Evangelie van Thomas

Dit zijn de geheime woorden die de levende Jezus sprak en die Didymus Judas Thomas opschreef:

1

En hij zei:

Ieder die de betekenis van deze woorden vindt, zal de dood niet smaken.

alle Heilige Teksten die verhalen over het Pad van Transfiguratie (dat is, de weg die leidt uit deze dualistische, afgescheiden, Luciferische wereld, en in God, het ‘Koninkrijk niet van deze wereld’) kunnen niet met het verstand worden begrepen. Slechts wanneer het Pad daadwerkelijk gegaan wordt, wanneer de Goddelijke Vonk in ons ontwaakt is, Christus in ons geboren, leren we deze woorden met het hart begrijpen. Zolang dit niet gebeurt blijft het ratio overheersen en zijn best doen dit alles ofwel naar het land van de sprookjes te verwijzen, ofwel het op een voor zichzelf gunstige manier uit te leggen; het blijven dode concepten ipv Levende Waarheid.

Wanneer nu de betekenis wel goed begrepen wordt, en dus ook geleefd, in overgave aan God, aan Christus in ons, wandelen we het Pad van Transfiguratie die zal eindigen in een ‘thuiskomen’ in het Koninkrijk Gods, waar dualiteit, afgescheidenheid, dood, niet bestaan.

2

Jezus zei:

Laat hij die zoekt niet ophouden met zoeken, totdat hij vindt

en als hij vindt zal hij verontrust worden

en als hij verontrust is zal hij zich verwonderen en hij zal over het Al heersen.

wie werkelijk op zoek is naar de Waarheid, en weigert te stoppen tot hij vindt, zal  het zeker vinden. Omdat in de Waarheid onze realiteit (alles waar we ons als mensheid mee bezig houden, alles wat we ons verbeelden te zijn en te weten) er op z’n zachts gezegd nogal bekaaid vanaf komt, zal een groeiend besef hiervan ons zeker verontrusten (dat we in zo’n doodse wereld zoveel investeren, en nog tevergeefs ook!) Wanneer we ons echter steeds steviger in de Waarheid verankeren zullen we uiteindelijk (in de Transfiguratie) ‘over het Al heersen’. 

3

Jezus zei:

Als zij die jullie leiden zeggen:

Zie, het Koninkrijk is in de hemel,

dan zullen de vogelen des hemels jullie voor zijn. Als zij zeggen: Het is in zee, dan zullen de vissen jullie voor zijn.

Maar het Koninkrijk is binnenin jullie en buiten jullie. Als jullie jezelf kennen

zullen jullie ook gekend worden en zullen jullie weten dat jullie zonen van de levende Vader zijn. Maar als jullie jezelf niet kennen dan zullen jullie in armoede zijn; dan zijn jullie de armoede.

Het Koninkrijk moeten we niet buiten onszelf zoeken, en in onze zoektocht moeten we ook zeker niets van anderen aannemen tot we zelf voelen (in hart en ziel) of zij al dan niet de waarheid spreken. Het Koninkrijk is overal, maar we kunnen het pas zien als het zich in ons manifesteert. Wanneer de Christusvonk, de Oorspronkelijk Mens, in ons ontwaakt, en deze vlam oplaait, en wanneer we ons hieraan overgeven en het niet direct weer begraven onder onze persoonlijkheid en de aardse gehechtheden, dan zal het langzaam maar zeker al wat afgescheiden is verteren, en zal het een weg zoeken naar andere vonkjes om die te doen oplaaien. Het Goddelijke is werkzaam in deze wereld, echter niet van deze wereld, het is van een totaal andere aard en dan ook niet te bereiken via het verstand, de persoonlijkheid etc omdat die van een totaal andere (ongoddelijke) aard zijn.

Wanneer je jezelf niet kent, dat is, wanneer je je goddelijke oorsprong niet kent, dan zul je in armoede zijn, oftewel, gevangen blijven in deze illusionaire wereld van lijden, afgescheidenheid en beperking.

4

Jezus zei:

Een oude van dagen zal niet dralen om een kind van zeven dagen oud te vragen over de plaats van het leven; en hij zal leven.

Want vele eersten zullen de laatsten worden en zij zullen tot één en hetzelfde worden.

Het kind is degene in wie de Christus is geboren is. Dat het kind zeven dagen oud is betekent dat het nog jong is, nog maar net komt kijken in het ‘Hemelse Rijk’. Echter deze persoon heeft meer Kennis over de Hemel, over de Goddelijke Realiteit, dan een oude van dagen, in wie Christus níet geboren is.  

5

Jezus zei:

Ken dat wat voor je aangezicht is en wat voor je verborgen is zal je geopenbaard worden. Want er is niets verborgen dat niet openbaar zal worden.

hoe dichter je bij de Goddelijke Kern komt (die in je huist en de Hemel, het Koninkrijk, de Waarheid vertegenwoordigt), des te meer zal er voor je openbaar worden. Wat binnen is, is ook buiten, wat boven is beneden. Daarom, ken jezelf en je kent alles. Schouwend vanuit de Goddelijke Kern kijk je dwars door alles en iedereen van deze wereld heen. (Maar dit zuivere schouwen is slechts mogelijk wanneer het bewustzijn niet in het zelf is, maar in God, niet in afgescheidenheid, maar in Eenheid)  

6

Zijn leerlingen vroegen hem en zeiden tot hem: Wilt u dat wij vasten?

En hoe zullen wij bidden en aalmoezen geven?

En welke voorschriften over het eten moeten wij in acht nemen? Jezus zei:

Lieg niet en doe niet wat je verfoeit,

want voor de hemel zijn alle dingen openbaar.

Want er is niets verborgen dat niet openbaar zal worden, en er is niets bedekt dat niet zal worden onthuld.

wanneer je handelt vanuit persoonlijke motieven (hoe nobel ze ook zijn) dan maakt het niet uit hoe hoog het gewaardeerd wordt vanuit aards (ethisch, moralistisch) perspectief; het is feitelijk van geen enkele waarde. Slechts een door God geïnspireerde handeling brengt je dichter bij de Waarheid.

7

Jezus zei:

Gelukzalig is de leeuw die door de mens wordt gegeten, en de leeuw zal mens worden.

en vervloekt is de mens die door de leeuw wordt gegeten, en de mens zal leeuw worden.

eenGod-Mens’ (ADAM) die zich laat verleiden de Vrije wil te gebruiken voor zichzelf (voor eigen genot) en aldus opgeslokt wordt door lusten en begeerten, zal uit de Eenheid vallen (omdat een afgescheiden wil daar eenvoudigweg niet in kan bestaan) en verworden tot dier-mens. Wanneer deze dier-mens zich echter weer laat verslinden door de God-Mens (wanneer deze na een lange slaap weer ontwaakt, geroepen door de Vader en aan die roep gehoor gevend), zal deze Zuivere Mens wederom uit de dier-mens opstaan, de ‘leeuw’ wordt Mens. (Transfiguratie)

8

En hij zei:

De mens is als een wijze visser, die zijn net uitwierp in de zee.

Hij haalde het net uit de zee op, vol met kleine vissen. Tussen hen vond hij een grote mooie vis. De wijze visser wierp alle kleine vissen terug in zee en koos zonder moeite de grote vis. Wie oren heeft om te horen, die hore.

om het Pad te gaan zullen we moeten stoppen met zoeken naar en genoegen nemen met kleine, gecompromitteerde facetten van de Waarheid (die we vinden in vele filosofische, religieuze en spirituele leringen). We moeten maar één doel voor ogen hebben (God, Eenheid, en dus overgave, ego-dood) en ons hier volledig aan wijden.

9

Jezus zei:

Zie, de zaaier ging uit.

Hij vulde zijn hand met zaden en wierp. Sommige vielen op de weg. De vogels kwamen en verzamelden ze. Andere vielen op de rots en schoten geen wortel in de aarde en brachten geen aren voort. En andere vielen tussen de doornen. Deze verstikten het zaad en de wormen aten het op.

En andere vielen in goede aarde en brachten goede vruchten voort; het bracht zestig per maat en honderdentwintig per maat op.

Zie ook matth 13;

3 En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.
4 En als hij zaaide, viel een deel [van] [het] [zaad] bij den weg; en de vogelen kwamen en aten datzelve op.
5 En een ander [deel] viel op steenachtige [plaatsen], waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.
6 Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden; en omdat het geen wortel had, is het verdord.
7 En een ander [deel] viel in de doornen; en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve.
8 En een ander [deel] viel in de goede aarde, en gaf vrucht, het een honderd-,het ander zestig-,en het ander dertig [voud].
9 Wie oren heeft om te horen, die hore.
10 En de discipelen tot Hem komende, zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen door gelijkenissen?
11 En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven.
12 Want wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloediglijk hebben; maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.
13 Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en horende niet horen, noch ook verstaan.
14 En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken.
15 Want het hart dezes volks is dik geworden, en zij hebben met de oren zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zich bekeren, en Ik hen geneze.
16 Doch uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen.
17 Want voorwaar zeg Ik u, dat vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien de dingen, die gij ziet, en hebben [ze] niet gezien; en te horen de dingen, die gij hoort, en hebben [ze] niet gehoord.
18 Gij dan, hoort de gelijkenis van den zaaier.
19 Als iemand dat Woord des Koninkrijks hoort, en niet verstaat, zo komt de boze, en rukt weg, hetgeen in zijn hart gezaaid was; deze is degene, die bij den weg bezaaid is.
20 Maar die in steenachtige [plaatsen] bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort, en dat terstond met vreugde ontvangt;
21 Doch hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, om des Woords wil, zo wordt hij terstond geergerd.
22 En die in de doornen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort; en de zorgvuldigheid dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar.
23 Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de een honderd-,de ander zestig-,en de ander dertig [voud
].

10

Jezus zei:

Ik heb vuur op de wereld geworpen en zie, ik waak erover tot het opvlamt.

dit heeft betrekking op de Goddelijke Vonk. Het vuur is Christus Zelf, Christus dient te ontwaken, op te vlammen in ons. Het ontwaken van het Vonkje staat voor de geboorte van de Nieuwe Mens (of de wedergeboorte van Christus –in ons) Onder de wederkomst van Christus kunnen we de geboorte in Christus verstaan, de Nieuwe Mens is ‘volwassen’ geworden en heeft al het ‘oude’ (alles van deze wereld) achter zich gelaten, en wordt zo één met Christus, één met God (de Transfiguratie). 

“[…] In zodanige volledige, ootmoedige overgave, valt de vonk van Goddelijke Kracht als een aanstekende vonk schitterend in het centrum van de gestaltenis des levens (te weten, in het vuur van de ziel, die Adam in hem tot een duister kooltje heeft gemaakt), en wanneer het licht van de Kracht Gods daarin ontsteekt, moet het schepsel direct als een werktuig (van de Geest Gods) voor Hem gaan, en spreken hetgeen de Geest Gods zegt. Zo is zij niet meer haar eigen zelf, maar het werktuig Gods[…]” - Böhme

11

Jezus zei:

Deze hemel zal voorbijgaan

en die daarboven is zal voorbijgaan. En de doden zijn niet levend en de levenden zullen niet sterven.

In de dagen dat jullie de dood verslonden maakten jullie haar levend;

als jullie tot in het licht komen, wat doen jullie dan? Op de dag dat jullie één waren werden jullie twee:

maar als jullie twee geworden zijn, wat zullen jullie dan doen?

de hemelen van voorbijgaande aard hebben betrekking op ‘de reflectiesfeer’ of astrale werelden, waar de zielen van de gestorven mens normaal gesproken (wanneer geen Transfiguratie is bereikt) heen gaan. Zij zijn onderdeel van deze dualistische wereld en dus vergankelijk, van voorbijgaande aard.

De doden leven niet (zolang ze niet in Christus opnieuw geboren zijn) en de levenden zullen niet sterven (de getransfigureerde ziel die aan de dualistische werelden ‘ontsnapt’ is)

In de oorspronkelijke God-Mens (Adam) lagen alle Goddelijke Eigenschappen besloten. Alle eigenschappen waren in evenwicht, geen één heerste over de ander. De begeerte om zelf heerser te zijn, de eigen wil buiten de Wil van God te plaatsen heeft hier een eind aan gemaakt. Zo is de dood tot leven (in manifestatie) gebracht. Zolang we de dood (alles wat vergankelijk is) begeren en tot ons nemen, zal ze blijven ‘leven’, over ons blijven heersen.

Wat zullen wij doen wanneer we weer een glimp van het Licht opvangen? Proberen we het voor onze eigen persoonlijke (of andere aardse) doeleinden te gebruiken, of geven we onze wil volledig hierin over?

Toen wij als God-Mens één waren (en zelf konden creëren, baren), werden wij twee (in Adam en Eva, waardoor het benodigde ‘zaad’ om te baren en de baringskracht gescheiden werden). Wat zullen wij doen om weer één te worden, in God?

12

De leerlingen zeiden tot Jezus:

Wij weten dat u van ons heen zult gaan. Wie is het die groot over ons zal zijn? Jezus zei tegen hen: Waar jullie nu gekomen zijn, zullen jullie naar Jacobus de Rechtvaardige gaan, omwille van wie hemel en aarde zijn ontstaan.

?

13

Jezus zei tegen zijn leerlingen: Vergelijk mij eens en zeg mij op wie ik lijk. Simon Petrus zei tegen hem:

U bent als een rechtvaardige engel. Mattheus zei tegen hem:

U bent als een wijze filosoof.

Thomas zei tegen hem:

Meester, mijn mond zal mij volstrekt niet toelaten te zeggen op wie u lijkt.

Jezus zei:

Jouw meester ben ik niet, omdat jij gedronken hebt; jij bent bedwelmd door de sprankelende bron van levend water, die ik opgedolven heb. En hij nam hem apart en trok zich terug en sprak drie woorden tegen hem.

Toen Thomas echter weer bij zijn metgezellen terugkwam vroegen zij: Wat heeft Jezus tegen je gezegd? Thomas zei tot hen:

Als ik één van de woorden zeg

die hij tegen mij sprak

zullen jullie stenen nemen en naar mij werpen;

en vuur zal uit de stenen komen en jullie verbranden.

Simon Petrus en Mattheus proberen Jezus in een beeld te vatten, maken gebruik van concepten. Thomas ziet in dat het Goddelijke, Christus, niet te vatten is met het aardse verstand. Het is het goddelijke in Thomas (de ontwaakte Christus-Vonk) Zelf  die Christus in Jezus herkent, en niet de persoon Thomas.

Hierdoor is Jezus (als mens) niet meer Thomas’ meester, maar Christus in Thomas is zijn meester.

De Woorden die Jezus (de Christus) spreekt tegen de Christus in Thomas zijn niet van deze wereld en bezitten zoveel Macht en Kracht dat zij vernietigend zouden werken op de mens die nog teveel in het aardse gevangen zit. Voor Thomas zijn ze echter een zegening, een reinigend ipv een vernietigend vuur.

14

Jezus zei tot hen:

Als jullie vasten, zullen jullie zonde voor jezelf voortbrengen; en als jullie bidden, zullen jullie worden veroordeeld; en als jullie aalmoezen geven zullen jullie je geest schaden. En als jullie naar een land gaan en door de streken reizen, en als men jullie daar ontvangt: Eet dan wat zij jullie voorzetten en geneest de zieken onder hen. Want wat jullie mond in gaat zal jullie niet onrein maken, maar wat jullie mond uitgaat - dat zal jullie onrein maken.

hier leert Jezus ons het onderscheid tussen handelen uit eigen wil en handelen uit Gods Wil. Wanneer je uit eigen beweging gaat vasten, bidden, of aalmoezen geeft, belemmer je (als met álle handelingen vanuit jezelf) de Geest om werkzaam te zijn door jou, zie ook logion 6. Wanneer je handelen door de Geest ingegeven wordt, maakt het niets uit wat de consequenties hiervan zijn op het aardse vlak. Wat wij zelf allemaal bedenken kan nooit Heilig zijn, en wat de Geest ons ingeeft kan nooit onheilig zijn.

Wat ons voorgezet wordt heeft ook niet zozeer betrekking op fysiek voedsel, maar op alle situaties die we voorgeschoteld krijgen. Eet wat je voorgeschoteld krijgt betekent neem de situaties en de mensen met wie je te maken krijgt zoals ze zijn, en zie de achterliggende oorzaken en motieven. Waar onzuiverheden, of ziekten zijn, zorg voor zuivering en genezing. Situaties en mensen niet accepteren heeft tot gevolg dat er negatieve gedachten of woorden ‘je mond uitgaan’, deze maken onrein, werken gehechtheid aan uiterlijkheden (en het eigen zelf) in de hand. Een volledig accepteren betekent een volledig zwijgen, niet-doen, dan hebben de ‘ziekten’ van anderen, negatieve gedachten en uitlatingen, geen enkele invloed, en kan de Geest door je werken ipv je ego-zelf

15

Jezus zei:

Als jullie hem zien, die niet uit een vrouw geboren is, werpt dan jullie aangezicht ter aarde en aanbidt hem:

hij is jullie Vader.

die niet uit een vrouw is geboren, is uit de Geest geboren. Wat uit de vrouw is geboren is het aardse, dualistische zelf. Wanneer iemand afstand neemt van alle dualiteit (door zijn wil over te geven in Christus) zullen alle aardse banden verbroken worden opdat uiteindelijk de Nieuwe Mens (of Oorspronkelijke Mens) opstaat. Er is niets meer over van de oude persoonlijkheid, van de oude lichamelijkheid, van het dualistische wezen. Deze Mens is één met God, zijn wil is volledig gelijk aan Gods Wil, God is in hem, hij is onze Vader.  

16

Jezus zei:

Misschien denken de mensen dat ik ben gekomen om vrede te brengen op de wereld en weten zij niet dat ik ben gekomen om verdeeldheid te brengen op aarde: vuur, zwaard en oorlog.

Want er zullen er vijf zijn in een huis,

drie zullen zijn tegen twee, en twee tegen drie; vader tegen zoon en zoon tegen vader, en zij zullen staan als eenlingen.

God is Liefde. Jezus komt Liefde brengen. Maar Goddelijke Liefde is niet gelijk aan aardse liefde. Goddelijk Liefde heeft als enige doel de gevallen zielen wederom te vergoddelijken, naar Huis te leiden. En aangezien het Goddelijke tegengesteld is aan het aardse (daar het al het aardse dualistisch, afgescheiden is) zal het aardse er alles aan doen om het Goddelijke tegen te werken. Al wat afgescheiden is wil zichzelf in stand houden, het kan niet blijven bestaan in Eenheid. Het ego, de persoonlijkheid, wil groot, sterk en mooi worden, en zichzelf in stand houden (het zal zichzelf dan ook altijd voorhouden dat het een rol speelt, ja zelfs onmisbaar is in de vergoddelijking, het denkt zélf vergoddelijkt te kunnen worden). Goddelijke Liefde wil dit daarentegen afbreken, zodat het sluimerende Vonkje kan ontwaken en tot wasdom kan komen!

Zo ontstaat er een strijd in ons, een strijd tussen de ‘Luciferische,’ dualistische krachten en de Christus-kracht. De Christus-kracht moet volledig doordringen tot de diepste diepten, tot de dood, vóór de hoogste overwinning (transfiguratie) behaald kan worden.

Het huis is de mens, de drie is de Goddelijke drie-Eenheid (in Christus vertegenwoordigd) de twee staat voor beide polen van het dualisme (in ons ‘Luciferische’ wezen vertegenwoordigd). Het dualisme is ontstaan uit de Eenheid, oftewel Eenheid en dualisme zijn als vader en zoon.

De innerlijke strijd en de innerlijke ontwikkelingen hebben natuurlijk ook hun effect op de buitenwereld, de omgeving. Dus ook in letterlijke zin zullen degenen die het Pad gaan merken dat dit Pad tegengesteld is aan het pad dat door de meesten gewandeld wordt, het wereldse pad. De ‘farizeeën en schriftgeleerden’ zullen in opstand komen, het Christuslicht groeit – maar “Men love not the light, for light reveals their wickedness; men love the dark.”  En zo zullen de woorden van de Lichtdrager werken als een zwaard die haarscherp het zuivere van het onzuivere scheidt, als vuur, pijnlijk voor wie de Waarheid niet durft te aanschouwen, zuiverend voor wie wél kan en wil horen.

17

Jezus zei:

Ik zal jullie geven wat het oog niet heeft gezien

en wat het oor niet heeft gehoord en wat geen hand heeft betast

en wat niet is opgekomen in het hart van de mensen.

hier wordt wederom aangegeven dat wat Jezus te bieden heeft (het Koninkrijk Gods) niet van deze wereld is, en via aardse zintuigen en mechanismen niet te ervaren.

18

De leerlingen zeiden tot Jezus: Zeg ons, hoe zal ons einde zijn?

Jezus zei:

Hebben jullie dan al het begin ontdekt, dat jullie naar het einde vragen?

Want daar waar het begin is, zal het einde zijn. Gelukzalig is hij die aan het begin staat;

hij zal het einde kennen en de dood niet smaken.

Hier blijkt dat wij niet op aarde zijn om ervaring op te doen en wijzer en rijker te worden als ziel (wat ons wordt voorgehouden in vele spirituele leringen). Wat Goddelijk is, is al Perfect, en de Oorspronkelijke Mens (voorgesteld in Adam) was Goddelijk (Adam kan ook niet als individu beschouwd worden, maar omvat de hele mensheid, of ‘menselijke levensgolf’) en hoeft dus niets te ‘leren’. Waar wij naar toe gaan, is waar wij begonnen. Het leven op aarde op zich heeft geen enkele zin, het biedt ons slechts de mogelijkheid om weer tot de Oorsprong terug te keren. Dat is dan ook ons enige Ware Doel. Het begin waar Jezus hier over spreekt (‘gelukzalig hij die aan het begin staat’) is echter niet de Oorsprong, maar de nieuwe geboorte die tot de Oorsprong zal leiden.

19

Jezus zei:

Gelukzalig is hij die was, voordat hij werd. Als jullie mijn leerlingen worden en naar mijn woorden luisteren, zullen deze stenen jullie dienen.

Want je hebt vijf bomen in het paradijs die roerloos staan, in zomer en in winter, en hun bladeren vallen niet af. Wie hen kent zal de dood niet smaken.

Wanneer je naar Christus luistert, oftewel je in Hem overgeeft, zul je merken dat wát er ook gebeurt, en wát je ook tegenkomt, het staat in dienst van het ontwakingsproces, van de terugtocht naar de Oorsprong.

De vijf bomen staan voor de ‘zintuigen’ van vóór de val. Wanneer we deze kennen (het Geestelijk Oog, het Geestelijk Gehoor etc) kennen we de Goddelijke Wereld. Evenals de ons bekende zintuigen zijn ook de helderziendheid, helderhorendheid etc. slechts zwakke afspiegelingen hiervan. Het kunnen waarnemen van zaken buiten het bereik van de fysieke zintuigen betekent niet meteen het kunnen Waarnemen van de Goddelijke Realiteit! Op dit gebied worden mensen makkelijk misleid. Wanneer we nog te veel aan deze wereld gehecht zijn en te weinig onderscheidingsvermogen bezitten, verwarren we spiritisme met goddelijkheid, en wat we waarnemen aan niet aardse wezens, verwarren we met goddelijke wezens, we zijn zo makkelijk te misleiden (tot het allerlaatste eind! op de meest subtiele en –naar aardse begrippen- verheven niveau’s bestaat er misleiding.)   

20

De leerlingen zeiden tegen Jezus:

Zeg ons waar het Koninkrijk der Hemelen op gelijkt? Hij zei tot hen:

Het gelijkt op een mosterdzaadje, het kleinste van alle zaden.

Maar als het in bewerkte aarde valt brengt het een grote plant voort en wordt tot een schuilplaats voor de vogelen des hemels.

Hier wordt gewezen op het feit dat het Koninkrijk niet buiten ons, in tijd en ruimte gevonden kan worden. Tijd en ruimte horen bij de dualiteit, bij het ‘rijk van afgescheidenheid’. Als zodanig is het Koninkrijk dan ook niet door ons te bevatten. Om er toch énig gevoel bij te krijgen wordt het vergeleken met iets zeer kleins, een mosterdzaadje, het is bijna niets (in onze beperkte waarneming en begrip), maar bevat o zoveel! Maar die rijkdom kunnen we pas aanschouwen wanneer we het zaad een goede, bewerkte aarde bieden, waar het in groeien kan. Als het eenmaal tot wasdom is gekomen vormt het een Hemelse Schuilplaats in deze aardse ‘hel’. 

21

Maria zei tegen Jezus:

Op wie lijken jouw leerlingen? Hij zei:

Zij lijken op kinderen,

die zichzelf op een veld hebben neergezet dat niet van hen is.

Als de eigenaars van het veld komen zullen ze zeggen: Laat ons ons veld. Als zij het veld dan aan hen laten en het aan hen teruggeven zullen zij naakt zijn in hun aanwezigheid.

Jezus’ leerlingen lijken op kinderen, omdat ze als nieuwgeborenen nog maar kort in het leven staan. De nieuwgeboren Mens, de Christus, staat midden in het veld van de oude mens, van déze wereld, oftewel het ‘Luciferische’ veld. Dit veld is dus niet van hen, niet van de kinderen Gods, maar van de ‘duivel’. Het Nieuwe Mens(je) staat in het dualistische veld. Dit veld is het speelveld van de aardse eigenschappen, die op hun eigen veld willen groeien, spelen, elkander willen overtroeven en bevechten etc.

Wanneer de kinderen het veld aan hen laten, er geen aanspraak op maken, dwz als ze zich overgeven aan de Christus-Kracht, aan het niets-doen (niet handelen vanuit de zelfheid, de afgescheidenheid, maar het handelen laten bepalen door de Geest), dan staan ze naakt, zijn ze ontkleed van de aardse eigenschappen, ontkleed van de persoonlijke neigingen en voorkeuren.

Daarom zeg ik:

Als de heer des huizes weet dat de dief zal komen,

zal hij wakker blijven tot hij komt, en hij zal hem niet in laten breken in het huis van zijn Koninkrijk om zijn bezittingen weg te nemen.

Jullie dan, wees waakzaam ten opzichte van de wereld. Omgord jullie lendenen met grote kracht, opdat de rovers geen weg zullen vinden om bij jullie te komen, want het voordeel dat jullie verwachten zullen ze vinden.

Moge er onder jullie een verstandig mens zijn: als de vrucht rijp is, komt hij dadelijk met zijn sikkel in zijn hand en oogst haar.

Wie oren heeft om te horen, die hore.

de heer des huizes is de Nieuwe Mens in ontwikkeling (de mens die het Pad gaat). In zijn proces, in zijn wandeling op het Pad van Transfiguratie, zal het bepaalde vermogens en deugden ontwikkelen. De dief is (de kracht die werkt door) het ego, en wil zich deze vermogens toeëigenen, en gebruiken voor zijn eigen persoonlijke (=aardse, ongoddelijke) doeleinden. Vandaar dat de heer des huizes waakzaam moet blijven, opdat hij de dieven buiten kan houden. Want de voordelen (de Goddelijke Deugden) die de heer (kan) verwacht(en) op zijn Pad zullen door de dief zeker gevonden worden.

Wanneer de vrucht (een Goddelijke Deugd) onder goede bescherming rijp heeft kunnen worden, zorg ervoor dat zij niet alsnog weggehaald kan worden, of kan verrotten, oogst haar, en schenk haar aan wie ze toebehoort

22

Jezus zag kleine kinderen die gezoogd werden.

Hij zei tot zijn leerlingen:

Deze kinderen, die gezoogd worden,

lijken op hen, die het Koninkrijk binnengaan. Zij zeiden tot hem:

Zullen wij dan, als wij kinderen zijn, het Koninkrijk binnengaan? Jezus zei tot hen:

Als jullie de twee één maakt

en als jullie het innerlijk maakt als het uiterlijk, en het uiterlijk als het innerlijk en het boven als het beneden,

en als jullie het mannelijke en vrouwelijke tot één maakt, zodat het mannelijke niet mannelijk zal zijn en het vrouwelijke niet vrouwelijk, als jullie ogen maakt in plaats van een oog en een hand in plaats van een hand en een voet in plaats van een voet en een beeld in plaats van een beeld; dan zullen jullie binnengaan in het Koninkrijk.

als wij zijn als kinderen, die ons laten zogen door God (ipv ons te vullen met aardse geneugten), voortdurend verlangend naar méér van de Hemelse Melk, zullen we het Koninkrijk binnengaan.

de twee tot één maken; dualiteit tot eenheid (door het niet-doen).

het innerlijk als het uiterlijk; het innerlijke (goddelijke) naar buiten laten treden.

het uiterlijk als het innerlijk; dat wat je laat zien in de wereld een afspiegeling laten zijn van het innerlijk, in plaats van een persoonlijkheid, een houding aan te nemen.

ook de rest heeft betrekking op de vergoddelijking, het opheffen van de dualiteit; oog staat voor inzicht (laat dat van binnen komen en niet bepaald worden door uiterlijkheden –zoals het intellect doet), hand voor het handelen (laat Spirit handelen, niet je zelf), voet voor de richting die je wandelt, en wat het beeld betreft; maak geen uiterlijk, zichtbaar beeld van God –ook niet in je voorstelling, waar je dan naar probeert te leven- maar neem het oorspronkelijke Goddelijke Beeld, Gestalte weer aan –niet door te proberen, maar door niet-doen)

“[…] Het eigen vernuft zal zich geen bemoeienis in Goddelijke zaken, of menselijke fundamenten voornemen, ook niets willen of begeren dan alleen de Genade Gods in Christus, op de wijze waarop een kind voortdurend naar moeders borsten verlangt, en zo zal de honger steeds in de Liefde Gods ingaan, en hij zal zich op geen enkele manier van zodanige honger af laten brengen […]” - Böhme

23

Jezus zei:

Ik zal jullie uitkiezen,

één uit duizend, en twee uit tienduizend. En zij zullen als één iemand zijn.

24

Zijn leerlingen zeiden:

Toon ons de plek waar u bent,

want het is noodzakelijk voor ons die te zoeken. Hij zei tot hen:

Wie ore heeft die hore.

Er is licht in een mens van licht en hij verlicht de hele wereld.

Als hij geen licht geeft is er duisternis.

25

Jezus zei:

Heb je broeder lief als je eigen ziel, behoed hem als de appel van je oog.

26

Jezus zei:

De splinter in het oog van je broeder zie je, maar de balk in je eigen oog zie je niet. Als je de balk uit je oog verwijderd hebt, dan zul je helder genoeg zien om de splinter uit het oog van je broeder te verwijderen.

27

Jezus zei:

Als jullie niet vasten met betrekking tot de wereld, zullen jullie het Koninkrijk niet vinden: als jullie de sabbat niet vieren als sabbat, zullen jullie de Vader niet zien.

28

Jezus zei:

Ik ging staan in het midden van de wereld en ik verscheen aan hen in het vlees; ik vond hen allen dronken. Ik vond geen van hen dorstig.

En mijn ziel is bekommerd om de zonen der mensen, omdat zij blind zijn in hun hart en niet zien dat zij leeg op de wereld zijn gekomen en dat zij de wereld weer leeg trachten te verlaten. Maar nu zijn zij dronken.

Als zij hun wijn op hebben, zullen zij berouw hebben.

29

Jezus zei:

Als het vlees is ontstaan omwille van geest, is het een wonder;

maar als geest er is omwille van het lichaam, is het een wonder der wonderen.

Maar ik verwonder mij erover hoe deze grote rijkdom is komen wonen in deze armoede.

30

Jezus zei:

Waar er drie goden zijn, zijn zij goden; waar er twee zijn of één, ben ik met hem.

31

Jezus zei:

Geen profeet wordt aanvaard in zijn eigen stad, geen arts geneest hen, die hem kennen.

32

Jezus zei:

Een versterkte stad die op een hoge berg gebouwd is kan niet vallen.

Noch kan zij verborgen zijn.

33

Jezus zei:

Wat je zult horen

van je ene oor in het andere oor: roep dat van jullie daken.

Want niemand steekt een lamp aan en zet die onder de korenmaat.

Noch zet hij haar op een verborgen plek; maar hij plaatst haar op de standaard, zodat allen, die binnenkomen en weggaan, haar licht zullen zien.

34

Jezus zei:

Als een blinde een blinde leidt vallen zij beiden in een gat.

35

Jezus zei:

Niemand kan het huis van een machtige binnengaan en hem overweldigen,

tenzij men zijn handen heeft gebonden;

dan kan men zijn huis ondersteboven halen.

36

Jezus zei:

Wees niet bezorgd

van de ochtend tot de avond

en van de avond tot de ochtend wat jullie zullen aantrekken.

37

Zijn leerlingen zeiden:

Op welke dag zult u zich aan ons openbaren en op welke dag zullen wij u zien? Jezus zei:

Als jullie je kleren aflegt zonder schaamte

en dan je kleren opneemt en ze onder je voeten legt,

- zoals kleine kinderen-, en eroverheen loopt; dan zullen jullie de Zoon van de Levende zien en zullen jullie niet bevreesd zijn.

38

Jezus zei:

Vele malen hebben jullie begeerd

deze woorden, die ik tot jullie zeg, te horen.

En jullie hebben geen ander van wie je ze kunt horen. Er zullen dagen komen

dat jullie mij zullen zoeken en mij niet zullen vinden.

39

Jezus zei:

De Farizeeërs en de schriftgeleerden hebben

de sleutels van de gnosis ontvangen en die verborgen. Zelf zijn zij niet binnengegaan en hen die wilden binnengaan, lieten zij niet toe. Jullie echter, wees schrander als slangen en onschuldig als duiven.

40

Jezus zei:

Een wijnstok is geplant zonder de Vader. Omdat hij niet vastgezet is

zal hij aan zijn wortels worden uitgetrokken en worden vernietigd.

41

Jezus zei:

Hij die heeft,

hem zal worden gegeven. En hij die niet heeft,

zal zelfs het weinige dat hij heeft, worden ontnomen.

42

Jezus zei:

Word voorbijgangers.

43

Zijn leerlingen zeiden tot hem:

Wie bent u dat u deze dingen tegen ons zegt?  Jezus zei tegen hen:  Uit wat ik zeg, beseffen jullie niet wie ik ben; maar jullie zijn geworden als de joden;

want die beminnen de boom en haten de vrucht en zij beminnen de vrucht (en) haten de boom.

44

Jezus zei:

Wie de Vader belastert, hem zal vergeven worden; en wie de Zoon belastert, hem zal vergeven worden;

maar hij die de Heilige Geest belastert, hem zal niet vergeven worden, noch op aarde, noch in de hemel.

45

Jezus zei:

Men oogst geen druiven van doornstruiken, noch plukt men vijgen van distels; zij geven geen vruchten.

Maar een goed mens brengt uit zijn schatkamer het goede voort;

een slecht mens brengt uit zijn slechte schatkamer - die in zijn hart is -

slechte dingen voort en spreekt kwaad.

Want als zijn hart daarmee gevuld is brengt hij slechte dingen voort.

46

Jezus zei:

Van Adam tot Johannes de Doper is er onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, geen hoger dan Johannes de Doper, zodat zijn ogen niet zullen breken. Maar ik heb gezegd dat

als een van jullie zult worden als een kind hij het Koninkrijk zal kennen

en meer verhoogd zal worden dan Johannes.

47

Jezus zei:

Het is niet mogelijk voor een man

om twee paarden te bestijgen en twee bogen te spannen.

En het is niet mogelijk voor een knecht twee heren te dienen; anders zal hij de een vereren en de ander beledigen.

opdat zij niet zullen scheuren;

noch giet men oude wijn in nieuwe zakken opdat hij niet zal bederven.

Men naait niet een oude lap op een nieuw kleed, omdat er anders een scheur zou ontstaan.

48

Jezus zei:

Als er twee met elkaar vrede maken in dit ene huis

zullen zij tot de berg zeggen: verplaats u! En hij zal zich verplaatsen.

49

Jezus zei:

Gelukzalig zijn jullie eenlingen en uitverkorenen; want jullie zullen het Koninkrijk vinden; omdat jullie daarvandaan komen, zullen jullie daar ook weer terugkeren.

50

Jezus zei:

Als zij tegen jullie zeggen: Waar komen jullie vandaan? zeg tegen hen:

Wij zijn gekomen uit het Licht,

daar waar het Licht uit zichzelf is ontstaan;

het was er

en het heeft zich in hun beeld geopenbaard. Als zij jullie zeggen:

Wie zijn jullie? zeg:

Wij zijn zijn zonen

en wij zijn de uitverkorenen van de levende Vader. Als zij jullie vragen:

Wat is in jullie het teken van de Vader? zeg tegen hen:

Het is beweging en rust.

51

Zijn leerlingen zeiden tegen hem:

Op welke dag zal de rust van de doden tot stand komen en op welke dag zal de nieuwe wereld komen? Hij zei tegen hen:

Wat jullie verwachten is gekomen maar jullie herkennen het niet.

Niemand drinkt oude wijn

en verlangt direct daarna jonge wijn te drinken; en men giet geen jonge wijn in oude zakken.

52

Zijn leerlingen zeiden tot hem:

Vierentwintig profeten hebben in Israël gesproken en zij spraken allen over u. Hij zei tot hen:

Jullie zijn aan de levende, die voor jullie staat, voorbijgegaan en hebt gesproken over de doden.

53

Zijn leerlingen zeiden tot hem: Heeft besnijdenis nut of niet? Hij zei tot hen:

Als die nut had

zou hun Vader hen besneden uit hun moeder voortbrengen. Maar de ware besnijdenis in de Geest, die heeft in elk opzicht nut.

54

Jezus zei:

Gelukzalig zijn de armen,

want voor jullie is het Koninkrijk der hemelen.

55

Jezus zei:

Wie zijn vader en moeder niet haat,

die kan voor mij geen leerling zijn;

en wie zijn broers en zusters niet zal haten en zijn kruis opneemt als ik, zal mij niet waardig zijn.

56

Jezus zei:

Wie de wereld heeft leren kennen heeft een lijk gevonden; en wie een lijk heeft gevonden, hem is de wereld niet waardig.

zal het onkruid zichtbaar zijn;

het zal uitgetrokken en verbrand worden.

57

Jezus zei:

Het Koninkrijk van de Vader is gelijk een man die goed zaad had. Zijn vijand kwam bij nacht

en zaaide onkruid tussen het goede zaad. De man stond hun niet toe het onkruid uit te trekken. Hij zei tot hen:

Doe niets,

opdat jullie niet met het onkruid ook het tarwe mee uittrekken. Want op de dag van de oogst

58

Jezus zei:

Gelukzalig de mens die geleden heeft, hij heeft het leven gevonden.

59

Jezus zei:

Zie op naar de levende zolang jullie leven, opdat jullie niet sterven, en dan zoeken om hem te zien en niet in staat zult zijn om te zien.

60

Zij zagen een Samaritaan die een lam droeg op weg naar Judea.

Hij zei tot zijn leerlingen:

Waarom draagt deze man het lam met zich mee? Zij zeiden tot hem:

Om het te doden en het op te eten. Hij zei tot hen:

Zolang het leeft zal hij het niet opeten, maar pas als hij het heeft gedood en het een lijk is geworden. Zij zeiden:

Hij kan het niet anders doen. Hij zei tot hen: Maar jullie,

zoek voor jezelf een plaats in de rust, opdat je geen lijk zult worden en worden opgegeten.

61

Jezus zei:

Twee zullen rusten op een bed;

de een zal sterven, de ander zal leven.

Salome zei:

Wie ben je, man?

Je hebt plaatsgenomen op mijn bed en je hebt van mijn tafel gegeten. Jezus zei tot haar:

Ik ben degeen die uit het onverdeelde is;

aan mij werd gegeven van de dingen van mijn Vader. Salome zei:

Ik ben jouw leerlinge. Jezus zei tot haar:

Daarom zeg ik,

als iemand één is, zal hij vol licht zijn, maar als hij verdeeld is

zal hij met duisternis zijn gevuld.

62

Jezus zei:

Ik vertel mijn geheimen aan hen

die mijn geheimen waardig zijn.

Wat je rechterhand ook zal gaan doen, laat je linkerhand niet weten wat zij doet.

63

Jezus zei:

Er was een rijk man met veel geld. Hij zei: Ik zal mijn geld gebruiken om te zaaien, te oogsten, te planten

en mijn schuren te vullen met vruchten, zodat ik aan niets gebrek heb. Dit was wat hij dacht in zijn hart. En die nacht stierf hij. Wie oren heeft, die hore.

64

Jezus zei:

Een man had gasten.

En toen hij de maaltijd had klaargemaakt

zond hij een dienaar om de gasten uit te nodigen. Hij ging naar de eerste en zei tegen hem: Mijn meester nodigt u uit. Hij zei:

Ik heb geld onder enkele kooplieden uitstaan; zij komen vanavond bij mij en ik zal gaan en hun mijn opdrachten geven. Ik verontschuldig mij voor de maaltijd. Hij ging naar een ander en zei tegen hem: Mijn meester heeft u uitgenodigd. Hij zei hem:

Ik heb een huis gekocht en ik ben vandaag nodig. Ik zal geen tijd hebben.

Hij ging naar een ander en zei tegen hem: Mijn meester nodigt u uit. Hij zei hem:

Mijn vriend gaat trouwen en ik moet het feestmaal verzorgen; ik zal niet kunnen komen.

Ik verontschuldig mij voor de maaltijd. Hij ging naar een ander en zei tegen hem: Mijn meester nodigt u uit.

Hij zei hem:

Ik heb een boerderij gekocht en ga de pacht ophalen; ik zal niet kunnen komen. Ik verontschuldig mij.

De dienaar kwam terug en zei tegen zijn meester: Zij, die u heeft uitgenodigd voor de maaltijd hebben zich verontschuldigd. De meester zei tegen zijn dienaar: Ga de straat op en breng ieder die je vindt, om de maaltijd te houden. Handelaren en kooplui zullen de plaatsen van mijn Vader niet binnengaan.

65

Hij zei:

Een eerbaar man had een wijngaard.

Hij gaf die aan wijnbouwers om hem te bewerken, zodat hij de vruchten ervan zou ontvangen.

Hij zond zijn dienaar opdat de wijnbouwers aan hem de pacht van de wijngaard zouden geven. Zij grepen zijn dienaar en sloegen hem; het scheelde niet veel of zij hadden hem gedood.

De dienaar kwam terug en vertelde het aan zijn meester. Zijn meester zei: Misschien kenden zij hem niet. Hij zond een andere dienaar maar de wijnbouwers sloegen ook hem. Toen zond de meester zijn zoon.

Hij zei: Misschien zullen ze eerbied hebben voor mijn zoon. Daar de wijnbouwers wisten

dat hij de erfgenaam was van de wijngaard grepen zij hem beet en doodden hem. Wie oren heeft, die hore.

66

Jezus zei:

Laat mij de steen zien

die de bouwlieden hebben verworpen: het is de hoeksteen.

67

Jezus zei:

Wie het Al denkt te kennen maar niet zichzelf blijft volkomen in gebreke.

68

Jezus zei:

Gelukzalig zijn jullie wanneer jullie gehaat en vervolgd worden;

daar waar jullie vervolgd werden, zal men geen plaats vinden.

69

Jezus zei:

Gelukzalig zijn zij die men heeft vervolgd;

zij zijn het die in hun hart waarlijk de Vader hebben leren kennen.

Gelukzalig zijn zij die hongeren:

want de buik van hem die dat wenst zal gevuld worden.

70

Jezus zei:

Als jullie verwerven wat in jezelf is zal watje hebt je redden. Als je het niet in je hebt zal dat, wat je niet hebt, je doden.

71

Jezus zei:

Ik zal dit bouwwerk afbreken

en niemand zal het weer kunnen opbouwen.

72

Iemand zei tegen hem:

Zeg tegen mijn broers

dat zij de bezittingen van mijn vader met mij delen. Hij zei tegen hem:

Mens, wie heeft mij tot verdeler gemaakt?

Hij wendde zich tot zijn leerlingen en zei tegen hen: Ik ben toch geen verdeler?

73

Jezus zei:

De oogst is weliswaar groot,

maar er zijn weinig arbeiders;

dus smeekt de Heer om arbeiders te zenden voor de oogst.

74

Hij zei:

Heer,

er zijn er veel rond de waterbron maar niemand is in de bron.

75

Jezus zei:

Velen staan bij de deur,

maar het zijn de eenlingen

die het bruidsvertrek zullen binnengaan.

76

Jezus zei:

Het Koninkrijk van de Vader is gelijk een man, een koopman die koopwaar bezat, en een parel vond.

De koopman was verstandig. Hij verkocht de koopwaar

en kocht die ene parel voor zichzelf.

Zoekt ook jullie naar de onvergankelijke schat die blijft; waar geen mot komt om te eten, noch een worm om te vernietigen.

77

Jezus zei:

Ik ben het licht dat boven allen is. Ik ben het Al.

Het Al is uit mij voortgekomen en het Al is tot mij gekomen.

Kloof een stuk hout en ik ben daar,

til een steen op en jullie zullen mij daar vinden.

78

Jezus zei:

Waarom zijn jullie naar de woestijn gegaan?

Om een riet te zien dat door de wind wordt bewogen? En om een mens te zien, in fijne gewaden gekleed?

Zie, jullie koningen en jullie vooraanstaanden zijn het die met fijne gewaden zijn bekleed; en zij zullen niet in staat zijn om de waarheid te kennen.

79

Een vrouw uit de menigte zei tot hem: Gezegend is de schoot die u heeft gedragen en de borsten die u hebben gevoed. Hij zei tegen haar:

Gezegend zijn zij die het woord van de Vader hebben gehoord en in waarheid hebben bewaard. Want er zullen dagen komen waarop u zult zeggen: Gezegend de schoot die niet heeft ontvangen en de borsten die niet hebben gezoogd.

80

Jezus zei:

Hij die de wereld heeft gekend

is meester geworden over zijn lichaam

en wie meester geworden is over het lichaam is superieur aan de wereld.

81

Jezus zei:

Hij die rijk geworden is zal heersen

en hij die kracht heeft zal er van afzien.

82

Jezus zei:

Wie dicht bij mij is, is dicht bij het vuur;

en wie ver van mij is, is ver van het Koninkrijk.

83

Jezus zei:

De beelden zijn voor mensen zichtbaar, en het licht dat daarin is blijft verborgen in het beeld van het Licht van de Vader. Hij zal zich openbaren

en zijn beeld is verborgen door zijn Licht.

84

Jezus zei:

Als jullie je eigen beeltenis zien, verheugen jullie je. Maar als jullie de beelden van jullie zelf zien, die voor jullie ontstaan zijn, en die noch sterfelijk, noch zichtbaar worden, hoeveel zullen jullie dan verdragen?

85

Jezus zei:

Het was uit een grote kracht en een grote rijkdom dat Adam ontstond

en hij werd jullie niet waardig.

Want als hij jullie waardig was geweest zou hij de dood niet hebben gesmaakt.

86

Jezus zei:

De vossen hebben hun holen

en de vogels hebben hun nest,

maar de Zoon des Mensen heeft geen plek om zijn hoofd neer te leggen en te rusten.

87

Jezus zei:

Armzalig is het lichaam

dat afhankelijk is van een lichaam en armzalig is de ziel die afhankelijk is van die twee.

88

Jezus zei:

De engelen en de profeten zullen tot jullie komen en zij zullen jullie geven wat van jullie is. En nu jullie zelf:

geef hun wat in jullie handen is en vraag jezelf af: Op welke dag zullen zij komen

om het hunne in ontvangst te nemen?

89

Jezus zei:

Waarom wassen jullie de buitenkant van de beker? Begrijpen jullie niet dat hij die de binnenkant heeft gemaakt ook degene is die de buitenkant heeft gemaakt?

90

Jezus zei: Kom tot mij

want mijn juk is licht

en mijn heerschappij is mild

en jullie zullen rust vinden voor jezelf.

91

Zij zeiden tegen hem:

Zeg ons wie u bent, opdat wij in u mogen geloven. Hij zei tegen hen:

Jullie onderzoeken hoe hemel en aarde eruitzien,

en hem die voor jullie staat, hebben jullie niet herkend! En jullie weten niet hoe je dit moment moet onderzoeken.

92

Jezus zei:

Zoek en je zult vinden:

maar wat jullie mij in deze dagen hebben gevraagd, en wat ik jullie toen niet heb gezegd verlang ik nu te vertellen, maar jullie vragen er niet naar.

93

Jezus zei:

Geef het heilige niet aan de honden opdat zij het niet op de mesthoop gooien. Werp de paarlen niet voor de zwijnen opdat zij ze niet ... maken.


94

Jezus zei:

Wie zoekt zal vinden

en wie klopt zal worden opengedaan.

95

Jezus zei:

Als je geld hebt,

leen het niet uit tegen rente,

maar geef het aan hem

van wie je het niet terug zult krijgen.

96

Jezus zei:

Het Koninkrijk van de Vader

is gelijk een vrouw die een weinig zuurdesem nam, het verborg in wat deeg

en er grote broden van bakte. Wie oren heeft die hore.

97

Hij zei:

Het Koninkrijk van de Vader

is gelijk een vrouw die een kruik vol meel droeg. Toen zij op een verre weg liep, brak het oor van de kruik. Het meel stroomde achter haar op de weg. Zij was het zich niet bewust. Zij had het onheil niet gezien. Toen zij thuis kwam zette zij de kruik neer en vond haar leeg.

98

Jezus zei:

Het Koninkrijk van de Vader

is gelijk een man die een machtig man wilde doden.

Thuis trok hij zijn zwaard

en stiet het in de wand om te weten of zijn hand vast genoeg zou zijn. Toen doodde hij de machtige.

99

De leerlingen zeiden tegen hem:

Uw broers en moeder staan buiten. Hij zei tegen hen:

Deze hier, die de wil van mijn Vader doen zij zijn mijn broers en mijn moeder; zij zijn het die zullen binnengaan in het Koninkrijk van de Vader.

100

Zij toonden Jezus een goudstuk en zeiden tegen hem:

Caesars mannen eisen belasting van ons. Hij zei tegen hen:

Geef Caesar wat van Caesar is, geef God wat van God is en geef mij wat het mijne is.

101

Jezus zei:

Wie zijn vader en moeder niet haat, zoals ik,

kan voor mij geen leerling zijn;

en wie zijn vader en moeder niet liefheeft, zoals ik,

kan niet mijn leerling zijn. Want mijn moeder ...,

maar mijn ware moeder gaf mij het leven.

102

Jezus zei:

Wee hen, de Farizeeërs, want zij lijken op een hond

die in de voerbak van de ossen slaapt. Want zelf eet hij niet noch laat hij de ossen eten.

103

Jezus zei:

Gelukzalig de man die weet in welk deel de rovers zullen binnendringen. Zodat hij zal opstaan en zijn ... verzamelen en zijn lendenen omgorden voordat zij binnenkomen.

104

Zij zeiden tegen hem:

Kom laat ons vandaag bidden en vasten. Jezus zei:

Wat is dan de zonde die ik heb begaan of waarin ben ik overwonnen?

Maar als de bruidegom het bruidsvertrek verlaat, laat hun dan vasten en bidden

105

Jezus zei:

Wie zijn vader en moeder niet kent zal een hoerenjong worden genoemd.

106

Jezus zei:

Als jullie de twee tot één maken

zullen jullie zonen des mensen worden; en als jullie zeggen: berg verplaats je, zal hij zich verplaatsen.

107

Jezus zei:

Het Koninkrijk is gelijk een herder

die honderd schapen had.

Eén ervan verdwaalde. Dat was de grootste. Hij liet de negenennegentig achter en zocht die ene, totdat hij hem vond. Omdat hij zich veel moeite getroost had zei hij tegen het schaap:

Ik heb je meer lief dan de negenennegentig.

108

Jezus zei:

Wie uit mijn mond drinkt zal worden als ik

en ikzelf zal worden als hij;

en het verborgene zal hem worden geopenbaard.

109

Jezus zei:

Het Koninkrijk is gelijk een man

die in zijn akker een verborgen schat had, zonder dat hij het wist. En nadat hij stierf

liet hij hem na aan zijn zoon. De zoon wist van niets.

Hij aanvaardde de akker en verkocht hem.

En hij die gekocht had ging heen.

Terwijl hij aan het ploegen was vond hij de schat. Hij begon geld tegen rente uit te lenen aan wie het maar wilde.

110

Jezus zei:

Wie de wereld heeft gevonden en rijk is geworden; laat hij de wereld loochenen.

111

Jezus zei:

De hemelen en de aarde zullen worden opgerold in jullie aanwezigheid;

en hij, de levende vanuit de levende, zal de dood niet zien. Zegt Jezus niet:

Wie zichzelf vindt, is superieur aan de wereld?

112

Jezus zei: Wee het vlees

dat afhankelijk is van de ziel; wee de ziel

die afhankelijk is van het vlees.

113

Zijn leerlingen zeiden tegen hem: Wanneer zal het Koninkrijk komen? Jezus zei:

Het komt niet door het te verwachten;

zij zullen niet zeggen: Zie hier, of: Zie daar. Maar het Koninkrijk van de Vader is uitgespreid over de aarde en de mensen zien het niet.

114

Simon Petrus zei tegen hem: Laat Maria bij ons weggaan,

want vrouwen zijn het leven niet waardig. Jezus zei:

Zie, ik zal haar leiden

zodat ik haar mannelijk maak

opdat ook zij een levende geest zal worden gelijk jullie mannen.

Want iedere vrouw die zichzelf zal vermannen zal ingaan tot het Koninkrijk der Hemelen.