nemen, daar Christus sprak; Zoekt en
gij zult vinden; Klopt aan, en u wordt opengedaan; geen zoon die den Vader om
brood bidt, en een steen daarvoor krijgt; of om een ei, en een schorpioen
krijgt; Hebt gij, die slecht zijt, uw kinderen goede gaven gegeven? Hoe veel te
meer zal mijn Vader in de Hemel de Heilige Geest geven aan degenen die Hem
daarom bidden?
12. Dat hij zich deze Belofte in het hart
inbeeldt; want hij zelf is de duivel, hij zelf is de aangeërfde ingeprente
dieren, hij zelf is een vergif, en doods. En hij zal van stonden aan met deze
ingebeelde woorden der Belofte, met zijn gebed, voor God komen, en zien dat hij
zich tevoren alle gruwelijke dieren inbeeldde welk hij zelf is. Hij zal zich
bedenken dat hij niets anders dan een vuile Zwijnen-hoeder is, die al zijn
Vaders Goed en zijn Kinderlijke Gerechtigheid met de zwijnen des werelds, met
de boze dieren heeft doorgebracht. Dat hij nu voor het aangezicht
van God staat als een ellendige, naakte, verscheurde zwijn-herder die zijn
Vaders Erfgoed met de dierlijke beelden des werelds verhoereerd en verspild
heeft, en geen gerechtigheid meer heeft tot de Genade Gods, dat hij zelf ook
niet waardig is om een Christen of Kind Gods genoemd te worden, en dat hij ook
alle goede werken die hij ooit gedaan heeft zal zien voor wat ze zijn, want ze
zijn maar gedaan uit een schijnheiligheid van Godzaligheid, opdat de
mens-duivel een Engel genoemd zou worden. Want de Schrift zegt; zonder Geloof
is het onmogelijk God te behagen.
13. Echter, hij moet aan de Goddelijke
Genade niet twijfelen, alleen aan zich zelf, aan zijn eigen kunnen en vermogen,
en zich in zijn ziel buigen voor God, uit alle kracht. En al is het dat zijn
hart louter nee zegt, of; wacht nog, het is geen goed moment, of; uw zonden
zijn te groot, het kan niet zijn dat ge tot de Genade
Gods komt, en al wordt hij in zichzelf benauwd, dat hij tot God niet bidden
kan, noch troost noch kracht in zijn hart kan ontvangen, alsof zijn ziel geheel
blind en dood was voor God, toch moet hij standvastig zijn, en de Beloften Gods
voor zekere en onfeilbare Waarheid houden, en met neergeslagen hart tot de
Genade Gods zuchten, en in zijn grote onwaardigheid zich in Hem begeven.
14. En als hij zichzelf onwaardig acht (als
zijnde een vreemdeling, aan wie de erfenis van Christus niet meer toebehoort,
en waarover hij zijn recht heeft verloren), evenwel
moet hij zich dan vast inbeelden wat Christus zei; dat Hij gekomen was om te
zoeken en Zalig te maken wat verloren is, namelijk de arme, aan God dode en
blinde zondaar. Dat hij zich deze belofte inbeeldt, en zichzelf een streng
voornemen maakt, dat hij de beloofde Genade Gods in Christus niet zal uitgaan,
al zouden zijn ziel en lichaam verbreken, en al zou hij alle dagen van zijn
leven geen troost in zijn hart tot vergeving verkrijgen. Evenwel
is de Belofte Gods zekerder dan alle troost die hem zou mogen toekomen.
15. Ook moet hij zich voornemen, en zijn wil
zo vast in zijn voornemen sluiten, dat hij niet meer begeert de oude dierlijke
beelden en boosheid in te gaan, al zouden al zijn zwijnen en dieren om hun
herder treuren, en al zou hij daarom een dwaas voor de ganse wereld zijn, dat
hij toch bestendig in zijn voornemen blijft, en aan Gods genadige Belofte wil
blijven. Is hij dan nog een kind des doods; dat hij dan in de Belofte van
Christus, in Christus’ dood begeert te zijn. Dat hij zijn voornemen stelt in
gedurig bidden en zuchten tot God, en al wat hij aanvangt en doet in het werk
zijner handen aan Hem overgeeft, en vrij blijft van de inbeelding der
gierigheid, afgunst en hovaardigheid. Hij behoeft maar deze drie dieren over te
geven, zo zullen de andere ook zeer snel beginnen zwak
en ziek te worden, en het sterven naderen. Want Christus zal terstonds in Zijn
beloofde Woord (welk hij zich heeft ingebeeld, en waar hij zich in verbergt)
een gestalte ten Leven verkrijgen, en zal aanvangen in hem te werken, daarin
zal zijn gebed krachtiger worden, en hij zal steeds meer in de Geest der Genade
versterkt worden.
16. Gelijk het zaad in ’s moeders lichaam
een kind verwekt, en onder veel aanstotingen der natuur en uitwendige toevallen
zal groeien, totdat het kind in moeders lichaam zijn leven verkrijgt, zo gaat
het hier ook toe. Hoe meer de mens uit zich zelf, uit de beelden uitgaat, hoe
meer hij in God ingaat, tot de tijd dat Christus, de ingelijfde Genade, Levend
wordt, wat in de grote ernst van het voornemen geschiedt. Dan volgt terstonds
de verhuwelijking met de Jonkvrouw Sophia,
waar de twee Geliefden elkander in vreugde ontvangen,
en met zeer grote inwendige begeerte, in de allerzoetste Liefde Gods, tot
elkander indringen. In korte tijd wordt de Hoog-tijd des Lams bereid, waar
Jonkvrouw Sophia (de Mensheid van
Christus) met de ziel verhuwelijkt wordt.
En wat aldaar
geschied, wat voor vreugde daar heerst, wijst Christus aan met de grote vreugde
over de bekeerde zondaar, welk gevierd wordt in de Hemel in de Mens, voor de
ogen Gods en alle Heilige Engelen; meer dan negenennegentig Rechtvaardigen, die
de bekering niet van node hebben.
17. Om te beschrijven of uit te spreken wat
de zoete Genade Gods is in de Mensheid van Christus, en hoe het iemand vergaat
wanneer hij waardig is te komen tot de Hoog-tijd des Lams, hetgeen
wij in onze weg zelf ondervonden hebben, daar hebben wij geen pen noch woorden
voor. Wij weten dat wij voor ons schrijven een ware grond hebben, welk wij, aan
onze broeders, in de Liefde van Christus van harte graag willen mededelen. Bij wie het mogelijk was dat zij onze trouwe
kinderlijke raad wilden geloven, zij zouden het in henzelf ondervinden, hoe
deze eenvoudige hand deze grote Verborgenheid begrijpt en weet.
18. Nadat wij tevoren een gans uitvoerig Tractaat over de Bekering en Nieuwe Wedergeboorte
hebben geschreven, zo laten wij het hier alleen maar bij een aanwijzing, en
verwijzen de lezer naar dat Tractaat, alsmede naar het grote werk, namelijk de
Uitleg over Genesis, alwaar hij de
grond van alles wat hij zou willen vragen, genoegzaam uitvoerig vinden zal. En we vermanen hem Christelijk, ons in deze Weg na te volgen, zo
zal hij, in zichzelf tot de Goddelijke Beschouwing komen, en horen wat de Heer
door Christus in hem spreekt, en we bevelen hem de Liefde van Jesus Christus.
gegeven de 9e Febr. Anno 1623:
Einde