OVER DE
WARE BEKERING
Hoe de
mens de juiste wil en het juiste gemoed
in zichzelf op moet wekken: en wat (of hoedanig) zijn ernstige betrachting en voornemen
zal zijn wanneer hij krachtige boete (of bekering) wil doen: en met welk een
gemoed hij voor God zal treden wanneer hij wil bidden, en God’s vergeving van
zijn zonden wil ontvangen.
1. Wanneer de mens zich wil bekeren, boete
wil doen, en zich met zijn gebeden tot God wil wenden, dan zal hij voor al zijn
gebeden zijn gemoed moeten betrachten, en
overwegen hoe het volledig van God is afgekeerd, hoe het aan God ontrouw
is geworden, hoe het alleen op het tijdelijke, vergankelijke, aardse leven is
gesteld, en geen oprechte liefde voor God, noch voor zijn naasten heeft, en hoe
zijn lust en verlangen geheel in strijd zijn met het Gebod Gods, en hoe het
alleen de tijdelijke vergankelijke lust van het vlees zoekt.
2. Ten tweede zal hij moeten overwegen hoe
het gehele gemoed in vijandschap verkeert tegen God, welk Satan door zijn
bedriegerij in onze eerste voorvaderen verwekt heeft, door wiens gruwelen wij
de dood sterven en met ons lichaam moeten vergaan.
3. Ten derde zal hij de drie gruwelijke
ketenen moeten overwegen, waar onze ziel (tijdens dit aardse leven) aan
gekluisterd ligt; de eerste is de gestrenge toorn Gods, de afgrond en duistere
wereld die het centrum (of de grond) en het creatuurlijke leven is van de ziel.
De tweede keten is de begeerte van de duivel tegen de ziel, waar hij de ziel
voortdurend mee verzoekt, en haar zonder ophouden van de Waarheid Gods afhoudt
en in de ijdelheid (in hovaardigheid, gierigheid, afgunst en toorn) wil
storten. En waarmee hij voortdurend (door zijn begeerte) deze kwade
eigenschappen in de ziel opwekt en aansteekt, waardoor de wil van de ziel zich
van God afkeert en de zelfheid ingaat. De derde en allerschadelijkste keten
waar de ziel aan gebonden ligt is het verdorven en volkomen ijdele, aardse, en
sterfelijke vlees en bloed, vol kwade begeerten en genegenheden. Alhier zal hij
betrachten hoe hij met lichaam en ziel ernstig gevangen zit in de drek der
zonden (in de toorn Gods, tussen de kaken van de helse afgrond), hoe de toorn
Gods brandt in zijn lichaam en ziel: en hoe hij de ellendige Vee-hoeder is [luc
15], die (tezamen met de dieren des duivels) zijn Vaders erfgoed in aardse
wellustigheid heeft verkwist en verteerd (en zo ook de Liefde en Barmhartigheid
Gods) en niet het hoogwaardige Verbond en de verzoeningen van het onschuldige
lijden en de dood van Iesus Christus
heeft waargenomen. Jesus Christus
die, door God’s Genade in de mensheid neergedaald, ons in Hem verzoend heeft.
Ook zal hij betrachten hoe hij het verbond van de heilige Doop (in welk hij
zijn Heiland geloof en trouw heeft toegezegd) zo geheel vergeten is, en Zijn
Gerechtigheid, die God hem in Christus uit genade schonk, zo geheel in zonden
besmet en verduisterd heeft: dat hij met het schone kleed des onschulds van
Christus (welke hij nu danig bevlekt heeft) voor het aanschijn Gods verschijnt,
als een vuile, ellendige en armzalige Vee-hoeder die steeds met de dieren des
duivels van de resten der ijdelheid heeft gegeten, en niet waardig is dat hij
een Zoon des Vaders en een lidmaat van Christus wordt genoemd.
4. Ten vierde zal hij ernstig overwegen, hoe
de grimmige [of gestrenge] dood alle uren en ogenblikken op hem wacht, en hem
(met dit Vee-hoederskleed, in zijn zonden en gruwelen) grijpen wil, en in de
afgrond van de hel wil storten, als een meinedige, een verbreker van het geloof
die tot het Oordeel Gods in de kamer des doods zijn verblijf zal houden.
5. Ten vijfde zal hij het ernstige en
gestrenge Oordeel Gods overwegen, hoe hij daar levend in zijn gruwelen voor het
Oordeel gesteld zal worden. En dat al diegenen die hij met woorden en daden
bezwaard en tot kwaad aangezet heeft, en die, door hem aangedreven, ook zonden
begaan hebben, hem nu onder ogen zullen komen, en hem voor de ogen van Christus
en voor alle heilige Engelen en Mensen vervloeken zullen. En hoe hij aldaar in
grote schande en bespotting, in zware verschrikking en eeuwige vertwijfeling
zal staan, en hoe het hem eeuwig zal berouwen, dat hij omwille van zo’n
kortstondige wellust, zo’n grote en eeuwige Zaligheid verwaarloosd heeft. Dat hij
zichzelf niet beter heeft waargenomen, en zag dat ook hij onder de gemeenschap der Heiligen mocht zijn, en het eeuwige
licht en de kracht Gods mocht genieten.
6. Ten zesde zal hij betrachten hoe de
goddelozen hun edele beeld, door God naar Zijn Beeltenis geschapen, verliezen,
en dat het tot een mismaakt monster zal worden, een helse worm, een gruwelijk
beest, waarmee hij als een vijand Gods zal zijn, tegen de Hemel en alle Heilige
Engelen en Mensen, en hoe hij eeuwig in gemeenschap met de duivels en helse wormen
in de gruwelijke duisternis zal verkeren.
7. Ten zevende zal hij de eeuwige straf en
pijn der verdoemden ernstig betrachten, hoe zij pijn en smart zullen lijden in
de eeuwige verschrikkingen van hun hier gecreëerde gruwelen, en het land der
Heiligen in de eeuwigheid niet aanschouwen zullen, ook geheel geen verkwikking
zullen ontvangen, zoals bij de Rijkeman het geval was [Luc 16, 24-26]. Dit zal
de mens ernstig betrachten en hij zal bedenken hoe God hem in zo’n schoon en
heerlijk Beeld, in Zijn Gelijkenis geschapen heeft, in welk Hij Zelf wonen wil,
dat Hij hem in Zijn Lof tot Zichzelf eeuwige vreugde en heerlijkheid heeft
geschapen, dat hij naast de H. Engelen, met de kinderen Gods, in grote Vreugde,
Kracht en Heerlijkheid, in het Eeuwige Licht mag wonen, in de gezangen en
harmonische klanken van de Engelen, en in Goddelijke Vreugde, dat hij zich met
de kinderen Gods eeuwig zou verheugen, zonder enig einde te hoeven vrezen. Geen
kwade gedachten kunnen hem daar beroeren, ook geen leed noch bekommeringen,
noch hitte noch kou, waar men van geen nacht weet, en er ook geen dag, noch
tijd bestaat, maar slechts een Eeuwige Vreugde, waar ziel en lichaam in Vreugde
jubelen, en hij zich zal verheugen over de oneindige Wonderen en Krachten, over
de Sierlijkheid van de oneindige Baringen in de Wijsheid Gods op de nieuwe
Kristallen Aarde (die als een doorluchtig glas zal zijn), en hoe hij dit alles
zo moedwillig voorbij laat gaan, omwille van een zo korte en snode tijd, die
toch - in deze ijdelheid, in het boze leven van ’t wellustige vlees - vol
ellende, vrees en ongerustheid is, en het vergaat de goddelozen gelijk de
vromen, zoals de een moet sterven sterft ook de ander. Echter de dood der
Heiligen is niets anders dan een ingang tot eeuwige rust, terwijl de dood der
goddelozen een ingang tot de eeuwige onrust is.
8. Ten achtste zal hij de loop van deze
wereld overwegen, hoe alles niet anders dan een speel-toneel is, alwaar hij
zijn tijd in ongerustheid doorbrengt, en dat het de rijken en de machtigen
zoals de armen vergaat, hoe wij, allen gelijk, in de vier Elementen leven en
zweven, en dat de bedes van de armen gelijk smaken als de zorgen van de rijken,
dat wij allen tezamen in één adem leven, en dat de rijke geen ander voordeel
heeft dan zijn lekkernijen, en zijn snuisterijen voor het oog, waarvoor de mens
een zo grootse Zaligheid verwaarloost en zichzelf in dergelijk grote en eeuwige
ongerustheid brengt!
9. In zodanige betrachting en overweging zal
de mens (in hart en gemoed) ondervinden, dat hij een heimelijke aantrekkingskracht
en verlangen zal ontwikkelen naar de Barmhartigheid Gods. Zijn bedreven zonden
zullen hem beginnen te berouwen, dat hij zijn dagen zo kwalijk heeft
doorgebracht, en niet heeft waargenomen noch betracht hoe hij alhier (in deze
wereld) in een akker (in wasdom) staat, om tot een vrucht te worden, in de
Liefde, óf in de toorn Gods. Hij zal zich nu eerst bedenken dat hij nog geen
arbeid verricht heeft in de Wijngaard van Christus, en dat hij een dorre rank
aan de Wijnstok van Christus is, alwaar hij in groot gejammer, hartzeer en
inwendig klagen opgaat (dat door zijn oprechte betrachtingen in beweging
gebracht wordt door de Geest van Christus), over de dagen zijner boosheid, die
hij in ijdelheid heeft verkwist en doorgebracht, zonder te werken in de
Wijnberg van Christus.
10. Iemand die op deze wijze in berouw de
Geest van Christus naar zich toe trekt, en zijn hart opent tot kennis en
leedwezen van zijn zonden, is geheel lichtelijk te rade, hij behoeft slechts de
Belofte van Christus aan te trekken. Christus zei [Ez 18:23, Matt. 11:28, Luc
15:7] dat God de dood van de arme zondaar niet begeert, maar gebied hen allen
tot Hem te komen, en dat Hij hen verkwikken wil, en dat er in de Hemel grote
vreugde is over elke zondaar die zich bekeert. Zo neemt hij de woorden van
Christus aan en gaat hij het lijden en de dood van Christus in. Maar ik wil nu
tot hén spreken die wel een begeerte tot bekering in zich voelen, maar niet tot
een bekentenis en leedwezen (over hun bedreven zonden) komen. Het vlees spreekt
voortdurend tot de ziel; “volhard nog, morgen zal het goed zijn om te bekeren”
en wanneer de morgen komt, zo spreekt het vlees wederom, morgen. Hierdoor haakt
de arme ziel af en staat zij in onvermogen, ontvangt zij geen recht op berouw
over de bedreven zonden noch enige vertroosting. Voor hen wil ik een weg
voor-schrijven die ik zelf bewandeld heb, dat hij mag weten wat hem te doen
staat, en hoe het met mij is vergaan. Wanneer het iemand belust mij na te
volgen, dan zal hij ondervinden wat hierna geschreven is:
Wanneer nu de mens
na bovengenoemde betrachtingen en overwegingen dusdanig hongert en dorst, dat
zij graag boete wil doen en zich wil bekeren, maar er zich geen oprecht
leedwezen over zijn bedreven zonden in hem bevindt, terwijl hij wél een honger
naar leedwezen voelt (gelijk de arme gevangen ziel hier voortdurend naar smacht
en tegelijkertijd vreest om voor het Oordeel Gods zichzelf aan de zonden
schuldig te moeten bekennen) die kan er niet beter aan doen dan zijn zinnen en
gemoed met zijn gehele verstand samen te vatten, en direct in de eerste
betrachtingen (in geval hij nu de lust tot bekering voelt) het krachtige
voornemen te maken dat hij per direct de weg der goddelozen zal verlaten, en
ook alle wereldse macht en eer laat voor wat ze zijn, en alles, wat het ook
moge zijn, verlaten zal en als niets zal beschouwen, dit alles ter wille van de
Ware Bekering. Hij neemt het vaste besluit nooit weer hierin terug te keren, al
zou de gehele wereld hem voor een dwaas houden. Hij begeert met zijn gemoed uit de schoonheid en wellustigheid van
deze wereld en in het lijden en de
dood van Christus te gaan (geduldig onder zijn kruis). Hij zal zijn gehele hoop
op het toekomstige Leven vestigen, en begeren in de Wijngaard van Christus te treden
en de Wil van God te doen, en al zijn doen en laten in de wereld aan te vangen
en te voleinden in de Geest en Wil van Christus. Hij begeert, om de Woorden en
Beloften van Christus, (daar Hij ons de Hemelse Beloning heeft toegezegd) alle
ongeluk te lijden en het kruis te dragen, als hij maar tot de gemeenschap der
kinderen van Christus behoort, en in het bloed des Lams Jesu Christi (in zijn
menselijkheid) verenigd mag zijn. Hij zal zich vast inbeelden (en zijn ziel
hier geheel in wikkelen) dat hij de Liefde Gods in Christus (in zijn voornemen)
zal ontvangen, en dat God hem (na zijn trouwe belofte) het edele pand, de
Heilige Geest, tot aanvang zal schenken, dat hij in de Mensheid van Christus,
naar Hemels Goddelijk wezen, opnieuw geboren zal worden, en dat de Geest van
Christus in Zijn Liefde en Kracht hem zijn gemoed zal vernieuwen, en zijn
zwakke geloof zal versterken, en ook dat hij in zijn goddelijke honger het
vlees en bloed van Christus, in de begeerte van zijn ziel (die daar voortdurend
naar hongert en dorst) tot zijn spijs en drank zal nemen, en met de dorst van
zijn ziel (uit de zoete Fontein van Jesus Christus) het Water des Eeuwigen
Levens zal drinken, naar de Belofte en waarachtig sterke toezeggingen van
Christus.
15. Hij zal zich ook
de grote Liefde Gods inbeelden, dat God de dood van de zondaar niet begeert,
maar begeert dat Hij hem bekeert en doet leven, en hoe Christus de arme
zondaars zo vriendelijk tot Zich roept, hoe Hij hen wil verkwikken, en dat God
daarom Zijn Zoon in de wereld heeft gezonden, om wat verloren is (de arme
boetvaardige zondaar) te zoeken en Zalig te maken, en hoe Hij ter wille van het
leven van de arme zondaar zich in de dood begeven heeft, en voor hem (in onze
aangenomen menselijkheid) is gestorven.
16. Verder zal hij
zich vast inbeelden dat God (in Jesus Christus) hem verhoren zal en in genade
aan zal nemen wanneer hij tot Hem komt, en dat God in de Liefde van Christus
(in de hoogwaardige naam van Jesus) niets kwaads kan willen, dat in deze naam
gans geen toornig gezicht is, maar de allerhoogste Liefde en Trouw, de
allergrootste zoetigheid [of vriendelijkheid] van de Godheid, in de grote naam
van J E H O V A, die Hij in onze verwelkte mensheid in het Hemelse deel – dat
in het Paradijs door de zonden uitbluste – heeft geopenbaard, en hem terwille
hiervan naar Zijn Hart beweegt, opdat Hij zo zijn vriendelijke Liefde over ons
uit zou storten, opdat de toorn des Vaders (die in ons ontstoken was) daardoor
uit zou blussen, en in Liefde werd veranderd, dit alles ter wille van de arme
zondaar, opdat hij wederom een open Deur der Genade mag vinden.
In zodanige
betrachting zal hij zich vast inbeelden dat hij ter zelfde ure en ogenblik voor
het aanschijn van de Heilige Drievuldigheid staat, en dat God waarachtig in en buiten hem tegenwoordig is, hier verwijzend naar de Heilige Schrift
die zegt: Ben Ik het niet die het alles
vervulle? En Het woord is u nabij,
namelijk in uw mond en hart. En Wij
zullen tot u komen, en een woning in u maken. En Ik zal alle dagen tot de voleinding des werelds bij u blijven. En Het Rijk Gods is binnen in u. En Hij is niet verre van ieder onder ons.
Alzo zal hij met
zekerheid weten en geloven dat hij met zijn ziel voor het aanschijn van Jesus
Christus (voor de Heilige Godheid) staat, en zijn ziel zich ruggelings van het
aanschijn Gods heeft afgekeerd, en dat hij de ogen en de begeerte zijner ziel
nu ter zelfde ure tot God zal keren, en met de arme, verloren en wederkomende
Zoon tot de Vader zal komen. Hij moet met neergeslagen ogen van zijn ziel en
gemoed, in vrees en hoogste deemoedigheid, als volgt zijn zonden en
onwaardigheid voor God aanvangen te belijden:
Een kort Formulier
van de bekentenis
Deze belijdenis mag ieder, naar zijn eigen
noodwendigheid herformuleren en verlengen,
zoals de H. Geest hem zal ingeven. Ik wil slechts een korte inleiding
geven.
O
grote, ondoorgrondelijke Heilige God, Heer van alle schepselen, Gij die Zich in
Christus Jesus uit grote Liefde voor ons, met Uw Heilig Wezen in onze mensheid
hebt geopenbaard. Ik arm, onwaardig en zondig mens kom voor Uw geopenbaarde
Aangezicht, in de Mensheid van Jesus Christus, hoewel ik niet waardig ben dat
ik mijn ogen tot U ophef, en smeek tot U, en belijd tot U, dat ik Uw grote
Liefde en Genade die Gij ons geschonken heeft, trouwloos en breukvallig
geworden ben. Ik heb het verbond dat Gij uit louter Genade door de Doop met mij
gemaakt hebt, in welk U mij tot een kind en erfgenaam van het eeuwige leven
hebt aangenomen, verlaten, en ik heb mijn begeerte in de ijdelheid van deze
wereld geleid, en mijn ziel daarmee besmet, en geheel dierlijk en aards
gemaakt, zodat ook mijn ziel (vanwege de onreinheid der zonden) zichzelf niet
kent, en geheel voor een vreemd kind lijdt en zucht, voor Uw Aanschijn, terwijl
het niet waardig is, dat het Uw Genade zal begeren. Ik drijf in de drek der
zonden, in de ijdelheid van mijn verdorven vlees, tot aan de lippen van mijn
ziel, en heb slechts een klein vonkje van de Levende Adem in mij dat Uw Genade
begeert. Ik ben zelf, in de ijdelheid, zo geheel doods geworden, dat ik ook
mijn ogen niet tot U durf op te heffen.
O God in Christus
Jesus, Gij die omwille van de arme zondaar mens bent geworden, omdat Gij hem
wilde helpen, bij U beklaag ik me, in mijn ziel heb ik nog een vonkje toevlucht
tot U, echter, op Uw Erfenis, die Gij
door Uw bittere dood voor ons verworven hebt, heb ik geen acht geslagen. Ik heb
mij de erfenis der ijdelheid - in de toorn van Uwe Vader, in de vloek van de
aarde - deelachtig gemaakt, en ik ben in zonden gevangen, en aan Uw Rijk half
verstorven. Ik lig in onmacht tegenover Uw Kracht, en de gestrenge dood wacht
op mij. De duivel heeft mij vergiftigd, opdat ik mijn Heiland niet ken. Ik ben
een wilde tak aan Uw Boom geworden, en heb mijn erfenis aan U met de dieren des
duivels verteerd. Wat kan ik tot U zeggen, terwijl ik Uw Genade niet waardig
ben? Ik lig in de slaap des doods, die mij gevangen heeft, en ben met drie
sterke ketenen stevig gebonden. O, Gij Doorbreker des doods, kom mij toch ten
hulp, ik ben tot niets in staat, ik ben zelf doods geworden, en heb geen kracht
voor U, en durf mijn ogen (vanwege de grote schande) niet voor U op te heffen,
want ik ben de bevlekte veehoeder, en heb mijn erfenis met de valse hoeren der
ijdelheid, in de lust van het vlees, doorgebracht. Hierin, en niet in U
heb ik lust gezocht. Nu ben ik in mijn zelfheid tot spot geworden, en
ben ik naakt en bloot. Mijn schande staat U voor de ogen, ik kan ze niet
verbergen, Uw Oordeel wacht op mij, wat kan ik voor U zeggen, Gij, die de
Rechter van de gehele wereld zijt? Ik heb niets meer dat ik U voor kan dragen,
hier sta ik voor U, naakt en bloot, en val ik neer voor Uw Aanschijn, en
beklaag ik mijn ellende, en smeek ik Uw grote Barmhartigheid, hoewel ik het
niet waardig ben; neem mij toch in Uw Dood! Laat mij toch mijn dood in de Uwe
afsterven, sla mij toch neer in mijn aangenomen ikheid, en dood mijn ikheid,
door Uw dood, opdat ik niet meer mijzelf leef. Daar ik in mijn eigen zelf niets
dan zonden bega, slaat Gij toch dat boze dier (vol valse list en eigen
begeerte) neer, en verlos toch de arme ziel van haar zware kluisters!
O, Barmhartige God!
Het is Uw Liefde en Verdraagzaamheid waardoor ik niet al reeds in de hel ben
geworpen, ik geef mij met mijn gehele wil, zinnen en gemoed over in Uw Genade,
en smeek Uwe Barmhartigheid. Ik roep tot U, door Uw dood, vanuit het kleine
vonkje van mijn leven dat met dood en hel omsloten wordt, die hun kaken voor
mij opensperren en mij geheel in de dood verslinden willen. Gij, die hebt
toegezegd dat Ge het geknakte riet niet verbreken wilt, noch het rokende vlas
uit wilt blussen [Matt. 12,20] Nu heb ik geen andere weg tot U dan Uw lijden en
sterven. Terwijl U onze dood door Uw mensheid tot leven hebt gemaakt, en de
ketenen des doods hebt verbroken, zo verzink ik de begeerte van mijn ziel in Uw
dood, in de opengebroken poorten van Uw dood. O! Grote Fontein der Liefde Gods,
laat mij toch mijn ijdelheid en zonden in de dood van mijn Verlosser Jesus
Christus afsterven!
O! Gij Adem der
grote Liefde Gods, verkwik toch de zwakke adem in mij, zodat hij aanvangt naar
U te hongeren en dorsten!
O Jesus! Gij zoete
lieflijke Kracht, geef mijn ziel toch uit Uw Fontein der Genade, Uw zoete Water
des Levens te drinken, opdat zij uit de dood ontwaakt, en naar U dorsten zal.
Ach, hoe hulpeloos is zij tegenover Uw Kracht!
O Barmhartige God,
bekeert Gij mij toch, ik ben tot niets in staat. O gij Ridder des doods! Help
mij toch in mijn worsteling. De vijand houdt mij aan zijn drie ketenen
gebonden, en wil de begeerte van mijn ziel niet voor U laten treden. Komt Gij
toch, en neem de begeerte van mijn ziel in U, Gij zijt mijn weg tot de Vader,
verlos mij van de banden des duivels. Ziet mijn mismaaktheid niet aan; dat ik
zo naakt voor U sta en Uw kleed verloren heb. Bekleed toch de adem die nog in mij
leeft en Uw Genade begeert, en toon mij Uw Heil.
O Allerdiepste
Liefde! Neem de begeerte van mijn ziel toch in U, leidt haar toch uit de banden des doods (door Uw Dood en
Opstanding) en in U. Verkwik mij toch
in Uw Kracht, opdat mijn begeren en wil opnieuw opbloeien. Ach! Gij Overwinnaar
des doods en toorn Gods, overwin toch in mij mijn ikheid, verbreek haar wil,
vermorzel mijn ziel, dat zij U moge vrezen, en steeds voor U neervalt, en zich
tegenover Uw Oordeel schaamt voor haar eigen wil, dat zij, als Uw Werktuig U
gehoorzaam zal zijn, bedwing haar in de banden des doods, ontneem haar de
kracht van haar geweld, opdat zij niets meer zonder U wilt.
O, God Heilige Geest
in Christus mijn Heiland! Leer mij toch wat ik doen zal, opdat ik me tot U mag
keren. Wend toch de wil in mij tot U. Trek mij toch in Christus tot de Vader,
en help mij, opdat ik nu voortaan de zonden en ijdelheid uit kan gaan, en nooit
weer daar in zal treden. Verwekt Gij toch het oprechte leedwezen over de
bedreven zonden in mij, houdt mij toch aan U gebonden, en laat mij niet los,
opdat de duivel (in mijn verdorven vlees en bloed) mij niet zift, en in de dood
des doods voert. Verlicht toch mijn geest, dat ik de Goddelijke Weg mag zien,
en gestadig gaan mag. Neemt Gij toch van mij hetgeen zich doorgaans van U
afkeert. Schenk mij toch hetgeen mij doorgaans tot U doet wenden. Neem mijn
zelf, en geef me geheel Uw Eigen Zelf. Laat mij toch zonder U niets beginnen,
willen, denken of doen. Ach! Hoe lang nog Heer! Hoe lang ben ik niet waardig
wat ik van U begeer! Laat toch de begeerte van mijn ziel in de deur van Uw
Voorhof wonen, maak haar tot Uwe dienstknecht, verlos haar toch uit de
gruwelijke kuil waar geen troost noch verkwikking is.
O God in Jesus Christus! Ik ben blind en ken
door de ijdelheid mijzelf niet. Gij bent voor mij, in mijn blindheid,
verborgen, hoewel U toch zo dichtbij bent. Uw gestrengheid, die mijn begeerte
verwekt heeft, heeft mij duister gemaakt. Neem toch de adem van de begeerte van
mijn ziel tot U. Stel haar toch op de proef, Heer, maak haar wakker, dat mijn
ziel een straal van Uw zoete Genade mag ontvangen! Ik lig voor U als een dode,
wiens leven boven zijn lippen zweeft, als een klein vonkje. Steek het toch aan, Heer, en hef de adem van
mijn ziel voor U op! Heer, ik wacht op Uw Belofte, daar Gij hebt gezegd: Zo waar als ik leef, ik heb geen lust aan
de dood des zondaars; dat hij zich moge bekeren, en Leven. Ik verzink mij
in de dood van mijn Verlosser Jesus Christus en wacht op U, Uw woord is
Waarheid en Leven, Amen.
20. Op zodanige of
vergelijkbare wijze (afhankelijk van hoe ieder zich in zijn gemoed bevindt en
in wat voor zonden hij zijn ziel heeft geleid) zal hij belijden, hoewel het,
wanneer het voornemen ernstig en oprecht is, onnodig is een Formulier te maken,
want de Geest Gods (die van het begin af aan in de wil van het gemoed is) zal
het, in zijn gemoed, Zelf maken. Want Hij is het die, in een ernstig en oprecht
begeren, de bekering bewerkstelligt, en de ziel door de dood van Christus voor
God doet komen.
21. Maar ik wil het
voor de beminde lezer – die in een Christelijk voornemen is - niet verbergen
hoe het (in zodanig gestrenge voornemen) gewoonlijk placht te geschieden. Doch
bij de een geschied het anders dan bij de ander, mede afhankelijk van de ernst
en oprechtheid van zijn voornemen, want de Geest Gods is ongebonden (Hij is
niet aan een formulier gebonden) en placht vele Wegen te gebruiken, zuiver
afgestemd op de persoon. Doch hij die de strijd heeft gestreden, die weet
erover te spreken, kan een ander die in een vergelijkbare situatie terecht komt
instructies geven.
22. Nu gebeurt het
dat een hart met een dergelijk streng voornemen voor God verschijnt en in
bekering gaat. Maar het vergaat hem als de Kanaänitische Vrouw, die niet
gehoord scheen te worden door God. Zijn hart blijft ongetroost, en zijn zonden
en onwaardigheden komen hem klaar voor ogen. Het is alsof hij niet waardig
wordt bevonden, zijn ziel hangt in de diepte, zijn hart ontvangt niets, hij kan
voor God zijn belijdenis niet uitstorten, het is alsof hart en ziel verstoten
zijn, de ziel wil graag, maar het vlees houdt haar gevangen. De duivel dekt
haar vast toe, en stelt hem wederom de weg der ijdelheid voor, en kietelt hem
met vleselijke wellust, en spreekt hem toe in het gemoed; wacht nog even, doe
eerst nog dit en dat, verzamel eerst nog geld en goed opdat gij de wereld niet
meer nodig zult hebben, en leidt dan een vroom leven in bekering, er is dan nog
tijd genoeg.
23. O! Hoevelen zijn
verdorven in dergelijke aanvang, doordat zij wederom in de ijdelheid ingaan.
Het zal de ziel vergaan als een jonge ent dat door de wind wordt afgebroken of
door de hitte verdort.
24. Hoor, beminde
ziel, wilt gij een Ridder des doods en der hel worden, in Christus uw Heiland,
en begeert gij een jonge ent te worden aan een boom in het Rijk van Christus,
en te groeien, dan moet ge vast in het eerste ernstige voornemen blijven staan.
Het kost uw eerste Vaderlijke Erfenis, uw lichaam en ziel, om en Engel Gods te
zijn, of anders een duivel in de hel. Wilt gij gekroond worden, dan moet gij
strijden. Gij moet in Christus overwinnen, en niet vallen voor de Duivel, uw
voornemen moet vast blijven staan. Ge moet tijdelijke eer en goed niet boven uw
ernstige voornemen stellen.
25. Wanneer de geest
van het vlees zegt; volhard nog in het vlees, want zo is het u niet aangenaam,
dan moet de ziel zeggen; Het is nu mijn tijd en uur dat ik wederom mijn
Vaderland, waar mijn Vader Adam me heeft uitgeleid, in moet gaan. Geen enkel
schepsel zal mij tegenhouden, zelfs al zoudt gij, mijn aardse lichaam, daartoe
tot niets moeten vergaan. Ik wil nu
de Rozen-hof van mijn Verlosser Jesus Christus ingaan door Zijn lijden en dood,
met mijn gehele wil en begeerte. En u, gij aards lichaam, gij, die mijn parel
verslonden hebt, de parel die God aan mijn vader Adam gaf in het Paradijs, zult in de Dood van Christus gedempt
worden, en de wil van uw wellustigheid in de ijdelheid zal worden verbroken. Ik
leg u, als kwaadaardig beest, aan de ketting, aan de band van mijn ernstige
voornemen. Al zoudt gij hierdoor als een dwaas voor alle mensen zijn, het
ernstige voornemen van mijn ziel zult ge gehoorzamen. Van deze band zal niemand
u verlossen, slechts de tijdelijke dood is hiertoe in staat. Hiertoe helpe mij
God en Zijn Kracht, Amen.
EEN KORTE
26. Lieve Ziel, hier
behoort ernst, we moeten niet eenvoudigweg een verhaal maken, een opeenvolging
van woorden. De ernstige wil van het voornemen moet als drijvende kracht dienen,
anders wordt er niets ontvangen.
27. Want wanneer de
ziel het Ridderkransje van Christus begeert te ontvangen van de edele Sophia dan moet zij (in grote begeerte
en liefde) Haar daarom beminnen, zij moet Haar (bij Haar allerheiligste naam)
hierom bidden, en in grote zuivere nederigheid voor haar komen, met een gemoed
dat niet door de liefde der schepselen bevangen is. Want zolang dat wél het
geval is, behoeft zij niets te begeren, daar zij niets zal ontvangen. En al
doet zij in zulk een staat een bekentenis, dan is dat niets anders dan een
schijn. Maar een zuiver Godvruchtig gemoed kan het wel ontvangen. De ziel wordt
dan in haar edele beeld (welk in Adam stierf) levend gemaakt, en zij kan het
kransje opzetten welk (als is het al geschiedt) de ziel ook weer wordt
afgenomen en als kroon wordt weggelegd (zoals men een koning kroont, en daarna
zijn kroon bewaart.) Zo gaat het met de ziel (terwijl zij nog steeds met het
huis der zonden omvangen is) opdat haar kroon niet bevlekt raakt (mocht zij
wederom ten val komen.) Hiermee heb ik helder genoeg gesproken tot de kinderen
die dit weten en ondervonden hebben. Geen goddeloze is dit waardig te
begrijpen.
29. Hiertoe behoort
een nuchter gemoed, welk in een ernstig voornemen, in de hoogste nederigheid
(met berouw over zijn zonden) voor God verschijnt, en welk in een voornemen is
dat hij niet meer begeert over de oude voetpaden der ijdelheid te wandelen, al
zou de gehele wereld hem voor een dwaas houden. Hij zal ook daarom eer en goed
verliezen, en zo het vergankelijke leven, en hij zal daarin begeren te
volharden.
30. Een zodanige
belofte moet hij (in zijn voornemen en gemoed) aan de edele Sophia doen, wanneer hij haar echtgenoot
en liefde worden wil, want Christus zei aldus; Wie niet bereid is zijn vrouw,
kinderen, broeder, zuster, geld, goed en alles wat hij heeft, ja zelfs zijn
aardse leven, te verlaten om mij na te volgen, die is mij niet waardig [Luc.
14,26 Matt. 10,37] Christus spreekt hier ook over het gemoed van de ziel.
Wanneer iets het gemoed hierin wil hinderen (hoe schoon en heerlijk het voor de
wereld ook mag schijnen) zal het gemoed hier geen acht op slaan, en veel liever
begeren alles op te geven dan de liefde van de edele Jonkvrouw Sophia (in de knop van de bloem
Christus, in zijn tere Mensheid in ons, naar Hemelse lichamelijkheid) te willen
ontberen. Want dat is de Roos te Saron,
dat zijn de Leliën waarop Salomon
zinspeelde, in het Boek der Gezangen, en Haar zijn lieve vriendin, zijn zuivere
Jonkvrouw noemt, die hij zo zeer beminde, die vóór en na hem door alle heiligen
zo bemind is geweest. Wie Haar ontvangen heeft, heeft Haar zijn edele Parel en
hoogste schat genoemd.
31. Op de wijze
waarop men nu om Haar moet bidden, volgt nu een korte inleiding, maar het werk
zelf wordt in eenieders hart (alwaar Zij gezocht wordt) opgedragen aan de
Heilige Geest, die voor hem het gebed formuleren zal.
31. Ik arm onwaardig mens, kom wederom voor
U, O grote Heilige God! En hef nu mijn ogen tot U op, al ben ik zulks niet
waardig, maar Uw grote Barmhartigheid (Uw trouwe beloften in het Woord) heeft
me vrijmoedig gemaakt, zodat ik nu de ogen van de begeerte van mijn ziel tot U
ophef. Want mijn ziel heeft nu het woord van Uw beloften in zich opgenomen, en
hiermee komt ze tot U. En al is ze dan voor U nog als een vreemd kind, (welk U
ongehoorzaam is geweest maar nu begeert gehoorzaam te zijn) toch dringt mijn
ziel zich nu met haar begeerte in het Woord, het Woord dat Mens geworden is,
dat vlees en bloed geworden is, dat de zonden en de dood (in mijn mensheid)
verbroken heeft, dat de toorn Gods in Liefde veranderd heeft, dat de dood zijn
macht en de hel haar overwinning (in ziel en lichaam) ontnomen heeft, dat een
deur heeft geopend (voor mijn ziel) tot het klare aangezicht van Uw Kracht. In
dit allerheiligste Woord heb ik, O grote allerheiligste God! de honger en de
begeerte van mijn ziel ingevoerd, en kom ik nu tot U, en roep in mijn honger
door het Woord (welk vlees en bloed geworden is) in U: O Gij Fontein des
Levens! Daar Uw Woord het leven in ons vlees geworden is, maak ik de begeerte
van mijn ziel als mijn eigen leven, en dring ik met de begeerte van mijn ziel
door tot Uw Woord in het vlees van Christus. Door Zijn Heilige ontvangenis in
de Maagd Maria, door zijn gehele Menswording, door zijn Heilige geboorte, door
zijn doop aan de Jordaan, door zijn verzoekingen in de woestijn alwaar hij in
zijn mensheid het rijk des duivels en der wereld heeft overwonnen, door al zijn
krachtige wonderwerken die hij op aarde deed, door zijn bespottingen en
verachtingen, door zijn onschuldig lijden en sterven, door zijn bloedvergieten
alwaar de toorn Gods in de ziel en in het vlees uitgeblust werd, door zijn
ruste in het graf, alwaar hij onze vader Adam uit zijn slaap opwekte toen hij
aan het Rijk der Hemelen in slaap was gevallen, door Zijn Liefde, die Hij door
de toorn joeg, en in de ziel de hel verstoorde, en door Zijn opstanding van de
dood, door Zijn hemelvaart, door de zending van de Heilige Geest in onze ziel
en geest, door al Zijn woorden en beloften, dat Gij O God Vader, de Heilige
Geest zult geven aan degenen die U in dezelfde Naam, en door het Woord welk
mens werd, hierom zullen bidden. Door dit alles, zeg ik, dring ik met de
begeerte mijner ziel in U.
34. O! Gij leven van
mijn vlees, en van mijn ziel in Christus mijn broeder, ik smeek voor U in de
honger van mijn ziel, en bidt U uit al mijn kracht, al is die nog zo zwak, geef
mij toch hetgeen Ge mij in mijn Heiland Jesus Christus geschonken en beloofd
hebt, te weten, Zijn vlees tot spijze, en Zijn bloed tot drank, ter lavenis van
mijn arme hongerige en dorstige ziel, opdat zij in Uw Woord, welk mens werd,
krachtig mag worden, en mag verkwikken, en dat zij daardoor oprecht belust en
hongerig naar U mag worden.
35. O! Diepe Liefde,
in de allerzoetste naam Jesus, neem toch plaats in de begeerte van mijn ziel.
Daarom hebt Gij U in de mensheid bewogen [dat Gij mens zijt geworden] en Zich
naar Uw grote zoetigheid geopenbaard, en ons tot U geroepen, wij, die naar U
hongeren en dorsten. En Ge hebt ons beloofd dat Gij ons verkwikken zult. Ik
open nu de lippen van mijn ziel naar U, en al ben ik dan onwaardig zulks van
Uwe Heiligheid te begeren, zo kom ik dan toch, door Uw bittere lijden en dood,
tot U, alwaar Ge mijn onreinheid met Uw bloed hebt besprenkeld, en mij in Uw
Mensheid hebt geheiligd, en mij in Uw bloed een open deur hebt gemaakt, door Uw
dood Uw zoete Liefde in. Ik voer de begeerte van mijn ziel door Uw Heilige vijf
wonden (waaruit Gij Uw bloed hebt vergoten) Uw Liefde in. O! Jesus Christus,
zoon van God en des Mensen, ontvang in Uzelf Uw verworven erfenis (welk Uw
Vader U geschonken heeft) Het schreeuwt in mij, dat ik door Uw heilige bloed en
dood in U wil treden, open Uzelf in mij, opdat de geest van mijn ziel U in
zichzelf bereiken kan. Voer Uw dorst (die Gij aan ’t heilige kruis naar ons
mensen had) in mijn dorst, en laaf me met Uw bloed opdat mijn dood (in mij, die
mij gevangen houdt) in Uw bloed der Liefde verdrinkt, en opdat mijn verwelkte
beeld (welk in mijn vader Adam in de zonden aan het Rijk der Hemelen
verduisterde) in Uw krachtige bloed levend wordt en mijn ziel wederom aantrekt
als een nieuw lichaam welk in de Hemel woont, een lichaam waar Uw heilige
Kracht en Woord (dat mens werd) in wonen kan, welk de tempel van Uw Heilige
Geest is, die in ons woont gelijk Gij ons beloofd hebt, wij zullen tot u komen en woning in u maken. O! Grote Liefde van
Jesus Christus, ik ben tot niets meer in staat, maar ik verzink mijn begeerte
in U, Uw Woord welk mens is geworden is Waarheid. Daar U me bevolen hebt te
komen, zo zal ik nu komen, mij geschiedde naar Uw woord en wil. Amen.
32. Met goede
bedoeling wil ik u (beminde lezer) niet verbergen wat mij hierbij ernstig
getoond is. Wanneer gij in de ijdelheid van het vlees nog een welbehagen vindt,
en niet in een ernstig voornemen zijt om de weg tot de nieuwe wedergeboorte te
gaan, en niet gezind zijt een ander mens te worden, laat dan deze opgeschreven
woorden ongenoemd, of zij zullen u, in u, ten oordeel Gods worden. Gij zult de
H. Naam niet misbruiken, gij zijt gewaarschuwd, zij zijn voor de dorstige
zielen. Wanneer het haar (de ziel) ernst is, zal zij wel ondervinden wat voor
woorden het zijn.
33. Beminde ziel, het moet ernst zijn, zonder ophouden. De kus der
Liefde van de edele Sophia in de
Heilige naam Jesus zult gij wel ontvangen, want Zij staat voor de deur van de
ziel en klopt aan, en waarschuwt de zondaar voor de weg der goddelozen. Indien
hij nu alzo enige tijd Haar Liefde begeert, zo zal Zij hem ter wille zijn, en
kust hem met de stralen van haar zoete Liefde, die het hart in vreugde
ontvangen zal. Maar Zij gaat niet haastig een verbintenis met de ziel aan, Zij
wekt niet direct het Hemelse beeld, dat in het Paradijs onderging, in haar op.
Het is gevaarlijk bij de mensen, want zo Adam en Lucifer gevallen zijn, zo zou
dat ook nog bij de Mens kunnen geschieden, die nu zo sterk in de ijdelheid
gebonden is.
34. De band van uw
toezegging [of belofte] moet sterk en getrouw zijn, want voor Zij u zal kronen,
zult ge verzocht en verleid worden. Ze neemt haar stralen der Liefde wederom
van u, om te zien of ge trouw zult blijven. Zij laat u ook wel staan, zonder u
te antwoorden, met nog niet de kleinste blik van haar Liefde, want zal ze u
kronen, zo moet u eerst geoordeeld worden, en zult ge moeten proeven van de
drank der ellende die ge in uw gruwelen hebt ingeschonken. Gij moet voor de
poort van de hel gaan staan, en uwzelf overwinnen om uw liefde voor Haar, in de
kracht die Zij u geschonken heeft, tegenover de duivelsaanblik te tonen.
35. Christus werd in
de woestijn verzocht, en wanneer ge Hem wilt aantrekken, dan moet gij door zijn
gehele weg gaan (van zijn menswording tot aan de hemelvaart toe). Hoewel gij
niet kunt, noch behoeft te doen, wat Hij gedaan heeft, moet gij toch geheel in
Zijn Weg opgaan en de ijdelheid in de ziel volledig afsterven, want Jonkvrouw Sophia huwt de ziel anders niet, doch
slechts wanneer ze hierin[1] ontluikt gelijk een
nieuw gewas dat in de Hemel staat. Het aardse lichaam begrijpt Haar niet, want
het moet alvorens de ijdelheid afsterven. Maar het Hemelse beeld dat in Adam
onderging, als het ware zaad der Vrouwen, waaruit God Mens werd, waarin Hij Zijn
Levende Zaad, de Hemelse Wezendheid, inbracht, dát begrijpt deze edele Parel,
deze gelijkenis met wat in Maria geschiedde, in het teken des Verbonds.
42. Ziet daarom toe
wat gij doet, wanneer gij belofte doet. Wanneer ge zich hieraan houdt, zal Zij
u veel liever kronen dan wanneer gij het slechts begeert. Maar ge moet
standvastig zijn. Wanneer de verzoeker tot u komt met de wereldse wellust,
schoonheid en heerlijkheid, dan moet het gemoed dit verwerpen en zeggen; Ik
begeer in de Wijnberg van Christus knecht te zijn en geen Heer, al dat ik
bezit, daarover ben ik slechts een dienaar Gods, en ik begeer ermee te doen wat
Zijn Woord mij leert. Mijn hart zal nederig zijn in het stof, en voortdurend in
nederigheid verkeren.
43. Gij bent dan in
de staat waarin ge zijn wilt, nederigheid moet voorop staan, anders wordt ge
niet Haar echtgenoot, hoewel het waar is dat Ware deemoedigheid pas werkelijk
in Haar geboren wordt. Maar uw vrije
wil van de ziel moet als een Ridder staan, want wanneer de duivel de ziel niet
via ijdelheid kan overwinnen, haar niet kan laten toehappen gelijk een vis naar
het aas, dan zal hij komen met onwaardigheid en het Register der zonden. Hier
ligt een zware strijd.
44. Hier moet de
verdienste van Christus voorop gesteld worden, anders kan het schepsel geen
stand houden voor de duivel. Want het gaat er hier zo verschrikkelijk aan toe,
dat zelfs het uitwendige verstand meent dat deze mens zinloos is en van de
duivel bezeten. De duivel verzet zich zo gruwelijk sterk in menig strijder,
voornamelijk wanneer hij een groot en degelijk fort in hem heeft gehad, om maar
niet te hoeven wijken en zijn geroofde kracht te moeten verlaten. Ja, dit is
het slagveld, waar Hemel en Hel met elkaar strijden.
45. Wanneer nu de
ziel hierin bestendig blijft en de duivel (met al zijn listen) overwint, en
geen acht slaat op al het tijdelijke, omwille van de Liefde van de edele Sophia, dan wordt haar het waardige
Ridderkransje tot een teken van overwinning opgezet. Alhier treedt de Jonkvrouw
(die Zich openbaart in de hoogwaardige naam van Jesus, van Christus de
Slangen-treder, de Gezalfde Gods) tot de ziel, en kust haar met Haar zoete
Liefde in haar meest innerlijke Essentie
(de wezenlijke kracht), en drukt haar als teken van overwinning Haar Liefde in
haar begeerte in. Alhier staat Adam, naar zijn Hemelse Beeld, op uit de dood,
in Christus. Hiervan kan ik echter niet schrijven, daar is in deze wereld geen
pen toe. Het is de Bruiloft des Lams alwaar de edele Parel met grote triomf
gezaaid wordt, doch in den beginne is het klein als een mosterdzaadje.
46. Wanneer nu deze
Bruiloft voorbij is zal de ziel wel in acht nemen wat zij haar Jonkvrouw heeft
beloofd, opdat het Parel-boompje (de boom des geloofs) groeien kan, want de
duivel zal direct weer met zijn stormen komen (met de goddeloze mensen) die
haar zullen verachten, bespotten, en haar tot krankzinnige verklaren. Hier moet
de mens in de Weg van Christus onder zijn Kruis treden. Hier moet nu met de
daad bewezen worden dat wij ons Christenen mogen noemen. Hier moet de mens zich
tot dwaas en goddeloze uit laten roepen, ja, zijn allerbeste vrienden (die hem
tevoren in de lust van het vlees geliefkoosd hebben) worden tot zijn vijanden,
en al weten zij niet waarom, zij zullen hem haten. Christus verschuilt Zijn
Bruid zozeer onder het Kruis, dat zij in de wereld niet bekend zal worden. Ook
de duivel zal er voor strijden dat deze kinderen voor de wereld verborgen
blijven opdat er niet meerdere knoppen zullen ontluiken in het Hof dat hij als
van hemzelf beschouwd.
47. Dit leg ik de
Lezer, die een Christelijk gemoed heeft, voor, ter informatie in het geval hij
in zulk een situatie terecht zal komen, opdat hij weet wat hem te doen staat.
40. O Allerdiepste Liefde Gods in Christus Jezus! Verlaat mij toch
niet in deze nood. Ik ben schuldig aan de zonden die mij nu in het gemoed
verrijzen, maar zo Gij me verlaat, moet ik hierin verdrinken. Hebt Gij niet in
Uw Woord gezegd; Al was het dat een moeder haar kind vergeet (wat toch niet
gauw gebeuren zal) zo zult Gij mij nimmer vergeten. In Uw Handen hebt Gij mij
opgetekend. In Uw Handen (met scherpe nagelen doorboord) en in Uw Zijde (waar
water en bloed uitgutste) hebt Gij mij ingegraven. Ik, arme mens, in Uw toorn
gegrepen, ben tot niets in staat voor Uw Aangezicht. Ik verzink mij geheel in
Uw wonden en dood.
O grote
Barmhartigheid Gods! Verlos mij toch van de banden des duivels, nergens heb ik
een toevlucht dan in Uw wonden en dood. Ik verzink in U, in de zielesmart van
mijn gemoed. Doe met mij wat U wilt, in U wil ik nu leven of sterven, gelijk
het U behaagt, laat mij maar in Uw dood sterven en vergaan, begraaf mij in Uw
dood, opdat de angst der helle mij niet beroert. Waar kan ik mij voor
verontschuldigen? Gij kent mij in hart en nieren, en stelt mij mijn zonden voor
ogen. Ik ben schuldig, en geef mij aan Uw Oordeel over. Vel toch Uw Oordeel
over mij, door de dood van mijn Verlosser Jesus Christus.
Ik smeek tot U (O,
Rechtvaardige Rechter!) door de angst van mijn Verlosser Jesus Christus, omdat
Hij voor mij (op de Olijfberg) bloed gezweet heeft, en Zich voor mij door
Pilatus liet geselen, en tot spot een doornenkroon op Zijn hoofd liet drukken,
dat Zijn bloed deed vloeien.
O Rechtvaardige God!
Gij hebt Hem op mijn plaats gesteld, Hij was onschuldig, doch ik ben schuldig aan hetgeen waar Hij
voor geleden heeft. Wat zal ik dan wanhopen in Uw toorn? Verdelg toch Uw toorn
in mij, door Zijn angst, lijden en dood. Ik laat mij volledig in Zijn lijden,
dood en angst verzinken. Voor Uw Aangezicht zal ik Zijn lijden en angst stil in
mij dragen. Doe met mij gelijk U wilt. Laat mij maar niet van Zijn angst
afwijken. Gij hebt mij toch Zijn angst geschonken, en Uw toorn in Hem verdelgd.
En al heb ik dit niet aangenomen, en ben ik van Hem afgeweken en trouweloos
geworden, toch hebt Gij mij dit waardige Pad geschonken, in mijn vlees en ziel,
alwaar Hij mijn vlees en ziel heeft aangenomen, in zijn Hemelse en Eeuwige
Natuur. En alwaar Hij met Zijn Hemelse Bloed de toorn in mijn vlees en ziel in
Hem verzoend heeft. Neem mij toch aan in Zijn verzoening en plaats Zijn angst,
lijden en dood in Uw toorn (die in mij ontstoken is) en verbreek Uw Rechtvaardige
Oordeel in mij, in het Bloed van Zijn Liefde.
O grote Liefde! in
het bloed en de dood van Jesus Christus smeek ik U, verbreek toch de Duivel
zijn kracht in mij, welk hij in mij heeft opgericht, alwaar hij mij op de weg
Uwer Genade tegenhoudt. Drijf hem van mij uit, opdat hij mij niet overwint,
want geen levende kan voor U bestaan
zodra Gij Uw Hand van hem hebt weggetrokken.
O, kom toch, Gij
doorbreker van de toorn Gods! Verbreek hem zijn macht, help mijn arme ziel toch
tegen hem strijden en overwinnen! Leidt mij in Uw Overwinning en behoudt mij in
U. Verbreek zijn zitplaats in mijn aangestoken ijdelheid in ziel en vlees, dood
de begeerte in mijn ijdele vlees en bloed, die de duivel door zijn valse
begeerten, angst der hel, en vertwijfeling heeft aangestoken. Blust Gij haar
toch (mijn aangestoken ijdelheid) met Uw water des eeuwige levens, en leidt
mijn angst door Uw dood uit. Geheel en al verzink ik in U, en al zouden nu mijn
lichaam en ziel in Uw Gestrengheid vergaan, dan nog zou ik U niet aflatend zijn.
Al schreeuwt mijn hart ronduit nee, de begeerte van mijn ziel zal nochtans Uw
Waarheid vast blijven houden, en die zal noch duivel noch dood mij ontnemen,
want het bloed van Jesus Christus Zoon van God maakt ons rein van onze zonden.
Dat vat ik in mij, de toorn Gods doet nu met mijn zonden wat hij wil, hij ruist
vrij over mijn ziel, gelijk de duivel in zijn opgerichte kracht, naar zijn wil.
Uit de wonden van mijn Heiland zal noch dood noch duivel noch hel mij kunnen
losscheuren. Gij ellendige duivel, gij zult mij uiteindelijk nog ten schande
worden, en uw fort verlaten moeten, want ik zal in de Liefde van Jesus Christus
verzinken, gij moogt hier gerust in wonen, zo gij de macht daartoe hebt. Amen.
Beste Lezer, dit alles
is geen gekheid. Hij die het voor gekheid houdt, is nog onervaren, of hij is
het stadium van de verzoeking nog niet gepasseerd en zijn geweten is nog in
slaap. En al wordt het uitgesteld tot zijn laatste moment (wat zeker gevaarlijk
is), zal hij alsnog door deze rechtspraak, door de verzoekingen en proeven heen
moeten. O! Gezegend hij die in zijn jonge jaren, nog vóór de duivel zijn
geroofde kracht, zijn sterke fort, volledig in hem verankerd heeft, al de
beproevingen en verzoekingen doorgaat. Hierna kan hij een arbeider in de
Wijnberg van Christus worden, en zijn zaad in het Hofje van Christus zaaien. Zo
iemand zal te zijner tijd de vrucht wel oogsten. Dit oordeel, deze verzoekingen
duren bij menig mens vele jaren, voornamelijk wanneer hij zich niet met ernst
in het harnas van Christus begeeft, en het Oordeel van Rampspoed hem moet
aanzetten tot bekering, die hem dan zeer bitter zal vallen. Maar hij die uit
zichzelf komt, vanuit zijn ernstige voornemens, al voor de aanvechtingen en
verzoekingen hem daartoe dwingen, hem valt het niet zo zwaar, hem duurt het
niet zo lang. Al moet hij met Ridderlijke moed in zware strijd de duivel
overwinnen, hij zal hiertoe krachtig worden bijgestaan. Hem zal ’t het
allerbeste vergaan, hij zal wanneer de dageraad in de ziel aanbreekt een grote
lofzang tot God aanvangen, omdat de vervolger, de onderdrukker overwonnen
is.
Een kort gebed, voor wanneer de edele Sophia, of de eeuwige Wijsheid, de ziel met Haar
Liefde kust, en haar de Liefde aanbiedt.
42. O
Aller-gelukzaligste en diepste Liefde Gods in Jesus Christus! Schenk mij toch
Uw Parel, druk ze toch in mijn ziel, neem mijn ziel toch in Uw armen. O Gij
allerzoetste Liefde! Voor U ben ik geheel onrein, verbreek toch mijn onreinheid
door Uw dood, leidt toch de honger en dorst mijner ziel door Uw dood in Uw
opstanding, in Uw triomf. Sla toch mijn ikheid in Uw dood neer, neem haar
gevangen en leidt mijn honger in Uw Honger.
O hoogste Liefde!
Gij zijt toch in mij verschenen, blijf toch in mij, en neem mij in U op, houdt
mij toch in U, opdat ik niet van U kan wijken. Vervul toch mijn honger met Uw
Liefde, spijs mijn ziel met Uw Hemelse Wezen, laaf haar met Uw bloed, en geef
haar te drinken uit Uw Fontein.
O grote Liefde! Wek
toch mijn verwelkte beeld (welk in mijn vader Adam aan het Rijk der Hemelen
verduisterde) door het Woord (welk het beeld in het zaad der vrouwen, in Maria
opwekte) wederom op, brengt Gij het toch in beweging.
O Gij Leven en
Kracht der Godheid! Gij die ons de beloften gedaan hebt, zeggende dat wij tot U
zullen komen en woning in u maken. O zoete Liefde! In datzelfde Woord Uwer
Belofte voer ik mijn begeerte in. Hebt Gij niet toegezegd dat Uw Vader de H.
Geest zal schenken aan hen die daarom bidden? Zo voer ik nu de honger van mijn
ziel Uw beloften in, en neem ik Uw Woord op in mijn honger, vermeerdert Gij
toch de honger in mij naar U, sterk mij toch (o zoete Liefde!) in Uw Kracht,
maak mij Levend (in U), opdat mijn geest Uw zoetigheid proeven kan. Gelooft Gij
toch in mij, door Uw Kracht, want
zonder U kan ik niets.
O zoete Liefde! Ik
bid u door de Liefde waarmee Ge de toorn Gods hebt overwonnen, en deze in
Liefde en in goddelijke Vreugde veranderde. Door deze zelfde grote Liefde
verandert de toorn in mijn ziel, zodat ik U gehoorzaam kan zijn, en opdat Gij
mijn ziel daar eeuwig in beminnen mag. Verandert Gij toch mijn wil in de Uwe,
voer toch Uw Gehoorzaamheid in mijn ongehoorzaamheid, opdat ik U gehoorzaam zal
zijn.
O grote Liefde van
Jesus Christus! Ik bid U, leidt de honger mijner ziel Uw wonden in, waar U Uw
Heilig bloed uit vergoot en de toorn in de Liefde uitbluste. Ik voer mijn
honger Uw holle zijde in (waar water en bloed uit gutste), zijt Gij toch mijn,
en verkwik mij in Uw lijden, laat mij toch niet los.
O mijn edele
Wijnstok! Geef toch sap aan Uw rank, opdat ik in Uw Essentie [of Wezen] groei, was en bloei, in Uw Kracht en sap. Baart
Gij toch door Uw Kracht, de ware kracht in mij.
O zoete Liefde! Gij
zijt mijn licht, verlicht mijn arme ziel in haar gevangenis van vlees en bloed,
leid haar voortdurend op rechte wegen, verbreekt Gij toch de wil des duivels,
en leid mijn lichaam door de loop dezer wereld (uit de kamer des doods Uw Rust
in) opdat het op de jongste dag uit Uw dood mag opstaan, en eeuwig in U leven
mag. Leert Gij mij toch, wat ik in U doen zal. Zijt Gij toch mijn willen, weten
en doen, laat mij zonder U nergens heengaan, ik geef mij geheel en al aan U
over, Amen.
43. In U, O levendige
Fontein! verhef ik de begeerte van mijn ziel, en roep ik met mijn begeerte in U
(door het leven van mijn Heiland Jesus Christus). O Gij Leven en Kracht Gods!
Verwek U Zelf toch in de honger van mijn ziel, met Uw Begeerte der Liefde, door
de dorst van Jesus Christus, die Hij aan het kruis naar ons mensen had, en voer
mijn zwakke kracht door Uw machtige hand in Uw Geest. Verblijft Gij toch met Uw
Kracht, Uw Werken en Uw Wil in mij. Bloeit Gij toch in mij, in de kracht van
Jesus Christus, opdat ik U lof mag toebrengen, als ware vruchten in Uw Rijk.
Laat mijn hart en begeren in de eeuwigheid niet van U wijken.
Maar in dit
jammerdal (in het uitwendige aardse vlees en bloed) zwem ik in ijdelheid, en
wordt mijn edele beeld (naar Uw Gelijkenis) van alle kanten met vijanden
omringd, staat de begeerte des duivels tegenover mij, en ook de begeerte der
ijdelheid in het vlees en bloed, ook sta ik recht tegenover alle goddeloze
mensen die Uw Naam niet kennen. Ik zwem met mijn uitwendige leven in sterren en
elementen, alwaar mijn vijanden aan alle kanten inwendig en uitwendig op mij
loeren, evenals de tijdelijke dood, die de verbreker van dit ijdele leven is.
Zo bid ik tot U, O Heilige Kracht Gods! Nadat Gij U (met Uw Liefde in Genade)
in de mensheid hebt geopenbaard, door de Heilige Naam van Jesus, en deze ook
ter vertroosting in ons hebt gegeven, zo bid ik tot U, laat toch Zijn Engelen
(die Hem dienen) onze ziel beschermen, laat hen zich om ons heen legeren, en
ons bewaren voor de vurige pijlen van de begeerte van de booswicht, de pijlen
die hij, door de vloek van de toorn Gods die in ons aardse vlees verwekt is,
dagelijks in ons schiet. Houd met Uw Kracht toch de giftige stralen van ’t
gesternte tegen, in welk zich de booswicht met zijn begeerte gevlochten heeft,
om ons in ziel en vlees te vergiftigen, en in valse [of kwade] begeerten te
voeren, en ook in krankzinnigheid en ellende. Weert Gij toch deze stralen des
toorns van ons, door de H. Naam van Jesus in onze ziel en geest, dat zij ons
niet beroeren, en laat Uw heilige goede Engel bij ons zijn, opdat hij deze
vergiftigde stralen van onze lichamen afdrijft.
O grote Liefde, en
zoete Kracht Iesus! Gij Fontein van
de zoetigheid Gods, uit de eeuwige grote naam Iehovah! Ik smacht ernaar met de begeerte van mijn ziel in U op te
gaan, mijn ziel smacht ernaar om Uw Geest, waaruit zij in het lichaam werd
geblazen en die haar tot een gelijkenis Gods geformeerd heeft, in te gaan. In
haar dorst verlangt ze naar de zoete Fontein Jesus die ontspringt uit Iehovah,
om haar dorst te laven, in haar goddelijke vuur-adem die zij zelf is, opdat
haar vuur-adem de zoete Liefde van Jesus (door de Fontein uit Iehovah) ontsluit, en dat de heilige
Naam van Christus de Hemelse geestelijke lichamelijkheid (in mijn verwelkte
beeld) openbaar en tot Mens maakt, en dat de arme ziel haar lieve Bruid wederom
in haar armen mag ontvangen, met Wie zij zich eeuwig mag verheugen.
O Immanuel! Gij Echtelijke Verbintenis,
God en Mens, in de armen van Uw begeerte (naar
en in ons) begeef ik mij. Ik begeer
U. Verdelg door Uw Liefde de toorn van Uw Vader in mij, en breng kracht in mijn
zwakke verwelkte beeld, opdat het de ijdelheid in vlees en bloed mag overwinnen
en temmen, en U in heiligheid en gerechtigheid mag dienen.
O grote
allerheiligste Naam en Kracht Gods
Iehovah, Gij, die Zich met Uw allerzoetste Kracht Jesus hebt bewogen in het beloofde teken des verbonds dat Gij met onze
Vader Adam gemaakt hebt, en ook in het zaad der vrouwen, in de jonkvrouw Maria en
in onze verwelkte Hemelse Mensheid, waar U Uw Levendige Wezendheid van Uw
Heilige Kracht (in de Jonkvrouwelijke Wijsheids Gods) hebt ingebracht, en ons
dit tot een victorieus leven en nieuwe weder-geboorte hebt gegeven. Tot U bid
ik uit al mijn kracht, baart mij toch ook (in Uw zoete Kracht van Jesus) tot
een nieuw en heilig leven, opdat ik in U en Gij in mij zijt, en dat Uw Rijk in
mij openbaar wordt, en de wil en wandel mijner ziel in de Hemel is.
O grote
Onbegrijpelijke God! Gij die alles vervult, Gij zijt toch mijn Hemel waarin
mijn nieuwe geboorte in Jesus Christus wonen kan. Laat mijn geest toch het
snarenspel, de klank en vreugde van Uw Heilige Geest zijn. Speelt Gij toch in
mij, in Uw wedergeboren beeld. Laat mijn Harmonie klinken in het Rijk van Uw
Goddelijke Vreugde, in de grote Liefde Gods, in de wonderen van Uw Glorie en
Heerlijkheid, in de gemeenschap van de Heilige Harmonie van de Engelen, en bouw
in mij de heilige Stad Sion op, waarin wij als kinderen van Christus kunnen
leven, de Stad die Christus is in ons. In U verzink ik mij geheel en al, doet
Ge met mij wat U wilt, Amen.
44. Ik arm mens, vol
angst en droefheid, wandel op mijn weg in Pelgrimage naar mijn Vaderland waar
ik [in Adam] ben uitgegaan, en reis door de distels en doornen van deze wereld,
wederom naar U, O God mijn Vader! En ik wordt van alle kanten door de
doornen verscheurd, en door de vijanden
geplaagd en veracht. Zij smaden mijn ziel, en verachten haar als een
kwaaddoener die trouweloos geworden is.
Zij verachten mijn weg huiswaarts, en houden het voor dwaasheid. Zij menen dat
ik van mijn verstand beroofd ben, omdat ik op deze doornige weg wandel, en niet
met hen hun glinsterende wegen betreed.
O Heer Jesus
Christus! Ik smeek tot U onder het kruis, ach lieve Emanuel! Neem mij toch bij U en leid mij, tot in Uzelf, door Uw pelgrims-straten die Gij in deze wereld hebt
bewandeld, door Uw menswording en armoede, door Uw verachtingen en
bespottingen, door Uw angst, lijden en dood. Maak voor mij toch Uw Beeld
aanvaardbaar. Zend toch Uw goede Engel tot mij, die mij de weg wijst door deze
gruwzame doorn-achtige woestijn der wereld! Sta mij toch bij in mijn ellende,
vertroost mij toch, met de vertroostingen waarmee de Engel in het Hofje U
vertroostte toen Gij tot Uw Vader bad, en bloed zweette[2] Sta me toch bij in
mijn angst en vervolgingen, onder de spot van de duivels en alle goddeloze
mensen die U niet kennen en Uw Weg niet begeren te gaan. O grote Liefde Gods!
Zij kennen Uw Weg niet, en doen het uit blindheid door de duivelse bedriegerij.
Erbarmt Gij Zich toch over hen, en voer ze uit de blindheid tot het licht,
opdat ze zichzelven leren kennen, hoe zij in het slijk en de drek des duivels,
in een donker dal gekluisterd liggen, stevig gebonden met drie ketenen. O grote
God! Ontferm U toch over Adam en zijn kinderen, verlost hen toch in de nieuwe
Adam, in Christus.
Ik bid tot U, O
Christus! God en Mens, op deze Pelgrims-straten die ik in het donkere dal
bewandelen moet, waar ik overal bespot, beangstigd, en voor een vals goddeloos
mens gehouden wordt. Heer, het is Uw Oordeel over mij; dat mijn zonden en
aangeboren ijdelheid op deze weg van mijn Pelgrimage voor U veroordeeld worden
en als een vloek ten toon gespreid, alwaar Uw toorn zich aan verzadigen kan, en
waardoor de eeuwige bespottingen van mij weggenomen kunnen worden. Het is een
teken Uwer Liefde, en Gij voert mij daardoor in de bespotting, angst, lijden en
dood van mijn Heiland Jesus Christus, opdat ik mijn ijdelheid in mijn Heiland
afsterf, en in Zijn Geest (door zijn bespottingen en verachtingen) door zijn
dood tot een nieuw Leven uit kan groeien [en bloeien].
Ik bid tot U, O
Christus! Gij geduldig Lam Gods! Door al Uw angsten en bespottingen, door Uw
lijden en dood, door Uw verachtingen aan de stam van het Kruis (alwaar Gij voor
mij veracht werd), verleen mij toch geduld in mijn weg van het kruis, en voer
mij als een geduldig lam op dezelfde weg tot U, in Uw Overwinning. Laat mij met
en in U leven, en bekeer mijn
vervolgers, die nu (geheel onwetend) mijn zonden voor Uw toorn opofferen. Zij weten
niet wat ze doen, zij menen het slecht met mij maar zij doen het goede. Zij
doen voor U, hetgeen ik voor U behoorde te doen, ik behoorde dagelijks al mijn
zonden en schanden voor U te ontdekken en te bekennen, en mij daarmee in de
dood van Uw Lieve Zoon te verzinken, opdat ze in Uw dood sterven zouden. Maar
daar ik te zeer nalatig ben (ook te mat en te zwak) zo gebruikt Gij hen [mijne
vijanden] daartoe, in Uw toorn, dat zij zo mijn schande voor Uw toorn
blootleggen, opdat zij[3] door Uw
gestrengheid gegrepen en in de dood van mijn Heiland verzonken wordt.
O Barmhartige God!
Mijn ijdel vlees kan niet begrijpen dat Gij het zo goed met mij meent. Dat Gij
mijn gruwelen door mijn vijanden van me laat nemen en aan U op laat offeren.
Mijn aards gemoed meent dat Gij mij alzo plaagt vanwege mijne zonden, en vreest
overal voor, maar Uw Geest (in mijn inwendige nieuwe mens) zei tot mij, dat het
geschiedt uit liefde voor mij, dat Gij het zo goed met mij meent. Wanneer Gij
mij door mijn vijanden laat vervolgen [zo zei Uw Geest tot mij] dient dat mij
ten beste, zij helpen mij het werk te volbrengen, en mijn zonden voor U (in Uw
toorn) op te ratelen, opdat deze toorn mijn zonden verslindt, en belet dat zij
mij navolgen in mijn Vaderland. Daar zij [mijn vijanden] nog sterk zijn in Uw
toorn, en ik al reeds zwak en mat in mijn wil en ijdelheid, kunnen zij dat
beter doen dan ik, en dat weet Gij, O rechtvaardige God!
Daarom bid ik U O
Rechtvaardige God, daar U hen tot mijn dienaars gebruikt, en zij mij het beste
doen (hoewel mijn aardse vernuft dat zelf niet begrijpt), maakt Gij hun toch
mijn weg bekend! Zend hen daartoe ook dienaars (die hen tot het licht brengen)
opdat zij U bekennen en U danken.
O barmhartige God in
Christus Jesus, ik bid U (in mijn kennis), uit de diepte Uwer Liefde voor ons
arme mensen (welke Liefde Gij mij hebt geopenbaard in de verborgen Mens), roept
ons toch allen tezamen tot U! Beweegt U toch (in deze laatste bedroefde tijd,
alwaar Uw toorn in ons ontstoken is) nog eenmaal in ons. Weerstaat Gij toch Uw toorn
in ons, opdat hij ons niet (met lichaam en ziel) verslindt.
O Gij Morgenstond
van de Dage Gods, treed toch eindelijk naar voren, Gij zijt toch aangebroken,
openbaart dan toch Uw Heilige Stad Sion (het nieuwe Jerusalem) in ons.
O grote God! Ik zie
U in de diepte van Uw Kracht en Macht, wek mij toch geheel in U op, opdat ik
Levend in U wordt. Verbreek toch de boom van Uw Toorn in ons, en laat Uw Liefde
in ons ontkiemen, groeien en bloeien!
O Heer! Ik lig voor
Uw Aangezicht, en bid tot U, straf ons toch niet in Uw Toorn, wij zijn toch Uw
verworven goed, vergeef ons toch allen onze zonden, en verlos ons van de
vijandschap van Uw gestrengheid, en van de spot en nijd des duivels, en voer
ons (onder Uw kruis in lijdzaamheid) wederom in ons Paradijs! Amen.
de Poort van de Paradijselijke Rozenhof.
Dit
wordt slechts begrepen door de kinderen van Christus, die het uit eigen
ervaring ondervonden en gekend hebben.
Samenspraak tussen de arme ziel en de edele Jonkvrouw Sophia, in de inwendigste grond des mensen, dat
is, de Geest van Christus (in de nieuwe wedergeboorte) in onze ziel. En over de
grote vreugde die er heerst in de Hemel over een nieuwe wedergeboren Mens. Hoe
gelukzalig zich de edele Sophia toont
tegenover de Ziel, Haar Bruidegom, wanneer deze de boete ingaat, en hoe de
ziel zich gedraagt, wanneer Jonkvrouw Sophia
haar openbaar wordt.
45. Wanneer de
Hoeksteen (Christus) zich in het verduisterde beeld van de mens beweegt (in
zijn hartelijke bekeringen en boete), zo verschijnt Jonkvrouw Sophia (in de bewegingen van de Geest
van Christus) in dit verduisterde beeld voor de ziel, in Haar Jonkvrouwelijke
gewaad. De ziel raakt hierdoor zo ontzet (in haar onreinheid) dat al haar
zonden in haar ontwaken en in verschrikking en siddering voor Haar (de edele Sophia) staan. Want aldaar volgt het
oordeel over de zonden van de Ziel, en in haar onwaardigheid keert ze Haar de
rug toe, en in schaamte voor haar Schone Vriendin keert ze in zichzelf, en
veroordeelt ze zichzelf als zijnde onwaardig een zodanig pronkjuweeltje te
ontvangen (zij die van dit juweeltje hebben mogen proeven begrijpen dit, aan
niemand anders is dit bekend) Maar de edele Sophia
nadert haar in de Essentie [of in de
grond van de uitgaande wezenlijke kracht] van de ziel, en kust haar
vriendelijk, en lost met Haar stralen der Liefde het donkere vuur in haar op
[doorgloeit het], en doorschijnt de ziel met haar Kus der Liefde. Zo springt de
ziel, in haar liefde (in de kracht van de Jonkvrouwelijke Liefde) van grote
vreugde op, jubelt en looft de grote God, in kracht van de edele Sophia [of Wijsheid Gods.]
Hiervan stel ik een
korte verklaring op, hoe het toegaat wanneer de Bruid de Bruidegom omhelst. Ter
overpeinzing van de lezer (die misschien nog niet in de Bruidskamer is geweest,
alwaar de Bruid de Bruidegom omhelst), of het hem belust ons na te volgen, en
mede in de rij te wandelen (alwaar men in grote vreugde met Sophia [met de Goddelijke Wijsheid]
danst en speelt)
Wanneer nu dit (boven-verhaalde) geschiedt, zo verheugt
zich de Ziel, en spreekt:
46. Lof, dank,
prijze en ere aan U! (O grote God! in Uw Kracht en Zoetigheid) dat Gij mij van
de drijver der angst verlost hebt. O Gij uitverkoren Lief, mijn hart omhelst U,
waar zijt Gij zolang geweest? Ik dacht dat ik in de hel (in de toorn Gods) was.
O gelukzalige Beminde, blijft Gij toch bij mij, weest Gij toch mijn vreugde en
verkwikking, leidt mij toch op de ware weg. Ik geef mij over in Uw Liefde. Ach!
Ik ben voor U zo donker, maakt mij toch licht, O edele Beminde, geef mij toch
Uw zoete Parel, en leg ze in mij.
O grote God in
Christus Jesus! Nu prijs ik U en loof ik U, in Uw Waarheid, grote Macht en
Heerlijkheid, dat Gij me mijn zonden vergeven hebt, en mij met Uw Kracht hebt
vervuld. Ik roem U in mijn leven, en loof U in Uw Vastheid, welk niemand, doch
slechts Uw Geest ontsluiten kan in Uw Barmhartigheid. Mijn gebeente verheugt
zich in Uw Kracht, mijn hart zingt in mijn lijf. Eeuwige dank aan U, dat Gij
mij uit de hel verlost hebt, en mij de dood tot leven hebt gemaakt. Nu ervaar
ik Uw beloofde Waarheid, O Lieflijke Beminde! Laat mij toch niet meer van U
wijken, schenk mij toch Uw Paarlen-kransje, en blijf in mij, wees toch mijn
eigendom, opdat ik mij eeuwig in U verheuge.
Hierop spreekt Jonkvrouw Sophia tot de Ziel:
47. Mijn edele
Bruidegom, gij zijt mij ten hoogste welkom. Hoe hebt gij mij zolang vergeten,
dat ik in grote treurigheid voor uw deur heb moeten staan aankloppen? Ik heb u
toch altijd gebeden en geroepen, maar gij hebt uw aanschijn van mij afgekeerd,
uw oren waren uit mijn lande gegaan, gij kon mijn licht niet zien, want gij
wandelde in een duister dal, ik ben u nabij geweest, en heb u doorgaans
gebeden, maar uw zonden hielden u in de dood gevangen zodat gij mij niet
herkende. Ik kwam tot u in grote nederigheid, en riep u, maar gij waart in het
Rijk van Gods toorn, en sloeg geen acht op mijn ootmoedigheid. Gij hebt u den
duivel tot vriendinne aangenomen, die heeft u alzo bezoedeld, en zijn kracht
der ijdelheid in u opgebouwd, en u van mijn Liefde en Trouw geheel weggevoerd
tot in zijn vals glinsterende rijk. Daarin hebt gij veel zonden en boosheden
begaan, en uw wil van mijn Liefde afgekeerd, en hebt gij mij de trouw
verbroken, en een vreemde vriendschap gehouden, en mij (uw door God gegeven
Bruid) in het verduisterde wezen (zonder de kracht uwer vuur-macht) laten
staan. Ik heb (zonder uw vuur-macht) niet vrolijk kunnen zijn, want gij zijt
mijn Echtgenoot. Door u wordt mijne glans openbaar, gij kon mijn verborgen
wonderen openbaren (in uw vuur-leven), en in verheven Pracht invoeren. Buiten
mij zijt gij toch een donker huis, waar niets dan angst en pijn is, en daarmee
een vijandelijke kwaal [of eigenschap].
O edele Bruidegom!
Blijf toch met uw aangezicht voor mij staan, en geef mij uw vurige stralen,
voer uw begeerte in mij, en steek mij aan, zo zal ik u uit mijn Zachtmoedigheid
uw Vuur-stralen in helder Licht veranderen, en mijn stralen der Liefde in de Essentie van uw vuur voeren, en zal ik u
eeuwig kussen.
O mijn Bruidegom!
Hoe goed vergaat het mij nu wij verenigd zijn, kus mij toch met uw begeerte in
uw sterke macht, zo zal ik u mijn Schoonheid tonen, en mij met uw zoete liefde
en heldere glans in uw vuur-leven verheugen. Alle Heilige Engelen verheugen
zich nu om ons, omdat ze ons wederom verenigd zien. Nu, mijn lieve Bruidegom,
blijf toch in mijn trouw, en keert uw aangezicht niet meer van mij, doe nu uw
wonderen in mijn Liefde, waartoe God u opgewekt heeft.
Voor de tweede maal spreekt de ziel tot haar edele
Jonkvrouw Sophia, als tot haar (in
haar wedergeboren) Vriendin.
48. Ach! Mijn edele
Parel en geopende vlam van mijn licht, in mijn angstige vuur-leven, hoe
verandert Gij mij in Uw Vreugde, O schone Beminde! Ik heb u toch echt-breuk
gepleegd (in mijn vader Adam), en ik heb mij (door de vuur-macht) in wellustigheid,
en in de ijdelheid van de uiterlijke wereld gekeerd, en een vreemde vriendschap
aangenomen. En ik had eeuwig in deze vreemde vriendschap, in ’t dal der
duisternis, moeten wandelen zo Gij niet in Uw grote Trouw (door Uw doordríngen
en verbreken van de toorn Gods, de hel en de duistere dood) in het huis mijner
ellendigheid tot mij gekomen was, en zo Ge niet Uw Zachtmoedigheid en Liefde
wederom in mijn vuur-leven had gebracht.
O zoete Beminde! Gij
hebt voor mij (uit de Fontein Gods) het Water des Eeuwige Levens meegebracht,
en mij in mijn grote dorst verkwikt. Ik zie in U de grote Barmhartigheid Gods,
die voor mij (in de vreemde vriendschap) verborgen was. In U kan ik mij
verheugen, Gij verandert mijn vuur-angst in grote vreugde. Ach! Gelukzalige Beminde,
geef mij toch Uw Parel opdat ik eeuwig in zodanige vreugde mag staan.
Hierop antwoordt de edele Sophia en spreekt wederom tot de Ziel:
49. Mijn beminde
Bruidegom en waardige schat, gij verheugt mij hogelijkst in uwen aanvang. Ik
ben toch door de diepe poorten Gods tot u doorgebroken (door de toorn Gods,
door hel en dood), tot in het huis van uw ellende, en heb u (uit Genade) mijn
Liefde geschonken, en u van de ketenen en banden verlost waar gij mee vast was
gebonden. Maar gij bidt mij een zware bede, gij bidt om iets wat ik niet gaarne
met u waag. Gij begeert mijn Parel tot eigendom te hebben; bedenk toch, mijn
beminde Bruidegom, hoe gij haar al eerder in Adam verwaarloosd hebt. Daartoe
staat gij nog in groot gevaar, en wandelt ge in twee gevaarlijke rijken,
namelijk in uw vuur-oorsprong, daarin wandelt ge in het land, waar God zich een
sterke naijverige God en een verterend vuur noemt, en in het andere rijk, waar
ge wandelt in de uitwendige wereld, in de lucht, in het ijdele verdorven vlees
en bloed, alwaar de wereldse wellusten door
duivels ingrijpen alle uren over u heen ruisen. Gij zoudt nog in uw
grote vreugde wederom aardsheid in mijne schone Parel invoeren, en mijn Parel
verduisteren. Ook zoudt gij stoutmoedig kunnen worden gelijk Lucifer toen hij
deze Parel tot eigendom had, en gij zoudt u van de Harmonie Gods af keren. Zo
zou ik daarna van mijn Bruidegom eeuwig beroofd moeten zijn.
Ik wil mijn Parel in
me behouden, en wil in de Hemel verblijvend,
in uw verduisterde (en nu in mij wederom levend gemaakte) inwendige mensheid in
u wonen, en mijn Parel behouden tot in het Paradijs, tot gij dit aardse lichaam
aflegt, dan wil ik ze u ten eigendom geven. Doch mijn aangezicht en de
lieflijke stralen van de Parel wil ik u (tijdens dit aardse leven) graag
aanbieden. Ik wil met de Parel [zelfs] in het inwendigste Koor [of in de grond
uwer ziel] wonen, en uw getrouwe lieve Bruid zijn. In uw aardse vlees wil ik
mij niet verhuwelijken, want ik ben een Hemelse Koningin, en mijn Rijk is niet
van deze wereld. Nietemin zal ik uw uitwendig leven niet wegwerpen, maar ik zal
het menigmaal (met mijn stralen der liefde) bezoeken, want uw uitwendige
mensheid zal wederom terugkomen. Maar het dier der ijdelheid begeer ik niet,
God heeft het (in Adam) ook niet uit Eigen Voornemen zo grof en aards
geschapen, maar uw begeerte heeft deze dierlijke grofheid, in Adam, door lust
aangenomen, uit en met alle Essenties van de opgewekte ijdelheid van de aardse eigenschap, waarin
de hitte en koude, de pijn, de vijandschap en afscheiding staan.
Nu, mijn beminde
vriend en Bruidegom, geef uzelf maar aan mij, in mijn wil, ik wil u (in dit
aardse leven, in uw gevaarlijkheid) niet verlaten. Al was het dat ge gelijk door de toorn Gods bedekt werd, en dat ge hierdoor bang werd, en meende dat ik u had verlaten, zo zal
ik toch bij u zijn en u bewaren, want gij kent uzelf niet, noch weet gij wat uw
ambt is. Gij moet in deze [vergankelijke] tijd werken en vruchten dragen. Gij
zijt de wortel van deze boom, uit u zullen takken geboren worden, die moeten
alle in angst [of in benauwdheid] geboren worden. Maar ik dring mij door uw
takken (in het sap) en baar heerlijke vruchten aan uw takken, gij weet dit
niet, doch de Hoogste heeft mij zo opgedragen, en om bij en in u te wonen.
Wikkelt u daarom in
lijdzaamheid, en wacht u voor vleselijke wellustigheid, breek de eigen wil en
begeerte, houdt het in toom als een boos paard, dan zal ik u menigmaal (in uw
vurige Essentie) [of in de vruchten
van uw ernstige ijver] bezoeken, en u mijn Kus der Liefde geven, en u een
kransje (uit het Paradijs) tot teken van mijn Liefde meebrengen en opzetten,
waar gij u in zult verheugen. Maar mijn Parel geef ik u te dezer tijd niet ten
eigendom. Gij zult in gelatenheid blijven staan, en horen wat de Heer in de
Harmonie in u speelt, daartoe zult gij Hem, uit mijn kracht, de klank en essentie van uw toon geven, want gij
zijt nu tegenwoordig een bode van Zijn Mond, en zult Zijn Roem en Eer verkondigen.
Om deze zelfde reden heb ik mij nu opnieuw met u verbonden, en mijn ridderlijke
overwinnings-kransje (welk ik in de slag tegen de duivel en de dood verkregen
heb) op uw hoofd gezet. Maar mijn Parelen-kroon (waarmee ik u kroonde) die heb
ik weggelegd, die zult gij niet meer dragen totdat gij Rein voor mij zult zijn.
Voor de derde maal spreekt de ziel tot de edele Sophia.
50. Ach! Gij, mijn
schone en lieflijke Gemalinne, wat zal ik voor U zeggen? Ik geef mijzelf over
in Uw toevertrouwen, ik kan niet mijzelf behoeden. Zo Gij mij nu de kostelijke
Parel niet zult geven; laat haar in Uw Wil blijven, geef mij maar Uw Stralen
der Liefde, en voer mij door deze weg der Pelgrimage. Verwekt en baart Gij in
me wat Gij wilt, ik zal voortaan van U zijn, en voor mijzelf niets meer willen
noch begeren, uitgezonderd hetgeen Gij door mij wilt [en begeert]. Ik had Uw
zoete Liefde verwaarloosd, en mijn trouw niet gehouden, waardoor ik in de
eeuwige straf was gevallen, maar nadat Gij uit Liefde in de angst der hel tot
mij zijt gekomen, en mij van mijn pijn hebt verlost, ook wederom tot een
echtgenoot hebt aangenomen, zo zal ik nu (terwille van Uw Liefde) mijn wil
verbreken, en U gehoorzaam zijn, en op Uw Liefde wachten. Ik heb nu genoeg; ik
weet nu dat Gij in alle nood bij mij zijt, en mij niet verlaat.
O Gelukzalige
Beminde! Ik keer mijn vurig aangezicht tot U, O Schone Krone! Neem mij toch
snel in U, en voer mij uit de onrust, ik wil eeuwig bij U zijn, en van U nimmer
meer wijken.
De edele Sophia
antwoordt de ziel troostend, en zegt:
51. Mijn edele
Bruidegom, zijt gij getroost, ik heb mij met u verloofd in mijn hoogste Liefde,
en me in mijn Trouw met u verbonden. Ik zal alle dagen (tot aan het einde der
wereld) bij en in u zijn, ik zal tot u komen en woning in u maken (in uw
inwendige Koor [of in de grond uwer ziel]). Gij zult uit mijn Fontein drinken,
want ik ben nu u, en gij zijt mij. De vijand zal ons niet scheiden. Werkt gij,
in uw vurige eigenschap, zo zal ik u mijn Stralen der Liefde (in uw werken)
geven. Wij zullen de Wijnberg van Christus bouwen. Geeft gij de essentie des vuurs [of ijverige
uitgaande wezenlijke kracht], zo zal ik de essentie
van Licht en Voorspoed geven. Zijt gij het vuur, zo zal ik het water zijn, wij
zullen in deze wereld uitrichten waartoe wij door God zijn opgedragen, en
zullen Hem in Zijn Tempel (die wij zelf zijn) dienen. Amen.
Waarschuwing aan de
lezer.
52. Beminde lezer,
houdt al het voorgaande niet voor onzeker dichtsel. Het is de Ware grond, en
begrijpt het gehele Heilige Schrift, want het boek des levens van Jesus
Christus is daar klaar voor ogen afgebeeld, gelijk het door de auteur zelf
bekend is geworden, want het is zijn weg geweest. Hij geeft u het beste dat hij
heeft, God geve dat het gedijen mag. Een zwaar oordeel zal geveld worden over
degenen die dit bespotten. Zijt gewaarschuwd.
Een Morgen-Gebed, om
zich aan God te bevelen wanneer men opstaat, vóór men wat anders in zich laat.
53. In de Naam van God de Vader, Zoon en H. Geest, Gij enige
Waarachtige God! Ik dank U door Jesus Christus, Uw lieve Zoon, onze Heer en
Heiland, voor Uw genadige behoeding en bescherming, en ook voor alle weldaden,
en beveel nu mijzelf met lichaam en ziel (en al hetgeen waarin Gij me geplaatst
hebt om te arbeiden in mijn beroep) in Uw genadige behoeding en bewaring. dat
Gij het begin van mijn gedachten zijt, van mijn zoeken, trachten en al mijn
doen. Werk in mij, opdat ik alles mag beginnen tot lof en heerlijkheid van Uw
Heilige Naam, en de diensten aan mijn naasten in Uw Liefde volbreng. Zend Uw goede
Engel met mij, opdat hij de vergiftige stralen des duivels van mij afkeert.
Behoed mij voor alle mensen met kwade begeerten, maak mijn vijanden goed voor
mijn aangezicht, en leid mijn gemoed in Uw Wijnberg, opdat ik in mijn ambt en
beroep werk en arbeid als Uw gehoorzame dienstknecht of dienstmaagd. Zegen mij
en al diegenen met wie ik werk en omga, met de Zegen Uwer Liefde en
Barmhartigheid. Blijf Uw Genade en Liefde over mij bewaren, in Jesus Christus,
en geef mij een vrolijk gemoed, waarin ik Uw wonderen voort kan zetten. Dat Uw
Heilige Geest in mij regere van mijn begin tot aan mijn laatste eind, en in mij
Wil, Werkt en Volbrengt [naar Uw Welbehagen,] Amen.
Een kort
Avond-Gebed.
54. Ik verhef mijn hart
tot U, O God! Gij Fontein des eeuwigen Levens, en dank U door Jesus Christus,
Uw lieve Zoon, onze Heer en Heiland, dat Gij mij dezer dagen in mijn beroep en
stand, voor alle ongeval bewaard hebt, en mij hebt bijgestaan. Ik beveel nu
mijn beroep en stand, en het werk mijner handen in Uw berscherming, en vlied
met mijn ziel in U. Dat Gij moge werken in mijn ziel, opdat niet de boze
vijand, noch andere invloeiing noch begeerte in mijn ziel komt of plaatsneemt.
Laat alleen mijn gemoed in Uw Tempel in U spelen, en laat Uw goede Engel bij
mij blijven, opdat ik verzekerd in Uw Kracht rusten mag, Amen.
Einde