De Navolging van
Christus
Thomas à Kempis
Boek 1: Vermaningen
dienstig tot het geestelijk leven
Boek 2:
Opwekkingen tot het inwendig leven
Boek 3: Over de inwendige troost
Boek 4: Over het Allerh. Sacrament des Altaars
Inhoud
1. Over de navolging van Christus en de
versmading van alle ijdelheden der wereld
2. Over de
ootmoedige zelfachting
4. Over de
voorzichtigheid in het handelen
5. Over het
lezen der Heilige Schriftuur
6. Over de
ongeregelde begeerten
7. Over het
vluchten der ijdele hoop en der verwaandheid
8. Over het
vermijden van al te grote gemeenzaamheid
9. Over
gehoorzaamheid en onderwerping
10. Over het
vluchten van overtollige woorden
11. Over het verwerven van de vrede, en de ijver
om vooruitgang te doen
12. Hoe voordelig de tegenspoed is
13. Over het
weerstaan aan de bekoringen
14. Over het
vermijden van lichtvaardig oordeel
15. Over de werken
uit liefde verricht
16. Over het
verdragen van elkanders gebreken
18. Over de
voorbeelden der Heilige Vaders
19. Over de
oefening van een goed kloosterling
20. Over de
genegenheid tot eenzaamheid en stilzwijgen
21. Over de
rouwmoedigheid des harten
22. Over de
beschouwing van ‘s mensen ellende
23. Over het
overwegen van de dood
24. Over het
oordeel en de zondestraffen
25. Over de
ijverige verbetering van ons leven
Over de navolging van Christus en de versmading van alle
ijdelheden der wereld
1.
Wie Mij volgt, zegt de Heer, wandelt niet in de duisternis (1). Dit zijn
woorden van Jezus Christus, waardoor Hij ons aanspoort, Hem in zijn leven en
deugden na te volgen, indien wij waarlijk verlicht willen zijn, en verlost van
alle blindheid des harten. Dat dus onze voornaamste zorg zij, het leven van
Jezus Christus te overwegen.
2. De
leer van Christus gaat alle leringen van Heiligen te boven; en wie zijn geest bezat, zou daarin het
verborgen manna vinden. Maar het gebeurt dat velen, die het Evangelie dikwijls
horen, weinig zielsverlangen ondervinden omdat zij de geest van Christus niet
bezitten. Wilt gij de woorden van Christus ten volle verstaan en er smaak in
vinden, dan moet gij geheel uw leven aan het zijne trachten gelijkvormig te
maken.
3.
Wat zal het u baten dat gij over de Drievuldigheid diepzinnig kunt
redetwisten, indien u de ootmoedigheid ontbreekt, en gij aldus aan de
Drievuldigheid mishaagt? Voorwaar, diepzinnige woorden maken de mens niet heilig
en rechtvaardig; maar een deugdzaam
leven maakt hem aan God behaaglijk. Ik heb liever vermorzeling van het hart te
gevoelen, dan er de bepaling van de kennen. Al kent gij geheel de Schriftuur
van buiten, en al kent gij de spreuken der wijsgeren, wat zou u dit alles baten,
zonder de liefde van God en zijn genade? IJdelheid der ijdelheden, en alles is
ijdelheid (2), behalve God te beminnen, en Hem alleen te dienen. Door de
verachting der wereld naar het rijk der hemelen streven, daarin bestaat de
verhevenste wijsheid.
4.
Het is dus ijdelheid, vergankelijke rijkdommen te zoeken, en zijn hoop
daarin te stellen. Het is ook ijdelheid, ereambten na te jagen, en tot een hoge
staat zich te verheffen, Het is ijdelheid, de lusten van het vlees in te
volgen, en dit te verlangen, waarvoor men naderhand streng zal moeten gestraft
worden. Het is ijdelheid een lang leven te wensen, en weinig bezorgd te zijn om
wèl te leven. Het is ijdelheid, slechts te denken op het tegenwoordig leven, en
niet te voorzien wat nog volgen moet. Het is ijdelheid, te beminnen, wat zo
haastig voorbijgaat, en niet daarheen te snellen waar een eeuwige blijdschap
woont.
5.
Maak u dikwijls deze spreuk indachtig:
Het oog wordt niet verzadigd van wat het ziet, en het oor niet bevredigd
van wat het hoort (3). Arbeid dan om uw hart los te rukken van de liefde der
zichtbare dingen, en u tot de onzichtbare te keren; want die hun zinnelijkheid volgen, besmetten
hun geweten, en verliezen de genade van God.
1)
Joann. 8: 12
2)
Eccl. 1: 2
3)
Eccl. 1: 8
Over de ootmoedige zelfachting
1.
Elk mens is van nature begerig naar kennis, doch waartoe dient de
wetenschap zonder de vrees Gods? Waarlijk een nederig landman, die God dient,
is beter dan de trotse wijsgeer, die zichzelf verwaarloost, en de loop der
sterren nagaat. Wie wèl zichzelf kent, wordt gering in zijn eigen ogen, en
verheugt zich niet over de lof der mensen. Al wist ik alles wat in de wereld
is, en ik de liefde niet bezat, wat zou het mij baten voor God, die mij volgens
mijn werken zal oordelen?
2.
Laat af van overmatige zucht naar wetenschap: want daarin wordt grote verstrooiing en veel
bedrog gevonden. Die iets weten, willen gaarne de aandacht trekken en de naam
van wijzen dragen. Daar zijn vele dingen, welker kennis aan de ziel weinig of
geen voordeel bijbrengt. En hij is zeer dwaas, die zich met iets anders
bekommert, dan met wat hem ter zaligheid dienstig is. Vele woorden verzadigen
de ziel niet: maar een goed leven
verfrist de geest, en een zuiver geweten geeft een groot betrouwen op God.
3.
Hoe meer gij weet en hoe beter, zo veel te strenger zult gij geoordeeld
worden, tenzij gij heiliger leeft. Wil u dus niet verheffen op enige kunst of
wetenschap, maar vrees eerder om de kennis, die u gegeven is. Dunkt het u dat
gij te veel weet en tamelijk wel verstaat, wees evenwel verzekerd dat er nog
veel meer is, wat gij niet weet. Heb geen hoge dunk over uzelf (1); maar erken liever uw onwetendheid. Wat wilt
gij u boven een ander stellen, aangezien er velen gevonden worden, die
geleerder zijn dan gij, en beter in de wet onderwezen? Indien gij iets met nut
wilt weten en leren, wees dan gaarne onbekend, en voor niets geacht.
4.
Deze is de verhevenste en nuttigste wetenschap: zich wèl kennen en klein achten. Van zichzelf
niet houden, en van de anderen altijd een goede en een hoge dunk hebben, dat is
grote wijsheid en hoge volmaaktheid. Ware het dat gij een ander openlijk zaagt
zondigen, of enige grove misslagen begaan, toch zoudt gij u niet voor beter
moeten aanzien, want gij weet niet hoe lang gij in een goede staat kunt
volharden. Wij zijn allen zwak; maar
houd niemand voor kranker dan uzelf.
1)
Rom. 11: 20
Over de leer der waarheid
1.
Zalig hij, die de waarheid zelf onderricht, niet door beelden en
voorbijgaande woorden, maar zoals zij waarlijk is. Ons goeddunken en onze zin
bedriegen ons dikwijls en ontdekken weinig. Wat baat een grote redetwist over
geheime en duistere dingen, waarvoor men ons in het oordeel niet verwijten zal,
al hebben wij ze niet geweten? Het is grote dwaasheid dat wij nuttige en
noodzakelijke dingen verwaarlozen, en ons met zeldzame en schadelijke bezig
houden. Wij hebben ogen en zien niet (1).
2.
Wat moeten wij ons bekommeren met kennis van geslachten en soorten? Hij,
tot wien het eeuwige Woord spreekt, is van vele opvattingen bevrijd. Uit dat
eeuwig Woord komt alles, en alles spreekt van het Woord: en dat is het begin (God zelf) dat tot ons
spreekt (2). Niemand begrijpt zonder Hem, noch oordeelt juist. Hij, voor wien
één zaak alles is, die tot één zaak alles terugbrengt, en daarin alles ziet,
hij kan standvastig van hart zijn, en gerust in de Heer volharden. O waarheid,
die God zijt, maak mij één met U in (één) eeuwige liefde! Het verdriet mij
menigmaal, veel te lezen en te horen: in
U is alles wat ik wil en verlang. Dat alle leraars zwijgen, alle schepselen
voor uw aanschijn hun stem weerhouden:
spreek Gij alleen tot mij.
3.
Hoe meer iemand ingetogen is, en van al het tijdelijke onthecht, des te
meer en verhevener zaken hij zonder moeite begrijpen zal, omdat hij van boven
de genade van verstand ontvangt. Een zuivere eenvoudige en standvastige ziel is
temidden van drukke bezigheden niet verstrooid, omdat zij alles ter liefde Gods
doet, en altoos tracht alle eigengenot te vluchten. Wat gaat er u meer tegen en
valt lastiger, dan de onverstorven genegenheden van uw hart? Een goed en
godvruchtig mens overlegt eerst inwendig de werken, die hij uitwendig moet
doen. En deze trekken hem niet tot de lusten der ongeregelde genegenheid; maar hij wendt ze naar het voorschrift der
gezonde rede. Wie heeft een grotere strijd, dan die tracht zichzelf te
overwinnen? En dit zou toch onze voornaamste bezigheid moeten zijn, te
weten: onszelf overwinnen, dagelijks
zich meer meester worden en vooruitgaan in het goed.
4.
Alle volmaaktheid in dit leven gaat met enige onvolmaaktheid gepaard, en
onze kundigheden zijn niet van alle duisterheid bevrijd. De ootmoedige kennis
van uzelf is een zekerder weg tot God, dan de diepe navorsing der wetenschap.
Niet dat de wetenschap of de eenvoudigste zakenkennis misprezen moet
worden: zij is, in haarzelf beschouwd,
goed, en door God verordend; maar een
goed geweten en een deugdzaam leven verdienen toch altijd meerder achting. Maar
omdat er velen meer verlangen naar kennis dan om wèl te leven, daarom dolen zij
dikwijls, en brengen weinig of bijna geen vruchten voort.
5.
Och, indien zij zovel ijver besteedden om hun gebreken uit te roeien en
deugden te bekomen, als om vraagstukken op te lossen, er zou zoveel kwaad en
zoveel ergernis onder ‘t volk niet zijn, noch zoveel verslapping in de
kloosters. Voorwaar, op de dag van het oordeel zal men ons niet vragen wat wij
gelezen, maar wat wij gedaan hebben;
noch hoe fraai wij gesproken, maar hoe godsdienstig wij geleefd hebben.
Zeg mij, waar zijn nu al die leraars en die meesters, die gij wel gekend hebt,
toen zij nog leefden, en door hun geleerdheid hooggevierd waren? Anderen
bezitten nu hun ambten, en wie weet of zij aan hen nog denken. In hun leven
schenen zij iets te zijn, en nu zwijgt men over hen.
6.
O, hoe snel gaat de roem der wereld voorbij! Och, had hun leven
overeengekomen met hun wetenschap, dan zouden zij met vrucht gestudeerd en
onderwezen hebben. Hoevelen gaan er in de wereld niet verloren, omdat zij, door
hun ijdele wetenschap, weinig bekommerd zijn om God te dienen! En omdat zij
eerder verkiezen groot te zijn dan ootmoedig, daarom worden zij ijdel in hun
gedachten (3). Hij is waarlijk groot, die een grote liefde heeft. Hij is
waarlijk groot, die zichzelf kleinacht, en die het toppunt van eer voor niets
aanrekent. Hij is waarlijk wijs, die alle aardse dingen als vuilnis acht, om
Christus te gewinnen (4). En hij is waarlijk wel geleerd, die de wil van God
volbrengt en zijn eigen wil verlaat.
1)
Jeruzalem. 5: 1
2)
Joh. 8: 25
3)
Rom. 1: 21
4)
Philipp. 3: 8
Over de voorzichtigheid in het handelen
1.
Men moet geen geloof hechten aan alle woord, noch aan ieder aandrift,
maar de zaken overwegen met voorzichtigheid en met aandacht volgens God.
Helaas! Menigmaal gelooft en zegt men gemakkelijker kwaad van een ander dan
goed: zo groot is onze zwakheid. Maar
volmaakte mensen geloven niet lichtvaardig iedereen die hun iets verhaalt, want
zij erkennen de zwakheid van de mens, die tot het kwaad overhelt en in zijn
woorden dikwijls struikelt.
2.
Het is grote dwaasheid niet te werk te gaan met overhaasting, en niet
hardnekkig te blijven in zijn eigen gevoelens. Het behoort mede tot de
wijsheid, geen geloof te geven aan alle mensenpraat; en niet aanstonds aan anderen mede te delen,
wat men gehoord of geloofd heeft. Vraag raad aan een wijze en godvrezende man; en laat u liever geleiden door iemand die
beter is, dan uw eigen goeddunken te volgen.
Een heilig leven maakt de mens wijs volgens
God, en in vele dingen ervaren. Hoe meer iemand in zichzelf ootmoedig en aan
God onderdanig is, zoveel te verstandiger en geruster zal hij zijn in alles.
Over het lezen der Heilige Schriftuur
1.
Men moet in de H. Schriftuur de waarheid zoeken en geen welsprekendheid.
De boeken van de H. Schrift moeten gelezen worden met dezelfde geest waarin zij
geschreven zijn. Wij moeten in de H. Schriftuur eerder het nut zoeken dan de
verhevenheid van taal. Wij moeten zo gaarne godvruchtige en eenvoudige boeken
lezen als verheven en diepzinnige schriften. Laat u niet gelegen aan de
vermaardheid van de schrijver; bekommer
u niet of hij luttel of veel letterkennis heeft; maar dat de liefde der zuivere waarheid u tot
het lezen opwekke. Onderzoek niet wie dit gezegd heeft, maar let er op wat er
gezegd wordt.
2.
De mensen gaan voorbij, maar de waarheid Gods blijft in eeuwigheid (1). God spreekt tot ons op verschillende
wijzen zonder onderscheid van personen. Onze nieuwsgierigheid belemmert ons
dikwijls bij het lezen der H. Schriftuur, wanneer wij willen verstaan en
doorgronden, waar wij eenvoudig moesten voortgaan. Wilt gij vrucht trekken uit
de lezing, lees met ootmoed, eenvoud en goede trouw: en tracht nooit naar de naam van geleerde.
Ondervraag gaarne, en luister in stilte naar de woorden der heiligen; toon geen mishagen in de spreuken der
ouderlingen; want zij worden niet zonder
reden aangehaald.
1)
Psalm 61: 2
Over de ongeregelde begeerten
1.
Telkens de mens iets begeert op een ongeregelde wijze, wordt terstond
zijn inwendige rust gestoord.
De hovaardige en de vrek hebben nooit rust.
De arme en ootmoedige van geest leeft in overvloed van vrede. De mens, die nog
niet gans aan zichzelf verstorven is,
wordt licht bekoord, en overwonnen in kleine en geringe zaken. Hij, wiens geest
nog krank is, en nog enigszins een vleselijk mens is die naar het zinnelijke overhelt,
heeft grote moeite om zich van alle aardse lusten gans los te rukken. Hierom
gevoelt hij dikwijls droefheid, wanneer hij zich daaraan onttrekt; en licht is hij geraakt als hem iemand
wederstaat.
2.
Bekomt hij wat hij verlangt, zo kwelt hem aanstonds de wroeging van zijn
geweten: omdat hij zijn drift ingevolgd
heeft, die niets voorthelpt voor de vrede, die hij zocht. Dus, met te
wederstaan aan zijn hartstochten vindt men de ware vrede des harten, en niet
met ze in te volgen. Daar is dan geen vrede in het hart van een vleselijk mens,
noch in de mens, die zich aan uitwendige dingen overgeeft, maar wel in de
ijverige en geestelijke mens.
Over het vluchten der ijdele hoop en der verwaandheid
1. Hij
is ijdel, die zijn hoop stelt op mensen of op schepselen. Schaam u niet anderen
te dienen, ter liefde van Jezus Christus, en in deze wereld voor arm aangezien
te worden. Steun niet op uzelf, maar
vestig uw hoop op God. Doe wat gij kunt, en God zal uw goede wil bijstaan. Stel
geen betrouwen op uw wetenschap, noch op het vernuft van enig mens, maar liever
op de genade Gods, die de ootmoedigen helpt, en de hovaardigen vernedert.
2.
Roem niet op rijkdommen, als gij er bezit, noch op vrienden, omdat zij machtig
zijn (1); maar op God, die alles geeft,
en, boven alles, nog zichzelf wenst te geven. Verhef u niet op een rijzig en
welgevormd lichaam, dat door een geringe krankheid geschonden en misvormd
wordt. Schep geen zelfbehagen in uw behendigheid of verstand, uit vrees van God
te behagen, aan wie alle goed, dat gij van nature bezit, toebehoort.
3.
Acht u niet beter dan een ander, om somtijds niet voor erger aangezien
te worden door God, die weet wat er in de mens is. Verhef u niet om uw goede
werken, want de oordelen van God verschillen van die der mensen; wat aan dezen behaagt, mishaagt Hem dikwijls.
Indien gij iets goeds bezit, denk dat er in de anderen nog iets beters is,
opdat gij de ootmoedigheid moogt bewaren. Het deert u niet, zo gij u onder alle
anderen stelt; maar daar is grote schade
bij, zo gij u slechts boven één stelt. Eeuwige vrede huist bij de
ootmoedige: maar in het hart van de
hovaardige is meestal nijd en spijt.
1) Jer. 9: 23-24
Over het vermijden van al te grote gemeenzaamheid
1.
Open uw hart niet aan iedereen (1), maar bespreek uw verlangen met
iemand die wijs is en God vreest. Wees zelden met jonge en vreemde mensen. Vlei
de rijken niet, en zoek niet om onder hooggeplaatsten te verkeren. Verkeer met ootmoedigen
en met eenvoudigen, met personen, die godvruchtig en goed van zeden zijn, en
spreek liefst over stichtende dingen. Wees niet gemeenzaam met enige
vrouw; maar beveel in het algemeen alle
deugdzame vrouwen God aan. Zoek geen ander gemeenschap dan met God en met zijn
Engelen, en vermijd de kennismaking der mensen.
2.
Liefde moet men jegens alle mensen hebben, maar gemeenzaamheid is niet
geraadzaam. Somtijds gebeurt het, dat een onbekende persoon, door zijn goede
naam, glinstert, maar van nabij gezien verliest hij al zijn glans. Wij menen
somtijds dat wij aan anderen behagen door gedurige omgang; veeleer beginnen wij hun te mishagen door de
gebreken, die zij in ons bespeuren.
Over gehoorzaamheid en onderwerping
1.
Het is iets groots in de gehoorzaamheid aan een overste ondergeschikt te
leven, en zijn eigen meester niet te zijn. Het is veel voordeliger onderdaan te
zijn dan overste. Maar velen leven in ondergeschiktheid meer uit dwang dan uit
liefde; en die hebben verdriet en zijn
geneigd tot morren. Deze zullen geen vrijheid van geest bekomen, vooraleer zij
zich uit ganser harte onderwerpen aan Gods wil. Dezen zullen geen vrijheid van
geest bekomen, vooraleer zij zich uit ganser harte onderwerpen om Gods wil.
Loop her- of derwaarts: gij zult geen
rust vinden, tenzij in ootmoedige gehoorzaamheid aan het bestuur van uw
overste. De inbeelding dat men beter zal zijn in andere plaatsen heeft er velen
van ‘t spoor gebracht.
2. ‘t
Is waar, elkeen handelt liefst naar eigen zin, en is meer genegen voor die,
welke van zijn gedacht zijn. Maar als God onder ons woont, is het somtijds
nodig dat wij ons eigen gevoelen afstaan om de vrede.
Wie is er zo wijs dat hij alles ten volle
weten kan? Daarom, betrouw niet te veel op eigen goeddunken; maar luister ook gaarne nar het gevoelen van
anderen. Als uw gedachte goed is, en dat gij er nochtans om Gods wil van afgaat
om een andere te volgen, daar zult gij meer voordel uit trekken.
3.
Ik heb dikwijls horen zeggen, dat het veiliger is raad te vragen en aan
te nemen, dan te geven. Het kan ook voorvallen dat elk gevoelen goed zij; maar zich naar anderen niet te willen voegen
als de genegenheid of de rede het vereist, is een teken van hoogmoed en
hardnekkigheid.
Over het vluchten van overtollige woorden
1.
Schuw het gewoel der mensen, zoveel gij kunt: want het verhandelen van wereldse
gebeurtenissen is schadelijk, dan zelfs wanneer het met goede mening geschiedt.
Immers wij worden zo licht door de ijdelheid aangetast en gevangen. Ik wenst al
dikwijls gezwegen en niet onder de mensen verkeerd te hebben. Maar waarom
spreken wij en onderhouden wij ons zo gaarne met anderen, ofschoon wij nochtans zelden, zonder letsel voor ons
geweten, tot de stilzwijgendheid wederkeren. Daarom spreken wij zo gaarne, wijl
wij door die samenspraken van weerskanten zoeken getroost te worden, en ons
hart door verschillende gedachten bezwaard, lucht willen geven. En nog veel
liever spreken en denken wij over dingen, waaraan wij gehecht zijn en waarnaar
wij sterk verlangen, of waarin wij een tegenzin voelen.
2.
Maar dikwijls, helaas! Zonder winst en baat. Want die uitwendige troost
verhindert niet weinig de inwendige en goddelijke troost. Daarom moet men waken
en bidden, opdat de tijd niet zonder nut voorbijga. Indien u het spreken
geoorloofd en dienstig is, zo spreek altijd over dingen die stichten. De
verkeerde gewoonte, en de onachtzaamheid voor onze voortgang, zijn de grote
oorzaak dat wij onze mond niet genoeg bewaken.
Nochtans is een godvruchtig onderhoud over
geestelijke dingen hoogst voordelig tot onze geestelijke vooruitgang; vooral onder mensen, die met hetzelfde hart
en dezelfde geest in God verenigd zijn.
Over het verwerven van de vrede, en
de ijver om vooruitgang te doen
1.
Wij zouden veel vrede genieten, indien wij ons niet wilden bemoeien met
woorden en daden van anderen, en met dingen die niet aan onze zorg behoren. Hoe
kan iemand lang in vrede blijven, die zich met andermans bekommernissen inlaat,
die gelegenheden zoekt, welke verstrooiing bijbrengen, en weinig of zelden
ingekeerd leeft. Zalig zijn de eenvoudigen, want zij zullen veel vrede
genieten.
2.
Waarom zijn sommige Heiligen zo volmaakt geweest en zo ingetogen? Omdat
zij zich beijverd hebben zichzelf te versterven in alle aardse lusten: en daarom hebben zij met alle innigheid des
harten God kunnen aankleven, en ongehinderd met zichzelf bezig zijn. Maar wij,
wij hebben te veel werk met onze driften, en zijn te zeer bekommerd om
vergankelijke dingen. Zelden ook overwinnen wij ten volle een enkele ondeugd,
en hebben geen ijver om dagelijks vooruit te gaan: daarom blijven wij lauw en koud.
3. Waren
wij aan onszelf volkomen afgestorven en inwendig niet in verwarring, dan zouden
wij ook de goddelijke dingen kunnen smaken, en iets van de hemelse beschouwing
kunnen proeven. Maar het enige, ja het allerzwaarste beletsel is, dat wij,
verslaafd aan onze driften en begeerlijkheden, geen moeite doen om de volmaakte
weg der Heiligen op te gaan. En als er ons een weinig tegenspoed overkomt,
laten wij te haastig de moed zinken en keren wij ons naar menselijke troost.
4.
Indien wij ons best deden, om, als dappere mannen, pal te staan in de
strijd, voorzeker zouden wij de hulp Gods van de hemel op ons zien nederdalen.
Want Hij is bereid te helpen die strijden en op zijn genade betrouwen; en Hij zelf geeft ons de gelegenheid tot
strijden, opdat wij zouden overwinnen. Indien wij de voortgang van het
christelijk leven maar stellen in uitwendige gebruiken, dan zal onze godsvrucht
spoedig een einde nemen.
5.
Maar laat ons de bijl aan de wortel zetten, opdat wij, verlost van de
driften, een vreedzame stemming mogen bezitten. Indien wij ieder jaar maar één
gebrek uitroeien, dan zouden wij spoedig volmaakt zijn. Maar nu integendeel
bevinden wij dikwijls, dat wij beter waren en reiner in het begin van onze
bekering, dan na vele jaren geestelijk leven. Onze vurigheid en onze
vorderingen moesten dagelijks aangroeien;
en nu schijnt het iets bijzonders te zijn, als iemand een deel van zijn
eerste vurigheid kan behouden. Indien wij in het begin maar een weinig geweld
deden, wij zouden daarna alles kunnen doen met gemak en met genoegen.
6.
Het is zeer moeilijk gewoonten af te leggen; maar het is nog moeilijker tegen zijn eigen
wil in te gaan. Maar indien gij nu in het kleine en lichte geen overwinning
behaalt, wanneer zult gij het meer moeilijke te boven komen? Wedersta van eerst
af uw neiging en ontmaak u van de kwade gewoonte, opdat zij u niet allengskens
tot groter moeilijkheid brenge. Ach! Indien gij overdacht wat vrede gij uzelf
en wat vreugde gij anderen zoudt bezorgen door u goed te gedragen, ik geloof
dat gij meer bezorgd zoudt zijn voor uw geestelijke vooruitgang.
Hoe voordelig de tegenspoed is
1.
Het is goed voor ons, dat wij somtijds wat bezwaren en tegenspoed
hebben, omdat deze dikwijls de mens tot zijn hart terugroepen, daar zij hem herinneren
dat hij in ballingschap leeft, en op niets, dat van de wereld is, zijn hoop
moet stellen. Het is ook goed dat wij soms tegenspraak te verduren hebben, en
dat men van ons een slecht en ongunstig gedacht heeft, zelfs als wij wèl doen
en het goed menen. Dat dient ons dikwijls tot ootmoedigheid, en behoedt ons
voor ijdele glorie. Dan immers zoeken wij beter God, de inwendige getuige,
wanneer wij daar buiten door de mensen misacht worden, en dat men van ons geen
goed denkt.
2.
Daarom diende de mens aan God zodanig vast gehecht, dat hij niet nodig
had veel menselijke troost te zoeken. Als een mens van goede wil gekweld en
bekoord, of met kwade gedachten geplaagd wordt, alsdan begrijpt hij beter dat
hij God nodig heeft, zonder wie hij niets goeds kan doen. Dan leert hij ook
treuren, zuchten en bidden voor de ellenden, welke hij lijdt. Dan verdriet het
hem, langer te leven; dan wenst hij dat
de dood kome, opdat hij moge ontbonden worden en bij Christus zijn (1). Alsdan ook merkt hij duidelijk dat volkomen
zekerheid en ongestoorde vrede op deze wereld niet bestaan kunnen.
1) Phil. 1: 23
Over het weerstaan aan de bekoringen
1.
Zolang wij op de wereld leven, kunnen wij niet vrij zijn van kwelling en
bekoring. Daarom staat er in het boek Job geschreven: Het leven van de mens op aarde is een
bekoring (1). Daaruit volgt dat ieder
zich in acht zou moeten nemen voor zijn bekoringen, en waken in het gebed,
opdat de duivel geen gelegenheid vinde om hem te bedriegen, hij, die nooit
inslaapt, maar altoos rondloopt, zoekende wie hij zal kunnen verslinden
(2). Niemand is zo volmaakt en zo
heilig, of hij heeft somtijds bekoringen;
wij kunnen daar niet volkomen van bevrijd blijven.
2. Maar
de bekoringen zijn dikwijls voor de mens zeer nuttig, alhoewel zij lastig en
onaangenaam zijn, omdat hij hierdoor vernederd, gezuiverd en onderricht wordt.
Alle Heiligen hebben vele kwellingen en bekoringen ondergaan, en zijn daardoor
vooruit gekomen. En die de bekoringen niet hebben kunnen doorstaan, zijn
verstoten geworden en bezweken. Daar is geen genootschap zo heilig, en geen
plaats zoafgezonderd, of daar zijn bekoringen en beproevingen.
3.
Daar is gen mens geheel vrij van bekoringen, zolang hij leeft; want wij dragen in ons de aanleiding om
bekoord worden; sinds wij in de
begeerlijkheid geboren zijn. Als de een bekoring of kwelling ons verlaat, dan
komt er een andere in de plaats; en wij
zullen altijd iets te lijden hebben, want wij hebben het voorrecht van ons
eerste geluk verloren. Velen zoeken de bekoringen te ontvluchten, en zij vallen
er nog meer in. Door de vlucht alleen kunnen wij niet overwinnen; maar door geduld en ware ootmoedigheid worden
wij sterker dan al onze vijanden.
4.
Die de uiterlijke aanleiding der bekoringen ontwijkt, en daarvan de
wortel niet uitroeit, zal weinig vorderen;
zij zullen zelfs spoediger tot hem wederkeren, en hij zal ze meer
gevoelen. Allengskens, door geduld en lankmoedigheid, zult gij ze (met Gods
hulp) beter overwinnen, dan door uw ongeduldig en hardnekkig tegenstreven. Neem
dikwijls raad in de bekoringen, en behandel niet met hardheid iemand die
bekoord wordt; maar stort hem
bemoediging in, gelijk gij voor uzelf zoudt wensen.
5.
De oorsprong van alle kwade bekoringen is ongestadig van het hart, en
gering betrouwen op God.
Want, gelijk een schip zonder roer door
gebaren heen en weer geslingerd, zo wordt een krachteloos mens, die zijn
voornemens lat varen, op verschillende wijzen bekoord. Het vuur beproeft het
ijzer, en de bekoring de rechtvaardige mens (3). Wij weten dikwijls hoever onze
kracht reikt; maar de bekoring leert wat
wij zijn. Men moet nochtans waakzaam zijn, vooral in het opkomen der bekoring: omdat alsdan de vijand gemakkelijker overwonnen
wordt, indien men hem in de deur der ziel geenszins laat binnentreden, maar hem
terstond, zohaast hij klopt, buiten afweert. Vandaar deze spreuk: Bied weerstand in ‘t begin: t laat komt het geneesmiddel, als de ziekte
door ‘t lang verloop de overhand heeft genomen (4). Want eerst is het maar een gedachte die in de
geest komt; daarna een sterke
inbeelding, hierop volgt welbehagen, ongeregelde beweging, en dan de toestemming.
En alzo treedt de boze vijand van lieverlede geheel binnen, als men hem in ‘t
begin niet wederstaat. En hoe langer iemand getalmd heeft te wederstaan, des te
zwakker wordt hij dagelijks, en des te sterker de vijand tegen hem.
6.
Sommigen lijden zwaarder bekoringen in het begin van hun roeping; anderen op het einde. Enigen integendeel
worden bijna geheel hun leven gekweld. Enigen worden ook maar licht bekoord,
volgens de schikking van Gods wijsheid en rechtvaardigheid, die de gesteltenis
en de verdiensten der mensen weet, en alles tot zaligheid van zijn
uitverkorenen voorbeschikt.
7.
Daarom moeten wij niet wanhopen, als wij bekoord worden, maar God des te
vuriger bidden, opdat Hij zich gewaardige ons te helpen in al onze
kwellingen: en Hij zal zeker, volgens de
woorden van de Apostel Paulus, ons in de bekoring zulke hulp verlenen, dat wij
ze zullen kunnen overwinnen (5). Laten wij dan onze zielen onder de hand Gods
verootmoedigen bij alle bekoring en kwelling:
want de ootmoedigen van geest zal Hij redden en verheffen (6).
8.
In bekoringen en lijden ziet de mens hoeveel vooruitgang hij gedaan
heeft; ook is de verdienste groter, en de deugd komt beter tevoorschijn. Het is
niets groots wanneer iemand godvruchtig en ijverig is, als hij geen zwarigheid
voelt; maar wanneer hij in de tijd van
tegenspoed zich geduldig houdt, dat geeft hoop op grote vorderingen. Enigen
worden van grote bekoringen bewaard en worden dikwijls overwonnen in kleine,
die dagelijks voorkomen, opdat zij daardoor verootmoedigd zouden worden, en
nooit op zichzelf in grote zaken zouden betrouwen, daar zij in kleine zo zwak
zijn.
1) Job 7: 1
2) 1 Petr. 5: 8
3) Eccl. 31: 31
4) Ovidius
5) I Kor. 10: 13
6) Psalm 33: 19
Over het vermijden van lichtvaardig
oordeel
1.
Keer uw ogen op uzelf, en wacht u de daden van anderen te oordelen. Wie een
ander oordeelt, geeft zich nutteloze moeite, dwaalt dikwijls, en zondigt
licht; maar wie zichzelf beoordeelt en
onderzoekt, arbeidt altoos met vrucht. Gelijk ons een zaak ter harte gaat, zo
oordelen wij er doorgaans over, want het recht oordeel verliezen wij licht door
onze eigenliefde. Indien God altijd het zuiver doelwit was van ons verlangen,
zouden wij niet zo licht gestoord worden om de weerstand van ons gevoel.
2.
Maar daar schuilt dikwijls iets van binnen, of daar komt iets van buiten
bij, dat krachtig aantrekt.
Vele mensen zoeken heimelijk zichzelf in wat
zij verrichten, zonder dat zij het weten. Zij schijnen in een volmaakte vrede
bevestigd te zijn, zolang alles geschiedt naar hun wil en wens; maar het valt anders uit dan zij begeren,
aanstonds worden zij ontroerd en droefgeestig. Door het verschil van meningen
en gevoelens ontstaan er niet zelden onenigheden tussen vrienden, tussen
medeburgers en zelfs tussen kloosterlingen en godgewijde personen.
3.
Een oude gewoonte legt men moeilijk af;
en verder dan zijn eigen inzicht, laat niemand zich gaarne brengen.
Indien gij op uw eigen rede of vernuft meer steunt dan op de deugd van
onderwerping, ons door Christus aangewezen, dan zult gij zelden en laat een
verlicht mens worden; want God wil dat
wij Hem volkomen onderworpen zijn, en dat wij ons boven alle redenering
verheffen door een vurige liefde.
Over de werken uit liefde verricht
1.
Om niets ter wereld, noch uit liefde voor iemand mag men iets kwaads
doen, maar mag men, om iemand in de nood dienst te bewijzen, soms wel een goed
werk uitstellen of ook door een beter vervangen. Want met zo te handelen wordt
het goede werk niet teniet gedaan, maar in een beter veranderd. Zonder de
liefde is een uitwendig werk van geen nut (1);
maar wat uit liefde gedaan wordt, hoe klein en hoe gering het in
zichzelf zij, dat wordt geheel en al vruchtbaar. Want God let meer op de goede
stemming waarmede men iets doet, dan op de hoeveelheid van het werk zelf.
2.
Hij doet veel, die veel liefde heeft. Hij doet veel, die een zaak wèl
doet. Hij doet wèl, die meer het gemeen voordeel betracht dan zijn eigen
voordeel. Somtijds wat men voor liefde aanziet, is eerder zinnelijkheid: want het gebeurt zelden dat natuurlijke
neiging, eigen wil, hoop op beloning of gemakzucht niet enige invloed hebben.
3.
Wie de ware en volmaakte liefde bezit, zoekt nooit zichzelf in gelijk
wat; maar hij begeert alleen dat in
alles de wil van God geschiede. Hij benijdt ook niemand, omdat hij nooit enig
persoonlijk voordeel wenst, en zijn vreugd in zichzelf niet stelt, maar in God
alleen boven alle goederen zijn zaligheid zoekt. Hij eigent nooit aan het
schepsel enig goed toe, maar brengt alles tot God terug, van wie hij alles als
uit de bron voortvloeit, en in wiens genieting, als in hun einddoel, alle
Heiligen rusten. O! Wie maar een vonkje van die ware liefde bezat, die zou
voorwaar gevoelen hoe alle aardse dingen vol van ijdelheid zijn.
1) 1 Kor. 13: 3
Over het verdragen van elkanders
gebreken
1. De gebreken, die de mens in zichzelf of in
anderen niet in staat is te verbeteren, moet hij geduldig verdragen, totdat God
het anders schikke. Denk, dat het misschien zó beter is tot beproeving van uw
geduld zonder hetwelk onze verdiensten niet hoog te schatten zijn. Gij moet
nochtans God bidden dat Hij u helpe om zulke bezwaren te overwinnen, of om ze
in gelatenheid te dragen.
2.
Indien iemand eens of tweemaal vermaand zijnde, niet wil toegeven, treed
daarom met hem in geen twist; maar laat
alles aan God over, op dat zijn wil geschiede, en Hij verheerlijkt worde in al
zijn dienaren, want Hij kan zeer wel het kwaad in goed verkeren. Leer geduldig
zijn in het verdragen van andermans gebreken en allerlei fouten, want gij hebt
er ook vele, die van de anderen verdragen moeten worden. Indien gij uzelf niet
kunt maken gelijk gij zoudt willen zijn, hoe zult gij dan een ander kunnen
hebben naar uw welbehagen? Wij hebben gaarne dat anderen volmaakt zijn, en onze
eigen gebreken verbeteren wij niet.
3.
Wij willen dat anderen streng berispt worden, en hebben niet gaarne dat
men ons terechtwijst. Het mishaagt ons dat men anderen te veel vrijheid geeft,
en wij kunnen niet verdragen dat men ons iets weigert. Wij willen dat de
anderen door wetten ingetoomd worden, en wijzelf willen in niets strenger
beoordeeld worden. Waaruit klaarlijk blijkt, hoe zelden wij voor de evenmens
dezelfde maat gebruiken als voor onszelf. Indien alle mensen volmaakt waren,
wat zouden wij dan om Gods wil van anderen te lijden hebben?
4.
Maar nu heeft het de Heer zo geschikt, opdat wij elkanders last zouden
leren dragen (1): want niemand is vrij
van gebreken, niemand zonder last, niemand voor zichzelf genoeg, of komt toe
met zijn eigen wijsheid: maar wij moeten
elkander verdragen, elkander troosten, helpen, onderrichten en vermanen.
Hoeveel deugd ieder mens bezit, dat blijkt best bij gelegenheid van tegenspoed.
Want de gelegenheden maken de mens niet zwak;
maar zij tonen van welk gehalte hij is.
1) Gal. 6: 2
Over het kloosterleven
1.
Gij moet in vele dingen uw wil leren breken, indien gij met anderen
vrede en eendracht wilt bewaren. Het is geen kleinigheid in kloosters of in een
vereniging te leven, en daarin zonder klachten te verkeren, en tot de dood toe
getrouw te volharden. Gelukkig hij, die daar wèl geleefd heeft, en zalig
gestorven is. Wilt gij naar behoren vast staan en vooruitgang maken, houd u op
aarde voor een banneling en een vreemdeling. Indien gij een godgewijd leven
leiden wilt, moet gij om Christus als dwaas worden (1).
2.
Habijt en kruin baten niet veel:
maar zedenverbetering en volkomen versterving van alle driften maken de
ware kloosterling. Wie iets anders zoekt dan God alleen, en zijn zielezaligheid,
zal niets vinden dan kwellingen en smart. Ook zal hij niet lang in vrede
blijven, die niet tracht om de minste te zijn en aan allen onderworpen.
3.
Om te dienen zijt gij gekomen, niet om te heersen: weet dat gij geroepen zijt om te lijden en te
arbeiden, en niet om ledig te gaan praten. Hier dan worden de mensen beproefd
gelijk het goud in de vuuroven (2). Hier kan niemand volharden, tenzij hij uit
ganser harte zich om God verootmoedigen wil.
1) I Paralip. 29: 15
2) Wijsh. 3: 6
Over de voorbeelden der heilige
Vaders
1. Overdenk
de treffende voorbeelden der heilige Vaders, waarin de ware volmaaktheid en
kloostergeest heeft uitgeschenen, en gij zult zien, hoe onbeduidend het is, ja
bijna niets, wat wij doen.
Ach! Wat is ons leven vergeleken bij het
hunne? De heiligen en de vrienden van Christus hebben de Heer gediend in honger
en dorst, in koude en naaktheid, in arbeid en vermoeienis (1), in waken en
vasten, in gebeden en heilige overwegingen, in vele vervolging en versmaadheid.
2. O
hoevele en hoe zware kwellingen hebben niet geleden de Apostelen, de
Martelaren, de Belijders, de Maagden, en alle anderen die de voetstappen van
Christus navolgen wilden! Want zij hebben hun zielen in deze wereld gehaat, om
haar voor het eeuwig leven te behouden (2). O wat streng en verstorven leven
hebben de heilige Vaders in de woestijn geleid! Wat lange en zware bekoringen
hebben zij doorstaan! Hoe dikwijls zijn zij door de vijand gekweld geworden!
Hoe menigvuldige en vurige gebeden hebben zij aan God opgedragen! Wat harde
onthoudingen hebben zij verduurd! Wat grote ijver en vurigheid voor de
geestelijke vooruitgang hebben zij gehad! Wat geweldige oorlog hebben zij
gevoerd tegen de beteugeling der ondeugden! Wat zuivere en oprechte mening tot
God hebben zij gehouden!
Gedurende de dag arbeidden zij, en des
nachts brachten zij lange tijd door met bidden, alhoewel zij bij het werken het
inwendig gebed nimmer achterlieten.
3.
Al hun tijd besteedden zij nuttig:
de uren, welke zij met God overbrachten, schenen hun te kort; ja door de grote zoetheid, welke zij in het
beschouwend gebed vonden, werd somtijds de behoefte van de verkwikking van het
lichaam vergeten. Zij verlieten alle rijkdommen, alle waardigheden en
eretitels, alle vrienden en magen: zij
begeerden niets van de wereld, zij namen nauwelijks het onontbeerlijke om te
leven, en tegen dank dienden zij het lichaam, zelfs uit noodzaak. Aldus waren
zij arm aan aardse goederen, maar zeer rijk in genade en in deugden. Uitwendig
leden zij gebrek, maar inwendig werden zij verzadigd met goddelijke troost en
genade.
4.
Zij waren vreemd aan de wereld, maar met God verenigd en zijn
vertrouwelijkste vrienden. Zichzelf achtten zij als nietsbeduidend, en door de
wereld werden zij versmaad; maar in de
ogen van God waren zij uitverkoren en hoog in waarde. Zij leefden in oprechte
ootmoed, in eenvoudige onderdanigheid, in liefde en geduld: en daarom deden zij dagelijks grote
vooruitgang in ‘t geestelijke, en verwierven grote genaden bij God.
5.
Ach! Hoe groot is de vurigheid van alle kloosterlingen bij het begin van
hun heilige instelling geweest! O, hoe vurig was hun gebed! Hoe groot hun
wedijver in de deugd! Hoe streng de tucht! Welke eerbied en gehoorzaamheid
scheen in allen uit, onder de leiding van hun stichter! De voorbeelden die zij
hebben nagelaten, getuigen nu nog, dat zij zeer heilige en volmaakte mannen
zijn geweest, die door een vrome strijd de wereld onder de voet gebracht
hebben. Nu wordt iemand groot geacht, als hij geen overtreder van de regel is,
en verduldig draagt wat hij vrijwillig op zich heeft genomen.
6. O
traagheid en onachtzaamheid van onze staat, dat wij zo licht afwijken van de
eerste ijver! En dat uit louter traagheid en kleinmoedigheid het leven ons
begint te verdrieten. Mocht de ijver der deugden in u niet geheel inslapen, gij
die al te dikwijls zo menigvuldige voorbeelden van godgewijden gezien hebt!
1) 2 Kor. 11: 27
2) Joann. 12: 25
Over de oefening van een goed
kloosterling
1.
Het leven van een oprechte kloosterling moet versierd zijn met alle deugden,
opdat zijn binnenste zodanig zij, als hij aan de mensen uitwendig voorkomt. En
met reden moet hij van binnen veel volmaakter zijn dan van buiten gezien
wordt; wijl God onze harten gadeslaat,
God, die wij boven alles en overal moeten eren en vrezen, en voor wiens ogen
wij zuiver als Engelen moeten wandelen. Wij behoren ons voornemen iedere dag te
vernieuwen, en ons tot meerder ijver op te wekken, even alsof wij heden eerst
bekeerd waren; en wij moeten dagelijks
bidden: Help mij, Heer, mijn God! In mijn
goed voornemen, en in uw heilige dienst:
en geef mij dat ik heden oprecht moge beginnen; want al wat ik tot hiertoe gedaan heb, is
zoveel als niets.
2.
Gelijk ons voornemen is, zo is ook onze vooruitgang: en hij die grote vorderingen wil maken, moet
zeer naarstig zijn. Want indien hij, die sterke voornemens maakt dikwijls te
kort schiet, wat zal hij dan doen die zeer zelden of minder beslist iets
voorneemt? Wij verlaten ons voornemen nochtans op verschillende wijzen, en een
licht verzuim in onze oefening kan moeilijk zonder enige schade voorbijgaan.
Het goed voornemen der rechtvaardigen steunt meer op de genade Gods, dan op hun
eigen macht en voorzichtigheid; ook op Hem
alleen stellen zij hun betrouwen in al wat zij ondernemen. Want de mens wilt,
maar God beschikt: en de weg van de mens
ligt in zijn macht niet (1).
3.
Indien men soms een gewone oefening nalaat om reden van godsvrucht, of
ten voordele van een medebroeder, die kan men darna licht inhalen. Maar wanneer
men die achterlaat uit tegenzin of uit onachtzaamheid, dan is er schuld en
nadeel bij. Laten we ons uiterste best doen, dan zullen wij nog licht in vele
opzichten te kort komen. Wij moeten altijd echter iets bepaalds voornemen, en
bijzonder tegenover dit, wat ons het meest in de weg staat. Onze uitwendige en
inwendige werken moeten wij gedeeltelijk onderzoeken en schikken, want beide
zijn zeer voordelig tot onze voortgang.
4.
Indien gij in geen gedurige ingekeerdheid kunt leven, doe het evenwel
somwijlen, ten minste eenmaal daags, te weten:
des morgens of des avonds. Maak des morgens een goed voornemen; onderzoek des avonds uw gedrag, overdenkende
hoe gij u die dag gedragen hebt in woorden, in werken en in gedachten: want misschien hebt gij daarin meermalen God
en de naaste beledigd. Omgord u, als een man, tegen de listen van de
duivel; bedwing de gulzigheid, en gij
zult elke neiging van het vlees gemakkelijker beteugelen. Wees nooit geheel
werkeloos; maar lees of schrijf, of bid,
of overweeg of houd u bezig met gelijk wat van algemeen nut. Lichamelijke
oefeningen moeten echter omzichtig geschieden, en niet door allen in gelijke
mate.
5.
Oefeningen, die niet in ‘t gebruik zijn, moeten niet in het openbaar
gepleegd worden: bijzondere werken
geschieden veiliger in ‘t verborgen. Wacht u nochtans van lusteloos te zijn
voor de gemeenschappelijke oefeningen, en ieverig voor de bijzondere: maar blijft er u nog tijd over nadat ge al de
opgelegde plichten volkomen volbracht hebt, zo geef u aan uzelf over en handel
volgens uw godsvrucht. Alle mensen kunnen niet dezelfde oefening hebben: maar de ene komt dit, de andere dat beter te
stade. Zelfs zijn sommige oefeningen aangenamer volgens de wisseling der tijden: enige vallen meer in de smaak op feestdagen,
andere op werkdagen. Sommige van ons zijn nodig ten tijde van bekoring,
verkiezen wij zulke gedachten, en andere wederom als wij ons blij gevoelen in
de Heer.
6.
Omstreeks de bijzonderste feestdagen moet men zijn godvruchtige
oefeningen vernieuwen, en de voorspraak der Heiligen vuriger afsmeken. Van de
ene feestdag tot de andere moeten wij voornemen zó te leven, als wij dan van
deze wereld zouden scheiden, en tot het eeuwig feest geraken. Daarom moeten wij
ons op de heilige tijden zorgvuldig voorbereiden en stichtender zijn in onze
handel, en geheel onze regel nauwkeuriger onderhouden, als zouden wij het loon
van onze arbeid welhaast van God ontvangen.
7.
En indien dit loon nog wordt uitgesteld, denken wij dat wij minder wel
voorbereid, en die grote glorie nog niet waardig zijn, welke in ons geopenbaard
zal worden op de bestemde tijd (2): en
laten wij ons beijveren om ons beter tot onze sterfdag te bereiden. Zalig is de
knecht, zegt de heilige Evangelist Lucas, die de Heer, bij zijn komst, wakende
zal vinden: voorwaar, ik zeg het u, over
al zijn goederen zal Hij hem aanstellen (3).
1) Jer. 10: 23
2) Rom. 8: 18
3) Cap. 12: 43,44
Over de genegenheid tot eenzaamheid
en stilzwijgen
1.
Zoek de bekwame tijd om met uzelf onledig te zijn; en overweeg dikwijls de weldaden van God.
Laat alle nieuwsgierigheid varen. Lees zulke geschriften, die u eer het hart
roeren, dan tijdverdrijf bezorgen. Indien gij uzelf onttrekt aan overtollige
samenspraken, en ledig rondlopen, alsook aan nieuwsjes en ijdele geruchten, zo
zult gij tijd genoeg vinden om u op godvruchtige overwegingen toe te leggen. De
grootste heiligen hebben het verkeer met mensen geschuwd waar zij ‘t konden, en
verkozen in het verborgen met God te leven.
2.
Een heidens wijsgeer (1) heeft gezegd:
"Zo dikwijls ik onder de mensen verkeerd heb, ben ik minder mens
wedergekeerd." Dit ondervinden wij dikwijls, wanneer wij lang samen
praten. Het is gemakkelijker volstrekt te zwijgen, dan geen woord te veel te
zeggen. Het is gemakkelijker in huis verborgen te blijven, dan zich buitenshuis
genoegzaam te kunnen behoeden. Wie dan tot een inwendig en geestelijk leven wil
komen, moet met Jezus het gewoel ontwijken (2). Niemand komt zonder gevaar in
het openbaar dan die gaarne verborgen blijft. Niemand spreekt veilig dan die
gaarne stilzwijgt. Niemand is veilig overste, dan die gaarne een onderdaan is.
Niemand kan veilig gebieden, dan die geleerd heeft wèl te gehoorzamen.
3.
Niemand mag gerust zich verblijden, zo hij niet de getuigenis van een
goed geweten in zich draagt. Nochtans is de gerustheid van de Heiligen altijd
vol geweest van de vrees Gods. En wijl zij door veel genaden en deugden
uitmuntten, waren zij daarom niet minder behoedzaam en ootmoedig van hart. Maar
de gerustheid der boze mensen komt voort uit hoogmoed en verwaandheid, en ten
laatste loopt zij uit op zelfbedrog. Reken nooit op veiligheid in dit leven, al
schijnt gij een goede kloosterling of een godvruchtig kluizenaar.
4.
Wie voor de besten werden geacht bij de mensen, hebben dikwijls het
grootste gevaar gelopen, om hun vermetel zelfbetrouwen. Daarom is het voor
velen voordeliger, dat zij niet geheel vrij van bekoringen blijven, maar dat
zij dikwijls aangerand worden, opdat zij niet al te gerust zouden zijn, en zich
misschien door hovaardigheid zouden verheffen, en ook niet te licht naar
uitwendige troost zouden omzien. Ach! Wie nooit vergankelijke vreugde zocht of
zich nooit met de wereld bekommerde, welk rein geweten zou hij gedurig
bezitten! Ach! Wie alle ijdele zorg verbande, alleen ‘t zalige en goddelijke
ter hart nam, en op God al zijn hoop vestigde, wat grote rust en vrede zou hij
genieten!
5.
Niemand is hemelse troost waardig zo hij zich niet tevoren naarstig in de
heilige boetvaardigheid geoefend heeft. Wilt gij tot in uw hart vermorzeld
worden, ga in uw kamer, en sluit al het gewoel der wereld buiten, gelijk er
geschreven staat: Weest vermorzeld tot
op uw legersteden (3). In uw cel zult gij vinden, wat gij daarbuiten dikwijls
verliezen zult. De cel, gestadig bewoond, wordt zoet: maar slecht bewaard, wordt zij verdrietig.
Indien gij in het begin van uw kloosterlijk leven haar trouw bewoond en bewaard
hebt, zal zij u daarna een lieve vriendin en een zoete vertroosting zijn.
6.
In stilte en rust doet een godvruchtige ziel vooruitgang, en leert zij
de verholenheden der H. Schriftuur. Daar vindt zij de bron der tranen, waarin
zij alle nachten zich kan wassen en zuiveren (4); om met haar Schepper des te vertrouwelijker
te worden, hoe meer zij van alle gerucht der wereld verwijderd blijft. Tot hem
dan, die zich van zijn vrienden en magen scheidt, zal God met zijn Engelen
zoveel te nader komen. Het is beter verborgen te leven, en voor zijn ziel te
zorgen, dan zichzelf te verwaarlozen, en mirakels te doen. Het is zeer
loffelijk voor een geestelijke persoon, zelden uit te gaan, en liefst niet in
het oog te vallen, of anderen te bezoeken.
7.
Waarom wilt gij zien, wat gij niet hebben moogt? De wereld met haar
begeerlijkheden vergaat (5). De zinnelijke lusten lokken ons soms uit om te
gaan wandelen; maar als de tijd voorbij
is, wat brengt gij anders thuis dan bezwaar van geweten en verstrooidheid des
harten? Een vrolijk uitgaan baart dikwijls een droeve wederkomst, en een blijde
avond maakt een droeve morgenstond. Zo is elk vleselijk genoegen, het komt
strelend in; maar ten laatste kwetst en
doodt het. Wat kunt gij elders zien, dat gij hier niet ziet? Zie daar de hemel
en de aarde, en al de hoofdstoffen, daaruit is alles gemaakt.
8.
Wat kunt gij elders zien, wat lang onder de zon kan standhouden? Gij
meent misschien, met veel te zien en te horen, verzadigd te worden; maar gij zult daartoe niet geraken. Al zaagt
ge samen voor uw ogen, wat zou het nog wezen dan een ijdel gezicht? Hef uw ogen
op tot God in de hemel, en bid Hem om vergiffenis voor uw zonden en
onachtzaamheden. Laat de ijdele dingen voor de ijdele mensen: maar gij, bekommer u met wat God u
voorgeschreven heeft. Sluit de deur achter u toe, en roep Jezus, uw beminde bij
u. Blijf in uw cel bij Hem, want nergens zult gij zo grote vrede vinden. Waart
gij niet uitgegaan, en hadt gij niets van de wereld gehoord, gij zoudt beter in
zoete vrede zijn gebleven; maar omdat gij
somwijlen vermaak schept in wat nieuws te horen, moet gij daarin de stoornis
des harten verdragen.
1) Seneca Eq. VIII
2) Joann.
3) Psalm 4: 5
4) Psalm 6: 7
5) I Joann. 2: 17
Over de rouwmoedigheid des harten
1.
Indien gij enige vooruitgang wilt doen, bewaar u in de vrees Gods, en
wees niet al te vrij; maar houd uw
zinnen in bedwang, en geef u niet over aan lichtvaardige vrolijkheid. Stem u
tot ingetogenheid des harten, en gij zult de ware godsvrucht vinden.
Ingetogenheid des harten brengt veel goed voort, dat bij uitgelatenheid dra
verloren gaat. Het is zonderling dat een mens hier in dit leven volkomen
verblijd kan zijn, wanneer hij zijn ballingschap en de menigvuldige gevaren van
zijn ziel overdenkt.
2.
Omdat wij zo lichtzinnig van hart zijn, en onze gebreken veronachtzamen,
daarom blijven wij gevoelloos voor de ellenden van onze ziel. Maar wij lachen
dikwijls onbezonnen, als wij redelijkerwijze behoorden te wenen. Er is geen
oprechte vrijheid des harten of ware vreugd tenzij in de vrees Gods met een
goed geweten gepaard. Gelukkig hij, die alle verstrooiing afweren kan en in
zichzelf keren kan tot de innigheid van een heilige ingetogenheid. Gelukkig
hij, die alles afwerpt wat zijn geweten kan besmeuren of bezwaren. Strijd
kloekmoedig; een gewoonte wordt door een
andere overwonnen. Indien gij de mensen laat begaan dan zullen zij u wel met
vrede laten.
3.
Trek u de zaken van anderen niet aan, en bemoei u niet met de zorgen van
uw oversten. Richt altijd de ogen eerst op uzelf, en vermaan uw eigen, eerder
dan uw vrienden. Al geniet gij de gunst der mensen niet, wil u daarom niet
bedroeven; maar bedroef u daarin, dat
gij u niet zo wèl en voorzichtig gedraagt gelijk het een dienaar Gods en een
vroom kloosterling betaamt. Het is dikwijls zaliger dat een mens niet veel vertroostingen
heeft in dit leven, bijzonder naar het vlees. Maar het is onze schuld, dat wij
goddelijke vertroostingen missen, of die maar zelden smaken: omdat wij de rouwmoedigheid des harten niet
zoeken, en de ijdele en uitwendige vertroostingen niet verwerpen.
4.
Erken dat gij de goddelijke vertroostingen onwaardig zijt, en veeleer
verdiend hebt grote kwellingen te lijden. Wanneer de mens gans van harte
vermorzeld is, dan valt de hele wereld hem zwaar en bitter. Een goed mens vindt
altijd reden om droef te zijn en te wenen. Want hetzij hij zichzelf of de
naaste beschouwt, hij weet dat hier niemand zonder kwellingen leeft: En hoe nauwkeurig hij zich gadeslaat, hoe
meer hij zich bedroeft. Billijke reden van droefheid en inwendige vermorzeling,
dat zijn onze zonden en gebreken, waarin wij zó gedompeld liggen, dat wij
zelden het hemelse in beschouwing kunnen nemen.
5.
Indien gij meer dacht op uw dood dan op een lang leven, zoudt gij zonder
twijfel uzelf met meer ijver verbeteren. Indien gij ook de toekomstige pijnen
van hel en vagevuur ernstig overdacht, ik geloof dat gij gaarne alle arbeid en
lijden verdragen zoudt en geen streng leven schromen. Maar omdat die waarheden
niet tot het hart doordringen en dat wij nog zoeken wat ons streelt, daarom
blijven wij koud en traag.
6.
Het komt dikwijls uit gemis aan geesteskracht dat ons ellendig lichaam
zo licht klaagt. Bid dan ootmoedig de Heer, dat Hij u de geest van droefheid
des harten geve, en zeg met de Profeet:
Spijzig mij, o Heer, met het brood van weedom, en geef mij drank gemengd
met vele tranen (1).
1) Psalm 79: 6
Over de beschouwing van ‘s mensen
ellende
1. In
wat plaats gij zijt of niet, waar gij u keert of niet, gij zijt altijd
ongelukkig, tenzij gij u tot God bekeert. Waarom ontstelt gij u, als het niet
naar uw wil en verlangen gaat? Wie is er toch. Die alles naar zijn wens heeft?
Noch ik, noch gij, noch enig mens op aarde. Niemand is er op de wereld vrij van
kwelling of zwarigheid, al ware hij koning of paus. Wie gaat het allerbest?
Voorwaar hem die iets voor God lijden kan.
2.
Vele kranke en zieke mensen zeggen dikwijls: Zie, welk heerlijk leven heeft die man, doe
rijk, hoe groot, hoe machtig, hoe verheven is hij? Maar sla eens het oog op de
hemelse goederen, en gij zult inzien dat al die tijdelijke goederen nietig,
onzeker en eerder overlast zijn, want men kan ze nooit zonder vrees of zorg
bezitten. Het geluk van de mens bestaat niet in veel tijdelijke goederen te
bezitten; de middelmaat is genoeg voor
hem. Het is voorwaar een ellende, op aarde te leven. Hoe geestelijker de mens
tracht te leven, hoe bitterder hem dit leven wordt; omdat hij dan de menselijke bedorvenheid
meerder gevoelt en klaarder inziet. Want eten, drinken, waken, slapen,
arbeiden, rusten en onderworpen te zijn aan verdere behoeften der natuur, dat
is voorwaar een grote ellende en kwelling voor de godvruchtige mens, die zo
gaarne ontslagen en vrij van alle zonden zou zijn.
3.
Want de inwendige mens wordt in deze wereld zeer bezwaard door de
lichamelijke noodwendigheden. Daarom bad de profeet David vurig, om daarvan
vrij te mogen wezen, zeggende: Ontruk
mij, Heer, aan mijn noden (1). Maar wee hen, die hun ellende niet kennen: en driemaal wee hen, die dit ellendig en
vergankelijk leven beminnen. Want sommigen zijn daaraan zo verkleefd -al is het
dat zij nauwelijks met arbeiden of bedelen hun nooddruft vinden,- dat zij zich
voor het rijk Gods geenszins zouden bekommeren, indien zij hier voor eeuwig
konden leven.
4.
O, dwazen en heidenen van hart die zo diep in het aardse verzonken
liggen, dat zij geen smaak vinden, dan in wat de zinnen of het lichaam aangaat!
Maar die ongelukkigen zullen op het einde tot hun spijt gevoelen hoe slecht en
nietig het was, wat zij bemind hebben. De Heiligen Gods en al de innige
vrienden van Jezus Christus hebben integendeel veracht wat aan het vlees
behaagt, of wat hier schoon en uitstekend is:
met al hun hoop en verlangen hijgden zij naar de eeuwige goederen.
Geheel hun begeerte zweefde omhoog naar het altijddurende en onzichtbare, opdat
zij door ‘t zichtbare niet nederwaarts getrokken zouden worden. Wil, o broeder,
in uw geestelijke vooruitgang niet wanhopen:
gij hebt nog tijd en stond.
5.
Waarom wilt gij uw voornemen tot morgen uitstellen? Sta op, begin op
deze stond en zeg: Nu is het tijd om te
werken en te strijden, het is nu de bekwame tijd om mijn leven te beteren. Als
het met u niet wèl gaat, als gij gekweld wordt, dan is het tijd om verdiensten
te verzamelen. Gij moet eerst door het vuur en het water gaan,eer dat gij komt
tot de verkwikking (2). Tenzij gij uzelf geweld aandoet, zult gij uw gebreken
niet overwinnen. Zolang wij dit broos lichaam omdragen, kunnen wij zonder zonde
niet zijn of zonder verdriet of droefheid leven. Wij zouden gaarne vrij zijn
van alle ellende; maar omdat wij door de
zonde de onschuld verloren hebben, gemissen wij ook het waar geluk. Daarom
moeten wij geduld hebben en Gods barmhartigheid afwachten, totdat de boosheid
voorbij ga (3), en onze sterfelijkheid door het leven verslonden worde (4).
6.
Ach, hoe groot is de menselijke zwakheid! Zij is altijd tot het kwade
genegen. Heden belijdt gij uw zonden en morgen bedrijft gij weder het pas
beledene. Nu maakt gij het voornemen behoedzaam te zijn, en een uur later
handelt gij alsof gij niets bepaald hadt. Met reden dus moeten wij ons
verootmoedigen en geen hoge dunk van onszelf koesteren, aangezien wij zo krank
en zo onstandvastig zijn. Wij kunnen op één ogenblik door onachtzaamheid
verliezen, wat wij door Gods genade en met grote arbeid bekomen hebben.
7.
Wat zal er ten laatste van ons geworden, daar wij zo vroeg reeds
beginnen te verslappen? Wee ons, indien wij zo de rust willen zoeken, alsof wij
in veiligheid waren, daar tot nu toe geen teken van ware heiligheid in onze
handel te merken is. Ja, het ware wel nodig dat wij nog eens, als goede
beginnelingen, in goede werken opgeleid werden, om te beproeven of er soms nog
enige hoop ware om een toekomende beterschap en grotere vorderingen in de
deugd.
1) Psalm 24: 27
2) Psalm 65: 12
3) Psalm 61: 2
4) 2 Kor. 5: 4
Over het overwegen van de dood
1.
Welhaast zal het hier met u gedaan zijn;
zie maar eens hoe uw zaken staan:
heden leeft de mens en morgen is hij verdwenen. En is hij uit het oog
verdwenen, dan is hij weldra ook uit het hart. O botheid en dwaasheid van het
menselijk hart, dat alleen aan het tegenwoordige denkt en het toekomstige niet
beter voorziet! Gij moest in al uw werken en gedachten zó gedragen, alsof gij
heden sterven moest. Indien gij een goed geweten hadt, zoudt gij de dood weinig
vrezen. Het ware beter de zonden te schuwen, dan de dood te vluchten. Indien
gij heden niet bereid zijt, hoe zult gij het dan morgen zijn? De dag van morgen
is onzeker; en wat weet gij of het voor
u morgen zal worden?
2.
Wat baat het lang te leven, als wij ons zo weinig beteren? Ach! Een lang
leven voert niet altijd tot beterschap, maar dikwijls vermeerdert het de
schuld! Ach! Hadden wij op deze wereld maar één dag wèl geleefd! Velen
berekenen de jaren van hun bekering:
maar de vrucht van beterschap is dikwijls zo klein. Indien het sterven
schrikbarend is, denk dat het misschien nog gevaarlijker is langer te leven.
Indien gij ooit een mens hebt zien sterven denk dat gij ook dezelfde weg zult
gaan.
3.
Breekt de morgen aan, denk dat gij tot de avond niet zult leven. En is
de avond gevallen, wil u de dag van morgen niet verzekerd houden. Wees dan
immer bereid, en leef zó, dat de dood u
nooit onvoorbereid vinde. Vele mensen sterven plotseling en onvoorziens. Want
de Zoon des mensen zal komen, op het uur dat wij er het minst aan zullen denken
(1). Als dat uur gekomen zal zijn, dan zult gij over al uw voorgaande leven
geheel anders oordelen; en gij zult ten
uiterste droef zijn, omdat gij zo traag en zo onachtzaam zijt geweest.
4.
En hoe gelukkig is hij en hoe verstandig, die nu zodanig tracht te zijn
in het leven, als hij wenst bevonden te worden bij de dood. Volkomen verachting
der wereld, vurige begeerte naar vooruitgang in de deugd, liefde der
regeltucht, strengheid in het boete doen, vlijtigheid in het gehoorzamen,
verloochening van zichzelf, en geduld om alle tegenspoed te dragen ter liefde
van Christus, zullen een groot vertrouwen geven op een zalig sterven. Gij kunt
vele goede werken doen, terwijl gij gezond zijt; maar wat gij, ziek zijnde, zult kunnen doen,
weet ik niet. Weinigen beteren zich met ziek te zijn: gelijk er ook weinigen heiliger worden door
gedurige bedevaarten.
5.
Betrouw niet op vrienden en verwanten, en stel uw zaligheid niet uit tot
de toekomst: want de mensen zullen u
eerder vergeten dan gij meent. Het is geraadzamer er bijtijds in te voorzien,
en enige goede werken vooraf te zenden, dan op de hulp van een ander te bouwen.
Indien gij nu voor uzelf niet zorgt, wie zal namaals voor u bekommerd zijn? De
tijd is nu zeer kostbaar: Nu zijn het de
dagen van zaligheid, nu is het de bekwame tijd (2). Maar helaas! Hoe jammer,
dat gij die tijd niet beter waarneemt, waarin gij een eeuwig leven verdienen
kunt. De tijd zal komen, dat gij naar één dag, ja naar één uur verlangen zult
om u te beteren, en ik weet niet, of gij die verkrijgen zult.
6. Welaan dan, allerliefste, denk toch uit
welk gevaar gij uzelf kunt redden, hoe grote vrees gij kunt vermijden, met nu
altijd op uw hoede en bezorgd te zijn voor de dood. Tracht nu zó te leven dat
gij in het uur van uw dood u eerder moogt verblijden dan bevreesd te zijn. Leer
nu de wereld afsterven, om dan te gaan leven met Christus. Leer nu alles
versmaden, opdat gij dan ongehinderd tot Christus moogt oprijzen. Kastijd nu uw
lichaam met boetvaardigheid, opdat gij dan een vast vertrouwen moogt hebben.
7.
Ach, dwaze mens, waarom denkt gij lang te leven, daar gij niet één dag
zeker hebt? Hoevelen zijn bedrogen geweest en onvoorziens uit dit leven
weggerukt? Hoe dikwijls hebt gij horen vertellen: deze viel onder het zwaard, gene is
verdronken, deze van een hoogte stortend, heeft de hals gebroken; die is bij het eten gestorven, gene bij het
spelen? De ene is omgekomen door het vuur, een andere door het staal, een derde
door de pest, een vierde door rovershanden, en zo is aller einde de dood, en’s
mensen leven gaat voorbij als een schaduw (3).
8.
Wie zal u na de dood gedenken? En wie zal hier voor u bidden? O
allerliefste, doe nu alles wat gij kunt, want gij weet niet wanneer gij sterven
zult en gij weet ook niet wat er voor u en na de dood volgen zal. Terwijl gij
nog tijd hebt, verzamel u onsterfelijke rijkdommen. Houd u alleen met uw
zaligheid bezig; zorg alleen voor wat
God aangaat. Maak nu goede vrienden, met de Heiligen Gods te vereren, en hun
werken na te volgen; opdat, als gij uit
dit leven zult scheiden, zij u ontvangen in de eeuwige woonsteden (4).
9.
Houd u als een pelgrim en een vreemdeling op aarde (5), die zich de
dingen van deze wereld niet aantrekt. Houd uw hart vrij en altijd tot God
opgeheven, want gij hebt hier geen blijvende stad (6). Stuur uw gebeden en
dagelijkse zuchten der tranen naar de hemel, opdat uw ziel, na de dood,
gelukkig tot de Heer moge overgaan. Amen.
1) Luk. 12: 40
2) 2 Kor. 6: 2
3) Job 14: 2
4) Luk. 16: 9
5) 1 Petr. 1: 11
6) Hebr. 13: 14
Over het oordeel en de zondestraffen
1. Let
in alle dingen op het einde, en hoe gij voor die strenge rechter zult staan,
voor wie niets verborgen is, die met geen giften wordt omgekocht, en die geen
uitvluchten aanneemt, maar alles oordelen zal naar de rechtvaardigheid. O
ellendige en dwaze zondaar! Wat zult gij God antwoorden, die al uw zonden
kent; gij die somtijds de aanblik vreest
van een vergramde mens? Waarom neemt gij geen voorzorg tegen de dag van het
oordeel, alwaar niemand door een ander beschermd of vrijgepleit zal kunnen
worden, maar iedereen last genoeg zal hebben aan zichzelf. Nu is uw arbeid
vruchtbaar, uw wenen aangenaam, uw zuchten verhoord, uw droefheid verzoenend en
zuiverend.
2.
Hij heeft in dit leven een groot en zalig vagevuur, de verduldige mens,
die, het onrecht lijdende, bedroefder is voor de boosheid van een ander, dan
over eigen leed; die gaarne bidt voor
zijn tegenstrevers, en hun uit ter harte vergeeft het kwaad hem aangedaan; die zelf gewillig is om aan anderen
vergiffenis te vragen; die meer tot
medelijden genegen is dan tot gramschap;
die zichzelf dikwijls geweld aandoet, en het vlees aan de geest volkomen
tracht te onderwerpen. Het is beter zich nu van zijn zonden te zuiveren en zijn
gebreken uit te roeien, dan ze te bewaren om in het toekomende leven uitgeboet te worden. Voorwaar, wij bedriegen
onszelf door de ongeregelde liefde, die wij ons lichaam toedragen.
3.
Wat zal het eeuwig vuur anders verslinden dan uw zonden? Hoe meer gij nu
uzelf ontziet en uw vlees involgt, des te meer zult gij hiernamaals boeten en
zoveel te meer brandstof vergadert gij. Waar de mens meest in gezondigd heeft,
daar zal hij ook zwaarder in gepijnigd worden. Daar zullen de luiaards met
gloeiende prikkels voortgestuwd, en de gulzigaards met geweldige honger en
dorst gepijnigd worden. Daar zullen de onkuisaards en de genotbejagers met
ziedend pek en stinkende solfer overgoten worden: en de nijdigaards zullen als dulle honden
huilen van de pijn.
4.
Ieder zonde zal haar eigen pijn hebben. Daar zullen de hovaardigen met
schaamte overdekt, en de gierigaards met een allerbitterste armoede benauwd
worden. Daar zal één uur lijden zwaarder vallen, dan hier honderd jaren in de
allerstrengste boetvaardigheid. Hier staakt men somtijds het zwoegen, en geniet
men troost van vrienden; dáár integendeel
is geen rust, geen troost voor de verdoemden. Wees nu bekommerd en heb
leedwezen over uw zonden, opdat gij in de dag van het oordeel zonder angst
moogt zijn met de gelukzaligen. Want dan zullen de rechtvaardigen met grote
vrijmoedigheid zich verheffen over hen, die hen hier ten onrechte benauwd en
verdrukt hebben (1). Dan zal hij recht staan om te oordelen, die zich hier
ootmoedig onderwerpt aan de oordelen der mensen. Dan zal de arme en ootmoedige
een grootvertrouwen hebben, en de hovaardige zal van alle kanten met vrees
bevangen zijn.
5.
Dan zal blijken, dat hij hier zeer wijs is geweest, die om Christus
heeft leren dwaas en veracht te zijn. Dan zal het lijden, dat men geduldig zal
hebben verdragen, verheugen, en alle boosheid zal de mond sluiten (2). Dan
zullen alle godvrezenden zich verblijden, en de goddeloze zal in droefheid
gedompeld zijn. Dan zal het getuchtigde lichaam zich meer verheugen dan indien
het in de weelde ware gekoesterd geweest. Dan zal het grove kleed schitteren,
en het fijne kleed zal duister worden. Dan zal een arm hutteke meer geprezen
worden dan een van goud glinsterend paleis. Dan zal het standvastig geduld meer
helpen dan de macht van geheel de wereld. Dan zal de eenvoudige gehoorzaamheid
meer geprezen worden dan alle aardse arglistigheid.
6.
Dan zal een zuiver en goed geweten meer blijdschap geven dan hoge
geleerdheid. Dan zal de versmading der rijkdommen zwaarder wegen dan al de
schatten der aarde. Dan zult gij meer troost smaken om een godvruchtig gebed,
dan om een kostelijke maaltijd. Dan zult gij blijder zijn over een welbewaard
stilzwijgen, dan over lange gesprekken. Dan zullen de heilige werken van
meerder waarde zijn, dan schone woorden. Dan zal een streng leven en harde
boete meer behagen dan alle wereldse vermaken. Leer nu in ‘t kleine lijden,
opdat gij dan van het zwaardere bevrijd moogt zijn. Beproef eerst hier wat gij
namaal zult kunnen lijden. Kunt gij nu zo weinig verdragen, hoe zult gij dan de
eeuwige pijnen kunnen uitstaan? Indien een matig lijden u hier zo ongeduldig
maakt, wat zal de hel dan doen? Zie, gij kunt geen twee vreugden genieten: hier in de wereld uw vermaakt nemen, en
daarna met Christus heersen.
7.
Indien gij tot op de huidige dag toe in alle eer en weelde geleefd hadt,
wat zou dit alles u baten, indien gij nu op staande voet moest sterven? Alles
is dus ijdelheid, behalve God beminnen en Hem alleen dienen. Want die God uit
ganser harte bemint, vreest noch dood, noch pijn, noch oordeel, noch hel; wijl de volmaakte liefde veiliger toegang
geeft tot God. Maar het is geen wonder, dat hij, die nog vermaak schept in de
zonde, de dood en het oordeel vreest. Het is echter goed, indien de liefde Gods
u nog van de zonden niet wederhoudt, dat
de vrees der hel u beteugele. Doch, die de vrees Gods weinig acht, kan niet
lang in het goed volharden, maar hij zal welhaast in de strikken van de duivel
vallen.
1) Wijsh. 5: 1
2) P. CVI: 42
Over de ijverige verbetering van ons
leven
1. Waak
en wees naarstig in de dienst van God, en denk dikwijls: waarom zijt gij hier gekomen en hebt gij de
wereld verlaten? Is het niet om voor God te leven en een geestelijk mens te
worden? Wees dus vurig om vooruitgang te doen, want gij zult haast het loon van
uw arbeid ontvangen: en dan zal er noch
vrees, noch droefheid in uw uiterste meer zijn. Gij zult nu een weinig
arbeiden, en daarvoor zult gij een grote rust, ja een eeuwige vreugde genieten
(1). Indien gij getrouw en naarstig in het goed blijft, zal God ongetwijfeld
getrouw en overvloedig zijn in u te lonen. Gij moet altijd hopen en vast
betrouwen, dat gij de zegepalm zult bekomen;
maar gij moogt u niet voor verzekerd houden, ten einde niet lauw en
uitgelaten te worden.
2.
Zeker persoon, die dikwijls tussen vrees en hoop dobberde, was eens,
door weemoed overwonnen, naar de kerk gegaan. Daar knielde hij voor een altaar
om te bidden, en herhaalde bij zichzelf deze woorden: Ach, zo ik wist dat ik zou volharden tot het
einde toe! En terstond hoorde hij inwendig dit antwoord van God: Ware het dat gij dit wist, wat zoudt gij
willen doen? Doe nu wat gij dan zoudt doen, en gij zult ten volle gerust zijn.
En terstond getroost en gesterkt, gaf hij zich geheel over aan de wil van God,
en de angstige twijfel hield op. Hij was daarna niet meer nieuwsgierig om te
onderzoeken wat hem zou overkomen; maar
hij legde zich meer toe om de wil van God te kennen en wat het volmaaktste was
in zijn ogen (2), om alle goed werk wel te beginnen en te voltrekken.
3.
Hoop in de Heer en doe het goed, zegt de Profeet, en gij zult de aarde
in vrede bewonen en gevoed worden met haar rijkdommen (3). Iets wat vele mensen
wederhoudt om vooruitgang te doen, en zich volijverig te beteren, is de vrees
voor de inspanning of de moeite van de strijd. Inderdaad, zij gaan het meest
vooruit in de deugd, die kloekmoediger trachten te overwinnen wat hun het
tegenstrijdigste valt en het zwaarste. Want daarin maakt de mens grote
vorderingen en verdient meerdere genade bij God, waarin hij zichzelf meer
overwint en zijn geest versterft.
4.
Maar alle mensen hebben niet evenveel te overwinnen en te versterven.
Niettemin zal iemand, die oprecht ijverig is, meer toenemen in deugden, al
hadde hij meer driften, dan een ander die meer geregeld leeft maar niet zo
vurig is voor de deugd. Twee dingen helpen bijzonder voor gedurige beterschap,
te weten: zich met geweld onttrekken aan
iets waartoe de natuur verkeerd genegen is;
en vlijtig die deugd betrachten, die wij allermeest nodig hebben. Zorg
ook die dingen bijzonder te vermijden en te overwinnen, die u in anderen meest
mishagen.
5.
Behartig vooral de vooruitgang;
wanneer gij goede voorbeelden ziet of hoort, wees daartoe opgewekt om
die na te volgen. Maar indien gij iets berispelijks opmerkt, wacht u dat gij
hetzelfde bedrijft, of hebt gij het ooit gedaan, tracht u terstond daarin te
verbeteren. Gelijk uw oog op anderen in acht neemt, zo nemen ook anderen acht
op u. O hoe vertroostend en hoe zoet is het ijverige en godvruchtige broeders
te zien, vurige getrouwe onderhouders van hun regel. Maar hoe droevig en
pijnlijk valt het, zulken te zien, die ongeregeld leven, en die de taak niet
uitvoeren waartoe zij geroepen zijn? O hoe nadelig is het de plichten van zijn
roep te veronachtzamen, en zich bezig te houden met het niet opgelegde.
6.
Herinner u de hemelse levenstaak en stel u het beeld van de Gekruisigde
Jezus voor. Gij moogt met reden beschaamd worden, bij de aanblik van Jezus’
leven, wijl gij tot nog toe zo weinig gedaan hebt om aan hem gelijkvormig te
worden, ofschoon gij voorlang in de weg des Heren getreden zijt. Een
kloosterling, die zich ernstig en godvruchtig oefent op het allerheiligst leven
en lijden des Heren, zal daar overvloedig in vinden alles wat hem nuttig en
noodzakelijk is, en hij behoeft buiten Jezus niets beter te zoeken. O, indien
de gekruisigde Jezus in ons hart kwam, hoe spoedig zouden wij gans volleerd
zijn!
7.
Een ijverig kloosterling neemt wèl aan al wat hem bevolen wordt, en
draagt het gewillig. Maar een lauw en zorgeloos kloosterling heeft lijden op
lijden, en voelt van alle kanten benauwdheid;
want de inwendige troost ontbreekt hem, en de uitwendige te zoeken wordt
hem verhinderd. Een kloosterling die buiten zijn regel leeft, is in gevaar van
diep te vallen. Wie de vrijheid en gemakken zoekt, zal altijd in het nauw
zijn: Want het een of het ander zal hem
mishagen.
8.
Hoe doen zoveel andere kloosterlingen, die zeer nauw gebonden zijn door
de kloostertucht? Zij gaan zelden uit, zij leven afgescheiden, zij worden armoedig
gevoed en grof gekleed; zij arbeidden
veel, spreken weinig, waken laat, staan vroeg op, bidden lang, lezen veel, en
onderhouden in alles nauwkeurig de regel. Zie de Karthuizers, de
Cisterciënsers, en meer andere monniken, zo mannen als vrouwen, hoe zij alle
nachten opstaan om God lof te zingen. Het zou daarom voor u schandelijk zijn,
indien gij in een zo heilige tijd, wanneer zulk een schaar van kloosterlingen
God beginnen te loven, moest luieren.
9.
O, hadden wij toch niets anders te doen, dan God onze Heer met hart en
mond te loven! O, moesten wij toch nooit eten, drinken of slapen; maar mochten wij God onophoudelijk danken, en
ons alleen met geestelijke oefeningen bezig houden, dan zouden wij veel gelukkiger
wezen dan wij nu zijn, nu wij genoodzaakt zijn het lichaam in al zijn behoeften
te dienen. Och, bestonden die noodzakelijkheden niet, maar alleen de
geestelijke zielsverkwikkingen, die wij, helaas! nu maar zelden smaken.
10.
Als een mens zover gekomen is, dat hij bij geen schepsel zijn troost
zoekt, dan begint hij God eerst volkomen te smaken, en dan zal hij ook wel
tevreden zijn met alles wat er gebeuren zal. Dan zal hij zich met iets groots
niet verblijden, noch met iets kleins zich bedroeven, maar hij beveelt zichzelf
gans en vol betrouwen aan God, die hem alles in alles is, voor wie niets
verloren gaat of sterft, maar voor wie alles leeft en zonder uitstel
gehoorzaamt.
11.
Denk altijd op uw einde en dat de verloren tijd niet zal wederkeren. Zonder
zorg en naarstigheid zult gij nooit deugden bekomen. Wanneer gij begint te
verflauwen, dan zal ook de kwelling beginnen;
maar volhardt gij in de vurigheid, zo zult gij grote vrede vinden, en
zal de arbeid u minder zwaar vallen door de genade Gods en de liefde tot de
deugd. Een vurig en naarstig mens is tot alles bereid. Het is zwaarder moeite
aan de zonden en de driften te wederstaan, dan in het zweet van het aanschijn
te werken. Wie kleine gebreken niet vermijdt, zal langzamerhand in grotere vallen
(4). Gij zult ‘s avonds altijd blijdschap gevoelen, als gij de dag wèl hebt
doorgebracht. Waak over uzelf, wek uzelf op, vermaan uzelf, en hoe het ook met
anderen sta, verzuim nooit uzelf. Hoe meer geweld gij uzelf aandoet, des te
grotere vooruitgang zult gij doen in de deugd.
1) Eccl. 51: 31 2) Rom. 12: 2 3) Psalm 36: 3 4) Eccl. 19
Inhoud
1. Over het
inwendig gesprek met God
4. Over de
reinheid des harten en de eenvoudige mening
5. Over het
letten op zichzelf
6. Over de
vreugde van een goed geweten
7. Over de
liefde tot Jezus boven alles
8. Over de
gemeenzame vriendschap met Jezus
9. Over het
derven van alle troost
10. Over de dankbaarheid voor Gods genade
11. Over het
klein getal der minnaars van Jezus’ kruis
12. Over de
koninklijke weg van het heilig kruis
Over het inwendig gesprek met God
1.
Het rijk Gods in binnen u (1), zegt de Heer. Bekeer u uit geheel uw hart
tot God, en laat deze ellendige wereld varen, en uw ziel zal rust vinden. Leer
het uitwendige versmaden, en u op het inwendige begeven; en gij zult het rijk Gods in u zien komen.
Want het rijk Gods is vrede en blijdschap in de Heilige geest (2), en dat wordt
aan goddelozen niet gegeven. Christus zal tot u komen, en u zijn troost
openbaren, indien gij Hem een waardige woonstede in uw binnenste bereidt. Al
zijn glorie en schoonheid is inwendig (3), en in het binnenste heeft Hij zijn
behagen. Een inwendige mens bezoekt Hij dikwijls; Hij spreekt hem liefelijk aan, Hij troost hem
minnelijk, Hij geeft hem overvloedige vrede, en Hij houdt een gemeenzaamheid
die alle verbazing wekt.
2. Moed dan, getrouwe ziel, bereid uw hart
voor die Bruidegom, opdat Hij zich gewaardige tot u te komen en in u te wonen.
Want Hij spreekt aldus: Indien iemand
Mij liefheeft, hij zal mijn woorden onderhouden, en Wij zullen tot hem naderen,
en bij hem ons verblijf vestigen (4). Maak dan in uw hart plaats voor Christus,
en sluit alle andere dingen buiten. Als gij Christus bezit, dan zult gij rijk
zijn; Hij alleen zal u genoeg wezen. Hij
zal u van alles voorzien, en getrouw uw belangen behartigen zodat gij niet
nodig hebt op mensen uw hoop te stellen. Want de mensen veranderen licht, en
feilen eensklaps: maar Christus blijft
in eeuwigheid (5), en Hij helpt ons standvastig tot het einde toe.
3.
Daar is niet veel staat te maken op een broos en sterfelijk mens, al
moge hij u veel goed doen en uw vriend zijn. Ook moogt gij u niet zeer
bedroeven als hij somtijds u wederstreeft en tegenspreekt. Die heden met u
zijn, kunnen morgen tegen u opstaan, en omgekeerd, want zij draaien gelijk de
wind. Stel gans uw betrouwen op God, en dat Hij alleen uw vrees en uw liefde
zij. Hij zal voor u optreden, en zal alles ten beste schikken. Gij hebt hier
geen blijvende woonstede (6): waar gij
zijt, zijt gij een pelgrim en een vreemdeling, en gij zult geen rust smaken,
tenzij gij innig met Christus verenigd zijt.
4.
Wat wilt gij hier rondzoeken, aangezien het hier de plaats van uw rust
niet is? In de hemel moet uw woning zijn, en als in ‘t voorbijgaan, moet gij al
het aardse beschouwen. Alles gaat voorbij, en gij daarmede desgelijks. Zie toe
dat gij u daaraan niet hecht; om niet
gevangen te zijn en verloren te gaan. Uw gedachten zullen bij de Allerhoogste
zijn (7), en uw gebed moet zonder
ophouden tot Jezus Christus opklimmen. Indien het hemelse te verheven is voor
uw gedachten, berust dan in het lijden van Christus, en woont gaarne in zijn
heilige wonden. Want zo gij met liefde uw toevlucht neemt tot de wonden en
dierbare wondtekenen van Jezus, zo zult gij een grote versterking in het lijden
gevoelen; gij zult u weinig bekommeren
om de verachting der mensen en al hun lasterwoorden licht verdragen.
5.
Christus ook werd op de wereld door de mensen versmaad, en in zijn
grootste nood hebben zijn vrienden en bekenden Hem in de schande gelaten.
Christus heeft willen lijden en misacht worden en gij durft over iets te
klagen! Christus heeft vijanden en kwaadsprekers gehad, en gij wilt allen tot
vrienden en weldoeners hebben? Waarvoor zal uw geduld dan gekroond worden,
indien u geen tegenspoed overkomt? Indien gij geen tegenkanting wilt lijden,
hoe zult gij dan de vriend van Christus zijn?
Lijd met Christus en om Christus, indien gij
met Christus wilt heersen.
6.
Indien gij eens volkomen in Jezus’ binnenste waart doorgedrongen, en een
weinig van zijn brandende liefde gesmaakt hadt, dan zoudt gij u om eigen gemak
of ongemak weinig bekreunen, maar gij zoudt u eerder verblijden als gij
versmaad wordt, want de liefde van Jezus leert de mens zichzelf versmaden. Hij,
die Jezus en de waarheid bemint, die oprecht het inwendige leven beoefent en
vrij is van alle ongeregelde neigingen, mag zich met vrijheid des harten tot
God keren, in de geest zich verheffen boven zichzelf, en in genieting rusten.
7.
Hij, die alles acht zoals het werkelijk is, en niet zoals het door de
mensen geacht wordt, is waarlijk wijs, en meer onderricht door God dan door de
mensen. Wie in zijn binnenste weet te leven, en van de uitwendige dingen weinig
werk maakt, die zoekt naar geen plaats of wacht naar geen bepaalde tijden om
zijn godsvrucht te oefenen. Een inwendig mens keert spoedig tot zichzelf
terug; omdat hij zich nooit geheel
uitstort naar buiten. De uitwendige arbeid of bezigheid, die soms nodig is,
hindert hem niet; maar gelijk de dingen
voorvallen, schikt hij zich daarnaar. Wie van binnen wel gesteld is en
geregeld, bekommert zich niet om zonderlinge of ergerlijke daden van mensen. De
mens wordt zoveel belemmerd en verstrooid, als hij zich de uitwendige dingen
aantrekt.
8.
Indien gij van binnen wel en gans gezuiverd waart, zou alles u ten goede
strekken, en u tot voordeel dienen. Daarom mishagen en storen u dikwijls vele
dingen, omdat gij aan uzelf niet wel afgestorven zijt, en niet geheel onthecht
aan het aardse. Niets besmet en belemmert zozeer het hart van de mens, als
ongeregelde liefde tot de schepselen. Indien gij de uitwendige troost niet
zoekt, zo zult gij het hemelse kunnen beschouwen en dikwijls de inwendige
blijdschap gevoelen.
1) Luc. 17: 21 2) Rom. 14:
17 3) Ps. 44: 14 4) Joann. 14: 23 5) Joann. 12: 34 6) Hebr. 13: 14 7) Wijsh. 5: 16
Over nederige onderwerping
1. Acht
niet veel wie voor u of tegen u is; maar
maak met zorg dat God met u zij in alles wat gij doet. Bewaar een goed geweten,
en God zal u wel verdedigen. Want die God helpen wil, die kan niemands
boosaardigheid hinderen. Indien gij kunt lijden en zwijgen, zo zult gij zonder
twijfel de hulp van God gewaar worden. Hij kent de tijd en de wijze om u te
verlossen; daarom moet gij u op Hem
verlaten. Het is Gods werk hulp te bieden, en van alle beschaamdheid te
bevrijden. Het is dikwijls zeer dienstig, om onze ootmoed te vermeerderen, dat
andere mensen onze gebreken kennen en berispen.
2.
Als de mens zich verootmoedigt om zijn gebreken, dan stelt hij anderen
gemakkelijk tevreden, en hij verzoent zich licht met wie op hem vergramd waren.
God bewaart en verlost altijd de ootmoedige;
Hij bemint en vertroost de ootmoedige;
Hij neige zich tot de ootmoedige;
aan de ootmoedige geeft Hij grote genade, en na zijn verdrukking verheft
Hij hem tot de glorie. Aan de ootmoedige openbaart Hij zijn geheimen, en trekt
en lokt hem minzaam. Een ootmoedig mens bewaart de vrede, als hem enige
beschaming wordt aangedaan, want hij steunt op God, en niet op de wereld.
Over de vreedzame mens
1.
Stel uzelf eerst in vrede, en dan zult gij anderen ook tot vrede kunnen
stichten. Een vredelievend mens doet meer goed dan een groot geleerde. Een
driftig mens maakt van het goed kwaad en gelooft licht aan het kwaad. Een goed,
vreedzaam mens keert alles ten goede. Die wel tevreden is, heeft van niemand
kwaad vermoeden, maar die slecht tevreden en ontroerd is, wordt door veel kwade
vermoedens gekweld; hij is niet gerust,
en hij verontrust anderen. Hij zegt dikwijls wat hij niet moest zeggen, en laat
achterwege wat hij zou moeten doen. Hij let op wat de anderen verplicht zijn te
doen, en hij verzuimt zijn eigen plicht. Heb dan eerst ijver voor uzelf, en dan
zult gij met reden ook uw naaste tot ijver kunnen aansporen.
2.
Gij weet uw eigen daden wel te verschonen, en de verontschuldigingen van
anderen wilt gij niet aannemen. Het ware rechtvaardiger uzelf te beschuldigen,
en uw broeder te verschonen. Wilt gij dat men uw gebreken verdrage, verdraag
die van anderen. Zie hoe ver gij nog van de ware liefde en ootmoed verwijderd
zijt, waardoor men zich nooit vergramt of nooit verontwaardigd is dan tegen
zichzelf. Het is geen grote deugd, met goede en zachtmoedige mensen vreedzaam
te leven, dit behaagt natuurlijk aan alle mensen, want iedereen is gaarne in
vrede en bemint ook het meest die met hem overeenkomen. Maar in vrede kunnen
leven met stuurse, boosaardige en ongeregelde mensen, of met die, welke ons
dwarsbomen, dit is een grote gave en een grootmoedig en hoogst loffelijk
bedrijf.
3.
Daar zijn er, die met zichzelf, en ook met anderen in vrede zijn. En
daar zijn er, die zelf geen vrede hebben, en die anderen in vrede niet
laten; zij zijn voor de anderen lastig,
maar nog veel lastiger voor zichzelf. En daar zijn er, die zichzelf in vrede
behouden, en ook anderen trachten tot vrede terug te brengen. Nochtans geheel
onze vrede, in dit ellendig leven, bestaat in meer ootmoedige lijdzaamheid dan
in ‘t niet gevoelen van tegenheden. Wie best weet te lijden, zal de meeste
vrede hebben; hij is overwinnaar van
zichzelf, hij is meester van de wereld, vriend van Jezus Christus en erfgenaam
van de hemel.
Over de reinheid van het hart en de
eenvoudige mening
1.
Door twee vleugelen wordt de mens boven het aardse geheven, te
weten: door de eenvoud en door de
zuiverheid. Eenvoud moet in de mening zijn, en zuiverheid in het hart. De
eenvoud zoekt God, de zuiverheid vindt Hem en smaakt Hem. Geen goed werk zal u
zwaar vallen, indien gij inwendig vrij zijt van ongeregelde neiging. Indien gij
niets anders dan Gods welbehagen en het voordeel van de naaste beoogt en zoekt,
zo zult gij de inwendige vrijheid genieten. Indien uw hart oprecht was, dan zou
elk schepsel tot een spiegel van het leven dienen, en tot een boek van heilige
lering. Daar is geen schepsel, hoe klein en gering ook, of het vertoont in zich
de goedheid Gods.
2.
Indien gij van binnen goed en zuiver waart, dan zoudt gij alle dingen
zonder beletsel zien, en wel begrijpen. Een zuiver hart doordingt de hemel en
de hel. Zo iemand van binnen gesteld is, zo oordeelt hij over het uitwendige.
Is er ergens blijdschap in de wereld, zo geniet ze een mens die zuiver van hart
is. En is er ergens benauwdheid of zwarigheid, zo gevoelt een kwaad geweten ze
allermeest. Gelijk het ijzer, in het vuur geworpen, de roest verliest, en wit
gloeiend wordt, zo legt een mens, die zich tot God bekeert, alle traagheid af,
en verandert in een nieuwe mens.
3.
Als een mens begint te verflauwen, dan vreest hij een weinig inspanning,
en hij ontvangt gaarne uitwendige troost. Maar als hij zich volkomen begint te
overwinnen, en vroom in de weg des Heren te wandelen, dan acht hij licht, wat
hem tevoren zwaar scheen.
Over het letten op zichzelf
1.
Wij mogen onszelf niet teveel betrouwen, want dikwijls ontbreekt ons
genade en verstand. Een zwak lichtje maar schemert in ons, en dat verliezen wij
gauw door onachtzaamheid. Wij merken het dikwijls niet, dat wij
geestelijkerwijze zo blind zijn. Wij doen dikwijls kwaad, en nog erger, wij
willen ons verontschuldigen. Wij worden somtijds door onze driften gedreven, en
wij menen dat het ijver is. Wij berispen kleine gebreken in anderen, en onze
grovere misdrijven zien wij over ‘t hoofd. Wij gevoelen en wegen heel vlug wat
wij van anderen te lijden hebben; maar
wat anderen van ons uitstaan, merken wij niet. Wie goed en zuiver zijn eigen
leven oordeelde, zou ondervinden, dat hij geen reden heeft om een ander streng
te oordelen.
2.
Een inwendig mens stelt de zorg van zichzelf voor alle andere
zorgen; en die op zichzelf naarstig let,
zal licht over anderen zwijgen. Nooit zult gij tot innige godsvrucht geraken,
tenzij gij over de anderen stilzwijgt, en bijzonder op uzelf let. Indien gij
God en uzelf alleen voor ogen hebt, zo zal ‘t u weinig ontstellen, wat gij
uitwendig ziet. Waar zijt gij, als gij bij uzelf niet zijt? En als gij alles
doorlopen en uzelf verwaarloosd hebt, wat hebt gij dan gewonnen? Indien gij de
vrede en de ware ingetogenheid moet hebben, zo moet gij alle dingen ter zijde
stellen, en alleen u met uzelf bekommeren.
3.
Gij zult derhalve grote vorderingen maken, indien gij u van alle
tijdelijke zorg ontheven houdt. Gij zult sterk achteruitgaan, indien gij iets
tijdelijks op prijs stelt. Houd niets voor groot, voor verheven, voor
aangenaam, dan God alleen, of wat God aangaat. Acht al de troost, die u van
enig schepsel moge overkomen, als iets ijdels. Een Godbeminnende ziel versmaadt
al wat beneden God is. God alleen, die eeuwig en oneindig is, en die alles
vervult, is de troost der zielen en de ware blijdschap des harten.
Over de vreugde van een goed geweten
1.
De roem van de goed mens is het getuigenis van een goed geweten. Heb een
goed geweten, en gij zult immer blijde zijn. Een goed geweten kan zeer veel
verdragen en is welgemoed in ‘t midden van tegenspoed; maar een kwaad geweten is altoos in vrees en
in onrust. Gij zult zacht rusten, indien uw hart u niets te verwijten heeft.
Wil u niet verblijden tenzij gij wel gedaan hebt. Boze mensen genieten nooit
ware vreugde noch gevoelen de inwendige vrede;
want er is geen vrede voor de goddelozen, zegt de Heer. (1). Al zeggen
zij somtijds: Zie, wij zijn gerust, geen
kwaad zal ons overkomen; en wie zou ons
durven hinderen? (2). Geloof hun
niet: want de gramschap Gods zal
onverwachts oprijzen, en dan zullen hun werken worden te niet gebracht, en hun
plannen ten ronde gaan (3).
2.
Juichen bij het lijden, valt niet zwaar aan wie God bemint: want zich alzo verheugen, is zich verblijden
in het kruis des Heren (4). De roem is kort, welke door de mensen gegeven en
ontvangen wordt. De roem van de wereld is altijd gepaard met droefheid. Maar de
roem der braven is in hun geweten, en niet in de mond der mensen. De blijdschap
der rechtvaardigen is uit God en in God, en hun vreugde vloeit voort uit de
waarheid. Wie de ware en eeuwige vreugde ontvangt, acht de tijdelijke niet. En
die de tijdelijke roem najaagt, of niet uit ter harte versmaad, wees verzekerd
dat hij de eeuwige niet genoeg bemint. Hij geniet een grote rust des harten,
die zich aan lof of blaam niet gelegen laat.
3.
Hij die een zuiver geweten heeft, zal zeer licht tevreden zijn. Gij zijt
niet heiliger als gij geprezen wordt, noch slechter, als gij veracht wordt. Wat
gij zijt, dat zijt gij; en gij kunt door
het zeggen van anderen niet groter worden, dan gij zijt naar Gods getuigenis.
Indien gij bemerkt wat gij bij uzelf van binnen zijt, dan zult gij er u niet om
bekreunen wat de mensen van u zeggen. De mens ziet op het uiterlijk, maar God
ziet tot in het hart (5). De mens aanziet de werken, maar God onderzoekt de
mening. Altijd wèl doen, en weinig van zichzelf houden, dat is het kenmerk van
een ootmoedige ziel. Geen troost van enig schepsel zoeken, is het teken van
grote zuiverheid en van zielsvertrouwen.
4.
Wie van buiten nergens een gunstig getuigenis voor zich zoekt, toont dat
hij zichzelf geheel aan God heeft overgegeven. Want, gelijk Paulus zegt, niet hij, die zichzelf prijst, is lofwaardig,
maar die door God geprezen wordt (6). Met God inwendig verkeren, en aan niets
uitwendigs gehecht zijn, is de gesteltenis van een geestelijke mens.
(1) Is. 68: 22 en 67: 22 (2) Jeruzalem. 5: 12 (3) Ps. 145: 4 (4)Gal. 6: 14 (5)
1 Kon. 16: 7 (6) 2 Kor. 10: 18
Over de liefde tot Jezus boven alles
1. Zalig
die begrijpt wat het is Jezus te beminnen, en zichzelf te versmaden om Jezus.
Men moet om die Beminde alles verlaten wat men bemint; want Jezus alleen wil boven alles bemind
worden. De liefde van de schepsels is bedrieglijk en onbestendig: de liefde van Jezus is getrouw en
onvergankelijk. Die aan ‘t schepsel gehecht is, zal met het broos schepsel
vallen: die Jezus aanhangt, zal
onwrikbaar staan voor altijd. Bemin Hem en houd Hem te vriend, die u niet zal
verlaten als allen u afvallen, en die niet zal dulden dat gij in het einde
verloren gaat. Hetzij gij het wilt of niet, gij moet eens van alles scheiden.
2.
In leven en dood houd u aan Jezus vast;
en beveel u alleen aan de getrouwheid van Hem, die alleen u helpen kan,
als alles u zal verlaten. Uw Beminde is van die aard, dat Hij met niemand
anders uw liefde delen wil: maar Hij wil
uw hart alleen hebben, en daar wil Hij zetelen als koning op zijn eigen troon.
Indien gij u wist te ontmaken van alle schepselen, zo zou Jezus gaarne met u
wonen. Gij zult het haast altemaal verloren moeite vinden wat gij buiten Jezus
op mensen laat steunen. Betrouw of steun op geen ander zwaaiend riet, want alle
vlees is als gras, en al zijn glorie zal gelijk de grasbloem te niet gaan (1).
3.
Gij zult u haast bedrogen vinden, indien gij alleen let op de uitwendige
schijn der mensen. Indien gij in hen troost en voordeel zoekt, zult gij veelal
niets vinden dan schade. Indien gij in alles Jezus zoekt, zo zult gij zeker
Jezus vinden. Maar indien gij uzelf zoekt, dan zult gij ook uzelf vinden, doch
tot uw ondergang. Want een mens, als hij Jezus niet zoekt, is aan zichzelf
schadelijker dan geheel de wereld en al zijn vijanden.
(1) Is. 40: 6
Over de gemeenzame vriendschap met
Jezus
1.
Als Jezus bij ons aanwezig is, dan gaat alles wel, en niets schijnt er
lastig; maar wanneer Jezus bij ons niet
is, dan valt alles hard. Als Jezus binnen ons niet spreekt, zo is andere troost
niets waard; maar als Jezus een enkel
woord binnen ons spreekt, o dan gevoelt men grote troost. Rees Maria-Magdalena
niet aanstonds op van de plaats waar zij weende, als haar zuster Martha haar
zeide: De Meester is daar, en Hij roept
u? (1) O zalig uur wanneer Jezus ons roept uit de tranen tot de blijdschap van
de geest! Hoe dor en gevoelloos zijt gij zonder Jezus! Hoe dwaas en hoe ijdel,
wanneer gij iets zoekt buiten Jezus! Is dit geen groter verlies, dan indien gij
de gehele wereld verloort?
2.
Wat kan de wereld u baten zonder Jezus? Zonder Jezus te blijven is een
nare hel; en met Jezus te zijn, is een
zoet paradijs. Als Jezus met u is kan geen vijand u deren. Wie Jezus vindt,
vindt een goede schat, ja een goed boven alle goed. En wie Jezus verliest,
verliest veel en zeer veel, ja meer dan geheel de wereld. Hij is arm, die
zonder Jezus leeft, en overvloedig rijk, die wèl staat met Jezus.
3.
Het is een grote kunde met Jezus wèl weten te verkeren; en het is een grote voorzichtigheid, Jezus te
bewaren. Wees ootmoedig en vreedzaam, en Jezus zal met u zijn. Wees godvruchtig
en stil, en Jezus zal met u blijven. Gij kunt Jezus licht verwijderen, en zijn
genade verliezen, als gij u naar ‘t uitwendige wilt keren. En als gij Hem
verjaagt en verloren hebt, tot wie zult gij dan uw toevlucht nemen en wie zult
gij dan tot vriend kiezen? Zonder vriend kunt gij niet gelukkig leven; en indien Jezus voor u niet de beste vriend
is, zo zult gij uzelf te verdrietig en verlaten vinden. Gij handelt dan zeer
dwaas, indien gij in iemand anders uw betrouwen stelt of uw blijdschap. Het zou
beter zijn, de gehele wereld tegen u te hebben, dan in ongenade met Jezus te
zijn. Dat dan, onder allen die u dierbaar zijn, Jezus alleen uw bijzondere
vriend en welbeminde zij.
4.
Bemin alle mensen om Jezus, maar Jezus om Hemzelf. Jezus Christus alleen
moet met voorkeur bemind worden, want Hij alleen is een goede en getrouwe
vriend onder alle vrienden. Om Hem, en in Hem moet gij vrienden en vijanden
liefhebben, en gij moet hem voor hen allen bidden, opdat allen Hem mogen kennen
en beminnen. Begeer nooit boven anderen geprezen of bemind te worden; want dat komt God alleen toe, die zijns
gelijke niet heeft. Begeer ook niet, dat iemand in zijn hart met u bekommerd
zij, en wees gijzelf niet met iemands liefde ingenomen; maar (wens) dat Jezus in u en in alle mensen
goed leve.
5.
Wees zuiver en vrij van hart, zonder gehechtheid aan enig schepsel. Gij
moet van alles ontbloot zijn, en een zuiver hart tot God opdragen, indien gij
wilt rusten en smaken hoe zoet de Heer is (2). En voorwaar gij zult daartoe
niet geraken, tenzij zijn genade u voorkome en u meetrekke, zodat gij, van
alles ontmaakt en afgescheiden met Hem alleen verenigd zijt. Want als de genade
Gods tot de mens komt, wordt hij tot alles in staat gesteld, en wanneer zij
zich van hem verwijdert, dan wordt hij arm en krank, en als geheel overgelaten
aan geselslagen. Doch zelfs in deze staat moet hij niet kleinmoedig zijn of
wanhopen; maar hij moet met gelatenheid
zich schikken naar de wil van God en alles wat hem overkomt verdragen ter ere
van Jezus Christus; want op de winter
volgt de zomer, na de nacht komt de dag terug, en na het onweer zonneschijn.
1) Joh. 11: 28 2) Ps. 33: 9
Over het derven van alle troost
1.
Het is niet zwaar de menselijke troost te verachten, zolang de
goddelijke troost ons bijblijft. Maar het is groot ja zeer groot, zowel de
goddelijke als de menselijke troost te kunnen derven, en ter ere Gods gaarne de
ballingschap des harten te willen verduren, en zichzelf in niets te zoeken of
zijn eigen verdiensten niet te achten. Is het iets bijzonders dat gij vrolijk
en godsdienstig zijt, als de genade in u komt? Die stond is begeerbaar voor
allen. Hij reist zeer makkelijk, die de genade Gods voortdraagt. En het is ook
geen wonder, dat hij geen last gevoelt, die door de Almogende gedragen wordt,
en geleid door de opperste Leidsman.
2.
Wij hebben gaarne iets tot troost;
en de mens ontdoet zich bezwaarlijk van zichzelf. De heilige martelaar
Laurentius heeft de wereld overwonnen, alsmede de gehechtheid aan zijn
opperpriester, omdat hij alles, wat in de wereld vermakelijk scheen, versmaad
heeft; ja zelfs verdroeg hij gelaten,
dat Gods opperpriester Sixtus, die hij zo beminde, van hem weggenomen werd. Hij
heeft dan de liefde van de mens overwonnen door de liefde van de Schepper; en hij heeft de wil van God verkozen boven de
menselijke troost. Leer dan ook een teerbeminde, een boezemvriend verlaten, om
de liefde Gods. Bedroef u niet, wanneer gij door een vriend verlaten wordt, wel
wetende dat wij ten laatste allen toch eens moeten scheiden.
3.
De mens moet veel en lang in zijn binnenste strijden, eer hij zich
geheel kan overwinnen, en al zijn genegenheid tot God keren. Zolang de mens op
zichzelf steunt, zo is hij licht tot menselijke troost geneigd. Maar de ware
vriend van Christus, en de ijverige betrachter der deugd, acht geen
vertroostingen en zoekt geen zinnelijke zoetigheden, maar veeleer zware
oefeningen, en zware arbeid te lijden voor Christus.
4.
Als u dus geestelijke vertroosting door God gegeven wordt, neem die met
dankbaarheid aan; maar bedenk, dat het
Gods geschenk is, en niet uw verdienste. Wil er u niet om verheffen, of u er
over verblijden, noch te veel laten voorstaan:
maar verootmoedig u te meer over de gift, en wees omzichtiger, en
behoedzamer in al uw werken; want dat
uur zal voorbijgaan, en de bekoring zal volgen. Als u de vertroosting
onttrokken wordt, wees daarom niet wanhopig;
maar wacht met ootmoed en geduld het hemels bezoek af; want Hij is machtig om u nog groter
vertroosting te hergeven. Dit is geen nieuws of niets vreemds voor hen, die in
de weg des Heren ervaren zijn; de
grootste Heiligen en de Profeten van het Oud Verbond hebben dikwijls deze
afwisseling ondervonden.
5.
Daarom sprak een van hen, als hij de troost van de genade gevoelde: "In mijn overvloed heb ik gezegd: ik zal in eeuwigheid niet wankelen."(1)
Maar wat hij in zich ondervond, als hem de genade onttrokken werd, laat hij
volgen in deze woorden: "Gij hebt
uw aanschijn van mij afgekeerd, en ik ben ontroerd geworden"(2). Hij is
nochtans niet wanhopig te midden van deze ontsteltenis, maar hij bidt God des
te vuriger, en zegt: "O Heer, tot U
zal ik roepen, en ik zal mijn God smeken" (3). En ten laatste oogst hij de
vrucht van zijn gebed, en getuigt dat hij verhoord werd, als hij zegt: "De Heer heeft geluisterd, en heeft
medelijden met mij gehad; de Heer is
mijn Helper geworden"(4). Maar waarin? "Gij hebt, zegt hij, mijn
wenen in blijdschap veranderd, en mij met vreugde omringd" (5). Indien het
met grote Heiligen aldus gegaan is, zo moeten wij, die krank en arm zijn, niet
kleinmoedig worden, al is het dat wij nu eens vurig, en dan weder koud
worden; want de geest Gods komt en gaat
weg volgens het welbehagen van zijn wil. Daarom zegt de heilige man Job: "Gij bezoekt de mens van de dageraad af,
en eensklaps beproeft Gij hem" (6).
6.
Waar mag ik dan mijn hoop in stellen, of waar mag ik mij dan op
verlaten, tenzij alleen op de grote barmhartigheid Gods, en op de verwachting
van de hemelse genade. Want er mogen al goede mensen zijn en godvruchtige
medebroeders, en getrouwe vrienden, heilige boeken, schone verhandelingen of
zoete gezangen, dat alles kan maar weinig helpen en bevallen, wanneer mij de
genade verlaten heeft, en ik aan mijn eigen armoede ben overgelaten. Dus is er
geen beter middel dan verduldig te zijn, en mijzelf aan de wil van God over te
geven.
7.
Nooit heb ik iemand gevonden, zo godvruchtig en zo ijverig of somtijds
ondervond hij onttrekking van genade, en gevoelde vermindering van vurigheid.
Nooit is er een Heilige zo hoog opgetogen en verlicht geweest, of hij is vroeg
of laat met kwelling beproefd geworden. Want hij is onwaardig hoog in
beschouwing opgetogen te worden, die te voren om God niet is beproefd geweest
door enig lijden en zwarigheid. Ook is de bekoring meestal een voorteken dat de
troost volgen zal. Want de hemelse vertroosting wordt beloofd aan die door de
bekoring beproefd zijn. "Wie overwint,
zegt de Heer, zal Ik te eten geven van de boom des levens" (7).
8.
En de goddelijke troost wordt gegeven, opdat de mens sterker worde om
alle zwarigheden te verdragen. En dan volgt weder de bekoring, opdat hij zich
niet verheffe over het goed. De duivel slaapt niet, en ons vlees is ook niet
verstorven: daarom houd niet op u tot de
strijd te bereiden; want ter rechter en
ter linkerzijde hebt gij vele vijanden, die nimmer rusten.
(1) Ps. 29: 7 (2)
Ps. 29: 8 (3) Ps. 29: 9 (4) Ps. 29: 11 (5) Ps. 29: 12 (6) Job 7: 18 (7) Apoc. 2: 7
Over de dankbaarheid van Gods genade
1.
Waartoe zoekt gij rust, daar gij geboren zijt om te arbeiden? (1).
Bereid u meer tot lijden dan tot verblijden, meer om uw kruis te dragen, dan om
vreugde te genieten. Wie van de wereldse mensen zelfs zou niet gaarne
vertroostingen en geestelijke blijdschap aannemen, indien hij ze altoos kon
bekomen? Want de geestelijke vertroostingen gaan alle wereldse genoegens en
lichamelijke lusten verre te boven. Al de genoegens dezer wereld zijn of ijdel
of schandelijk: de geestelijke genietingen
zijn alleen eerbaar en vermakelijk, als voortkomende uit de deugd, en door God
ingestort in de zuivere harten. Maar niemand kan de goddelijke vertroostingen
altijd naar eigen behagen genieten, want de tijd der bekoring houdt nooit lang
op.
2. Doch
een valse vrijheid van geweten en een groot zelfbetrouwen beletten zeer de
hemelse bezoeken.
God doet wèldaad, met de genade der
vertroosting de schenken; maar de mens
handelt kwalijk, als hij Hem niet alles wedergeeft door de dankzegging. En,
daarom vloeien de gaven der genaden in ons niet wijl wij jegens God ondankbaar
zijn en wij niet alles wedersturen tot de Bronwel. Want hij verdient altijd
nieuwe genaden, die naar de eis dankbaar is;
maar God ontneemt de hovaardige, wat hij gewoonlijk aan de ootmoedige
geeft.
3.
Ik wil de vertroosting niet, die mij de vermorzeling des harten beneemt,
en ik begeer geen beschouwing, die tot hovaardigheid voert. Want niet al het
hoge is heilig, en niet al het zoete goed:
alle wensen zijn niet rein en niet al het liefelijke aangenaam aan God.
Ik ontvang gaarne zulke genade, waardoor ik altijd ootmoediger, godvrezender en
bereidwilliger word om mijzelf te verloochenen. Die onderwezen is door de
genade, en dikwijls gekastijd door de onttrekking van die genade, zal zichzelf
niets goeds durven toeschrijven; maar
zal zich eerder naakt en arm belijden. Geef God wat God toekomt (2), en schrijf
aan uzelf toe wat het uwe is: bedank God
voor zijn genaden, en belijd dat gij aan uzelf alleen de zonden en billijke
straf voor de zonde te wijten hebt.
4.
Stel u altijd op de laatste plaats (3), en de eerste zal u gegeven
worden; want het verhevenste kan zonder
het nederigste niet bestaan. De grootste heiligen bij onze Heer staan
allerlaagst bij zichzelf; hoe meerder
zij verheven worden, hoe nederiger zij van hart zijn. Daar zij vervuld zijn met
de waarheid en hemelse glorie, zo zoeken zij geen ijdele glorie. Daar zij in
God wel gevestigd zijn, kunnen zij geenszins hovaardig zijn. Wijl zij aal goed
aan God toeschrijven, zo begeren zij niet geprezen te worden van elkander, maar
zij zoeken alleen de glorie, die van God komt (4). En zij begeren en wensen,
dat God in hen en in alle heiligen boven al geprezen worde, en altoos streven
zij naar dit.
5.
Wees God dan dankbaar voor de minste weldaad, en gij zult waardig worden
grotere gaven te ontvangen. Houd de allerminste genade voor zeer groot, en het
meer onaanzienlijke voor een bijzondere weldaad. Als men de waardigheid van de
Gever inziet, zo zal geen gave slecht of klein wezen; want het kan niet klein wezen, wat door de
Allerhoogste gegeven wordt. Ja, al is het dat Hij ons straffen en plagen
overzendt, wij moeten die in dank aannemen;
want al wat Hij ons laat overkomen, is dienstig voor onze zaligheid. Wie
dan de genade Gods zoekt te behouden, moet dankbaar zijn voor geschonken
genade, verduldig als hem die onttrokken wordt, bidden, opdat zij wederkome,
voorzichtig en ootmoedig zijn, om ze niet te verliezen.
(1) Job 5: 7 (2) Luk. 14
(3) Luk. 14 (4) Joh. 5: 44
Over het klein getal der minnaars van
Jezus’ kruis
1.
Velen zijn er die naar het hemels rijk van Jezus verlangen, maar
weinigen die zijn kruis willen dragen. Hij heeft er velen, die zijn
vertroosting, maar weinigen die zijn lijden zoeken. Hij vindt er velen met Hem
aan tafel en weinigen, die met Hem willen vasten. Zij willen zich allen met Hem
verblijden; maar weinigen willen voor
Hem iets lijden. Velen volgen Jezus tot het breken van het brood; maar weinigen tot het drinken van de
lijdenskelk. Velen vereren zijn mirakelen, maar weinigen volgen Hem in de smaad
van zijn kruis. Velen hebben Jezus lief, zolang hun geen tegenspoeden
overkomen. Velen danken en zegenen Hem, zolang zij enige vertroosting van Hem
ontvangen. Maar als Jezus zich verbergt, en hen een tijdje verlaat, dan vallen
zij in klachten of in grote neerslachtigheid.
2.
Maar die Jezus beminnen om Jezus zelf en niet om hun eigen troost,
zegenen Hem in alle lijden en zwarigheid zowel als in de allerzoetste
vertroostingen. En al wilde Hij hun nooit troost verlenen, nog zouden zij Hem
altijd willen loven en danken.
3.
Ach, hoe krachtig is niet de reine liefde van Jezus, wanneer zij niet
gemengd is met eigenliefde of eigenbelang! Mogen zij, die altijd vertroostingen
zoeken, dan niet met recht loonknechten genoemd worden? Tonen zij niet, die
altijd eigenbaat en voordelen in het oog houden, dat zij eerder minnaars zijn
van zichzelf dan van Jezus Christus. Waar zal men iemand vinden, die God om
niet wil dienen?
4.
Zelden wordt er iemand zó verstorven gevonden dat hij van alles ontbloot
is. Want waar zult gij iemand vinden, die oprecht arm van geest is, onthecht
van alle schepsel? Verre en tot de uiterste grenzen is deze schat te zoeken
(1). Want al gaf iemand al zijn vermogen, dat betekent nog niets. En al deed
hij grote boetvaardigheid, dat is nog onbeduidend. Al is hij ervaren in alle
wetenschap, daar is hij niet veel mede gevorderd. En al bezat hij een grote
deugd, en een zeer vurige godsvrucht, nog ontbrak hem veel: één zaak, die hem hoogst nodig is. En wat is
dat? Het is dat hij alles verlaten hebbende, zichzelf verzake, en niets
overhoude van de eigenliefde. En na alles te hebben gedaan wat hij wist te
moeten doen, hij dan nog denke niets gedaan te hebben.
5.
Dat hij weinig achte wat voor groot aangezien zou kunnen worden; maar dat hij oprecht erkenne, dat hij een
onnutte knecht is, gelijk de Waarheid zelf zegt: "Wanneer gij alles gedaan hebt, wat u
bevolen is, zo zegt: wij zijn onnutte
knechten (2). Dan zal hij in geestelijke zin arm en naakt kunnen zijn, en met
de profeet mogen zeggen: "Ik ben
alleen, en ik ben arm" (3).
Nochtans is er niemand rijker, niemand machtiger, niemand vrijer dan hij, die
zichzelf en alles weet te verzaken, en zich op de laagste plaats kan stellen.
(1) Prov. 31: 10 (2) Luk. 17: 10 (3) Ps. 24: 16
Over de koninklijke weg van het
heilig Kruis
1.
Velen schijnt dit een hard woord:
Verloochen uzelf, neem uw kruis op, en volg Jezus (1). Maar het zal veel
harder om te horen zijn dit laatste woord:
"Gaat van mij, vervloekten, in het eeuwig vuur"(2). Want die
nu gaarne het woord omtrent het kruis horen en opvolgen, zullen alsdan niet
moeten vrezen voor het vonnis der eeuwige verwerping. Dat kruisteken zal in de
lucht verschijnen, wanneer de Heer zal komen om te oordelen. Dan zullen alle
dienaren van het kruis, die zich hier in hun leven aan de gekruisigde hebben
gelijkvormig gemaakt, met groot vertrouwen de rechter treden.
2.
Waarom dan vreest gij nu het kruis op te nemen, waarmee men tot het
eeuwig rijk komt? In het kruis ligt zaligheid, in het kruis het leven, in het
kruis bescherming tegen de vijanden, in het kruis een vloed van bovenaardse
zoetheid, in het kruis de sterkte van het hart, in het kruis vreugde van geest,
in het kruis het toppunt der deugd, en de volmaakte heiligheid. Daar is geen
behoud voor onze ziel, of geen hoop op het eeuwig leven, dan in het kruis.
Neem dan het kruis op, en volg Jezus, en gij
zult het eeuwig leven ingaan. Hij is voorop gegaan, dragende zijn kruis, en Hij
is voor u aan het kruis gestorven, opdat gij ook uw kruis zoudt dragen, en
volgaarne sterven aan het kruis. Want indien gij met Hem sterft, zo zult gij
ook met Hem leven; en indien gij zijn
deelgenoot zijt in de smarten, zult gij het ook zijn in de glorie" (3).
3.
Zie, alles bestaat dan in het kruis, en in te verstervenis het al
gelegen; en daar is geen andere weg tot
het leven en tot de ware inwendige vrede, dan de weg van het H. Kruis en van de
dagelijkse versterving.
Ga heen waar gij wilt, zoek wat gij wilt, en
gij zult omhoog geen verhevener weg, of beneden geen veiliger weg vinden dan de
weg van het H. Kruis. Beschik en regel alles volgens uw wil en goeddunken, en
gij zult bevinden dat gij altoos iets moest lijden, hetzij met zin of
tegenzin: en zo zult gij altijd een
kruis vinden. Want, of gij zult een pijn gevoelen in uw lichaam, of enig
geestelijke kwelling in uw ziel verduren.
4.
Somtijds zult gij van God verlaten zijn, dan weder door de naaste
gekweld worden, en wat meer is, dikwijls zult gij uzelf tot last dienen. En
nochtans zult gij door geen enkel red- of troostmiddel verlost of verlicht
kunnen worden, maar gij moet het verdragen zolang het God zal believen. Want
God wil, dat gij leert bekoringen verdragen zonder vertroosting; en dat gij u gans aan Hem onderwerpt, en
ootmoediger wordt door het lijden. Niemand beseft Christus’ lijden zo
hartelijk, als hij die ook iets geleden heeft. Het kruis is dan altoos bereid,
en het wacht u overal. En waar gij ook lopen moogt, gij kunt het niet
ontvluchten; want waar gij ook komt,
draagt gij uzelf altijd mede, en gij zult uzelf altijd vinden. Hef u opwaarts,
buig u nederwaarts, keer u buitenwaarts of binnenwaarts, en overal zult gij uw
kruis vinden. En gij moet overal het geduld oefenen, indien gij de inwendige
vrede bezitten wilt, en de eeuwige kroon verdienen.
5.
Indien gij het kruis gewillig draagt, het zal u ook dragen en het zal u
brengen naar het gewenste einddoel, waar het lijden zal ophouden, maar dat zal
niet hier zijn. Indien gij uw kruis ongewillig draagt, zo makt gij u een last,
en gij belaadt u nog zwaarder; en
evenwel moet gij het toch dragen. Indien gij een kruis afwerpt, zult gij er
buiten twijfel een ander vinden, en misschien nog zwaarder.
6.
Meent gij te ontgaan wat nooit één sterveling heeft kunnen vermijden?
Welke Heilige is er in deze wereld vrij geweest van kruis en lijden? Onze Heer
en onze God, Jezus Christus zelf, is nooit een enkel uur zonder lijdenssmart
geweest, zolang Hij geleefd heeft. Gelijk Hij zelf zegt: "Het stond vast dat Christus moest
lijden, en van de dood verrijzen, en alzo tot zijn heerlijkheid
ingaan" (4). En gij, hoe zoekt gij
dus een andere weg dan deze koninklijke weg, de weg van het H. Kruis.
7.
Geheel het leven van Jezus Christus is een gedurig kruis en lijden
geweest; en voor u zoekt gij rust en
blijdschap! Gij dwaalt, zo gij iets anders zoekt dan gekweld te worden en te
lijden; want gans dit sterfelijk leven
is vol ellende en overal bezet met kruisen. En hoe meer iemand, in het
geestelijk leven gevorderd is, des te zwaarder kruisen hij dikwijls vindt; omdat door zijn liefde de druk van zijn
verbanning aangroeit.
8.
Nochtans is iemand, door zoveel lijden beproefd, niet van opbeuren en
troost verstoken, omdat hij beseft dat hem met het dragen van zijn kruis vele
vruchten toekomen. Want daar hij zichzelf gewillig onder het kruis buigt zo
wordt alle last van kwelling, veranderd in vertrouwen op goddelijke troost. En
hoe meer zijn vlees door het lijden afgemat wordt, des te meer wordt zijn geest
versterkt door de inwendige genade. Ja, somtijds wordt hij zodanig versterkt
door de liefde voor lijden en tegenspoed, uit zucht naar overeenstemming met de
gekruisigde Christus, dat hij zonder pijn of kwellingen niet zou willen
zijn: want hij gelooft dat hij God
zoveel te aangenamer is, hoe meer hij voor Hem kan lijden. Dit is geen werk van
mensenkracht, maar van Gods genade, die op de boze mens zoveel uitwerkt dat hij
uit geestelijke vurigheid dat aanneemt en bemint, waar hij van natuur altijd
een afkeer en schrik van heeft.
9.
Het is zeker geen mensenwerk, het kruis te dragen, het kruis te
beminnen, het lichaam te kastijden en te brengen onder bedwang, de eer te
vlieden, gaarne versmaadheden te verdragen, zichzelf te minachten en wensen
door anderen misacht te worden, alle tegenspoed en schade te lijden, en geen de
minste voorspoed in de wereld te begeren. Dus indien gij uzelf beziet, kunt gij
door eigen krachten niets van die aard uitvoeren. Maar indien gij op de Heer
vertrouwt,, zo zal u uit de hemel sterkte gegeven worden, en de wereld en het
vlees zullen u onderworpen zijn. Zelfs zult gij de helse vijand niet vrezen,
als gij gewapend zijt met een vast geloof, en getekend met het kruis van
Christus.
10. Bereid
u dan, als goed en trouw dienaar van Christus, om het kruis van uw Heer, die
uit liefde voor u gestorven is, moedig te dragen. Bereid u om veel tegenspoed
en ongemakken in dit ellendig leven te lijden:
want zó zal uw lot zijn waar gij ook verblijven moogt; en zó zult gij ‘t in werkelijkheid bevinden,
in welke plaats gij u ook verbergt. Het moet zo zijn: en er is geen hulpmiddel voor zovele
kwellingen, dan dat gij u daarin getroost. Drink met blijdschap de kelk des
Heren, indien gij Zijn vriend wilt zijn, en met Hem deel hebben in zijn rijk.
Beveel de vertroostingen aan God; laat
Hem daarmede doen gelijk het Hem belieft. Maar gij, zet er u toe om kwellingen
te lijden, en houd ze voor grote vertroostingen; want de pijnen en het lijden van deze tijd
zijn niet te vergelijken bij de toekomende glorie (5), al zoudt gij ze alle
kunnen lijden.
11.
Als gij zover gekomen zult zijn, dat u het lijden om Christus’ wil zoet
en smakelijk is, reken dan dat het u welgaat, want gij hebt een paradijs
gevonden op aarde. Zolang het leven u zwaar valt, en gij het zoekt te ontgaan,
zolang zult gij het kwaad hebben, en beduchtheid voor leed zal u overal volgen.
12.
Indien gij u toelegt op wat gij zijn moet, namelijk om te lijden en te
sterven, zo zal het met u welhaast beter gaan, en gij zult rust vinden. Al
waart gij met Petrus opgetogen tot de derde hemel, nog zijt gij niet beveiligd
voor alles wat tegenstaat: Ik zal hem
tonen, zegt Jezus, hoeveel hij om mijn naam moet lijden (6). Daar blijft u
niets over dan te lijden, indien gij Jezus wilt beminnen en voor altoos dienen.
13.
Och, of gij waardig waart voor de naam van Jezus iets te lijden! Wat
grote heerlijkheid zou u te wachten zijn, wat vreugde voor alle Heiligen Gods
en hoeveel stichting ook voor uw naaste! Want alle mensen prijzen de
lijdzaamheid, alhoewel er weinigen zijn, die iets willen lijden. Met recht
zoudt gij gaarne iets voor Christus moeten lijden, aangezien er zovelen zijn,
die wat ergers lijden voor de wereld.
14.
Houd voor zeker, dat uw leven een gedurig afsterven moet zijn; en dat hoe meer de mens zichzelf afsterft,
hoe meer hij voor God begint te leven. Niemand is bekwaam het hemelse te
begrijpen, tenzij hij zich ootmoedig onderwerpe om leed te verdragen voor
Christus. Daar is niets aangenamer aan God, en niets is voor u heilzamer in
deze wereld, dan blijmoedig te lijden voor Jezus Christus. En indien gij te
kiezen hadt, zoudt gij eerder moeten wensen tegenspoed te lijden voor Christus,
dan met vele vertroostingen te worden verkwikt:
want zo zoudt gij aan Christus en aan alle Heiligen meer gelijkvormig
zijn. Want onze verdiensten en onze vooruitgang in onze roeping bestaan niet in
vele zoetigheden en vertroostingen: maar
eerder in grote zwarigheden en harde kwellingen te verdragen.
15.
Ware er iets beter, iets voordeliger geweest voor de zaligheid van de
mens dan het lijden, Christus zou het zeker door woorden en werken getoond
hebben. Maar nu vermaant Hij openlijk zijn Leerlingen en al die Hem volgen
willen, om het kruis te dragen, en zegt:
Indien iemand na Mij wil komen, hij verloochene zichzelf, neme zijn
kruis op en volge Mij"(7). Na alles dus doorlezen en onderzocht te hebben,
laten wij tot deze slotsom komen: Dat
wij door vele kwellingen heen in het rijk Gods moeten binnengaan (8).
(1) Luk. 9: 23 (2) Matt. 25: 41 (3) Rom. 6
(4) Luc. 24: 46 (5) Rom. 8: 18 (6) Hand. 9: 16 (7) Luc. 9: 23 (8) Hand. 14: 24
Inhoud
1. Over het inwendig gesprek van Christus met de
gelovige ziel
2. De waarheid spreekt in ons zonder gedruis
van woorden
3. Gods woord moet met ootmoed aanhoord
worden, maar velen tellen het niet
4. Men moet voor God wandelen in waarheid en
ootmoed
5. Over de wonderbare invloed der liefde Gods
6. Hoe de oprechte liefde getoetst wordt
7. Men moet de genade verbergen onder de hoede
der nederigheid
8. Over de minachting van zichzelf voor Gods
ogen
9. Alles moet tot God, als tot het laatste
einde teruggebracht worden
10. Het is zoet met de versmading der wereld God
te dienen
11. Men moet de begeerte van zijn hart
onderzoeken en regelen
12. Over het beoefenen van geduld en het
worstelen tegen de driften
13. Over de gehoorzaamheid van een nederig
onderdaan
14. Hoe wij de verborgen oordelen van God moeten
beschouwen, om ons over het goede te verheffen
15. Hoe men zich moet houden en spreken, als in
ons enige troost ontstaat
16. Oprechte troost moet men alleen in God zoeken
17. Men moet alle zorg in God stellen
18. De tijdelijke ellenden, moeten wij naar het
voorbeeld van Jezus, gelijkmoedig dragen
19. Hoe men beledigingen moet verdragen, en wie
zich waarlijk geduldig toont
20. Over de erkenning van zijn eigen zwakheid en
over de ellende van dit leven
21. Boven alle goederen en gaven moet men in God
alleen rust zoeken
22. Over het gedenken van Gods weldaden
23. Over de vier vereisten voor grote zielenvrede
24. Dat men het nieuwsgierig onderzoeken omtrent
een anders leven moet vermijden
25. Over de duurzame vrede des harten, en waarin
de ware voortgang bestaat
27. Dat eigenliefde allermeest van het hoogste
goed verwijdert
28. Goede raad tegen kwaadsprekers
29. Hoe men in tegenspoed God moet aanroepen en
zegenen
30. Dat wij Gods hulp moeten afsmeken en op de
terugkeer van zijn genade vertrouwen
31. Men moet elk schepsel versmaden om de
Schepper te kunnen vinden
32. Over de zelfverloochening en de verzaking van
alle begeerlijkheid
33. Over de onstandvastigheid des harten, en de
plicht ons einddoel in God te stellen
34. Wie God bemint, vindt bij alles en boven
alles in Hem zijn genoegen
35. In dit leven is men niet beveiligd tegen
bekoringen
36. Men moet de ijdele oordelen der mensen niet
vrezen
37. Men moet zichzelf volledig en zuiver aan God
overgeven, om de vrijheid des harten te bekomen
38. Over de goede regeling van het inwendig
gedrag en de toevlucht tot God in de gevaren
39. Dat men in zijn zaken niet al te bezorgd moet
zijn
40. De mens heeft niets goeds uit zichzelf en mag
zich nergens over beroemen
41. Over
het verachten van alle tijdelijke eer
42. Dat wij
de vrede niet van mensen moeten laten afhangen
43. Tegen
de ijdele wetenschap der wereld
44. Men
moet zich de uitwendige dingen niet te veel aantrekken
45. Dat men iedereen niet moet geloven, en hoe licht men in woorden
struikelt
46. Dat men zijn vertrouwen op God moet stellen,
als pijlen van boze tongen ons treffen
47. Voor
het eeuwig leven moet men alle bezwaren verdragen
48. Over de
dag der eeuwigheid en de ellenden van
dit leven
49. Over het verlangen naar het eeuwig leven, en hoe grote goederen
beloofd zijn aan de strijders
50. Hoe de
troosteloze mens zich in Gods handen moet overgeven
51. Men
moet zich op nederige werken toeleggen, als men tot meer verheven onbekwaam is
52. De mens
achte zich geen troost, maar eer straf waardig
53. Dat
Gods genade niet samengaat met aardsgezindheid
54. Over de
tegenstrijdige aandoeningen der natuur en der genade
55. Over de
verdorvenheid der natuur en de kracht der goddelijke genade
56. Dat men
zichzelf verloochenen moet, en Christus
navolgen door het kruis
57. Dat wij
niet neerslachtig mogen worden als ons enig bezwaar overvalt
58. Dat men
te verheven en Gods verborgen oordelen niet moet willen doorvorsen
59. Dat men al zijn hoop en betrouwen op God alleen moet vestigen
Over het inwendig gesprek van
Christus met de gelovige ziel
1.
De ziel. - Ik zal aanhoren wat God de Heer in mij spreekt (1).
Zalig de ziel, die in zich de Heer hoort spreken,
en uit zijn mond een troostwoord ontvangt. Zalig de oren, die trillingen van
goddelijke inspraak horen (2), en geen acht geven op influisteringen der
wereld. Zalig voorwaar de oren, die niet naar de stem luisteren die van buiten
spreekt, maar naar de waarheid, die van binnen onderwijst. Zalig de ogen, die,
gesloten voor het uitwendige, alleen gevestigd zijn op het inwendige. Zalig
zij, die het inwendige doordringen, en die zich door dagelijkse oefeningen meer
en meer trachten voor te bereiden om de hemelse verborgenheden te kennen. Zalig
zij, die hun vermaak stellen om met God onledig te zijn en zich los te rukken
van alle hindernis der wereld. Bemerk wel deze dingen, mijn ziel, en sluit de
deuren van uw zinnelijkheid, opdat gij moogt horen wat de Heer uw God in u
spreekt.
2.
Christus. - Ziehier wat uw beminde zegt:
Ik ben uw heil, uw vrede en uw leven. Houd u bij mij, en gij zult rust
vinden. Laat al het vergankelijke varen, en zoek het eeuwigdurende. Wat zijn
alle tijdelijke dingen anders dan bedrog? En wat baten al de schepselen, als
gij van de Heer verlaten wordt? Laat dan alles varen, en maak u aangenaam en
getrouw aan uw Schepper, opdat gij het waar geluk moogt bereiken.
Ps. 84: 9 Job 4: 2
De waarheid spreekt in ons zonder
gedruis van woorden.
1.
De ziel. - Spreek Heer, want uw dienaar luistert (1).
Ik ben uw dienaar; geef mij verstand opdat ik uw geboden moge
kennen(2). Neig mijn hart naar de woorden van uw mond: dat uw spraak als morgendauw vloeie. (2) De
kinderen van Israël zeiden eertijds tot Mozes:
Spreek gij tot ons, en wij zullen luisteren; maar dat de Heer tot ons niet spreke, opdat
wij niet sterven (3).
O Heer, zó bid ik niet: maar liever smeek ik ootmoedig met de profeet
Samuel: Spreek, Heer! Want uw dienaar
luistert (4). Niet Mozes spreke tot mij, of iemand van de profeten, maar spreek
Gij liever, Heer! Die de ingever en de verlichter van al de Profeten zijt; want Gij alleen kunt zonder hen mij volkomen
leren; maar zij vermogen zonder U niets.
2. Zij
kunnen wel woorden laten klinken, maar de geest geven zij niet. Zij spreken
zeer schoon; maar als Gij zwijgt, kunnen
zij het hart niet ontvlammen. Zij leren ons de letter; maar Gij ontsluiert de zin. Zij stellen de
geheimen voor; maar Gij licht de zegel
op, die ze voor ‘t verstand verborgen hield. Zij verkondigen uw geboden, maar
Gij helpt om ze te volbrengen. Zij wijzen de weg, maar Gij geeft sterkte om die
te bewandelen. Zij werken alleen van buiten, maar Gij onderwijst en verlicht de
harten. Zij besproeien van buiten, maar Gij geeft de vruchtbaarheid.
Zij roepen met woorden, maar Gij geeft aan
‘t gehoor de gave om te verstaan. Dat Mozes dan niet tot mij spreke; maar Gij, mijn God, die de eeuwige Waarheid
zijt, spreek Gij, opdat ik niet sterve, en niet zonder vrucht blijve luisteren,
als ik alleen door uitwendige raad vermaand en van binnen niet ontvlamd word!
Opdat het mij geen vonnis berokkene, uw woord gehoord en niet volbracht, gekend
en niet bemind, geloofd en niet onderhouden te hebben. Spreek dan, Heer, want
uw dienaar luistert: Gij hebt immers de
woorden van het eeuwig leven (5). Spreek tot mij om enige troost aan mijn ziel
te geven, en tot verbetering van geheel mijn leven; alsook tot uw lof, uw eer en uw eeuwige
glorie.
(1) 1 Kon. 3: 9 (2) Ps.
118: 125 (3) Ex. 20: 9 (4) 1 Kon. 3: 9 (5) Joh. 6: 69
Gods woord moet met ootmoed aanhoord
worden, maar velen tellen het niet.
1. Christus. - Zoon, luister naar mijn woorden,
die zeer zoet en die al de wetenschap van wijzen en denkers dezer wereld te
boven gaan. Mijn woorden zijn geest en leven (1), en zijn niet te schatten naar
het menselijk verstand. Men mag ze niet tot ijdel behagen misbruiken: maar men moet ze in stilte aanhoren, en met
alle ootmoed en vurige begeerte ontvangen.
2. De ziel. - En ik heb gezegd: Gelukkig de mens, o Heer! Die Gijzelf
onderricht en in uw wet onderwijst, zodat hij in kwade dagen bij U leniging
vindt (2), en dat hij niet zonder troost zij op aarde.
3. Christus. - Ik heb van het begin de
Profeten onderwezen, en tot heden toe houd ik niet op tot alle mensen te
spreken. Maar velen zijn doof voor mijn stem, en ongevoelig. Het grootste getal
hoort liever de wereld dan God: zij
volgen liever de lust van het vlees dan het welbehagen van God. De wereld
belooft tijdelijke en nietige dingen, en zij wordt met grote vlijt
gediend; ik beloof eeuwige en
allergrootste goederen, en de harten der mensen zijn ongevoelig. Wie dient en
gehoorzaamt mij in alles met zo grote zorg, als waarmede men de wereld en haar
meesters dient? Schaam u Sion, zegt de zee (3). En vraagt gij waarom, hoor de
reden: Zie, om een klein gewin doet men
verre reizen, en voor het eeuwig leven wordt er door velen niet één voet gezet.
Het slechtste gewin wordt ijverig nagejaagd;
men twist schandelijk om een weinig geld; men aarzelt niet dag en nacht te zwoegen voor
een beuzeling en voor een geringe belofte.
4. En nochtans, o schande, voor een
onveranderlijk goed, voor een onwaardeerbaar loon, voor de allerhoogste eer en
oneindige glorie, is men te lui om zich een weinig te vermoeien. Schaam u dan,
gij, trage en klaagzieke knecht; de
minnaars der wereld zijn veel vlijtiger voor hun verderf, dan gij om het eeuwig
leven te bekomen. Zij verblijden zich meer om een waan dan gij om de waarheid.
En nochtans worden zij dikwijls in hun hoop
teleurgesteld; mijn belofte daarentegen
bedriegt niemand, en laat niemand, die op Mij vertrouwt, ijdel weggaan. Wat Ik
beloofd heb, zal Ik geven; wat Ik gezegd
heb, zal Ik doen, zo men slechts tot het einde toe in mijn liefde getrouw
blijve. Ik ben de loner van al de goede mensen en een sterke beproever van de
rechtvaardigen.
5.
Schrijf mijn woorden in uw hart, en overdenk ze zorgvuldig; want in de tijd der bekoring zult gij ze
groot nodig hebben. Wat gij niet verstaat, als gij het leest, zult gij
begrijpen op de dag der bezoeking. Ik bezoek gewoonlijk mijn uitverkorenen op
tweeërlei wijzen: door beproeving en
vertroosting. En Ik lees hun alle dag twee lessen voor; in de eerste berisp Ik hen over hun
gebreken; in de andere vermaan Ik hen
tot vooruitgang in de deugd. Die mijn woorden hoort en ze versmaadt, zal een
rechter vinden in de jongste dag (4).
Gebed Om de genade van godsvrucht te
bekomen.
6. O
mijn Heer en mijn God! Gij zijt al mijn goed;
en wie ben ik, om tot U te durven spreken? Ik ben uw allerarmste
dienaar, een verworpen aardworm, veel armer en verachtelijker dan ik zelf weet
of durf zeggen. Gedenk evenwel mij, o Heer! Daar ik niets ben, en niets vermag.
Gij alleen zijt goed, rechtvaardig en heilig;
Gij kunt alles, verleent alles, vervult alles: de zondaar alleen laat Gij ijdel staan. Wees
toch uw barmhartigheden indachtig, en vervul mijn hart met uw genade, Gij die
niet wilt dat uw werken doelloos blijven.
7.
Hoe kan ik in dit ellendig leven mijn lot verdragen, indien uw genade en
uw barmhartigheid mij niet versterken? Wil uw aanschijn van mij niet
afkeren; wil uw bezoek niet uitstellen: wil uw vertroosting niet onttrekken, opdat
mijn ziel voor U niet worden als een landstreek zonder water (5). Heer, leer
mij uw wil volbrengen (6); leer mij
waardig en ootmoedig voor U wandelen;
want Gij zijt mijn wijsheid; Gij
kent mij oprecht en Gij hebt mij gekend eer ik in de wereld geboren werd en
zelfs eer de wereld ontstond.
(1) Joan. 6: 64 (2) Ps.
93: 12,13 (3) Is. 23: 4 (4) Joan. 12: 48 (5 en 6) Ps. 117: 6
Men moet voor God wandelen in
waarheid en ootmoed.
1. Christus.
- Zoon! Wandel voor mij in waarheid, en zoek mij altijd in de eenvoud des
harten. Die voor Mij in waarheid wandelt, zal bevrijd worden van kwade
aanrandingen en de waarheid zal hem verlossen van verleiding en laster der
bozen. Indien de waarheid u vrijmaakt, dan zult gij waarlijk vrij zijn (1), en
gij zult de ijdele woorden der mensen niet achten.
2.
De ziel. - Het is, Heer, gelijk Gij zegt: ik bid U, dat het mij zo geschiede. Dat uw
waarheid mij lere, mij beware, en mij tot aan een zalig levenseinde behoude.
Dat zij mij verlosse van alle kwade lusten en ongeregelde liefde, en ik zal met
u omgaan in volle vrijheid des harten.
3.
Christus. - Ik zal u onderwijzen, zegt de Waarheid, al wat recht is en
aan Mij behaaglijk. Denk aan uw zonden met groot leedwezen en droefheid, en
laat u nooit voorstaan dat gij iets zijt om uw goede werken. Want gij zijt
voorwaar een zondaar, onderhevig aan vele gebreken, en daarin verward. Van
uzelf helt gij altijd over tot het niet, gij valt licht en wordt overwonnen,
het kleinste ontstelt u en beneemt u de moed. Gij hebt niets waarop gij kunt
roemen, maar vele redenen om uzelf gering te achten: want gij zijt veel kranker dan gij kunt
begrijpen.
4.
Laat u dan niet voorstaan dat er iets groots zij in alles wat gij doet.
Dat niets verheven zij in uw ogen, niets kostbaar, niets bewonderens- of
achtingswaardig, niets uitstekend, niets loffelijk of beminnenswaardig, dan
alleen wat eeuwig is. Dat de eeuwige waarheid u boven alles behage, en dat uw
allergrootste nietswaardigheid u steeds mishage. Vrees niets zozeer, veracht en
verafschuw niets zozeer als uw zonden en ondeugden; deze moeten u meer droefheid veroorzaken dan
tijdelijke schade. Sommigen wandelen in geen oprechtheid voor mijn
aanschijn; maar door nieuwsgierigheid en
vermetelheid gedreven, willen zij mijn verborgenheden kennen en de diepten van
God doorschouwen, terwijl zij zichzelf en hun zaligheid verwaarlozen. Dezen
vallen dikwijls in zware bekoringen en zonden, wijl Ik hun wedersta om hun
hovaardigheid en nieuwsgierigheid.
5.
Vrees de oordelen Gods, schroom voor de gramschap van de Almogende. Wil
de werken van de Allerhoogste niet beoordelen;
maar onderzoek uw zonden, en zie in hoeveel gij misdaan hebt en hoeveel
goeds gij verwaarloosd hebt. Sommigen stellen al hun godsvrucht in boeken; anderen in afbeeldingen, anderen in
uitwendige tekens en gebaren. Sommigen hebben Mij veel in de mond, maar in hun
hart is er weinig van. Anderen zijn er die, verlicht in hun verstand en zuiver
van hart, niet haken dan naar het eeuwige:
die tegen dank van het aardse horen spreken, en die de noodwendigheden
van het lichaam met tegenzin voldoen;
deze gevoelen dat de Geest der waarheid in hen spreekt. Want hij leert
hun het aardse versmaden, en het hemelse beminnen, de wereld verachten, en naar
de hemel dag en nacht verlangen.
(1) Joh. 8: 32,36
Over de wonderbare invloed van de
liefde Gods.
1.
Ik zegen U, hemelse Vader, Vader van mijn Heer Jezus Christus, omdat Gij
U gewaardigd hebt mij, arm schepsel, te gedenken. O vader van barmhartigheden,
en God van alle troost (1), ik dank U, omdat Gij mij, die alle troost onwaardig
ben, somtijds toch gewaardigt te vertroosten. Ik geloof en verheerlijk U te
allen tijde, met uw enige Zoon en de H. Geest, de Trooster, in alle eeuwen der
eeuwen. Ach, mijn Heer en God, mijn heilige Minnaar! Als Gij in mijn hart zult
komen, zal geheel mijn binnenste juichen. Want Gij zijt mijn glorie en de
vreugde van mijn hart. Gij zijt mijn hoop en mijn toevlucht in de dag van mijn
verdrukking (2).
2.
Maar omdat ik nog zwak ben in de liefde en onvolmaakt in de deugd,
daarom heb ik nodig door U gesterkt en getroost te worden; wil mij dikwijls bezoeken en onderwijs mij in
uw heilige leringen. Verlos mij van de kwade driften, en genees mijn hart van
alle ongeregelde liefde; opdat ik
genezen en behoorlijk gezuiverd, bekwaam worde om U te beminnen, kloek om voor
U te lijden, standvastig om te volharden.
3.
De liefde is iets groots, ja een onschatbaar goed, welke alles licht
maakt wat zwaar is, en draagt algelijk al het ongelijke. Want zij draagt alle
last zonder moeite, en maakt al wat bitter is, zoet en smakelijk. De liefde van
Jezus is edelmoedig; zij beweegt de mens
tot grote daden, zij wekt hem op om altoos meer volmaaktheid te betrachten. De
liefde wil altijd opwaarts klimmen, en door niets wederhouden worden. De liefde
wil niet vrij zijn, en vreemd aan alle wereldse genegenheden, opdat haar
inwendige blik niet belemmerd worde;
opdat zij in geen tijdelijk voordeel verwarre, of onder nadeel bezwijke.
Er is niets zoeter dan de liefde, niets is sterker, niets is verhevener, niets
uitgebreider, niets vermakelijker, niets volkomener, niets beter in hemel en op
aarde; want de liefde is uit God geboren,
en kan nergens rusten dan in God alleen boven al het geschapene.
4.
Die de liefde bezit, vliegt, loopt en is blijde; hij is vrij en wordt niet weerhouden. Hij
geeft alles voor alles, en bezit alles in alles, want hij berust boven alles in
de Allerhoogste, uit wie alle goed vloeit en voortkomt. Hij ziet niet naar de
gaven, maar verheft zich, boven alle gaven, tot de Gever zelf. De liefde houdt
dikwijls geen maat, maar gelijk ziedend water loopt zij over bovenmate. De
liefde voelt geen last, acht geen arbeid, wil meer doen dan zij kan, klaagt
niet van haar machteloosheid, want zij meent dat zij alles kan en vermag. Zij
is dan bekwaam tot alles, en brengt veel ten uitvoer en tot stand, waar een
ander, die niet bemint te kort schiet en bezwijkt.
5.
De liefde waakt en in de slaap is zij niet slaperig. Afgemat, wordt zij
niet moede; bedreigd, wordt zij niet
ontsteld; maar als een heldere vlam, als
een brandende fakkel breekt zij opwaarts uit, en dringt vrijelijk door. Die
bemint, kent de stem der liefde. Als een luid geroep in Gods oren is de
brandende begeerte van een beminnende ziel, die zegt: Mij God, mijn liefde! Gij geheel aan mij, en
ik geheel aan U !
6.
Breid mij uit in de liefde, opdat ik in het binnenste van mijn hart lere
smaken hoe zoet het is te beminnen, in liefde te smelten, en er in te baden.
Dat de liefde mij vasthoude en vervoere door de vurigheid van haar
verrukkingen! Moge ik het lied der liefde zingen; U, mijn Beminde, naar den hoge volgen, en dat
mijn ziel bezwijme onder het verkondigen van uw lof. Moge ik U beminnen meer
dan mijzelf, en mijzelf niet dan om U, en in U allen die U oprecht liefhebben,
gelijk de wet der liefde, die uit U voortkomt, het gebiedt.
7.
De liefde is snel, oprecht, toegenegen, vrolijk en aangedaan; kloekmoedig, verduldig, getrouw, voorzichtig,
verdraagzaam, standvastig en ze zoekt zichzelf niet (3). Want zohaast iemand
zichzelf zoekt, houdt hij op te beminnen. De liefde is oplettend, ootmoedig,
rechtzinnig; niet maf, niet
lichtvaardig, niet bekommerd met ijdele dingen;
zij is matig, kuis, gestadig, bedaard, altijd waakzaam op alle zinnen.
De liefde is onderworpen en gehoorzaam aan de oversten; in eigen ogen slecht en verachtelijk; zij is godvruchtig en dankbaar tot God, op
Hem hopende en steeds vertrouwende, zelfs dan, wanneer zij in God geen smaak
gevoelt, want men leeft niet zonder smart in de liefde.
8.
Wie niet bereid is om alles te lijden en zich geheel aan de wil van zijn
Beminde over te geven, is niet waardig een minnaar genoemd te worden. Een ware
minnaar moet al het zware en bittere voor zijn Beminde gaarne verdragen; en om geen voorkomende tegenkanting van Hem
afwijken.
(1) 2 Cor. 1: 3 (2) Ps.
58: 17 (3) 1 Cor. 13: 4,5
Hoe de oprechte liefde getoetst
wordt.
CHRISTUS. - Zoon! gij zijt nog niet sterk en
voorzichtig in ‘t beminnen.
DE ZIEL. - Waarom, Heer?
CHRISTUS. - Omdat gij om een kleine
tegenkanting afziet van het ondernomene en al te zeer de vertroostingen zoekt.
Wie sterk is in de liefde, staat pal in de
bekoringen, en hij geeft geen gehoor aan de listige ingevingen van de
vijand. Zowel in voorspoed als in tegenspoed is zijn hart altoos aan Mij.
2.
Een voorzichtig minnaar neemt niet zozeer de gift van de vriend in
aandacht als de liefde van de Gever. Hij let meer op de stemming dan op de
waarde; want hij acht de Welbeminde
hoger dan al zijn giften. Een edelmoedig minnaar berust niet in gaven maar in
Mij boven alle gaven. Doch daarom is niet alles verloren, zo gij soms voor Mij
en mijn Heiligen zoveel liefde en tederheid niet gevoelt, als gij zoudt wensen.
Die zoete en tedere liefde, die gij somtijds in u gevoelt, is een uitwerksel
der in u werkende genade en als een voorsmaak van het hemels vaderland, doch
waarop niet al te veel te steunen is, want zij gaat en komt. Maar strijden
tegen de invallende bekoringen, en de ingevingen van de duivel versmaden, dit
is een teken van ware deugd en grote verdienste.
3.
Wil dan niet ontsteld zijn om vreemde verbeeldingen die in u mochten
ontstaan, over welke stof ook. Behoud altijd een vast voornemen en een rechte
mening tot God. Het is geen begoocheling zo gij somtijds plotseling in
verrukking wordt opgetogen, en terstond tot de gewone ongerijmdheden van uw
hart terugkeert. Want deze lijdt gij meer tegen uw dank dan gij ze zoekt; en zolang ze u mishagen en gij er tegen
strijdt, strekken zij u tot verdienste en geenszins tot verderf.
4.
Weet dat de oude vijand uit al zijn macht uw begeerte tot het goede
zoekt te beletten, en u te beroven van alle godvruchtige oefening: te weten, van de dienst der Heiligen, het
godvruchtig overdenken van uw zonden, de bewaking van uw hart, en het vast
voornemen om in de deugd vooruit te gaan. Hij geeft u ook veel kwade gedachten
in, om u verdriet en afkeer aan te doen, en u af te trekken van het gebed en de
geestelijke lezing. Een ootmoedige biecht kan hij niet dulden en zo hij kon,
zou hij u wederhouden van te communie te gaan.
Maar geef hem geen geloof, en stoor u niet aan
hem, al spant hij dikwijls strikken om u te bedriegen. Werp de kwade en
onzuivere ingevingen op hem terug, en zeg:
Weg van hier, onreine geest! Schaam u, ellendige: wat moet gij onzuiver zijn, die mij zulke
dingen inblaast. Weg van mij, boze verleider! Niets van mij zal u ten deel
vallen; maar Jezus zal met mij zijn, als
een kloek krijgsman, en gij zult beschaamd staan. Liever wil ik sterven, en
alle pijn ondergaan, dan enige toestemming te geven aan uw boos ingeven. Zwijg
en verstom (1), ik wil naar u niet meer luisteren, hoezeer gij mij moogt
kwellen. De Heer is mijn licht en mijn zaligheid, wie zou ik vrezen? (2) Al
stonden gehele legers tegen mij op, mijn hart zou niet vrezen (3). De Heer is
mijn Helper en mijn Verlosser (4).
5.
Strijd dan als een kloek soldaat;
en indien gij soms uit krankheid valt, verzamel opnieuw uw krachten,
vertrouwend dat gij grotere genaden van mij zult bekomen; en wacht u bovenal voor hovaardigheid en
ijdel zelfbehagen. Want hierdoor worden velen bedrogen, en vallen soms in
schier ongeneeslijke verblindheid. Dat dan de val der hovaardigen, die zich
dwaas veel laten voorstaan, u diene tot waarschuwing en gedurige ootmoed.
(1) Marc. 4 (2,3) Ps. 26:
1 (4) Ps. 18: 15
Men moet de genade verbergen onder de
hoede der nederigheid.
Christus. - Zoon! Het is beter en veiliger
voor u, de genade der godsvrucht verborgen te houden, u daarover niet te
verheffen, er weinig van te spreken, en niet groter te maken; maar liever uzelf te minachten, en te vrezen
die genade onwaardig zijn. Gij moogt niet te veel gehecht zijn aan een gevoel,
want het kan zeer licht veranderen. Maar onder de genade, denk hoe ellendig en
arm gij gewoonlijk zijt zonder de genade. Ook is de voortgang in het geestelijk
leven daarin niet alleen gelegen, dat gij de vertroosting van de genade
hebt: maar ook dat gij haar gemis
verstorven, ootmoedig en geduldig verdraagt;
zodat gij dan niet verflauwt in de oefening van het gebed, en uw andere
gebruikelijke werken niet achterlaat. Maar dat gij naar bedunken en best
vermogen gaarne doet wat gij kunt, en uzelf niet geheel verwaarloost om dorheid
of gewetensangst.
2.
Want er zijn er velen, die ten tijde der beproeving aanstonds ongeduldig
en moedeloos worden. Nochtans des mensen weg is niet altijd in zijn macht
(1); maar het behoort God toe, te geven
en te troosten wanneer het Hem belieft, en zoveel het Hem belieft, volgens zijn
behagen, en anders niet. Sommigen hebben zich onvoorzichtig in het verderf
gebracht met de genade der godsvrucht, omdat zij meer wilden doen dan zij
konden, niet in acht nemende hun krachten, maar eerder daarin de aandrift van
hun hart volgende, dan het oordeel van het verstand.
En omdat zij op grotere dingen uitwaren dan
God aangenaam was, daarom hebben zij spoedig de genade verloren. Zie, zij zijn
arm en verlaten geworden, zij die in de hemel hun woonplaats wilden bouwen
(2); omdat zij, vernederd en verarmd,
zouden leren niet met hun eigen vleugels te vliegen, maar onder mijn vleugels
te gaan schuilen (3). Zij die nog nieuwelingen zijn en onervaren in de weg des
Heren, kunnen licht bedrogen worden en vallen, zo zij zich niet laten besturen
door de raad van verstandigen.
3.
Maar indien zij liever hun eigen goeddunken, dan de raad van ervaren
mannen volgen, zo zal voor hen de afloop zeer ellendig zijn, indien zij gehecht
blijven aan hun eigenzinnigheid. Die in hun ogen wijs zijn (4), laten zich
zelden ootmoedig door anderen besturen. Het is beter weinig kennis en een klein
verstand te hebben met ootmoed, dan zware schatten van geleerdheid te bezitten
met ijdele glorie. Het is beter voor u weinig te hebben dan veel, waarover gij
u zoudt verhovaardigen. Hij doet niet wijs die zich geheel aan de blijdschap
overgeeft, en zijn voorgaande armoede vergeet en de zalige vrees Gods, welke de
ontvangen genade vreest te verliezen. Ook deze is niet oprecht wijs, die ten
tijde van tegenspoed of van een zwarigheid, al te zeer mistroostig is, die te
weinig vertrouwen op Mij stelt en te klein gevoelen van mijn hulp heeft.
4.
Die ten tijde van vrede al te gerust wil zijn, wordt licht ten tijde van
oorlog vreesachtig en lafhartig bevonden. Indien gij altijd ootmoedig en gering
in eigenschatting wist te blijven, en uw geest wijs en matig te besturen, gij
zoudt niet zo spoedig in gevaar of zonde vallen. Het is een goede raad, als gij
de geest van vurigheid gevoelt, te denken hoe het met u zal gaan wanneer dit
goddelijk licht zal verdwijnen. En als zulks geschiedt, denk dan dat hetzelfde
licht kan wederkomen, daar Ik het voor een tijd tot uw waarschuwing en tot mijn
eer u heb onttrokken.
5.
Zulke beproeving is dikwijls voordeliger, dan indien gij altijd
voorspoed hadt volgens uw begeerte. Want de verdiensten laten zich niet hieraan
afmeten of iemand met veel verlichtingen of vertroostingen heeft; of hij goed geleerd is in de H. Schriftuur of
tot een hoge staat verheven. Maar wel of hij in ware ootmoed gegrond en met de
goddelijke liefde vervuld is; of hij
altijd en in alles de eer Gods alleen betracht;
of hij zichzelf gering acht en oprecht versmaadt, en zich meer verheugt
dor de mensen verstoten en veracht te worden, dan geacht, geprezen of geëerd.
(1) Jeruzalem. 10: 23 (2)
Abd. 4 (3) Ps. 90: 4 (4) Rom. 11: 25
Over de minachting van zichzelf voor
Gods ogen
1. De
ziel. - Ik zal tot mijn Heer spreken, alhoewel ik stof en as ben (1a). Want
indien ik mij iets meer acht, zo staat Gij tegenover mij en mijn
ongerechtigheden geven getuigenis van de waarheid, en ik kan ze niet
wederleggen. Maar indien ik mij verneder en vernietig; indien ik alle eigendunk verwijder, en mij
acht als stof en as, gelijk ik ben; zo
zal uw genade met mij wezen, en uw licht in mijn hart schijnen: alsdan zal de geringste zelfachting voor
altijd verslonden worden in de afgrond van mijn nietigheid. Daar toont Gij mij
aan mijzelf wat ik ben, wat ik was, en waartoe ik gekomen ben: want ik ben een niet, en ik wist het niet
(2). Wanneer ik aan mijzelf overgelaten word bevind ik, dat ik niets dan
krankheid ben; maar als Gij mij aanziet,
word ik terstond sterk en vervuld met nieuwe blijdschap. Het is, ja, een groot
wonder, dat ik zo schielijk opgeheven, en zo welwillend door U omhelsd word, ik
die door eigen gewicht altijd nederwaarts word gedreven.
2. Dat doet uw liefde, die mij onverdiend
overkomt en in zovele noodzakelijkheden te hulp komt; mij voor zo grote gevaren bewaart, en mij (ik
beken het) van ontelbare smarten verlost. Want met mij ongeregeld te beminnen,
heb ik mijzelf verloren; maar met U
alleen te zoeken en oprecht te beminnen, heb ik mij en U gevonden en uit liefde
tot U ben ik nog dieper in mijn nietigheid gezonken. O, allerzoetste Heer! Gij
doet voor mij veel meer dan ik verdien, en veel meer dan ik zou durven hopen of
vragen.
3.
Wees gezegend, o mijn God! Want al ben ik alle goed onwaardig, houdt uw
edelmoedige en oneindige goedheid nochtans niet op wèl te doen, zelfs aan
ondankbaren, die ver van U verwijderd zijn. Bekeer ons tot U, opdat wij mogen
dankbaar, ootmoedig en ijverig wezen: want
Gij alleen zijt onze zaligheid, onze kracht en onze sterkte.
(1) Gen. 18: 27 (2) Ps.
72: 22
Alles moet tot God, als tot het
laatste einde teruggebracht worden
1.
Christus. - Zoon! ik moet uw hoogste en laatste doelwit zijn, indien gij
waarlijk gelukkig wilt zijn. Door deze mening zal uw liefde gezuiverd worden,
die nu dikwijls tot zichzelf en tot de schepsels neigt. Want zo gij in iets
uzelf zoekt, zo bezwijkt gij aanstonds, en gij wordt dor van geest. Stuur dan
alles bijzonder tot Mij, want Ik ben het, die het al gegeven heb. Aanzie alle
dingen als vloeiende uit het opperste goed;
en dan zult gij weten dat alles tot Mij moet wederkeren, als tot zijn
oorsprong.
2.
Uit Mij putten alle mensen, als uit een levende bron, groot en klein,
arm en rijk, het levende water. En die Mij gewillig en vlijtig dienen, zullen
gunst op gunst ontvangen. Maar wie zijn roem buiten Mij, of zijn behagen in
enig persoonlijk goed wil zoeken, die zal geen oprechte of standvastige
blijdschap genieten, en niet met verruimd hart leven, maar altijd veel hinder
en benauwdheid vinden. Daarom moogt gij uzelf of iemand anders geen goed
toeschrijven; maar geef alles aan God,
zonder wie de mens niets heeft. Ik heb u dit alles gegeven: Ik wil ook alles terug hebben; en Ik eis zeer streng dankbaarheid voor mijn
gaven.
3.
Dit is een waarheid, die alle ijdele roem verdrijft. En indien de
hemelse genade en de ware liefde in uw hart komt, zo zal daar geen ruimte meer
zijn voor de nijd, benepenheid of de eigenliefde. Want Gods liefde overwint
alles, en breidt al de krachten der ziel uit. Wilt gij dan wijselijk doen,
verblijd u alleen in Mij, hoop alleen in Mij, want niemand is goed dan God
alleen (1), die bovenal geloofd en in alles verheerlijkt moet worden.
(1) Luc. 18: 19
Het is zoet met de versmading der
wereld God te dienen
1.
Ik zal nogmaals spreken, o Heer, en niet zwijgen; ik zal spreken tot mijn God, mijn Heer en
mijn Koning, die in de hoge woont. O Heer, hoe groot is de overvloed der zoetheid
die Gij verborgen houdt voor die U vrezen! (1) Maar wat zijt Gij voor hen die U
beminnen, en die uit ganser hart U dienen? Voorwaar de zoetheid van uw
beschouwing, die Gij geeft aan uw minnaars, is onuitsprekelijk. Hierin hebt Gij
mij vooral uw goedertieren liefde getoond, dat, als ik niets was, Gij mij
geschapen hebt; en dat Gij mij weder op de rechte weg hebt teruggebracht, als
ik ver van U was afgedwaald, om U te beminnen.
2. O
bron der eeuwige liefde! Wat zal ik van U zeggen? Hoe zou ik U kunnen vergeten,
die u gewaardigd hebt aan mij te denken, ook nadat ik bedorven en verloren was?
Uw barmhartigheid jegens uw dienaar heeft alle verwachting overtroffen, en Gij
hebt uw genade en uw liefde, boven al zijn verdienste, hem betoond. Wat zal ik
voor u die genade wedergeven? Want het is alle mensen niet vergund, dat zij, na
van alles afstand gedaan te hebben, de wereld zouden verlaten, om het
kloosterleven te aanvaarden. Is het een grote zaak dat ik U dien, Gij die door
alle schepselen gediend moet worden? Het mag mij niets groots schijnen dat ik U
dien; maar dit schijnt mij eerder groot
en wonderbaar, dat Gij een zo arm en onwaardig schepsel in uw dienst wilt
aannemen, en onder het getal van uw geliefde dienaren rekenen.
3.
Zie, alles wat ik heb, en waar ik U mede dient, behoort U toe. Doch,
integendeel, Gij dient eerder mij dan ik U. Zie, hemel en aarde, die Gij tot
onze dienst geschapen hebt (2), zijn gereed, en doen dagelijks wat Gij hun
beveelt. Maar dit is nog weinig, want Gij hebt de Engelen ten dienste van de
mens bestemd (3). Doch, wat alles te boven gaat, is dat Gijzelf u gewaardigd
hebt U zelf aan hem te geven.
4.
Wat zal ik U wedergeven voor zovele weldaden? Ach! kon ik U dienen al de
dagen van mijn leven! Ware ik tenminste in staat om U maar één dag waardig te
dienen! Voorwaar Gij zijt alle dienst, alle eer en alle lof waardig. Gij zijt
waarlijk mijn Heer, en ik ben uw arme knecht, die verplicht ben U uit al mijn
kracht te dienen, en nimmer in uw lof te verflauwen. Aldus wil en wens ik het,
wil zelf aanvullen wat mij daartoe ontbreekt.
5.
Het is, ja, een grote eer, een grote roem U te dienen en alles om U te
versmaden. Want die zich gewillig aan uw heilige dienst onderwerpen, zullen
grote genade ontvangen. Die uit liefde tot U alle zinnelijk vermaak hebben
verlaten, zullen de zoetste troost van de Heilige Geest smaken. En die om uw
naam de enge weg inslaan, en alle wereldse zorg ter zijde stellen, zullen in
grote vrijheid van geest wandelen.
6.
O, hoe zoet en vermakelijk is het God te dienen, waardoor de mens vrij
en heilig wordt! O zalige onderwerping aan het kloosterleven, waardoor de mens
gelijk wordt aan de Engelen, aangenaam aan God, vreselijk aan de duivelen, en
achtingswaardig aan alle christenen! O minnelijke en benijdenswaardige dienst,
waardoor men het hoogste goed en de blijdschap die eeuwig zal duren, bekomt!
(1) Ps. 30: 20 (2) Deut.
4: 12 (3) Hebr. 1: 14
Men moet de begeerte van zijn hart
onderzoeken en regelen
1.
CHRISTUS. - Zoon! gij moet nog veel aanleren, dat gij nog niet genoeg
geleerd hebt.
DE ZIEL. - Heer, welke zijn die dingen ?
CHRISTUS. - Dat gij al uw begeerten naar
mijn behagen moet schikken; dat gij
uzelf niet moogt zoeken, maar altijd en in alles mijn wil tracht te volgen.
Sommige begeerten ontvlammen u dikwijls, en drijven u geweldig voort: maar zie toe of gij wel voor mijn eer wordt
aangedreven, en niet eerder om uw eigen voordeel. Indien ik er de oorzaak van
ben, zo zult gij wèl tevreden zijn, hoe ik het ook schikke; maar indien er iets
van eigenbaat onder schuilt, zal dat u veel hinderen en bezwaren.
2.
Wacht u dan van te zeer op een begeerte te steunen, die gij hebt opgevat
zonder Mij raad te vragen, die gij hebt opgevat zonder Mij raad te vragen;
opdat het u daarna niet berouwe en mishage, wat u tevoren beviel, en dat u het
best scheen. Want niet alle begeerte die goed schijnt, moet aanstonds ingevolgd
worden: evenmin als alle tegenstrijdige
gedachte dadelijk verworpen moet worden. Het is soms zeer goed dat men de beste
begeerte bedwinge, opdat, met de bekommernis, de geest niet verstrooid worde,
en aan anderen geen ergernis geve door onbescheidenheid van gedrag, of ook niet
neerslachtig of ontstemd worde wanneer iemand onze begeerte wederstaat.
3. Somtijds
evenwel moet men geweld gebruiken en de zinnelijkheid kloekmoedig wederstaan,
zonder acht te nemen op hetgeen het vlees begeert of niet begeert; maar dat men
liever er voor zorg drage dat het vlees, ook tegen zijn wil, aan de geest
onderworpen zij.
En zolang moet het gekastijd en gedwongen
worden, tot het voor alles bereid is en leert zich met weinig tevreden te
houden, het allergeringste te beminnen, en nooit over iets te klagen.
Over het beoefenen van geduld en het
worstelen tegen de driften
1.
DE ZIEL. - O Heer en God! Ik zie hoezeer het geduld mij nodig is
(1): want in dit leven komen vele
zwarigheden voor. En hoe ik het ook schik om vrede te hebben, mijn leven kan
zonder strijd en lijden niet zijn.
2.
CHRISTUS. - Dit is waar, mijn zoon, doch ik wil niet dat gij zulke vrede
zoekt, die vrij van bekoringen is en geen tegenkanting gevoelt: Maar dat gij ook dan de ware vrede denkt
gevonden te hebben, wanneer gij door vele bekoringen geoefend, en door
moeilijkheden beproefd wordt. Zo gij zegt dat gij niet veel kunt uitstaan, hoe
zult gij dan de brand van het vagevuur kunnen doorstaan? Van twee kwalen moet
gij altoos de minste kiezen. Om dan hiernamaals de eeuwige pijnen te ontgaan,
moet gij het tegenwoordig lijden om God met geduld trachten te verdragen. Meent
gij dat de wereldse mensen niets of weinig te lijden hebben? Gij zult ze niet
vinden, al zocht gij onder de meest vertroetelden.
3.
Maar zij hebben, zegt gij, vele genoegens, zij volgen hun eigen wil, en
daarom voelen zij hun kwellingen niet veel.
4.
Het zij zo, en dat zij hebben wat hun hart begeert; maar hoe lang zal
dit duren? Zie, gelijk de rook zullen die op de wereld rijk en weelderig zijn,
vergaan (2), en daar zal geen herinnering blijven aan hun vroegere vreugde.
Maar zelfs gedurende hun leven genieten zij dit niet zonder bitterheid,
verdriet en vrees. Want juist waar zij eerst genoegen in smaken, daarvan
ontvangen zij dikwijls pijn en straf. En dat met recht: het is billijk dat de bitterheid en schande
de vermaken vergezellen, die men in de ongeregeldheid zoekt. O hoe kort, hoe
bedrieglijk, hoe strafwaardig, hoe eerloos die vermaken!
En nochtans zo verblind, zo bedwelmd zijn
haar minnaars, dat zij dit niet zien:
maar als redeloze dieren lopen zij in de dood van hun ziel, om een kort
genot in dit sterfelijk leven. Gij dan, mijn zoon, volg uw driften niet in, en
zie af van uw eigen wil (3). Neem uw vermaak in de Heer, en Hij zal u geven wat
uw hart begeert (4).
5.
Indien gij oprechte vreugd wilt smaken, en alle overvloedige troost van
mij ontvangen, veracht alle wereldse dingen, verwerp alle lage vermaken, en Ik
zal u zegenen, en met mijn onuitputbare vertroostingen u gelden. En hoe meer
gij u aan alle troost der schepselen zult onttrekken, hoe zoetere en krachtigere
vertroostingen gij in Mij zult vinden. Maar in het eerst zult gij daartoe niet
komen zonder enige droefheid, arbeid en strijd. De ingewortelde gewoonte zal u
tegenstand bieden: maar gij zult ze door
een beter gewoonte overwinnen. Het vlees zal klagen en morren; maar het zal
door de vurigheid van de geest bedwongen worden. De oude slang (5) zal u
prikkelen en kwellen; maar gij zult haar verdrijven door het gebed, en door
nuttige arbeid zult gij haar de ingang van uw hart sluiten.
(1) Hebr. 10: 36 (2) Ps.
36: 20 (3) Eccl. 18: 30 (4) Ps. 36: 3 (5) Openb. 12: 9
Over de gehoorzaamheid van een
nederig onderdaan
1. CHRISTUS. - Mijn zoon! wie zich zoekt te
onttrekken aan de gehoorzaamheid, onttrekt zich aan mijn genade: en wie iets voor zich alleen wil bezitten,
verliest wat hij met anderen gemeen heeft. Zo iemand zich niet gewillig aan
zijn overste onderwerpt, is het een teken dat zijn lichaam hem niet volkomen
onderworpen is, maar dat het dikwijls wederspannig is en tegenmort. Leer u dan
op ‘t eerste woord onderwerpen aan uw overste, zo gij uw eigen vlees onder
bedwang wilt brengen. Want de uitwendige vijand wordt lichter overwonnen,
wanneer de mens inwendig de vrede bezit. Uw ziel heeft geen lastigere, geen
ergere vijand dan gijzelf, wanneer gij niet wel met de geest overeenstemt. Gij
moet uzelf gans verachten, indien gij vlees en bloed wilt overwinnen. Omdat gij
uzelf ongeregeld bemint, daarom kunt gij u niet ten volle overgeven aan de wil
van anderen.
2.
Maar is het dan een zo beduidende zaak, dat gij, die niets anders zijt
dan stof en niets, u om God onder een mens stelt; daar Ik, die de Almogende en
de Allerhoogste ben, die alles uit niet geschapen heb, Mij om uwentwil
ootmoedig aan de mens heb onderworpen. Ik ben de nederigste en de minste van
allen geworden, opdat gij uw hovaardigheid door mijn ootmoed overwinnen zoudt.
Leer onderdanig zijn, gij, slijk der aarde; leer u vernederen, gij, stof en as,
en u buigen onder de voeten van alle mensen. Leer uw wil breken, en de
onderwerping in alles beoefenen. Word boos tegen uzelf, en laat geen
opgeblazenheid in u blijven; maar wees zo nederig en zo klein, dat iedereen
over u moge gaan, en u als slijk met de voeten treden. O, ijdel mens! wat hebt
gij te klagen? Kunt gij, snode zondaar, u verzetten tegen die u verguizen, gij,
die zo dikwerf God vergramd, en zo dikwijls de hel verdiend hebt? Maar mijn oog
heeft u gespaard, want uw ziel is voor mijn aanschijn dierbaar geweest: opdat gij mijn liefde zoudt kennen, en immer
dankbaar wezen voor mijn weldaden. En opdat gij u tot de ware onderwerping en
ootmoed zoudt begeven, en geduldig de versmadingen, die u overkomen, verdragen.
1.
Heer! als Gij de donder van uw oordelen over mij zendt, schudt Gij mijn
beenderen met angst en vrees, en mijn ziel is zeer verschrikt. Ik sta verbaasd
bij het zien dat zelfs de hemelen niet zuiver zijn voor uw ogen (1). Want Gij
hebt in uw engelen zelf boosheid gevonden (2), en zelfs hen niet gespaard (3),
wat zal er van mij worden? De sterren zijn uit de hemel gevallen (4), en ik,
stof en as, wat vermeet ik mij? Vele mensen, wier leven zeer loffelijk scheen,
zijn diep gevallen, en die het brood der Engelen aten, heb ik smaak zien vinden
in de draf der varkens.
2.
Geen heiligheid is er dus, als Gij, o Heer, uw hand intrekt. Geen
wijsheid kan baten, als Gij ophoudt haar te geleiden. Geen sterkte kan helpen,
zo Gij nalaat haar te ondersteunen. Geen kuisheid is verzekerd, zo Gij haar
niet beschermt. Geen eigen bewaring is toereikend, zo Gijzelf ons niet behoedt.
Want als wij door U verlaten worden, zinken wij en gaan wij verloren; maar door
U bezocht, worden wij opgebeurd en herleven wij. Wij zijn ongestadig, maar Gij
bevestigt ons door woorden; wij zijn lauw, maar Gij ontsteekt ons.
3.
O, wat klein gevoelen moet ik van mijzelf hebben; hoe weinig is het te
achten, indien ik iets goeds schijn te hebben? O, hoe diep, Heer, moet ik mij
buigen onder uw grondeloze oordelen, voor welke ik mij niets anders bevind te
zijn dan een niet, en een enkele niet. O onberekenbaar gewicht, o
onoverkomelijke zee, waar ik van mijzelf niets vind, waar ik ben als een niet
in het heelal! Waar zal ik dan de ijdele glorie, waar het vertrouwen op eigen
deugd schuilplaats vinden? Alle ijdele roem, o Heer, wordt geheel verzwolgen in
de diepte van uw oordelen over mij.
4.
Wat is toch alle vlees voor uw ogen? Zal de klei zich verheffen tegen
Hem, die haar gevormd heeft? (5). Hoe kan de mens zich verheffen door ijdele
woorden, die niet met het hart aan God waarlijk onderworpen is? Geheel de
wereld kan hem niet hovaardig maken, die aan de heerschappij der waarheid
onderworpen is; die al zijn hoop op God gevestigd heeft, zal door het gevlei
der mensen niet bewogen worden. Want die zelf, die spreken, zijn een niet; zij
zullen allen vergaan met het geluid van hun stem: maar de waarheid des Heren blijft in
eeuwigheid (6).
(1) Job 15: 15 (2) Job 14
(3) Petr. 2: 4 (4) Apoc. 6:
13 (5) Is. 29: 16 (6) Ps. 116: 2
Hoe men zich moet houden en spreken,
als in ons enige troost ontstaat
1.
CHRISTUS . - Zoon, zeg in alle voorvallen: o Heer, is het uw wil, laat het zo geschieden!
O Heer is uw eer daarin gelegen, dat het zo geschiede in uw naam. Heer, zo Gij
voorziet, dat mij dit dienstig, dat het mij voordelig is; geef mij het dan om
het tot uw eer te gebruiken. Maar zo Gij weet, dat mij zulks schadelijk was, of
mij niet dienstig tot mijn zaligheid, verwijder van mij die begeerte. Want niet
alle begeerten komen van de Heilige Geest, al schijnt het de mens dat zij
rechtmatig en goed zijn. Het is zeer moeilijk om wèl te onderscheiden of het
een goede of de kwade geest is, die u tot dit of dat aandrijft, alsook of gij
door uw eigen geest niet bedrogen wordt. Velen zijn op het einde bedrogen
geweest, die in het begin door een goede geest meenden getrokken te worden.
2.
Daarom moet gij nooit dan met de vrees Gods en ootmoed der harten
begeren en vragen wat gij ook zoudt mogen wensen; vooral moet gij met een volle
overgeving alles aan Mij overlaten en zeggen:
Heer! Gij alleen weet hoe het best is, dat dit of dat geschiede, gelijk
het U belieft. Geef wat Gij wilt, en zoveel Gij wilt, en wanneer Gij wilt. Doe
met mij gelijk het U goeddunkt, zoals het U meest behaagt, en het meest tot uw
eer dient. Plaats mij waar het U belieft, en handel in alles met mij naar uw
goeddunken. Ik ben in uw hand, keer en wend mij om en om. Zie, ik ben uw
dienaar (1), bereid tot alles; want ik wil niet voor mij leven, maar voor U;
ach, of ik dit waardig en volmaakt mochte!
Gebed om de wil Gods te volbrengen.
O allermildste Jezus! Verleen mij uw genade,
opdat zij met mij zij, met mij werke, en met mij blijve tot het einde toe (2).
Geef mij, dat ik altijd verlang en wil wat U aangenaam is en allermeest
behaagt. Dat uw wil de mijne zij, en mijn wil volge altijd de uwe, en stemme
daarmee gans overeen. Laat mij met U hetzelfde willen en niet willen; ja, geef
mij nooit anders te kunnen willen of niet willen, dan gelijk Gij wilt of niet
wilt.
3.
Laat mij sterven voor al wat in de wereld is, en om uw liefde gaarne
versmaad en onbekend zijn in deze wereld. Geef mij dat ik, boven al wat men kan
wensen, in U beruste, en mijn hart de vrede in U zoeke. Want Gij zijt de ware
vrede des harten, Gij alleen zijt mijn rust, buiten U is alles pijnlijk en
ongestadig. Laat mij dan slapen en rusten deze vrede, dat is in U alleen, die
het opperste en het eeuwig goed zijt. Amen.
(1) Ps. 119: 125 (2)
Wijsh. 9
Oprechte troost moet men alleen in
God zoeken
1.
DE ZIEL. - Al wat ik tot mijn troost kan wensen of uitdenken, verwacht
ik hier nat, maar hiernamaals. Want al bezat ik alleen al de vertroostingen der
wereld, en genoot ik alle vermaken, zo is het zeker, dat zulks niet lang zou
kunnen duren. Zodan, mijn ziel, gij kunt niet volkomen getroost worden of
verblijd zijn dan in God, de Trooster der armen en de Verheffer der
ootmoedigen. Wacht een weinig, mijn ziel, verbeid toch de goddelijke belofte,,
en gij zult overvloed van alle goed in de hemel genieten. Indien gij al te zeer
de tijdelijke dingen begeert, dan zult gij de hemelse, en eeuwige missen. Houd
het tijdelijke tot uw gebruik, maar kies het eeuwige voor uw wensen. Geen
tijdelijk goed kan u verzadigen, dewijl gij niet geschapen zijt om dat te
genieten.
2.
Al bezat gij al de geschapen goederen, nog zoudt gij niet gelukkig of
tevreden zijn: maar geheel uw geluk en
uw zaligheid is gelegen in God, die alles geschapen heeft. Niet een geluk
gelijk de dwaze minaars van de wereld zich inbeelden en wensen; maar gelijk
alle getrouwe dienaren van God verwachten, en welke de godvruchtige mensen en
de reinen van hart, wier bekering in de hemel is (1), somtijds bij voorbaat
smaken. Alle menselijke troost is ijdel en kortstondig. Zalig en waarachtig is
de troost, die men inwendig ontvangt van de waarheid. Een godvruchtig mens
draagt altijd met zich Jezus zijn Verlosser, tot wie hij zegt: “Sta mij bij, Heer, in alle plaatsen en
tijden. Dat dit mijn vertroosting zij, gaarne alle menselijke troost te
ontberen. En wanneer mij uw troost ontbreekt, dan zij uw wil en uw
rechtvaardige beproeving mijn grootste troost. Want uw gramschap zal niet
altoos duren, en uw bedreiging zal niet eeuwig zijn (2).
(1) Philipp. 3: 20 (2) Ps.
102: 9
Men moet alle zorg in God stellen
1.
CHRISTUS. - Zoon! Laat Mij met u doen wat Mij belieft; Ik weet wat u
dienstig is.
Gij denkt als een mens, en gij oordeelt over
vele dingen, gelijk menselijke neiging u dat ingeeft.
2.
DE ZIEL. - Heer, het is alzo. Uw bezorgdheid voor mij is groter dan die
ikzelf voor mij kan hebben. Wie zijn zorg bij U niet neerlegt (1), die is in
gevaar van te vallen. Heer, doe met mij volgens het U belieft, als maar mijn
wil oprecht en vast op U gericht blijft. Want het kan niet dan goed zijn, wat
Gij ook met mij doet. Wilt Gij dat ik in de duisternis zij, wees gezegend; en
wilt Gij dat ik in het licht zij, wees andermaal gezegend. Indien Gij U
gewaardigt mij te troosten, wees gezegend; en wilt Gij mij kwellingen
overzenden, wees niettemin gezegend.
3.
CHRISTUS. - Zoon! Zo moet gij gestemd zijn, indien gij met Mij wilt
handelen. Gij moet even zo bereid zijn tot lijden als tot verblijden. Gij moet
even gaarne arm en behoeftig zijn, als rijk en gegoed.
4.
DE ZIEL. - Heer! Gaarne wil ik voor U lijden alles wat U belieft mij
over te zenden. Ik wil onverschillig van uw hand goed en kwaad, zoet en bitter,
blijdschap en droefheid ontvangen; en U dank brengen voor alles wat mij
overkomt. Bewaar mij maar van alle zonde, en ik zal dood, noch hel vrezen. Als
gij mij maar voor eeuwig niet verstoot (2) en mijn naam niet uit het boek des
levens wist (3), kunnen geen welkdanige kwellingen mij hinderen.
(1) 1 Petr. 5: 7 (2) Ps.
77: 8 (3) Apoc. 3: 5
De tijdelijke ellenden, moeten wij
naar het voorbeeld van Jezus, gelijkmoedig dragen
1.
CHRISTUS. - Zoon! Om uw zaligheid ben Ik uit de hemel nedergedaald; Ik
heb uw ellenden op Mij genomen, niet uit dwang, maar uit liefde; opdat gij
zoudt leren verduldig zijn, en de tijdelijke ellenden verduldig verdragen. Want
van mijn geboorte af tot aan mijn dood op het kruis, ben Ik nooit zonder lijden
geweest. Ik heb groot gebrek gehad aan tijdelijke dingen; Ik heb dikwijls
klachten over mij gehoord; ik heb schande en smaad zachtmoedig verdragen; Ik
heb voor weldaden ondank ontvangen; voor mijn mirakelen lastertaal en voor mijn
leer tegenkanting.
2.
DE ZIEL. - Heer! Vermits Gij verduldig waart in uw leven, en
voornamelijk daardoor de wil van uw Vader volbrengend, zo is het billijk dat
ik, arme zondaar, verduldig lijd volgens uw wil, en de last van dit sterfelijk
leven tot mijn zaligheid draag, zolang het U belieft. Want al is het
tegenwoordig leven zeer zwaar, het wordt door uw genade zeer verdienstelijk, en
door uw voorbeeld, en voetstappen der Heiligen, zachter en verdragelijker. Ook
is het nu veel troostelijker dan het vroegertijds was in de oude wet, toen de
deur des hemels gesloten bleef, toen de weg ten hemel veel donkerder scheen, en
zo weinig mensen bezorgd waren om het rijk der hemelen te zoeken: En toen de rechtvaardigen zelf, en de
uitverkorenen, het rijk des hemels niet konden ingaan vooraleer het geopend was
door uw lijden en uw heilige zoendood.
3. O
hoe grotelijks moet ik U danken, dat Gij U gewaardigd hebt mij en alle
gelovigen de rechte en goede weg tot het eeuwig rijk aan te tonen. Want uw
leven is onze weg, en door de heilige verduldigheid gaan wij tot U, die onze
kroon zijt. Waart gij ons niet voorgegaan, en onze Leidsman geweest, wie zou er
aan U denken U te volgen? Ach! hoe ver zouden vele mensen achterblijven, ware
het dat zij uw heerlijke voorbeelden niet voor ogen hielden. Zie, wij zijn nog
zo lauw, na zo menigvuldige mirakelen gezien, na zovele leringen gehoord te
hebben; wat zou het zijn, indien wij zulk een licht niet hadden om U te volgen?
Hoe men beledigingen moet verdragen,
en wie zich waarlijk geduldig toont
1. CHRISTUS.
- Zoon! Wat hebt gij te zeggen? Houd op met klagen, en let op mijn lijden en
dat van mijn Heiligen. Gij hebt nog niet weerstaan tot bloedvergietens toe (1).
Het is weinig, wat gij lijdt in vergelijking met hen, die zoveel geleden
hebben, die zo hevig bekoord, zo hard verdrukt, en zo dikwijls beproefd en
geoefend zijn geworden. Gij moet u het groter lijden der andere mensen voor de
geest brengen, om uw klein lijden beter te verdragen. Indien uw lijden u zo
klein niet schijnt, zie toe of dit niet uit uw ongeduld voortkomt. Maar uw
lijden moge klein of groot zijn, arbeid om het verduldig te dragen.
2.
Hoe beter gij u schikt tot het lijden, hoe wijzer gij doet, en hoe meer
verdiensten gij bekomt: een vast besluit
en de oefeningen zullen u het lijden lichter maken. Zeg nooit: ik kan dit van die mens niet verdragen, of
zulke dingen moet ik niet lijden, want hij heeft mij groot ongelijk gedaan, en
hij verwijt mij dingen, waaraan ik zelfs niet gedacht heb; maar van een andere
zal ik zulks gaarne lijden, en voor zoveel het mij dunkt te moeten lijden. Dit
is een dwaze gedachte; want dat is op de deugd van geduld geen acht geven en
door wie zij gekroond zal worden; het is meer op de personen en op het leed,
dat men ons aandoet.
3.
Hij is geen oprecht verduldig mens, die niet wil lijden dan zoveel hem
goeddunkt, en van wie het hem belieft. Een waarlijk geduldig mens ziet er niet
naar van wie hij te lijden heeft, tenzij van zijn overste, van zijns gelijken,
of van iemand die minder is; van een goede of deugdzame mens, of van een
verdorven of onwaardige. Maar zonder onderscheid neemt hij alles in dank aan
van de hand Gods, hoe erg en hoe dikwijls de tegenstand hem ook overkome, of
van welk schepsel, en hij houdt het voor een groot voordeel. Want geen lijden,
hoe klein ook, zal God zonder verdienste laten, als men het om zijnentwil
verdraagt.
4.
Wees dus altijd bereid tot strijden, indien gij de zege wilt behalen.
Zonder strijd kunt gij de kroon der lijdzaamheid niet bekomen. Wilt gij niet
lijden, zo wilt gij ook niet gekroond worden. Want verlangt gij gekroond te
worden, zo strijd manhaftig en houd verduldig vol. Zonder arbeid komt men tot
de rust niet, en zonder strijd niet tot de zegepraal.
5.
DE ZIEL. - Heer, maak mij door uw genade mogelijk wat mij dunkt
onmogelijk te zijn met natuurlijke krachten. Gij weet dat ik weinig lijden kan,
en dat ik aanstonds kleinmoedig ben, als een kleine tegenspoed mij overvalt.
Maak, Heer, dat mij om Uw naam alle beproeving en kwelling beminnelijk en
wenselijk worden; want om uwentwil te lijden en gekweld te worden, is zeer
zalig voor mijn ziel.
(1) Hebr. 12: 4
Over de erkenning van zijn eigen
zwakheid en over de ellende van dit leven
1.
DE ZIEL. - Heer, ik zal mijn ongerechtigheid tegen mij belijden (1): voor U zal ik mijn zwakheid bekennen.
Dikwijls is het een kleine zaak, die mij kleinmoedig en bedroefd maakt. Ik maak
een voornemen, mij kloekmoedig te gedragen; maar overkomt mij een kleine
bekoring, terstond word ik zeer benauwd.
Het is bijwijlen een nietigheid, waaruit een
grote bekoring ontstaat. En als ik enigszins meen gerust te zijn, daar ik niets
gevoel, zo word ik somtijds door een lichte windstoot bijna omvergeworpen.
2. Aanzie
dan, Heer, mijn nederigheid en broosheid, die U alleszins bekend is. Wees mij
genadig, en trek mij uit het slijk, opdat ik daar niet in verzinke, en geheel
in kleinmoedigheid vervalle (1). Wat mij zo dikwijls tegenstaat en voor uw
aanschijn beschaamd maakt, is, dat ik zo wankelend, en krank ben om aan mijn
driften te wederstaan. En al brengen zij mij niet tot volkomen toestemming, nochtans valt mij hun
aanvechting lastig en pijnlijk, en het verdriet mij dagelijks te moeten
strijden.
En hieruit leer ik bijzonder mijn zwakheid
kennen, dat afschuwelijke voorstellingen zich altijd veel gemakkelijker
opdringen dan heengaan.
3. O
allersterkste God van Israël, vurige minnaar der gelovigen! Aanzie de arbeid en
de droefheid van uw minnaar, en sta hem ter zijde bij alles waartoe hij zich
begeeft (2). Versterk mij met de hemelse sterkte, opdat de oude mens, dat
ellendig vlees, aan de geest nog niet onderworpen, de overhand niet behale;
want zolang dit ellendig leven duurt, zal men daartegen moeten strijden. Ach,
wat is toch dit leven, waar geen ellende en bekoringen ontbreken, waar alles
vol is van strikken en vijanden! Want als de een bekoring of kwelling weggaat,
is er reeds een andere in aantocht, ja terwijl de eerste strijd nog duurt,
komen er meer andere onverwachts bij.
4.
Hoe kan dit leven bemind worden, dat met zoveel bitterheden doorzaaid,
aan zovele ellenden en rampen onderworpen is? Hoe kan het toch een leven
genoemd worden, daar het zovelerlei dood en verderf voortbrengt. En nochtans
wordt het bemind, en velen zoeken er hun genoegen in. Men zegt dikwijls, dat de
wereld bedrieglijk en ijdel is; en nochtans wordt zij node verlaten, omdat de
lusten van het vlees de overhand hebben. Sommige dingen lokken ons om de wereld
te beminnen, andere om ze te versmaden. De begeerlijkheid van het vlees, de
begeerlijkheid der ogen, en de hovaardij van het leven trekken ons tot de
liefde der wereld (3); maar de pijnen en de ellenden, die met recht daarop
volgen doen ons de wereld haten.
5.
Maar, helaas! Het zondig vermaak overwint een hart, dat tot de wereld
genegen is, en het meent dat er groot vermaak onder doornen schuilt (4), omdat
het de zoetheid van God en de inwendige bekoorlijkheid der deugd niet kent of
nooit gesmaakt heeft. Maar aan die de wereld volkomen versmaden en onder
heilige tucht voor God willen leven, is de goddelijke zoetheid niet onbekend,
die aan de ware versmaders der wereld beloofd is; en zij zien klaar hoezeer de
wereld dwaalt en zich veelvuldig bedriegt.
(1) Ps. 31: 5 (2) Jos. 1:
9 (3) Joann. 2: 16 (4) Job 30: 7
Boven alle goederen en gaven moet men
in God alleen rust zoeken
1.
DE ZIEL. - Neem altijd boven alles en in alles uw rust in de Heer, want
Hij is de eeuwige rust der heiligen. O allerzoetste en allerbeminnelijkste
Jezus, geef mij dat ik in U moge rusten boven alle schepsel, boven alle
gezondheid en schoonheid, boven alle eer en roem, boven alle macht en
waardigheid, boven alle wetenschap en vernuft, boven alle rijkdommen en
kunsten, boven alle blijdschap en vrolijkheid, boven alle faam en lof, boven
alle zoetheid en troost, boven alle hoop en belofte, boven alle verdienste en
verlangen, boven alle gaven en giften die Gij ons kunt ingeven en storten,
boven alle heil en verrukking, die een ziel bevatten en gevoelen kan.
Eindelijk, boven de Engelen en Aartsengelen boven alle hemelse Heirscharen,
boven al het zichtbare en onzichtbare en, o mijn God, boven alles, wat Gij niet
zijt.
2.
Want Gij alleen, mijn Heer en mijn God, zijt oneindig goed, Gij alleen
zijt de allerhoogste, de machtigste, de allerrijkste, en algenoegzame, de
zoetste, de troostrijkste: Gij alleen
zijt de schoonste, de minnelijkste, de edelste, de uitmuntendste, in wie alle
goederen te zamen in de hoogste volmaaktheid zijn, en altoos geweest zijn en
immer zijn zullen. En daarom is alles, wat Gij mij geeft buiten Uzelf, of wat
Gij mij van Uzelf openbaart en belooft, te gering en onbevredigend, als ik U
niet zie, en niet volkomen bezit. Want mijn hart kan nimmer oprecht rusten,
noch geheel tevreden zijn, tenzij het in U berust en zich boven alle gaven en
alle schepselen verheft.
3. O
allerliefste Bruidegom, zoete Jezus, allerzuiverste Minnaar, Opperheer van al
het geschapene! Wie zal mij de vleugelen der ware vrijheid geven, om tot U op
te stijgen en in U te rusten? (1). O wanneer zal mijn hart genoegzaam onthecht
zijn van het aardse, en rustig mogen zien en smaken hoe zoet Gij zijt (2), mijn
Heer en mijn God? Wanneer zal ik mij ten volle in U verdiepen, en van uw liefde
zo doordrongen zijn, dat ik niet mijzelf, maar U alleen gevoel, op een wijze
die boven alle verstand verheven en aan alle mensen niet bekend is? Maar nu
zucht ik dikwijls, en draag mijn ellenden met smart. Want in dit tranendal
ontmoet ik vele kwellingen, welke mij dikwijls ontstellen, bedroeven en
omnevelen; dikwijls vermoeien en verstrooien, aanlokken en verstrikken, de
vrije toegang benemen tot U, en beroven van die zoete omhelzingen, die de
zalige geesten altijd genieten. Dat toch mijn gezuchten mijn verlatenheid op
aarde U ontroeren!
4. O
Jezus, glans der eeuwige glorie (1), troost der bedroefde zielen in deze
ballingschap! Zie, mijn mond is voor U zonder spraak, en mijn stilzwijgen zegt
U alles. Hoelang toeft mijn Heer te komen? Ach! Dat Hij kome tot mij, zijn arme
dienaar, en mij verblijde! Dat Hij zijn hand uitreike, en mij van alle
benauwdheid verlosse! Kom! Want zonder U kan ik geen blijde dag of stond meer
genieten; want Gij alleen zijt mijn blijdschap, en zonder U is mijn tafel
ledig. Ik ben door ellenden verdrukt, en als een gevangene met boeien beladen,
totdat Gij mij door het licht van uw tegenwoordigheid verkwikt en verlost, en
mij uw vriendelijk aanschijn toont.
5.
Dat andere mensen buiten U zoeken wat hun belieft: mij behaagt, mij zal nooit iets behagen dan Gij
alleen, mijn God, mijn hoop, mijn eeuwig geluk. Ik zal niet stilzwijgen, niet
ophouden te bidden, totdat uw genade tot mij wederkomt, tot Gij inwendig tot
mij spreken zult.
6.
CHRISTUS. - Zie, hier ben Ik. Zie, Ik spreek tot u omdat gij Mij geroepen
hebt. Uw tranen en de begeerte van uw ziel, de vermorzeling van uw vernederd
hart, hebben mij bewogen ene tot u doen komen.
7.
DE ZIEL. - En ik heb gezegd:
Heer! Ik heb tot u geroepen, en gewenst U te genieten, bereid alles te
verlaten om uwentwil. Want Gij hebt de eerste mij opgewekt, opdat ik U zou
zoeken. Wees dus gezegend, o Heer! Die deze gunst bewezen hebt aan uw dienaar,
volgens de overvloed van uw barmhartigheid. Wat kan uw dienaar verder zeggen in
uw tegenwoordigheid, wat zal hij doen dan zich diep voor U vernederen, altoos
indachtig zijnde zijn eigen boosheid en verworpenheid. Want uws gelijken hebt
Gij niet onder al het betoverende, in hemel en op aarde. Uw werken zijn
volmaakt (4), uw oordeel is het juiste (5), en door uw Voorzienigheid wordt het
heelal geregeld (6). U zij dan lof en eer, o Wijsheid des Vaders: dat mijn mond, mijn ziel, en alle schepselen
te zamen U loven en verheerlijken!
(1) Ps. 54: 7 (2) Ps. 33:
9 (3) Hebr. 1: 3 (4) Gen. 1: 31 (5) Ps. 18: 10 (6) Wijsh. 4: 3
Over het gedenken van Gods weldaden
1.
DE ZIEL. - Heer, open mijn hart voor uw wet, leer mij wandelen in uw
geboden (1). Geef mij uw wil te mogen kennen, en met grote eerbied en aandacht
uw weldaden, zowel de algemene als de bijzondere, te overdenken, opdat ik U
daarover waardig moge danken. Maar ik weet en belijd, dat ik ook voor het
kleinste deeltje de schuldige dank niet kan betalen. Ik ben minder dan al de
weldaden, die Gij mij hebt betoond; en als ik denk aan uw oneindige verhevenheid,
zo bezwijkt mijn geest bij dit grootse.
2.
Al wat wij hebben naar ziel en lichaam, alles wat wij inwendig of
uitwendig, natuurlijk of bovennatuurlijk bezitten, zijn weldaden van U, en zij
verkondigen dat Gij een milde, genadige, en goedertieren gever zijt, van wie
wij alle goed ontvangen hebben. Ofschoon de een meer, de andere min ontvangen
heeft, is toch alles het uwe; en zonder U kunnen wij het geringste niet
bekomen. Wie meer ontvangen heeft, mag er niet over roemen als op eigen
verdienste, noch zich boven anderen verheffen, noch de mindere versmaden, want
hij is de grootste en beste, die zich het minste toeschijnt, en die U het
nederigst en innigst bedankt. Een die zich de verworpenste en onwaardigste van
allen acht, is de bekwaamste om grote gaven te ontvangen.
3.
Integendeel, hij die minder gaven ontvangen heeft, moet zich niet
bedroeven of wrevelig worden, noch de rijkere benijden, maar hij moet eerder U
aanzien, en uw goedheid loven, omdat Gij zo overvloedig, zo milddadig en
goedwillig uw gaven uitdeelt zonder aanzien van personen. Alles komt van U, en
daarom moet Gij in alles geloofd worden. Gij weet, wat van uw gaven eenieder
ten stade komt, en waarom deze meer, gene minder heeft, dit hebben wij niet te
onderzoeken, maar Gij alleen, bij wie ieders verdiensten bekend en bepaald
zijn.
4.
Daarom, Heer, mijn God, acht ik het voor een grote weldaad, van die
gaven niet veel te bezitten, waardoor men uitwendig schittert, en bij de mensen
lof en eer bekomt; zodat iemand, die de ellende en verworpenheid van zijn eigen
persoon aanschouwt, geenszins daarover zwaarmoedig, bedroefd, of kleinmoedig
mag zijn, maar eerder daar troost en groter blijdschap in moet vinden. Want
Gij, o God, hebt de armen, de nederigen en die naar de wereld veracht waren,
tot uw huisgenoten en vrienden verkoren.
Getuigen hiervan zijn uw Apostelen, welke
Gij tot vorsten over gans de wereld hebt aangesteld (2). Zij hebben op deze
wereld geleefd zonder klagen, zeer ootmoedig, zeer eenvoudig, zonder enig
arglist of bedrog; zodanig dat zij zeer verheugd waren om uw Naam te lijden
(3), en dat, waar de wereld een gruwel aan heeft, met grote liefde omhelsden.
5.
Niets moet meer vreugde baren aan die U bemint, en uw weldaden erkent,
dan de vervulling van uw heilige wil, en het welbehagen van uw eeuwige
raadsbesluiten. Hij moet daarin zoveel tevredenheid en troost vinden, de hij zo
gaarne de minste wil zijn als een ander wenst de meeste te wezen. Ja, hij moet
zo tevreden zijn op de laatste plaats als op de eerste; hij moet zo gaarne in
deze wereld versmaad en verworpen zijn, en beroofd zijn van naam en faam om U,
als geacht en geëerd te wezen boven alle anderen. Want uw wil, en de liefde tot
uw eer, moet alles te boven gaan en moet Hem meer troosten en behagen, dan alle
hem gegeven of nog te geven weldaden.
(1) 2 Mach. 1: 4 (2) Ps. 47: 17 (3) Hand. 5: 16
Over de vier vereisten voor grote
zielenvrede
1.
CHRISTUS. - Zoon! Nu zal Ik u de Weg van de vrede en de ware vrijheid
des harten leren.
2. DE
ZIEL. - Doe dat, o Heer, want het is mij lief dat te horen.
3.
CHRISTUS. - Zoon, tracht liever de wil van een ander te doen dan de uwe.
Tracht altoos eerder min te hebben dan meer. Zoek altoos de laatste plaats, en
achter eenieder gesteld te zijn. Wens altijd en bid dat Gods wil geheel in u
volbracht worde. Zie, een mens die aldus leeft, komt in het land van vrede en
rust.
4.
DE ZIEL. - Heer, deze uw les is kort; maar zij bevat in zich een grote
volmaaktheid. Zij is kort van woorden; maar rijk van zijn en overvloedig in
vruchten. Kon ik die getrouw onderhouden, ik zou zo licht niet ontsteld zijn.
Want zo dikwijls als ik mij ongerust en bezwaard gevoel, bevind ik dat ik van
deze leer afgeweken ben. Maar Gij, die alles vermoogt, en immer de voortgang der
zielen zoekt, vermeerder in mij uw genade, opdat ik uw lering moge nakomen en
mijn zaligheid bewerken.
Gebed tegen kwade gedachten
5. O
mijn Heer en mijn God! Wijk van mij niet af:
o God! Haast U om mij te helpen (1);
want in mij zijn velerlei gedachten en grote angsten opgestaan, die mijn
ziel ontstellen. Hoe zal ik daar ongekwetst doorkomen; hoe zal ik ze
overwinnen?
6.
Ik zal, zegt de Heer! Gelijk Gij zegt, u voorafgaan, en de hoogmoedigen
der aarde vernederen. Ik zal de deuren van de kerker openen, en u verholen
geheimen leren kennen (2).
7.
Doe, o Heer, gelijk Gij zegt, en dat alle kwade gedachten van uw
aanschijn wegvliegen (3). Het is mijn hoop, en mijn enige troost tot U mijn
toevlucht te nemen in alle lijden, op U te vertrouwen, U uit de grond van mijn
hart te aanroepen, en uw troost lankmoedig af te wachten.
GEBED OM VERLICHTING VAN DE GEEST
8.
Verlicht mij, o goede Jezus, door de klaarheid van het inwendig licht,
en verdrijf alle duisternis uit de woning van mijn hart. Bedwing de aanhoudende
verstrooidheid van mijn gedachten, en verjaag de bekoringen, die mij geweldig
aanranden. Strijd krachtig met mij, en overwin die wilde roofdieren, ik zeg de
verlokkende begeerlijkheden en kwade lusten, opdat er vrede moge zijn in uw
sterkte (4), en uw lof weerklinke in uw heilige tempel, dat is, in een rein
geweten. Gebied aan winden en tempeesten; zeg tot de zee: bedaar; en tot de noorderwind: houd op met razen; en daar zal grote stilte
wezen (5).
9.
Zend uw licht en uw waarheid (6), opdat zij de aarde beschijnen: want ik ben een duistere en ijdele aarde,
totdat Gij mij verlicht. Stort uw genade uit van boven, besproei mijn hart met
hemelse dauw; verleen de wateren van godsvrucht om deze dorre aarde te
bevochtigen, opdat zij goede en rijpe vruchten voortbrenge. Wil mijn hart
verheffen, dat door de last der zonde is neergedrukt, en keer al mijn begeerten
naar het hemelse, opdat, na de hemelse zoetheid gesmaakt te hebben, het mij
walge aan het aardse nog te denken.
10.
Trek mij tot U, en verlos mij van alle troost der schepselen, die niet
langer duurt: want geen schepsel kan
mijn begeerte verzadigen, noch mijn hart tevreden stellen. Verenig mij met U,
door de onbreekbare band der liefde, want Gij alleen zijt genoeg aan de
minnende ziel, en zonder U is alles ijdelheid.
(1) Ps. 70: 12 (2) Is. 45: 2 (3) Ps. 67: 1 (4) Ps. 121: 7 (5) Marc. 4: 39 (6) Ps. 92: 3
Dat men het nieuwsgierig onderzoeken omtrent een anders leven moet
vermijden
1. CHRISTUS.
- Zoon, wil niet nieuwsgierig zijn, noch u bekommeren met ijdele zorgen. Wat
gaat u dit of dat aan? Volg Mij (1). Wat is er u aan gelegen, of deze zus of zo
is of hij dit of dat doet of spreekt? Gij moet voor anderen niet verantwoorden: maar gij zult voor uzelf niet
verantwoorden: maar gij zult voor uzelf
rekenschap geven. Waarmede bekommert gij u dan? Zie, Ik ken alle mensen en zie
alles wat onder de zon plaats grijpt; Ik weet hoe het met eenieder gaat, wat
hij denkt, wat hij begeert, en tot wat einde zijn inzicht strekt. Daarom moet
men Mij alles overlaten: wat u aangaat,
houd u in vrede, en laat de woelige woelen, zoveel hij wil. Want al wat hij
doet of zeggen zal, zal op hem komen, want niemand kan Mij bedriegen.
2.
Wees niet bezorgd voor de schaduw van een grote naam, noch om de
vriendschap van velen, of om de bijzondere genegenheid der mensen. Want al die
dingen baren verstrooidheid en grote duisternis in het hart. Ik zou gaarne u
mijn woord toespreken en u het verscholene openbaren, indien gij op mijn bezoek
altoos aandachtig waart, en bereid om Mij de deur van uw hart te openen. Wees
voorzichtig, waak in vrome gebeden (2) en verneder u in alles.
(1) Joann. 21: 22 (2) 1
Petr. 4: 7
Over de duurzame vrede des harten, en waarin de ware voortgang
bestaat
1.
CHRISTUS. - Zoon! Ik heb gezegd:
Ik laat u in mijn vrede, Ik geef u mijn vrede; niet gelijk de wereld die
geeft, geef Ik hem u (1). Alle mensen zoeken de vrede, maar niet allen zijn
bezorgd om te onderhouden, wat tot ware vrede leidt. Mijn vrede is met de
ootmoedigen en de zachtmoedigen van hart (2). Uw vrede zal bestaan in grote
lijdzaamheid. Indien gij naar Mij luistert, en mijn lering volgt, zult gij
grote vrede kunnen genieten.
2.
DE ZIEL. - Wat heb ik dan te doen?
3.
CHRISTUS. - Let in alle dingen op uzelf, wat gij doet en wat gij zegt.
Dat altoos uw mening zij om Mij alleen te behagen, en om buiten Mij niets te
begeren of te zoeken. Oordeel ook niet lichtvaardig de woorden of werken van
andere mensen; bemoei u niet met wat u niet werd opgedragen; zo zal het kunnen
geschieden dat gij weinig of zelden verontrust wordt. Maar nooit enige
ontsteltenis gevoelen, nooit enige kwelling van ziel of lichaam lijden, dit is
de staat van het tegenwoordig leven niet, maar de staat van het eeuwig geluk.
Laat u dan niet voorstaan de ware vrede gevonden te hebben, wanneer gij geen
zwarigheid gevoelt; of dat dan alles welgaat, als gij niemand tegenstreeft; of
dat gij dan volmaakt zijt, wanneer alles geschiedt naar uw begeerte. Houd u ook
dan niet voor iets groots of voor Gods bijzondere lieveling wanneer gij grote
zoetheid in de godsvrucht gevoelt: want
daaraan wordt de ware minnaar der deugd niet gekend, of daarin bestaat de
voortgang en de volmaaktheid van de mens niet.
4. DE ZIEL. - Waarin dan, Heer?
5.
CHRISTUS. - In uzelf uit geheel uw hart op te dragen aan de wil van God;
in uzelf niet te zoeken, zomin in het klein als in het groot, noch in de tijd,
noch in de eeuwigheid; zodat gij alles met hetzelfde oog aanziende, en in een
juiste schaal wegende, mij gelijkelijk bedankt in voor- en tegenspoed. Indien
gij zo kloek en lankmoedig zijt in de hoop, dat, bij ‘t ontberen van de
inwendige troost, gij dan nog uw hart bereidt om zwaardere kwellingen te
lijden, en uzelf niet verontschuldigt alsof gij niet zoveel verdiendet te
lijden; maar dat gij in al wat u overkomt, mij voor rechtvaardig en heilig
houdt: dan wandelt gij in de rechte en
ware weg van vrede, en dan moogt gij een vaste hoop hebben, dat gij mijn
aanschijn in de volle vreugde zult wederzien (3). Indien gij tot een volkomen
verachting van uzelf gekomen zijt, weet dan dat gij de vrede zo overvloedig
zult genieten als het in dit ellendig leven mogelijk is.
(1) Joann. 14: 27 (2)
Matth. 11: 29 (3) Job 33: 26
Over de grote waarde van een vrij gemoed, dat men eer bekomt door
het smeekgebed dan met het lezen
1.
DE ZIEL. - Heer! Het is een werk van grote volmaaktheid, nooit te
verflauwen in de zuivere begeerte der hemelse dingen, en in het midden der
wereldse bekommernissen voort te gaan alsof men er geen had: niet zoals een ongevoelig mens, maar uit een
zekere vrijheid des harten, omdat men aan geen schepsel uit ongeregelde liefde
gehecht is.
2.
Ik bid U dan, o genadige Heer, verlos mij van de zorgen dezer wereld,
opdat ik er niet in verwarre; van de noodwendigheden van het lichaam, opdat ik
niet gevangen worde door de zinnelijkheid; van alle beletselen der ziel, opdat
ik niet door bezwaren gebroken bezwijke. Ik spreek niet van zulke dingen, die
de wereldse ijdelheid met volle begeerte zoekt; maar van die ellenden, welke,
als een gevolg van de algemene vloek over de stervelingen, mij, uw dienaar,
bezwaren, en beletten de vrijheid van geest te genieten, zo dikwijls het lust.
3. O
mijn God, onuitsprekelijke zoetheid, verkeer voor mij in bitterheid alle
lichamelijke troost, die mij aftrekt van de liefde tot de eeuwige goederen en
mij tot zonde lokt door de aanblik van tijdelijk goed of vermaak. Laat mij niet
overwonnen worden, o mijn God, door vlees en bloed; laat de wereld met haar
kortstondige roem mij niet bedriegen, of de duivel met zijn met zijn
arglistigheid mij verschalken. Geef mij sterkte om te wederstaan, geduld om te
lijden, standvastigheid om te volharden. Geef mij, in plaats van al de
wellusten dezer wereld, de zoete zalving van uw geest, en in plaats van de
aardse liefde, de liefde voor uw naam.
4.
Zie, spijs, drank, klederen en andere hulpmiddelen, tot onderhoud van
het lichaam, strekken tot last aan een vurige ziel. Verleen mij, zulke
verkwikkingen matig te gebruiken, en mij daaraan niet te hechten door te grote
begeerte. Men mag niet alles afschudden, want de natuur moet haar nooddruft
hebben, doch overvloed of zinnelijk vermaak te zoeken, dit verbiedt uw heilige
wet; want anders zou het vlees tegen de geest weerspannig worden. Dus bid ik U,
dat uw hand mij in dit alles leide, en mij lere in alles matig te zijn.
Dat eigenliefde allermeest van het hoogste goed verwijdert
1.
CHRISTUS. - Zoon, gij moet u geheel aan Mij geven, en voor uzelf niets
behouden. Weet dat de liefde tot uzelf u meer hindert dan enige zaak ter
wereld. Volgens de liefde en neiging, die gij hebt, zult gij aan iedere zaak
min of meer gehecht zijn. Is uw liefde zuiver, eenvoudig en wel geregeld, zo
zult gij aan niets gekluisterd liggen. Begeer niet, wat gij niet moogt
bezitten. Wil ook niet bezitten, wat u kan hinderen en u de vrijheid des harten
benemen. Het is wonder, dat gij u niet uit de grond van uw hart geheel aan Mij
overgeeft, met alles wat gij kunt wensen of bezitten.
2.
Waarom wordt gij gekweld met ijdele droefheid? Waarom u vermoeid met
onnodige zorgen? Stel u geheel in mijn wil, en gij zult geen nadeel lijden.
Indien gij dit of dat verlangt, en hier of daar wilt zijn, om uw gemak of om
meer uw eigen wil te hebben, zo zult gij nooit gerust van hart, noch vrij van
kommer zijn, want in alle dingen zult gij een gebrek vinden, en op alle
plaatsen iemand die u tegenstreeft.
3. Het
helpt dan weinig uitwendige dingen te bekomen of te vermeerderen; het is veel
beter die te versmaden, en met wortel uit te roeien. Dit moet gij niet alleen
verstaan van schatten en rijkdommen, maar ook van het streven naar eer en
ijdele lof, want al deze dingen gaan voorbij met de wereld. De plaats bevrijdt
weinig, als de geest van ijver ontbreekt; en de vrede, die uitwendig gezocht
wordt, zal niet lang duren, als de staat des harten de ware grondslag mist; dat
is, indien gij in Mij niet berust, kunt gij u wel verplaatsen, maar uw lot niet
verbeteren. Want bij de eerste gelegenheid, die er voorkomt, zult gij vinden,
wat gij hebt willen ontvluchten, ja, nog erger.
Gebed om zuiverheid der harten en hemelse
wijsheid
4.
Versterk mij, o God, door de genade van de Heilige Geest. Geef dat de
kracht, in de inwendige mens versterkt worde (1) en mijn hart zich ontdoe van
alle onnuttige zorg en angst, en mij niet meer late vervoeren door de
begeerlijkheid van aardse dingen, gering of kostbaar; maar dat ik alle dingen
aanzie als vergankelijk, en mijzelf als moetende met hen voorbijgaan. Want
niets is onbestendig onder de zon, ‘t is alles ijdelheid en kwelling des
geestes (2). O hoe wijs is hij, die het alzo beschouwt!
5.
Geef mij ook, o Heer, de hemelse wijsheid, opdat ik lere U boven alles
te zoeken en te vinden, boven alles te smaken en te beminnen verder alle dingen
aan te zien gelijk zij in waarheid zijn, volgens ordening van uw wijsheid. Leer
mij met voorzichtigheid de vleier vermijden, de tegenkanter geduldig verdragen;
want het is grote wijsheid, zich niet te laten bewegen door alle woorden, en
niet te luisteren naar bedrieglijke vleitaal; want alzo gaat men veilig voort
op de ingeslagen weg.
(1) Ef. 3: 16 (2) Eccl. 1: 14
Goede raad tegen kwaadsprekers
1.
CHRISTUS. - Zoon! Bedroef of ontstel u niet, wanneer sommige mensen
kwaad van u denken, en zeggen wat gij niet gaarne hoort. Want gij moet van
uzelf nog erger denken, en niemand voor zwakker houden dan u. Indien gij
inwendig voor God wandelt, zult gij de voorbijvliegende woorden er mensen niet
veel achten. Het is geen kleine wijsheid stil te zwijgen in de kwade tijden, en
inwendig zich tot Mij te keren, zonder ontsteld te worden door het oordeel der
mensen.
2.
Stel uw vrede niet in de gevoelens of de woorden der mensen; want of zij
kwalijk of goed gevoelen van u hebben, gij blijft daarom niet minder die gij
zijt. Waarin is de ware vrede en ware roem anders te vinden dan in Mij? En die
de mensen niet zoekt te behagen of vreest te mishagen, zal grote vrede
genieten. Uit de ongeregelde liefde en ijdele vrees ontstaat alle onrust des
harten en verstrooidheid der zinnen.
Hoe men in tegenspoed God moet aanroepen en zegenen
1.
DE ZIEL. - Dat uw Naam in eeuwigheid gezegend zij, Heer? Die mij deze
bekoring en deze kwelling hebt willen laten overkomen. Ik kan ze niet
ontvluchten, maar ik word genoodzaakt tot U mijn toevlucht te nemen; opdat ik
door uw hulp deze kwelling tot mijn goed moge keren. Heer! Zie, ik ben nu in
het lijden, en mijn hart is ontsteld; ik word op deze stond door de bekoring
zeer geplaagd. O lieve Vader! Wat zal ik nu zeggen? Zie, ik ben bevangen met
grote schrik. Red mij in dit uur. Maar daarom ben ik in dit uur gekomen (1),
opdat Gij zoudt verheerlijkt worden met mij te verlossen, nadat ik zeer diep
vernederd ben geweest. Heer, dat het U toch believe mij te redden (2): want wat kan ik, arme mens, doen, en waar wil
ik heen zonder U? O Heer! geef mij ook ditmaal geduld. Help mij, o God! En ik
zal niet vrezen, hoezeer ik ook bezwaard worde.
2.
En wat zal ik intussen zeggen? Heer, dat uw wil geschiede (3); ik heb al
te zeer verdiend alzo verdrukt en bezwaard te worden. Het past mij dan ook dit
te verdragen: en ach! Of ik het
verduldig mocht doen, totdat de storm voorbij zij, en het beter met mij ga! Uw
almachtige hand zal ook deze bekoring van mij wegnemen, en haar geweld matigen,
opdat ik niet geheel bezwijke: gelijk
Gij tevoren zo dikwijls met mij gedaan hebt, o mijn God, mijn barmhartigheid!
(4) En hoe moeilijker het voor mij is, hoe lichter voor U deze verandering is,
die voortkomt van de rechterhand van den Allerhoogste (5).
(1) Joann. 12: 27 (2) Ps. 39: 14 (3) Matth. 26: 42 (4) Ps. 58: 18 (5) Ps. 76: 2
Dat wij Gods hulp moeten afsmeken en
op de terugkeer van zijn genade vertrouwen
1.
CHRISTUS. - Zoon! Ik ben de Heer, die sterkte geeft in de dag der
bekoring (1). Kom tot mij als het u niet welgaat. Wat allermeest de hemelse
troost belet, is, dat gij u te laat tot het gebed begeeft. Want alvorens Mij
met aandrang te bidden, zoekt gij elders troost, en uw vermaak in uitwendige
dingen. En daarbij komt het dat alles weinig baat, totdat gij bekent dat Ik de
Redder ben van wie op Mij hopen (2), en dat er buiten Mij geen krachtige hoop
is, geen nuttige raad, geen duurzaam geneesmiddel. Maar nu gij weder adem
schept na de storm, herneem uw moed in het licht van mijn barmhartigheden: want Ik ben nabij, zegt de Heer, om alles te
herstellen, niet alleen volkomen, maar overvloedig en bovenmate.
2. Is er voor Mij wel iets moeilijk om te
doen? (3) Of zal Ik gelijk zijn aan iemand die gelooft en niet volbrengt? (4)
Waar is uw geloof? Sta vast en volhard. Wees lankmoedig en manhaftig: de troost zal u op tijd toekomen. Wacht op
Mij, wacht, Ik zal komen en u genezen. Een beproeving is het die u kwelt; een
ijdele vrees, die u verschrikt. Waartoe dient al die bezorgdheid voor de
onzekere toekomst? Niet dan om uw droefheid te vermeerderen. Iedere dag heeft
aan zijn eigen leed genoeg (5). Het is zeer ijdel en dwaas, bedroefd te zijn of
verblijd over de toekomstige dingen, die misschien nooit zullen gebeuren.
3.
Het is toch menselijk door zulke inbeeldingen ontsteld te worden, en een
teken van kleinmoedigheid, als men zo licht bewogen en verleid wordt door het
inblazen van de vijand. Want het is hem onverschillig, of hij iemand met ware
of met valse voorstellingen verleidt en bedriegt; of hij iemand overwint door
liefde voor het aanwezige of door vrees voor het toekomstige. Wees dan niet
ontsteld of bevreesd van hart (6). Gelooft in Mij, en heb vertrouwen in mijn
barmhartigheid. Als gij meent dat gij van Mij verwijderd zijt, dan ben ik
dikwijls het dichtst nabij. Als gij meent dat bijna alles verloren is, dan is
het dikwijls de tijd om veel te verdienen. Het is niet al verloren, omdat een
zaak verkeerd uitvalt. Gij moet niet oordelen volgens de indruk, die gij
tegenwoordig gevoelt, of gij moogt de zwarigheid, van waar die ook moge komen,
zo diep in het hart niet ontvangen, of er u aan overgeven, alsof er geen hoop
ware van daaruit te geraken.
4.
Wil niet denken, dat gij geheel verlaten zijt, als is het, dat Ik u voor
een tijd enige kwelling toezend of u de vertroosting onttrek; want zo gaat men
tot het rijk der hemelen. En het is voor u en voor al mijn dienaren
ongetwijfeld voordeliger, door tegenspoed geoefend te worden, dan alles naar uw
begeerte te hebben. Ik ken de verborgen gedachten, en Ik weet, dat het voor uw
zaligheid zeer dienstig is, dat gij somtijds in dorheid en zonder vertroosting
gelaten wordt, opdat gij u niet zoudt verheffen in de vooruitgang, en uzelf
zoeken te behagen in wat gij niet zijt. Hetgeen Ik gegeven heb, mag Ik
ontnemen, en ook weergeven als het Mij belieft.
5.
Als Ik iets geeft, dan blijft het mijne; als ik het afneem, neem Ik het
uwe niet; want alle goede en volmaakte gift komt van Mij (7). Indien Ik u enige
zwarigheid of tegenspoed overzend, weest niet gestoord of laat de moed niet
zinken. Ik kan in een stond u verlichten en alle zwarigheid in blijdschap
verkeren. En wanneer Ik alzo met u handel, blijf Ik rechtvaardig en waard hoog
geprezen te worden.
6.
Indien gij wijs zijt, en naar waarheid oordeelt, zo zult gij in
tegenspoed niet kleinmoedig zijn, maar eerder zult gij u verblijden en Mij bedanken.
Ja, dit alleen zoudt gij voor ware blijdschap moeten rekenen, dat Ik u niet
spare: maar door het lijden beproeve
(8). Eertijds heb Ik tot mijn discipelen gezegd: Gelijk de Vader Mij bemind heeft, zo bemin Ik
u (9). En deze discipelen heb Ik waarlijk niet gezonden tot tijdelijke vreugde,
maar tot strijden en lijden; niet tot ereambten, maar tot versmadelijkheden;
niet tot ledigheid, maar tot arbeid; niet om te rusten, maar om vele vruchten
te vergaderen in lijdzaamheid. Zoon! Wil deze woorden altijd gedenken.
(1) Nahum. 1: 7 (2) ps.
16: 7 (3) Jer. 32: 27 (4) Num. 23: 19 (5) Matth. 6: 34 (6) Joann. 17: 27 (7) Jac. 1: 17 (8) Job 6: 10 (9) Joann. 15: 12
Men moet elk schepsel versmaden om de
Schepper te kunnen vinden
1.
DE ZIEL. Heer! Ik heb nog grotere genaden nodig, indien ik zover wil
komen dat noch mens, noch enig schepsel, mij zou kunnen hinderen. Want zolang
mij nog enige zaak gebonden houdt, kan ik niet vrij tot U opvliegen. Hij had
het verlangen om vrij te vliegen die kon zeggen: Wie zal mij vleugelen als van een duif geven,
opdat ik opwaarts vliege en ruste? (1) Wat is er rustiger dan de blik van een
eenvoudige? En wat is vrijer dan een mens, die niets verlangt op aarde? Wij
moeten dan boven alle schepselen omhoogvaren, onszelf volkomen verlaten, en ons
in de geest verheffen, om te bemerken dat Gij, de Schepper van alles, niets
gemeen hebt met enig van uw schepselen. En zolang iemand niet gans ontbonden is
van alle schepselen, zal hij zijn aandacht niet onbelemmerd op het goddelijke
kunnen vestigen. Daarom vind men zo weinige mensen, die de geest der
beschouwing hebben: omdat er zo weinigen
zijn, die zich volkomen kunnen losmaken van de schepselen en van al het
vergankelijke.
2.
Daartoe is er een grote genade nodig, die de ziel oplicht, en boven
haarzelf opvoert. En zolang de mens in de geest niet aldus verheven is,
onthecht van alle schepselen, en geheel verenigd met God, zolang is al wat hij
bezit, weinig te achten. Hij zal lang klein zijn en tot de aarde geneigd
blijven. Die buiten het enige, oneindige, en eeuwige Goed niets voor groot
acht. Alles wat God niet is, dat is nietigheid, en moet voor nietigheid
gehouden worden. Daar is groot verschil tussen de wijsheid van een verlicht en
godvruchtig mens, en de wetenschap van een leergierig en geletterd geestelijke.
De wijsheid die van boven komt en door God zelf wordt ingestort, is veel edeler
dan die welke met moeite door menselijk verstand bekomen wordt.
3.
Men vindt er velen, die naar de beschouwing verlangen; maar zij zoeken
niet te beoefenen wat daartoe nodig is. Het is ook een groot beletsel dat men
zich ophoudt met uitwendige en zichtbare dingen, en weinig werk maakt van de
volmaaktste versterving. Ik weet niet wat het is, noch door welke geest wij geleid
worden, noch wat wij voorwenden, wij die naar de uiterlijke schijn geestelijke
mensen heten; dat wij door zoveel arbeid en zorg nietige en vergankelijke
dingen najagen, terwijl wij zelden of nooit met volkomen ingetogenheid van
zinnen aan onze inwendige staat denken.
4.
Helaas! Als wij een weinig ingekeerd zijn, lopen wij aanstonds weer naar
buiten; en zo onderzoeken wij nooit onze werken met naarstigheid. Wij zien niet
na, waartoe onze genegenheden zich verlagen en betreuren niet dat al onze werken
zo onrein zijn. Alle vlees had zijn weg bedorven (2) en daarom zond God de
grote watervloed. Aangezien dan onze inwendige neiging zeer bedorven is, zo
moeten onze werken, die er uit volgen, als het teken van onze inwendige
krachteloosheid noodzakelijk ook bedorven zijn. De vrucht van een goed leven
komt voort uit een zuiver hart.
5.
Men vraagt wel hoeveel iemand gedaan heeft; maar hoeveel deugd er in
zijn daden is, daarop wordt niet nauwkeurig gelet. Men vorst na of iemand
kloekmoedig, rijk, schoon en bekwaam is, of hij een goed zanger, een goed
schrijver of werkman is; maar men vraagt zelden of hij arm van geest is,
geduldig en zachtmoedig, of hij godvruchtig en ingekeerd is. De natuur ziet
naar het uitwendige van de mens, maar de genade keert zich altijd tot het
inwendige. De natuur bedriegt zich dikwijls, maar de genade stelt haar hoop op
God, opdat zij niet bedrogen worde.
(1) Ps. 64: 7 (2) Gen. 6: 12
Over de zelfverloochening en de
verzaking van alle begeerlijkheid
1.
CHRISTUS. - Zoon, gij kunt de volkomen vrijheid niet bekomen, tenzij gij
uzelf geheel verloochent. Want allen, die zichzelf zoeken en beminnen, zijn als
geboeid; zij zijn vol kwade driften; nieuwsgierig her- en derwaarts lopende;
zij zoeken altijd hun gemak, en niet wat Mij aangenaam is; zij beramen dikwijls
en beginnen wat geen stand kan houden. Want alle dingen, die uit God niet
komen, moeten vergaan. Onthoud deze korte maar diepzinnige woorden: Verlaat alles en gij zult alles vinden.
Verzaak alle begeerlijkheid en gij zult troost vinden. Overleg dit dikwijls in
uw gemoed, en als gij het volbracht zult hebben, zult gij er de waarheid van
begrijpen.
2.
DE ZIEL. - Heer! Dit is geen werk van een dag, noch kinderspel: al de volmaaktheid van het geestelijk leven is
in die korte woorden opgesloten.
3.
CHRISTUS. - Zoon! Gij moet u niet laten afschrikken, of niet terstond
kleinmoedig worden, als gij hoort spreken van de weg der volmaaktheid; maar
eerder opgewekt worden tot het hogere of ten minste met een grote begeerte
daarnaar verlangen. Och, ware het met u zo gesteld en waart gij zover gekomen,
dat gij uzelf niet meer beminde, maar eenvoudig wist te gehoorzamen op mijn
wenk, of op die van de overste, die Ik over u gesteld heb, dan zoudt gij Mij
zeer behagen, en zou geheel uw leven in blijdschap en ware vrede voorbijgaan.
Nog veel hebt gij te verlaten, en indien gij er om mijnentwil niet van afziet,
zult gij nooit bekomen wat gij van Mij begeert. Ik raad u, koop van Mij goud
door het vuur beproefd (1), opdat gij rijk wordt, dat is te zeggen; de hemelse wijsheid, die al het aardse met
voeten treedt. Versmaad daarvoor alle aardse wijsheid, alle menselijk opzicht,
en eigenbehagen.
4.
Ik zeg u, verwissel het grote en kostbare in de ogen der mensen, voor
het geringere. Want de ware wijsheid des hemels, die geen groot gevoelen van
zichzelf heeft, en geen verheffing zoekt op aarde, is nu zeer klein geacht en
bijna gans vergeten: velen prijzen met
haar de mond, maar door hun leven wijken zij er van af. Nochtans is zij die
kostbare parel (2), voor velen verborgen.
(1) Apoc. 3: 18 (2) Matt.
13: 46
Over de onstandvastigheid des harten,
en de plicht ons einddoel in God te stellen
1.
CHRISTUS. - Zoon, vertrouw niet veel op uw stemming van dit ogenblik,
want die kan spoedig veranderen. Zolang gij leeft, zult gij aan verandering
onderhevig zijn, en dit met of tegen uw wil; nu blijgemoed, dan droevig; nu
gerust, dan ongerust; nu godvruchtig, dan zonder godsvrucht; nu naarstig, dan
traag; nu ernstig, dan lichtzinnig. Maar de wijze, die in ‘t geestelijke wel
geoefend is, verheft zich boven al dat wisselvallige. Hij geeft geen acht wat
hij in zijn gemoed gevoelt, of van welke zijde de wind der ongestadigheid
blaast; maar hierop, dat zijn ziel met volle krachtinspanning naar het
voorgeschreven en gewenste doel vooruitga. En zo is het dat hij in het midden
van allerhande lotswisselingen op Mij alleen zijn mening en inzichten
stellende, onwrikbaar en altoos een en dezelfde blijft.
2.
En hoe zuiverder het oog der mening is, hoe standvastiger men te midden
der menigvuldige stormen wandelt. Maar dat oog wordt in velen verduisterd,
omdat men zich licht keert tot iets vermakelijks dat zich voordoet. Want zelden
wordt er iemand gevonden, die gans vrij is van de vlek der zelfzucht. Zo kwamen
eertijds de Joden te Bethanië tot Maria, en Martha, niet voor Jezus alleen,
maar tevens om Lazarus te zien. (1) Men dient dus het oog van zijn mening te
zuiveren, opdat het eenvoudig en oprecht weze, en het tussen allerhande
voorvallen en veranderingen tot Mij te sturen.
(1) Joh.
12: 9
Wie God bemint, vindt bij alles en
boven alles in Hem zijn genoegen
1.
DE ZIEL. - Ziedaar mijn God en mijn Al! Wat wil ik mee, wat kan ik
gelukkigers wensen? O troostrijk en zoet woord! Maar voor hem die het Woord
bemint, niet de wereld en wat in de wereld is (1). Mijn God en mijn Al! Dit is
dikwijls genoeg gezegd voor die het verstaat; en het dikwijls herhalen, is
genoegzaam aan die bemint. Want daar Gij, o Heer! Tegenwoordig zijt, is alles
aangenaam; maar waar gij niet zijt, is alles verdrietig. Gij maakt onze harten
gerust, Gij verleent grote vrede en feestvreugde. Gij maakt dat men zich alles
laat welgevallen, en in alle dingen U love; zonder U kan niets lang behagen; maar
om ergens smaak en genoegen in te bekomen, moet er uw genade bij wezen, en het
zout van uw wijsheid het bereiden.
2. O
Heer, die U smaakt, wat zal er hem smakeloos zijn? En iemand, die geen smaak in
U heeft, wat zal hem aangenaam kunnen wezen? Maar de wijzen van deze wereld, en
de vleselijke gezinden, vergaan in hun wijsheid; want in de wereld is niets dan
ijdelheid, en in het vlees niets dan de dood. Maar zij, die U volgen door het
versmaden van de wereld en door de versterving van het vlees, zijn waarachtig
wijs; want zij gaan van de ijdelheid tot de waarheid over, en van de
vleselijkheid tot de geest. Zulke mensen vinden smaak in God, en het goed dat
zij in de schepselen vinden, wenden zij aan tot lof van hun Schepper. Nochtans
is er een verschil, een groot verschil tussen de smaak van de Schepper en het
schepsel, van de eeuwigheid en de tijd, van het ongeschapen licht en het
ontstoken licht.
3. O
eeuwig licht, dat alle geschapen lichten oneindig te boven gaat: schiet uw stralen uit van de hemel, en dat
zij het binnenste van mijn hart doordringen. Zuiver, verblijd, verlicht en
verlevendig mijn ziel met al haar krachten, opdat zij zich met u verenige in
juichende verrukking. Ach! Wanneer zal het gelukkig en wenselijk uur komen, dat
Gij mij zult verzadigen door uw tegenwoordigheid, en mij alles zijn in alle
dingen? Want zolang dit mij niet verleend wordt, zal mijn blijdschap niet
volkomen wezen. Helaas, de oude mens leeft in mij, hij is nog niet geheel
gekruisigd, niet volkomen dood. Hij staat nog krachtig op tegen de geest: hij voert nog inwendig strijd, en laat het
rijk van mijn ziel geen rust.
4.
Maar Gij, o Heer! Die heerschappij hebt over de zee, en het geweld van
haar baren stilt, sta op, kom mij te
hulp (2). Verstrooi de volkeren die oorlog zoeken (3), en verplet ze door uw
kracht. Ik bid U, toon uw wonderwerken, en doe de macht van uw rechterarm
uitschijnen (4); ik heb anders geen hoop noch toevlucht dan in U, mijn Heer en
mijn God!
(1) 1 Joan. 2: 15 (2) Ps. 88: 10 (3) Ps. 67: 32 (4) Judith 9: 2
In dit leven is men niet beveiligd
tegen bekoringen
1.
CHRISTUS . - Zoon, gij zijt in dit leven nooit veilig; maar zolang gij
leeft zullen u geestelijke wapenen nodig zijn. Gij wandelt in het midden der
vijanden; van alle kanten wordt gij bevochten. Indien gij u dan niet gedurig
dekt met het schild van verduldigheid, zult gij niet lang ongewond blijven.
Daarenboven, indien gij uw hart niet vast op Mij stelt, met de vaste wil van
alles uit liefde tot Mij te lijden, zo zult gij het geweld der bekoring niet
uitstaan, noch de palmtak der gelukzaligen bekomen. Gij moet dan kloekmoedig
door alles heen dringen, en grote kracht gebruiken tegen alle wederstand. Want
het Manna wordt de overwinnaar gegeven (1), en voor de lafhartige is er vele
ellende bereid.
2.
Indien gij rust zoekt in dit leven, hoe dan zult gij hiernamaals tot de
eeuwige rust komen? Bereid u niet tot veel rust, maar tot veel verduldigheid.
Zoek de ware vrede niet op aarde, maar in de hemel; niet bij de mensen of de
andere schepselen, maar in God alleen. Ter liefde van God moet gij alles gaarne
ondergaan: arbeid, pijnen, bekoringen,
kwellingen, benauwdheden, armoede, ziekten, opspraak, verwijten, vernederingen,
schande, berispingen, versmadingen.
Deze dingen helpen tot de deugd; deze
beproeven de navolger van Christus; deze bereiden de hemelse kroon. Voor
kortstondige arbeid zal ik eeuwig loon geven, en van voorbijgaande schande
oneindige glorie.
3.
Meent gij altijd geestelijke vertroostingen te hebben, als gij ze
verlangt? Mijn heiligen hebben die niet altijd gehad, maar integendeel veel
zwarigheden, velerlei bekoringen en grote verlatenheid. Doch zij zijn in alles
verduldig geweest, en hebben hun betrouwen meer op God dan op zichzelf gesteld,
gedenkende dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet te achten is bij de
toekomende glorie (2), welke er door verdiend wordt. Wilt gij terstond hebben
wat velen nauwelijks na macht van tranen en zware arbeid bekomen hebben?
Verwacht de Heer, gedraag u mannelijk (3), en wordt gesterkt; mistrouw niet,
wijk niet af: maar geef leven en lichaam
edelmoedig ten beste voor de glorie van God. Ik zal het u ten volle vergelden,
en Ik zal met u wezen in al uw lijden.
(1) Apoc. 2: 17 (2) Rom. 8: 18 (3) Ps. 26: 14
Men moet de ijdele oordelen der
mensen niet vrezen
1.
CHRISTUS. - Zoon, stel de rust van uw hart vast in de Heer, en vrees de
oordelen der mensen niet, wanneer uw geweten van uw onschuld getuigt. Het is
goed en zalig alzo te lijden, en dit zal ook niet zwaar vallen aan een
ootmoedig hart dat meer op God dan op zichzelf betrouwt. De mensen zeggen veel,
zeer veel; en daarom is er weinig geloof aan te geven. Het is ook onmogelijk
allen te voldoen. Alhoewel Paulus getracht heeft eenieder te behagen in de
Heer, en alles voor allen geworden is (1), nochtans achtte hij het voor de
minste, voor de vierschaar der mensen te worden geoordeeld (2).
2.
Hij heeft zijn best gedaan om anderen te stichten, en aan hun zaligheid
gearbeid zoveel in zijn macht was; maar hij heeft niet kunnen beletten dat hij
door sommige mensen veroordeeld en belasterd werd. Daarom heeft Hij zijn
Hemelse Vader alles aanbevolen, wie alles bekend is; en heeft zichzelf door
geduld en ootmoed gewapend tegen kwaadsprekende tongen, en tegen de ijdele en
leugenachtige vermoedens van hen die alles naar willekeur uitbrachten. Nochtans
heeft hij somtijds zich verantwoord, opdat de kranken door zijn stilzwijgen
niet verergerd zouden worden.
3.
Wie zijt gij dat gij vreest voor een sterfelijk mens? (3) Heden is hij,
en morgen ziet men hem niet meer. Vrees God, en gij zult voor het schrikbarende
van mensen niet beven. Wat kan een mens u doen met al zijn woorden en lasteren?
Hij hindert zich erger dan u; en hij zal Gods woord niet ontgaan, wie hij ook
zijn moge. Wat u betreft, heb God voor ogen, en wil nergens over twisten of
klagen. Al schijnt gij nu te bezwijken, en onverdiend enige beschaamdheid te
lijden, wil u daarom niet ontstellen, en verminder uw kroon niet door
onlijdzaamheid. Maar wend liever uw ogen tot Mij in de hemel; tot Mij, die
machtig ben u te verlossen uit alle beschaming en ongelijk, en aan eenieder te
geven volgens zijn werken (4).
(1) 1 Kor. 9: 22 (2) 1
Kor. 4: 3 (3) Is. 51; 12 (4) Rom. 2: 6
Men moet zichzelf volledig en zuiver
aan God overgeven, om de vrijheid des harten te bekomen
1.
CHRISTUS. - Zoon, verlaat uzelf, en gij zult Mij vinden. Wees zonder
voorkeur, sta alle eigendom af, en gij zult gedurig winst doen. Want zohaast
gij uzelf zonder wederhouding aan Mij overgeeft, zal u nog overvloediger genade
gegeven worden.
2.
DE ZIEL. - Heer, hoe dikwijls moet ik mij overgeven en waarin mij onderwerpen?
3.
CHRISTUS. - Altijd en in alle stonden, zo in grote als in kleine dingen.
Ik maak geen uitzondering, maar Ik wil dat Ik u van alles ontbloot vinde. Hoe
zult gij anders aan Mij, en Ik aan u kunnen toebehoren, tenzij gij van buiten
en van binnen van alle eigen wil beroofd zijt? Hoe eerder gij dit doet, des te
beter zult gij u bevinden; en hoe volkomener en rechtzinniger gij het doet,
zoveel te behaaglijker zult gij Mij wezen, en meerder verdiensten hebben.
4.
Sommigen geven zichzelf over, doch met enig voorbehoud; zij vertrouwen
niet volkomen op God, en daarom willen zij zich nog voorzien van wat hun nodig
kan zijn. Anderen offeren alles op, maar daarna, door bekoring geschokt, leren
zij weder tot zichzelf, en daarom gaan zij zeer weinig vooruit in de deugd.
Dezen beider zullen nimmer tot de ware vrijheid van een zuiver hart, en tot de
genade van mijn zoete gemeenschap komen, voordat zij zich eerst volkomen aan
Mij overgeven, en zich dagelijks opofferen; zonder dit offer kan men zich met Mij
niet verenigen, of Mij genieten.
5.
Ik heb u dikwijls gezegd, en zeg het nogmaals: verzaak uzelf, geef uzelf over aan Mij, en
gij zult grote inwendige vrede smaken. Geef alles voor alles: verlang niets, vraag niets weder, houd u
standvastig aan Mij gekleefd en gij zult Mij bezitten. Dan zult gij vrij zijn
van hart, en de duisternis zal u niet nederdrukken (1). Betracht dit, vraag
dit, wens dit: namelijk van alle
eigenliefde verlost te wezen, om naakt, de naakte Jezus te volgen, uzelf af te
sterven, en eeuwig voor Mij te leven. Dan zullen alle ijdele inbeeldingen, boze
ontsteltenissen, en overtollige zorgen verdwijnen. Dan ook wijkt alle onmatige
vrees en sterft alle ongeregelde eigenliefde.
(1) Ps. 138: 2
Over de goede regeling van het
inwendig gedrag en de toevlucht tot God in de gevaren
1.
CHRISTUS. - Zoon, gij moet zorgvuldig trachten, in alle plaatsen en in
alle werken of uitwendige bezigheden, inwendig vrij te zijn en uzelf te
bezitten! Zodanig dat aan alles u onderworpen zij, en zij aan niets. Opdat gij
meester en bestuurder van al uw werken zijt, en geen dienstknecht of slaaf. Gij
zult alzo een oprecht en vrij Hebreër zijn, overgaande tot het erfdeel en de
vrijheid van Gods ware kinderen; Die
verheven zijnde boven al de tijdelijke dingen, de eeuwige zaken in de toekomst
aanschouwen; Die zich niet laten
verlokken door het aards om het aan te hangen; maar deze eerder aantrekken om
ze tot het goed te doen dienen, volgens dat het van God geschikt is, en
ingesteld door de opperste Werkmeester, die niets ongeschikt in zijn schepsel
gelaten heeft.
2.
Indien gij in alle voorvallen niet blijft staan bij de uitwendige
schijn, en wat gij hoort of ziet, met geen zinnelijk oog beschouwt, maar bij
iedere aangelegenheid terstond met Mozes in het tabernakel gaat, om van God
raad te vragen, zo zult gij de goddelijke ingeving ook somtijds horen, en
onderwezen in vele tegenwoordige en toekomende dingen wederkeren. Want Mozes
nam in twijfelachtige vragen altijd zijn toevlucht tot het tabernakel; en zocht
hulp in het gebed, om verlost te worden van de gevaren en de listen der kwade
mensen. Alzo moet gij ook uw toevlucht nemen tot het binnenste van uw hart, en
daar met alle aandrang de hulp van God afsmeken. Want waarom leest men dat Josuë
en de kinderen van Israël bedrogen zijn geweest door de Gabaonieten? Omdat zij
God vooraf niet te rade waren gegaan (1), maar te licht geloofden aan
verlokkende woorden, en zo werden zij door gehuichelde vroomheid misleid.
(1) Jos. 9: 14
Dat men in zijn zaken niet al te
bezorgd moet zijn
1.
CHRISTUS. - Zoon! beveel Mij altijd uw zaken aan; Ik zal alles ten beste
schikken op zijn tijd. Wacht naar mijn beschikking, en gij zult er baat bij
hebben.
2.
DE ZIEL. - Heer, zeer gaarne laat ik U al mijn zaken over; want mijn
gedachten kunnen mij weinig baten. Ach, dat ik voor de toekomst niet bekommerd
en beangstigd ware, en mij in alles terstond aan uw welbehagen opdroeg.
3.
CHRISTUS. - Zoon, dikwijls jaagt de mens met drift een zaak na, die hij
gaarne had: maar als zij ze bekomen
heeft, zo begint hij anders te denken; want zijn neigingen blijven niet lang
staan op een en dezelfde zaak, maar drijven hem gedurig van het een tot het
ander.
Het is daarom van geen gering belang,
zichzelf ook in het minste te verloochenen.
4.
De ware vooruitgang van de mens ligt in zelfverloochening, en de mens
die zich verloochent, is zeer vrij en gerust. Maar de oude vijand, die strijdt
tegen al wat goed is, houdt niet op te bekoren; dag en nacht legt hij listen en
lagen, hopende de onvoorzichtige eens in zijn strikken te vangen. Waakt en
bidt, zegt de Heer, opdat gij in geen bekoring valt (1).
(1) Matth. 26: 41
De mens heeft niets goeds uit
zichzelf en mag zich nergens over beroemen
1.
DE ZIEL. - Heer, wat is de mens
dat Gij hem gedachtig zijt? Of de zoon van de mens, dat Gij hem bezoekt? (1)
Waar heeft de mens verdiend dat Gij hem uw genade geeft? Wat mag ik mij
beklagen, Heer, als Gij mij verlaat; of wat kan ik er met reden tegen
inbrengen, als Gij niet doet wat ik verzoek? Dit mag ik voorwaar denken en
zeggen: Heer, ik ben niets, ik vermag
niets, ik heb niets goeds uit mijzelf; maar ik bezwijk in alle dingen, en ik
zink altijd naar het niet. En indien ik door U niet geholpen, en inwendig
versterkt word, zo zal ik zeer lauw en krachteloos worden.
2.
Maar Gij, o Heer! Blijft altijd dezelfde, en blijft in eeuwigheid (2);
altijd goed, altijd rechtvaardig, altijd heilig; Gij doet alle dingen wèl,
heilig en rechtvaardig, en beschikt alles in uw wijsheid. Maar ik, meer genegen
om achteruit dan om voorwaarts te gaan, ik blijf niet duurzaam in dezelfde
staat: want allerlei wisselingen gaan
over mijn hoofd (3). Nochtans gaat het haast beter met mij, als het U belieft
mij uw helpende hand toe te reiken: want
Gij alleen kunt mij zonder mensenhulp bijstand verlenen, en zó versterken, dat
mijn gelaat niet telkens van uitdrukking verandere (4), maar dat mijn hart
alleen tot U keert en in U rust.
3.
Daarom, indien ik alle menselijke troost wel kon verwerpen, hetzij om de
godsvrucht te bekomen, hetzij ter oorzake van de noodzakelijkheid, die mij
praamt U te zoeken (want geen mens ter wereld kan mij troosten), dan zou ik met
reden uw genade mogen verwachten, en mij verblijden over de gave van een nieuwe
vertroosting.
4.
Ik dank U, o Heer! Die de oorsprong zijt van alles, zo dikwerf mij iets
goeds overkomt. Maar ik, ik ben voor uw ogen ijdelheid en nietigheid, een
ongestadig en krank mens. Waarop dan kan ik mij beroemen, of waarom zoek ik
geacht te worden? Om mijn niet? Dit is het toppunt der ijdelheid. Voorwaar,
ijdele glorie is een verschrikkelijke pest en de grootste aller ijdelheden;
want zij trekt ons af van de ware glorie, en berooft ons van de hemelse genade.
Want als de mens in zichzelf behagen heeft, zo mishaagt hij U; en als hij de
lof der mensen zoekt, verbeurt hij de ware deugd.
5.
Maar het is ware glorie en heilige blijdschap in U en niet in zichzelf
zijn roem te stellen; zich in uw Naam, en niet in eigen deugd te verblijden, en
geen vermaak te hebben in enig schepsel dan om U. Uw naam zij geloofd en niet
de mijne; uw werk zij geprezen en niet het mijne; uw heilige Naam zij gezegend,
en niets van de lof der mensen worde mij toegeschreven. Gij zijt mijn glorie,
Gij zijt de verheuging van mijn hart. In U zal ik roemen en onophoudelijk mij
verblijden; maar voor mij zij geen andere roem dan in mijn krankheden (5).
6.
Dat de Joden hun glorie zoeken bij elkander (6): ik zal die zoeken, die van God alleen komt
(7). Alle menselijke glorie, alle tijdelijke eer en alle wereldse hoogheid,
vergeleken bij uw eeuwige glorie, is ijdelheid en dwaasheid. O mijn God, mijn
Waarheid, mijn Barmhartigheid! O allerheiligste Drievuldigheid! U alleen zij
lof en eer, macht en glorie in alle eeuwen der eeuwen.
(1) Ps. 8: 5 (2) Ps. 101: 13,28 (3) Dan. 4: 13 (4) 1 Kon. 1: 18 (5) 2 Kor. 12: 5 (6 en 7) Joh. 5: 1,44
Over het verachten van alle
tijdelijke eer
1.
CHRISTUS. - Zoon! Bedroef er u niet om, als gij ziet dat anderen geëerd
en verheven worden, en gij veracht en vernederd. Hef uw hart tot Mij in de
hemel, en gij zult u niet bedroeven wanneer gij op aarde door de mensen
versmaad wordt.
2.
DE ZIEL. - Heer! Wij zijn zeer verblind en worden licht misleid door de
ijdelheid. Als ik mijzelf juist beoordeel, is mij nooit door enig schepsel
ongelijk gedaan: diensvolgens heb ik
geen billijke reden om van U te klagen. Want vermits ik dikwijls en zwaar
gezondigd heb tegen U, zo is het recht en redelijk dat alle schepsel tegen mij
opsta. Schande dus en smaad komt mij rechtvaardig toe; U, o Heer! Behoort lof,
eer en roem. En indien ik mij niet bereid houd om door alle schepselen gaarne
verlaten, veracht en voor volstrekt niets gerekend te worden, zo kan ik de
inwendige vrede des harten niet bekomen, noch geestelijk verlicht worden en
volkomen verenigd zijn met U.
Dat wij de vrede niet van mensen
moeten laten afhangen
1.
CHRISTUS. - Zoon, indien gij uw vrede op enig persoon stelt, omdat hij
met u van hetzelfde gevoelen is en in goede overeenkomst leeft, zo zult gij
altijd ongestadig en ongerust wezen. Maar indien gij uw toevlucht neemt tot de
waarheid, die altijd leeft en altijd blijft, zo zult gij niet droef zijn, als
een vriend van u scheidt of sterft. De liefde voor uw vriend moet op Mij
rusten; al die u goed toeschijnen en u in dit leven dierbaar zijn, moet gij om
Mij beminnen. Zonder Mij is geen vriendschap goed of duurzaam; en het is geen
ware en zuivere liefde, die niet door Mij geknoopt is. Gij moet van de
vriendschap der mensen zodanig onthecht zijn, dat gij, (voor zoveel het u
aangaat) buiten alle menselijk gezelschap zoudt willen blijven. Hoe meer de
mens zich van alle aardse troost verwijdert, zoveel te meer nadert hij tot God.
En hij klimt ook zoveel te hoger tot God, hoe dieper hij in zichzelf
nederzinkt, en verachtelijker wordt in eigen oog.
2.
Maar die zichzelf iets goeds toeschrijft, belet de toegang van Gods
genade, want de Heilige Geest zoekt altijd een ootmoedig hart. Indien gij u
volkomen wist te vernietigen, en alle geschapen liefde uit uzelf te bannen, dan
zou Ik met grote genade tot u moeten komen. Want zo gij het oog vestigt op de
schepselen, zo verliest gij de Schepper uit het gezicht. Leer uzelf in alles om
God overwinnen, dan zult gij tot zijn kennis kunnen komen. Hoe onbeduidend een
zaak moet zijn, zo zij ongeregeld bemind en gezocht wordt, besmeurt zij de
ziel, en houdt u terug van het hoogste Goed.
Tegen de ijdele wetenschap der wereld
1.
CHRISTUS. - Zoon, laat u niet bewegen door schone en diepzinnige
mensentaal; want het rijk Gods bestaat niet in woorden, maar in hemelse Kracht
(1). Let op mijn woorden, die het hart ontsteken en het verstand verlichten;
die het leedwezen van het hart verwekken en velerhande troost verschaffen. Lees
immer mijn woord, om daardoor geleerder of wijzer te schijnen. Leer uw gebreken
uitroeien, dit zal u meer baten dan de kennis van vele moeilijke leerstukken.
2.
Als gij veel gelezen en geleerd zult hebben, zo moet gij evenwel altoos
op het enige beginsel terugkomen. Ik ben het die de mens wetenschap leer (2),
en aan de ootmoedigen meer kennis geef (3) dan zij van enig mens kunnen leren.
Hij, tot wie ik spreek, zal spoedig geleerd zijn, en in het verstand zeer
toenemen. Wee hun, die van de mensen veel nieuwe en zeldzame dingen willen
leren, en die weinig vragen naar de weg om Mij te dienen! De tijd zal komen,
waar de Meester der meesters, Christus, de Heer der Engelen, zal verschijnen,
om ieders les te horen; dat is om eenieders geweten te onderzoeken. En dan zal
Hij met lantaarnen doorvorsen (4): en de
geheimen der duisternis zullen openbaar worden (5), en alle menselijke redenering
zal verstommen.
3.
Ik ben het, die, op een oogslag, een ootmoedig hart zó verhef, dat het
meer begrijpt van de eeuwige waarheid, dan hij die tien jaren in de scholen had
gestudeerd. Ik leer zonder gedruis van woorden, zonder verwarring van
gevoelens, zonder opgeblazen eergierigheid, zonder strijd van redetwist. Ik
leer het aardse verachten, van het tegenwoordige walgen, het eeuwige zoeken en
smaken, alle eer vluchten, de ergernis en het ongelijk verdragen, alle hoop op
Mij stellen, niets begeren buiten Mij, en boven alles Mij vurig beminnen.
4.
Men vindt er die, met Mij innig te beminnen, het goddelijke kennen en
bewonderenswaardig spreken. Zij zijn meer gevorderd in deugden met alles te
verlaten, dan met het bestuderen van vernuftige dingen. Maar aan sommigen leer
ik gewone dingen, aan anderen bijzondere. Aan de een openbaar ik mij meer
liefelijk in tekens en beeltenissen, doch aan anderen ontsluier in verborgen
geheimen in een klaar licht. De stem der boeken is voor eenieder dezelfde, maar
zij onderricht niet allen op gelijke wijze:
want Ik ben de inwendige Leraar, de Waarheid, de Onderzoeker des harten,
de Doorgronder der gedachten, de Bevorderaar der goede werken, eenieder
bedelende volgens mijn welbehagen.
(1) 1 Cor. 4: 20 (2) Ps. 93: 10 (3) ps. 118: 130 (4) Wijsh. 1: 12 (5) 1 Cor. 4: 5
Men moet zich de uitwendige dingen
niet te veel aantrekken
1...CHRISTUS. - Zoon, gij moet in vele
dingen onwetend blijven (1), en u aanzien als een dode op de aarde, voor wie
geheel de wereld gekruisigd is. Gij moet ook veel met dove oren laten
voorbijgaan, en liever denken op wat uw vrede bevordert. Het is beter uw ogen
af te keren van wat u mishaagt, en ieder in zijn goeddunken te laten, dan
aanleiding te geven tot twisten. Indien gij met God wèl staat, en altijd op zijn
oordeel denkt, zo zult gij licht verdragen dat men u ongelijk geve.
2.
DE ZIEL. - O heer! Waartoe zin wij gekomen? Zie, men beweent een
tijdelijk verlies; men loopt en arbeidt om een klein gewin; en het geestelijk
verlies wordt vergeten; ternauwernood komt men na lange tijd tot andere
gedachten. Men geeft achting op wat weinig of niet baat; en wat allermeest
nodig is, wordt veronachtzaamd; omdat de gehele mens zich buitenwaarts
uitstort, en, tenzij hij niet ras tot bezinning komt, met vermaak in het uitwendige
rusten blijft.
(1) Eccl.
32: 12
Dat men iedereen niet moet geloven,
en hoe licht men in woorden struikelt
1.
DE ZIEL. - Heer! Geef mij uw bijstand in de kwelling, want de hulp der
mensen is ijdel. (1) Hoe dikwijls heb ik geen trouw gevonden, waar ik die zeker
meende te vinden? En hoe dikwijls heb ik er gevonden, waar ik ze niet gezocht
zou hebben! IJdel is dan de hoop, op mensen gebouwd; maar het heil der
rechtvaardigen is in U, o Heer! Wees gezegend, mijn Heer en mijn God, in alles
wat ons overkomt. Wij zijn krank en ongestadig; spoedig bedriegen wij ons en
veranderen wij.
2.
Wie is de mens, die zich zo voorzichtig in alles kan gedragen, dat hij
niet soms in enige dwaling of verwarring valle? Maar, o Heer! Die op U
vertrouwt, en U met een zuivere mening zoekt, zal zo licht niet stronkelen. En
al valt hij somtijds in enige kwelling, ja hoezeer hij ook daarin gewikkeld
zij, hij zal er welhaast door U uitgeholpen of getroost worden: want Gij verlaat hem niet die op U vertrouwt.
Men vindt zelden een trouwe vriend, die bij alle verdrukkingen van zijn vriend
standvastig blijft. Gij alleen, o Heer! Gij zijt de allergetrouwste vriend, en
buiten U is er geen ander zoals Gij!
3.
Ach! Hoe wijselijk sprak de Heilige Agatha, als zij zeide: Mijn hart is bevestigd en gegrond op Jezus
Christus. Indien ik alzo gesteld ware, de vrees der mensen zou mij zo licht
niet ontstellen, noch de bijtende woorden mij ontroeren. Wie kan alle dingen
voorzien? Wie kan alle kwade voorvallen vermijden? Indien het kwaad dat men
voorziet, nog veelal kwetst, hoeveel te zwaarder zal ons dit wonden, welk wij
niet voorzien? Maar waarom heb ik, arme, niet beter overlegd? En waarom heb ik
zo licht anderen geloofd? Maar wij zijn mensen, en wij zijn niets dan zwakke
mensen, al is het dat wij soms door velen voor Engelen gehouden worden. Op wie
zal ik dan voortaan vertrouwen, o Heer! Anders dan op U alleen? Gij zijt de
Waarheid, die niet bedriegt, noch bedrogen kunt worden. Integendeel: ieder mens is leugenachtig (2), krank,
ongestadig, licht struikelend, bijzonder in zijn woorden; zodat niemand
terstond moet geloven, al schijnen zijn woorden rechtzinnig te zijn.
4. Hoe wijselijk, o Heer! Hebt Gij ons gewaarschu