Over het
BOVEN-ZINNELIJKE LEVEN
Zijnde een
SAMENSPRAAK
tussen een
MEESTER en een DISCIPEL.
Hoe de ziel tot de Goddelijke aanschouwing en gehoor moge komen, en
met haar kindschap in het natuurlijke en bovennatuurlijke leven is. Hoe zij uit
de natuur, in God, en wederom uit God, in de natuur der zelfheid ingaat, en ook
wat haar Zaligheid en verderf is.
Opgesteld door
JACOB BÖHME van Alt Seidenburg,
Teutonicus Philosophus genaamd
HET ZESDE BOEK.
~~~~~~
Over het
Boven-zinnelijke Leven:
Zijnde
Een Samenspraak tussen een Meester en Discipel
1 Discipel:
Hoe kan ik tot het bovenzinnelijke leven komen, opdat ik God zal zien, en zal
horen spreken?
Meester: Wanneer ge u één ogenblik kunt verheffen
in hetgeen waar geen Creatuur woont, dan hoort ge wat God spreekt.
2 Discipel:
Is dat nabij of ver?
Meester: Het is in u; en indien ge in staat zijt een tijd te zwijgen in uw gehele wil en uw zinnen, dan
zult ge de onuitsprekelijke woorden Gods horen.
3 Discipel:
Hoe kan ik horen, wanneer mijn zinnen en mijn wil stil zijn?
Meester: Wanneer gij zwijgt in de zinnen en wil
van uw zelfheid, dan wordt in u het eeuwige horen, zien en spreken openbaar, en
God hoort en ziet door u. Uw eigen horen, willen en zien verhindert u, waardoor
ge God niet ziet, noch hoort.
4 Discipel:
Waarmee moet ik God horen en zien, terwijl Hij boven
natuur en creatuur verheven is?
Meester: Wanneer ge stil zijt,
zijt ge hetgeen God was vóór natuur en creatuur, en
waaruit Hij uw natuur en creatuur maakte. Dan hoort ge,
en ziet ge met datgene waarmee God in u zag en hoorde, vóór uw eigen willen,
zien en horen begon.
5 Discipel:
Wat houdt mij dan tegen, dat ik daartoe niet komen kan?
Meester: Uw eigen willen, horen en zien, en dat ge
strijdt tegen hetgeen waaruit gij gekomen zijt. Door
uw eigen wil verbreekt ge u van Gods wil, en met uw
eigen zien ziet ge slechts in uw eigen wil. En uw wil verstopt u het gehoor,
door eigen zinnelijkheid van aardse natuurlijke dingen, en voert u in een grond
in, en overschaduwd u met hetgeen dat ge wilt, opdat
ge tot het boven-natuurlijke boven-zinnelijke
niet komen zult.
6
Discipel: Nu ik in de natuur sta, hoe kan ik dan door de natuur in de boven-zinnelijke grond komen, zonder de verbreking der
natuur?
Meester: Daarvoor zijn drie dingen nodig: het eerste is, dat ge uw wil aan God overgeeft, en volledig verzinkt in Zijn
Barmhartigheid. Het tweede is, dat ge uw eigen wil
haat en niet doet waartoe uw wil u drijft. Het derde, dat ge
u aan het kruis onderwerpt, opdat ge de aanvechting der natuur en creaturen moogt verdragen. Wanneer ge dit
doet, dan zal God in u spreken, en uw gelaten wil in Hem in de bovennatuurlijke
grond invoeren. Dan zult ge horen wat de Heer in u
spreekt.
7 Discipel: Wanneer ik dat zou doen, dan moest ik de wereld en mijn
leven verlaten!
Meester: Als ge de wereld verlaat, komt ge in
datgene, waar de wereld uit gemaakt is. En wanneer ge
uw leven verliest en in de onmacht van uw vermogens komt, zal het staan in
hetgeen waarvoor ge het verliet, namelijk, in God, waaruit het ook in het
lichaam kwam.
8
Discipel: God heeft de mens in het natuurlijke leven geschapen opdat
hij zou heersen over alle creaturen op aarde, en heer zou zijn over alles in
deze wereld. Daarom moet hij het toch als eigendom bezitten.
Meester: Indien ge alleen uiterlijk over de
Creaturen heerst, dan zijt ge met uw wil en
heerschappij in dierlijke aard, en staat ge slechts in een beeldelijke
vergankelijke heerschappij. Ook voert ge uw begeerte
in dierlijke Essentie, waardoor ge geïnfecteerd en gevangen wordt, en ook een
dierlijke aard krijgt. Als ge echter de beeldelijke aard hebt verlaten, dan staat gij in de boven-beeldelijkheid, en heerst ge in de grond over alle
Creaturen die daaruit geschapen zijn, en op Aarde zal niets u kunnen schaden,
want gij zijt met alle dingen gelijk, en er is niets
dat aan u ongelijk is.
9
Discipel: O lieve Meester, leer mij toch hoe ik het snelste daartoe
mag komen, dat ik aan alle dingen gelijk ben.
Meester: Gaarne. Denk aan de woorden van onze Heer Jesus
Christus, waar Hij sprak: Als ge u niet omkeert en wordt als de kinderen, zult ge het
Koninkrijk der Hemelen niet zien (Mattheus 18
:3). Als ge één wilt worden met alle dingen, dan moet
ge alle dingen verlaten, en uw begeerte ervan afwenden en ze niet begeren, noch
u bezighouden met iets om het tot eigendom te bezitten, want zodra ge iets met
uw begeerte grijpt en in bezit neemt, wordt het één met u en werkt het met u in
uw wil. Dan zijt ge het
verschuldigd te beschermen en het als uw eigen wezen aan te nemen. Maar indien ge niets in uw begeerte neemt, dan zijt
ge vrij van alle dingen en tegelijkertijd heerst ge over alle dingen. Want gij hebt niets in uw aannemelijkheid, ge zijt
voor alle dingen een niets, en alle dingen zijn voor u niets. Ge zijt dan als een kind dat niet
begrijpt wat een ding is. En al is het dat ge het toch
begrijpt, zo begrijpt ge het zonder beroering van uw bevindelijkheid, op de
wijze waarop God alle dingen beheerst en ziet en toch geen ding Hem begrijpt.
Ge vroeg mij nochtans u te leren hoe
ge daartoe kunt komen. Zo, ziet de woorden van Christus aan, die zei; Zonder mij kunt ge
niets doen. In eigen vermogen kunt gij tot
zodanige rust niet komen, dat geen Creatuur u beroert. Het zij dat gij u gans begeeft in het leven van onze Heer Jesus Christus, en dat gij uw wil en begeerte gans aan Hem
overgeeft, en zonder Hem niets wil. Dan staat gij met
uw lichaam in de wereld, in de eigenschappen, en met uw vernuft onder het kruis
van onze Heer Christus. Maar met uw wil wandelt gij in
de Hemel, en staat ge aan het einde van waar alle Creaturen gekomen zijn, en
waar zij wederom terugkeren. Dan kunt ge met het
vernuft al het uiterlijke zien en met het gemoed al het innerlijke. En met
Christus (aan wie alle macht in de Hemel en op aarde is gegeven) in, en over
alle dingen heersen.
10 Discipel: O Meester! Ik wordt door de
Creaturen die in mij leven tegenhouden, zodat ik mij niet volledig kan
overgeven, hoe graag ik ook wil!
Meester: Wanneer uw wil van de Creaturen uit gaat, dan zijn de Creaturen
in u verlaten, en zijn ze in de wereld, en is alleen uw lichaam bij de
Creaturen. Gij echter wandelt geestelijk met God. En
wanneer uw wil de Creaturen verlaat, zijn de Creaturen hierin gestorven, en
leven ze alleen in het lichaam, in de wereld. En als de wil zich niet in hen
invoert, dan kunnen zij de ziel niet beroeren. Want Paulus zegt: Onze
wandel is in de Hemel; Gij zijt tempels van de
Heilige Geest, die in u woont. Zo woont nu de Heilige Geest in de
wil, en de Creaturen in ’t lichaam.
11 Discipel:
Wanneer de Heilige Geest in de wil des gemoeds woont,
hoe kan ik mezelf dan verzekeren dat Hij niet van mij wijkt?
Meester: Hoort de woorden van onze Heer Jesus
Christus, die sprak: Als ge in mijn woord blijft, dan blijven mijn woorden in u.
Blijft ge met uw wil in de woorden van Christus, dan
blijft in u Zijn Woord en Geest. Maar wanneer uw wil in de Creaturen gaat, dan
hebt ge u van Hem afgebroken. Daartegen kunt ge u slechts behoeden door voortdurend in een gelaten
ootmoedigheid te blijven, en u in een voortdurende boete te begeven; dat het u
steeds berouwt dat er Creaturen in u leven. Als ge dit
doet, dan staat ge in een dagelijks sterven van de Creaturen, en naar de wil in
een dagelijkse Hemelvaart.
12 Discipel:
O lieve Meester! leer mij toch, hoe ik in een
zodanige altijd durende boete kan komen.
Meester: Wanneer ge verlaat wat u bemint, en
bemint hetgeen u haat, dan zult ge voortdurend daarin staan.
13 Discipel:
Wat betekent dit?
Meester: Uw Creaturen in vlees en bloed, evenals al degenen die zij
beminnen, die beminnen u, omdat uw wil ze onderhoudt. De wil moet hen verlaten
en ze voor vijand houden. Het Kruis van onze Heer Jesus
Christus, en ook de spot des werelds, haat gij, maar
ge moet het leren beminnen, en tot een dagelijkse oefening van uw boete nemen.
Zo zult ge voortdurend rede hebben om uzelf, en de
Creaturen te haten, en de eeuwige rust te zoeken, waarin uw wil kan rusten,
zoals Christus sprak: In mij hebt ge
Rust, maar in de wereld hebt gij angst.
14 Discipel:
Hoe kan ik mij in zodanige aanvechting staande houden?
Meester: Wanneer ge u alle uren in de allerlouterendste
Barmhartigheid Gods - dat is, buiten alle Creaturen en boven alle zinnelijke
vernuft - in het lijden van onze Heer inwerpt, en u daarin overgeeft, dan zult
ge de kracht krijgen, om over zonde, dood, duivel, hel en wereld te heersen.
Dan zult ge in alle aanvechtingen blijven staan.
15 Discipel:
Hoe zou het mij, arm mens, vergaan, wanneer ik hiertoe met het gemoed zou
kunnen komen?
Meester: Het zou u zeer goed gaan, O lieve Discipel! Wanneer uw wil zich
voor enige tijd van alle Creaturen kon verbreken, en zich daarheen kon
verheffen waar geen creatuur is, dan zou hij bekleed worden met de hoogste
glans van de heerlijkheid
Gods, en zou hij in zichzelf de aller-zoetste
Liefde proeven van onze Heer Jesus Christus, waar
geen mens over spreken kan. Hij zou in zichzelf de
onuitsprekelijke woorden van onze Heer, van Zijn grote Barmhartigheid gewaarworden,
waardoor hem het Kruis van onze Heer Christus in een zacht wel-doen
zou veranderen, en hij liever dit zou
gewinnen dan alle wereldse eer en goed.
16 Discipel:
Maar hoe zou ‘t het lichaam vergaan, dat in de
Creatuur moet leven?
Meester: Het lichaam zou in de navolging van onze Heer Christus worden
gesteld, die sprak dat zijn Rijk niet van deze wereld was. Het zou aanvangen te
sterven, zowel uitwendig als inwendig; uitwendig aan de wereldse ijdelheid en
boze daden, en het zou alle lichtvaardigheid tegen en vijandig worden, en
inwendig aan alle boze lusten en genegenheden. En het zou een geheel nieuwe zin
en wil
verkrijgen, die voortdurend tot God gericht zouden zijn.
17 Discipel:
Maar de wereld zou hem daarom haten en verachten, omdat hij haar moet
tegenspreken, en anders moet leven en doen dan zij.
Meester: Het zal hem niet raken, als hem enig leed geschied, maar het zal
hem verheugen, dat hij waardig is aan het Beeld van onze Heer Christus gelijk
te worden, en hij zal onze Heer zeer gewillig dit kruis na willen dragen, opdat
Hij over hem Zijn aller-zoetste Liefde uitstort.
18 Discipel: Wat zou er met hem
geschieden als van binnenuit Gods toorn en van
buitenaf de boze wereld hem zou aangrijpen, zoals met onze Heer Christus
geschied is?
Meester: Hem zou hetzelfde geschieden als onze Heer Christus. Toen deze
door de wereld en de priesters bespot en gekruisigd werd, beval Hij zijn ziel
in de handen van de Vader en scheidde van de angst van deze wereld, tot in de
eeuwige vreugde. Aldus zou ook de discipel door alle wereldse spot en angst, de
grote liefde van God indringen, en door de aller-zoetste
naam Jesus verkwikt en behouden worden, en in
zichzelf een nieuwe wereld zien en bevinden, die Gods toorn
kan doordringen. Hierin zal hij zijn ziel wikkelen, en alles gelijk achten; al
zou zijn lichaam in de hel zijn, of op de aarde, zijn gemoed is evenwel in de grootste liefde Gods.
19 Discipel: Maar hoe zou zijn
lichaam onderhouden worden, en hoe zou hij de zijnen
voeden, indien des werelds ongunst op hem viel?
Meester: Hij zou een veel grotere gunst ontvangen dan de wereld vermag te
geven, want hij heeft God, en al Zijn Engelen tot vrienden, die beschutten hem
in alle nood. Zo is Gods Zegen in alle dingen. En al zou het zich laten
aanzien, voor iets dat hij niet wil, dan is dit niet anders dan een beproeving
en zoete aantrekking, opdat hij des te meer tot God zal bidden, en al zijn
wegen in Hem zal bevelen.
20 Discipel:
Maar hij verliest al zijn goede vrienden, en er is niemand die hem bijstaat in
zijn nood.
Meester: Hij krijgt het hart van alle goede vrienden tot eigendom, en
verliest alleen zijn vijanden, die voorheen zijn ijdelheid en boosheid
beminden.
21 Discipel:
Hoe geschied het, dat hij zijn goede vrienden tot
eigendom krijgt?
Meester: Hij krijgt al deze zielen, die onze Heer Jesus
toebehoren, tot broeders en ledematen van zijn eigen leven, want de kinderen
Gods zijn in Christus één en Christus is in allen. Zo verkrijgt hij hen allen tezamen tot lichamelijke leden in Christus, want zij hebben
de Hemelse goederen gemeen en leven in de ene Liefde Gods, zoals de takken van
de boom van één sap leven. Ook zal het hem, net als onze Heer Christus, aan
uiterlijke, natuurlijke vrienden niet ontbreken. Hoewel de
hogepriesters en de machtigen des werelds Hem niet wilden beminnen (die Hem ook
niet toebehoorden en niet Zijn leden en broeders waren), beminden Hem nochtans
degenen die Zijn woorden aannemelijk waren. Zo zullen diegenen hem
beminnen die ook de waarheid en de gerechtigheid liefhebben, en zij zullen zich
bij hem voegen, zoals Nicodemus tot Jesus kwam in de nacht, Nicodemus,
die Jesus in zijn hart beminde vanwege de Waarheid,
echter uiterlijk angstig was voor de wereld. Zo zal hij vele goede vrienden
hebben, die hem niet bekend zijn.
22 Discipel:
Het valt nochtans zeer zwaar, door de ganse wereld veracht te worden.
Meester: Wat u tegenwoordig dunkt zwaar te zijn, zult ge
later het allermeest beminnen.
23 Discipel:
Hoe is het mogelijk dat ik zou beminnen wat mij veracht?
Meester: Thans bemint ge aardse wijsheid, maar
wanneer ge met de Hemelse Wijsheid bekleed bent, zult ge zien dat alle wereldse
wijsheid niets anders dan dwaasheid is, en dat de wereld alleen uw vijand in u haat, nl.
het sterfelijke leven, welk gij, in zijn wil, zelf ook haat. Aldus vangt ge aan, zodanige verachting van het dodelijke leven ook te
beminnen.
24 Discipel:
Maar hoe moeten we dit verstaan, dat een mens zichzelf beminnen en
tegelijkertijd haten kan?
Meester: Hetgeen ge in uzelf bemint, bemint ge
niet als iets van uzelf, maar als de gegeven Liefde Gods. Ge
bemint de goddelijke grond in u, waardoor ge Gods wijsheid en wonder-werken, en ook uw broeders bemint. Maar hetgeen ge in uzelf haat, haat ge naar uw ikwezen, waarin ge het boze aanhangt. Toch zoudt ge de ikheid gaarne geheel
in u willen verbreken, en tot een gans Goddelijke grond worden. De Liefde haat
de ikheid, omdat de ikheid een dodelijk ding is; zij kunnen niet goed naast elkander staan. Want de Liefde bezit de Hemel, en woont in
zichzelf, maar de ikheid bezit de wereld, samen met haar wezen, en woont ook in
zichzelf. Zoals de Hemel de wereld beheerst, en de eeuwigheid de tijd, zo ook
heerst de Liefde over het natuurlijke leven.
25 Discipel:
Lieve Meester, zeg mij toch, waarom moeten Liefde en leed, vriend en vijand
altijd samengaan? Zou louter Liefde niet beter zijn?
Meester: Wanneer de Liefde niet in leed zou bestaan, dan zou Zij niets
hebben dat Ze kon beminnen. Maar doordat haar Wezen, dat Zij bemint (in de arme
ziel) in leed en pijn staat, heeft Zij reden haar eigen Wezen te beminnen en
van pijn te verlossen, opdat Zij wederom geliefd zou
worden. Ook zou niet bekend kunnen worden wat Liefde is, wanneer Zij niets had
dat Zij beminnen kon.
26 Discipel:
Wat is liefde in haar kracht en deugd, en in haar hoogte en grootte?
Meester: Haar deugd is het Niets, haar kracht gaat door Alles; haar hoogte is zo hoog als God,
en haar grootte is groter dan God. Wie Haar
vindt, vindt Niets en Alles.
27 Discipel:
O Meester, zeg mij toch hoe ik dit moet verstaan?
Meester: Dat ik zei: “Haar deugd is het Niets”, zult ge begrijpen wanneer ge van
alle Creaturen uitgaat, en alle natuur en creatuur als een niets wordt. Dan zijt ge in het eeuwige Een, dat is
God Zelf, dan bevindt gij de hoogste deugd der Liefde.
Dat ik echter
zei: “Haar kracht gaat door Alles”,
bevindt ge in uw ziel en lichaam. Wanneer deze grote
Liefde in u wordt aangestoken, brandt zij zoals geen vuur branden kan. Ook zult
ge aan alle werken Gods zien hoe zich de Liefde in
alles heeft uitgestort en in alle dingen zowel de inwendigste
als uitwendigste Grond is, inwendig naar de kracht,
en uitwendig naar de gestalte.
En dat ik
verder zei: “Haar hoogte is zo hoog als God”, zult ge
in uzelf verstaan, omdat Zij u, in Haar, zo hoog voert als God zelf is, zoals
ge dit aan onze lieve Heere Christus, naar onze
mensheid, kon zien, die door de Liefde tot in de hoogste troon, in de kracht
der Godheid is gevoerd.
Dat ik echter
ook gezegd heb: “Haar grootte is groter dan God”, is ook waar, want waar God
niet woont, daar gaat de Liefde in. Want toen onze geliefde Heer Christus in de
hel stond, was God niet de hel, maar de Liefde was daar, en verbrak de dood.
Ook wanneer ge in angst zijt,
is de angst niet God, maar Zijn Liefde is daar en voert u uit de angst, in God. Wanneer God zich in u verbergt,
dan is de Liefde daar en openbaart Hem in u.
En dat ik
verder heb gezegd: “Wie Haar vindt, die vindt Niets en Alles” is ook
waar, want hij vindt een bovennatuurlijke, bovenzinnelijke on-grond,
waar geen plaats Haar tot woning kan zijn, en hij Niets vindt dat aan Haar gelijk is. Daarom kan men Haar met Niets vergelijken, want Zij is dieper
dan Iets. Daarom is Zij voor alle
dingen als een Niets, omdat Zij niet
te vatten is. En omdat Zij Niets is,
is Zij vrij van alle dingen, en is Zij het enige goede, waarvan men niet kan
zeggen wat het is.
Dat ik
uiteindelijk heb gezegd: “Hij die Haar vindt, die vindt Alles”, is ook waar. Zij is de aanvang van alle dingen geweest, en
beheerst Alles. Als ge Haar vindt, komt ge tot de grond waar alle dingen uit
voortgekomen zijn en waarin zij bestaan; en in Haar zijt
ge Koning over alle werken Gods.
28 Discipel:
Lieve Meester, zeg mij toch, waar woont Zij in de mens?
Meester: Waar de mens niet woont, daar heeft Zij in de mens Haar zetel.
29 Discipel:
Waar is dat, waar de mens niet in zichzelf woont?
Meester: Dat is in de ten gronde gegane ziel, daar waar de ziel haar eigen wil afsterft, en
niets meer wil zonder dat God het wil, dáár woont Zij. Want voor zover de eigen
wil gestorven is, voor zover heeft zij diens plaats ingenomen. Waar tevoren de
eigen wil zetelde, daar is nu niets, en waar niets is, daar alleen is Gods
Liefde werkende.
30 Discipel:
Hoe kan ik Haar nochtans vatten, zonder het sterven van mijn wil?
Meester: Als ge Haar wilt grijpen, dan vlucht Zij
voor u, maar wanneer ge u gans en geheel aan Haar overgeeft, dan zijt ge uzelf, naar uw wil gestorven en wordt Zij het Leven
van uw natuur. Zij doodt u niet, maar Zij maakt u Levend naar Haar eigen Leven.
Dan Leeft ge, echter niet naar uw wil, maar naar Haar
Wil, want uw wil wordt Haar Wil. Dan zijt ge naar uw ik dood, maar leeft ge naar God.
31 Discipel:
Hoe komt het dat zo weinig mensen haar vinden, hoewel velen haar liefhebben?
Meester: Zij allen zoeken haar in Iets (dat is; in een gevormde mening, in
eigen zelf-begeerte), daartoe hebben zij bijna
allemaal een natuurlijke drang. Hoewel Zij
zich aanbiedt, vindt Zij toch geen plaats in hen, want het beeld van de eigen
wil heeft Haar plaats ingenomen, en zij willen alleen het beeld van het eigen
verlangen bezitten. Maar Zij vlucht daarvan, want Zij woont alleen in het Niets. Daarom vinden zij Haar niet.
32 Discipel:
Wat is Haar ambt in het Niets?
Meester: Haar ambt is dat Zij
zonder ophouden in het Iets
binnendringt; en als Zij in het Iets
een plaats kan vinden, welk stilstaat, dan neemt Zij die in, en verheugt Zich
daarin met haar vlammende Liefde, meer dan de zon zich verheugd in de wereld. Haar ambt is dat Zij zonder ophouden in het Iets een vuur aansteekt, en het Iets
verbrandt, waardoor Haar vuur steeds hoger opvlamt.
33 Discipel:
O lieve Meester! hoe moet ik dit verstaan?
Meester: Indien Zij in u een vuur zou ontsteken, zoudt
ge het voelen, hoe Zij uw ikheid verbrandt, en Zich
over uw vuur zo zeer verheugt, dat ge u eerder liet doden dan dat ge wederom in
uw Iets zou ingaan. Ook is Haar Vlam
zo groot, dat deze niet van u zal wijken, al zou het
uw tijdelijke leven kosten, dan gaat Zij met u, in Haar Vuur, de dood in. En al
zoudt ge in de hel komen,
dan zou Zij de hel om uwentwille verbreken.
34 Discipel:
Lieve Meester, ik kan hetgeen me afleidt niet meer
verdragen. Hoe kan ik de kortste weg tot Haar vinden?
Meester: Ga daarheen waar de weg het moeilijkst is. Wat de wereld
verwerpt, neem dat aan. En wat zij doet, doe dat niet. Wandel in alle dingen
tegengesteld aan de wereld. Dan bewandelt ge de
kortste weg tot Haar.
35 Discipel:
Als ik in alle dingen tegengesteld zou wandelen, dan zou ik zeker in enkel nood
en onrust staan. Ook zou ik als dwaas gezien worden.
Meester: Ik zeg u niet, iemand leed aan te doen. Maar de wereld bemint
enkel bedrog en ijdelheid en wandelt op valse wegen. Zo ge
in alle dingen aan haar weg tegengesteld wilt zijn, bewandel dan steeds de
juiste weg, want de juiste weg is aan haar weg tegengesteld. Dat gij nog zei dat ge enkel in angst zou staan, zulks geschied
alleen naar het vlees. Het geeft u reden
tot voortdurende boete, en in zulke angst is de Liefde, met Haar oplaaiende
Vuur, allerliefst.
Dat ge voor dwaas aangezien zult worden, is waar, want de weg
tot de Liefde Gods is aan de wereld een dwaasheid, maar aan de kinderen Gods
een wijsheid. Wanneer de wereld het Vuur der Liefde in Gods kinderen ziet, zegt
zij; zij zijn dwaas geworden. Maar hetzelfde is voor de kinderen Gods de
grootste schat, waar geen levend wezen zich ooit over uit zou kunnen spreken,
geen mond is in staat te benoemen wat het Vuur van de vlammende Liefde Gods is.
Het is helderder dan de zon en niets is zoeter, het is krachtiger dan enige
spijze of drank, en ook lieflijker dan alle vreugden des werelds. Wie het
verkrijgt is rijker dan enige koning op aarde, edeler dan enige keizer en
sterker dan alle macht.
36 Discipel:
Waarheen gaat de ziel, wanneer zij van het lichaam scheidt, hetzij ze zalig, of
verdoemd is?
Meester: Zij behoeft niet heen te
gaan; maar het uitwendige, sterfelijke leven, met het lichaam, scheiden zich
van haar. Zij heeft Hemel en hel reeds in zich, zoals geschreven staat: Het Rijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat. Men zal ook niet zeggen:
Zie hier is het of daar, want zie, het Rijk Gods is inwendig in u. Wat in u
openbaar wordt, hetzij de Hemel, hetzij de hel, daarin staat zij.
37 Discipel:
En vaart zij dan niet ten Hemel of ter helle, zoals men een huis binnengaat, of
zoals men door een gat een andere wereld ingaat?
Meester: Nee, het is geen binnengaan op deze wijze, want Hemel en hel zijn
overal tegenwoordig. Het is een inwendig ingaan, hetzij in Gods liefde, hetzij
in Gods toorn, en dit geschiedt tijdens het leven. Paulus zegt daarover: Onze
wandel is in de Hemel. En Christus zegt: Mijn schapen horen mijn stem en ik ken ze, en zij volgen mij na, en ik
geef ze het eeuwige leven, en niemand zal ze uit mijn hand rukken.
38 Discipel:
Hoe geschied dan dit ingaan van de wil, in Hemel of
hel?
Meester: Als de wil zich volkomen aan God overgeeft, dan verzinkt hij
buiten zichzelf, buiten alle grond en plaats, daar waar alleen God openbaar is,
en Werkt en Wil. Zo wordt hij zelf een niets naar zijn eigen wil, en dan werkt
en wil God in hem, en woont God in zijn gelaten wil. Daardoor wordt de ziel
geheiligd en komt zij in de Goddelijke Rust. Wanneer nu het lichaam verbreekt,
wordt de ziel doordrongen met Goddelijke Liefde, en doorstraald met Goddelijk
Licht, zoals het vuur het ijzer doorgloeit, waar het zijn duisternis door
verliest. Dat is de hand van Christus, waar Gods Liefde de ziel gans doorwoont
en een schijnend Licht en nieuw Leven in haar is. Aldus
is zij in de Hemel en een tempel van de Heilige Geest. Zij is Gods Hemel, waar
Hij in woont.
Maar de
goddeloze ziel wil in deze tijd haar wil niet in Goddelijke gelatenheid
invoeren, maar gaat voortdurend in de eigen lust en begeerte, in ijdelheid en valsheid,
in de duivelse wil. Zij laat niets anders dan boosheid, leugen, hovaardigheid,
gierigheid, afgunst en toorn in zich, en daarin geeft
ze haar wil over. Deze ijdelheid wordt in haar ook openbaar, werkt door haar en
doordringt de ziel volledig, zoals een vuur het ijzer. Zij kan niet tot de
Goddelijke Rust komen, want Gods toorn is in haar
openbaar. Wanneer nu het lichaam zich van de ziel scheidt, ontstaat er een
eeuwig berouwen en vertwijfelen, want zij merkt dat zij enkel een angstige
gruwel is geworden, en zij schaamt zich dat zij met haar valse wil tot God
wilde doordringen. Zij kan dat ook niet, daar zij in de grim gevangen is en
zelf enkel grim is. Zij heeft zichzelf daarin
opgesloten door haar valse begeerte, die zij in zichzelf heeft opgewekt. En
omdat Gods Licht niet in haar schijnt, noch Zijn Liefde haar beroert, is zij
een grote duisternis en een pijnlijke, angstige vuurkwaal, en draagt ze de hel
in zich en kan Gods Licht niet zien. Aldus woont zij in zichzelf al in de hel
en behoeft ze daar niet meer in te gaan, want waar ze
zich ook bevindt, ze is in de hel. En al zou zij zich honderdduizenden mijlen
van haar plaats kunnen begeven, dan zou zij toch in
die vuurkwaal en duisternis blijven.
39 Discipel:
Hoe komt het dat de heilige ziel nu dit Licht en de grote vreugde niet volkomen
kan ervaren, en de goddeloze ook de hel niet voelt, ofschoon beide in de mens
aanwezig zijn en er altijd één van beide in hem werkzaam is?
Meester: Het Hemel-Rijk is voelbaar en werkende
in het geloof van de heiligen. Zij voelen in hun Geloof Gods Liefde, waardoor
de wil zich in God overgeeft. Maar het natuurlijke leven is met vlees en bloed
bekleed en staat in de tegenstelling van de toorn
Gods, met de ijdele lust des werelds omvangen, die het uitwendige, sterfelijke leven
voortdurend doordringt, omdat aan de ene kant de wereld, aan de andere kant de
duivel en op een derde plaats de vloek van de toorn Gods in vlees en bloed het
leven doordringt en doorzoekt, waardoor de ziel in angst staat, wanneer de hel
zich aan haar opdringt en zich in haar wil openbaren. Zij verzinkt zich
nochtans in de hoop van de Goddelijke Genade, en staat als een schone Roos te
midden van de doornen, totdat het rijk van deze wereld in het sterven van haar
lichaam, van haar af valt. Dan wordt zij in Gods Liefde openbaar, wanneer niets
haar meer hindert. Zij moet nu met Christus in deze wereld wandelen; Christus
verlost haar uit haar eigen hel, waarin Hij haar met Zijn Liefde doordringt, en
bij haar in de hel staat, en haar hel in de Hemel verandert.
Op uw vraag
waarom de goddeloze nu de hel niet voelt, zeg ik: hij voelt haar wel in zijn
valse geweten, maar hij begrijpt het niet, want hij heeft nog de aardse
ijdelheid waarmee hij zichzelf gerieft, en waar hij
vreugde en wellust aan beleeft. Zo heeft het uitwendige leven ook nog het licht
van de uitwendige natuur, waar de ziel zich in verlustigt. Hierdoor kan het
pijnlijke niet openbaar worden. Maar wanneer het lichaam sterft, dan kan de
ziel dergelijke tijdelijke wellust niet meer genieten, en is voor haar het
licht van de uitwendige wereld uitgeblust. Dan staat zij in een eeuwige dorst
en honger naar deze ijdelheid, welk hem hier heeft geriefd. Zij kan echter
niets bereiken dan alleen deze valse wil die zich in haar heeft vastgezet. Dat
wat zij in dit leven te veel heeft gehad en haar toch niet heeft verzadigd,
heeft zij dan te weinig. Daarom is zij in eeuwige honger en dorst naar
ijdelheid, boosheid en lichtzinnigheid. Zij wil voortdurend nog meer boosheden
begaan, maar heeft niets waarin of waarmee zij dat kan volbrengen. Zo voltrekt
dit zich alleen in haarzelf. Een zodanig helse honger
en dorst kan in haar niet eerder openbaar worden, dan
wanneer het lichaam sterft, waarmee zij zo in wellust verzonken is geweest, en
dat haar verschafte wat zij begeerde.
40 Discipel:
Nu Hemel en hel zo strijden in ons, en God ons zo nabij is, waar wonen dan de
Engelen en de duivelen?
Meester: Waar ge naar uw zelfheid en eigen wil
niet woont, daar wonen de engelen bij u en overal. Waar ge
naar uw zelfheid en eigen wil woont, daar wonen de duivelen bij u en overal.
41 Discipel:
Dat begrijp ik niet.
Meester: Waar de Wil Gods in een ding {creatuur} werkzaam is, daar is God
openbaar en in zodanige openbaring wonen ook de engelen. Waar God niet samen
wil met de wil van een ding, daar is God niet openbaar, maar woont Hij alleen
in Zichzelf, zonder mede-werking van het ding. Daar
is in het ding slechts een eigen wil, zonder de Wil Gods, en daar wonen de
duivelen, en alles wat buiten God is.
42 Discipel:
Hoever zijn dan Hemel en hel van elkaar verwijderd?
Meester: Als dag en nacht en als iets en niets. Zij zijn in elkaar, en de
een is de ander als een niets, en toch veroorzaken zij elkaars vreugde en leed. De Hemel is in de ganse
wereld, en overal buiten de wereld, zonder verdeeldheid, plaats of oord, en
werkt alleen door Goddelijke Openbaring in Zichzelf. En in hetgene
wat daar in komt, of dat zich hierin openbaart, daar is God openbaar, want de
Hemel is niets anders dan een openbaring van het Eeuwige Ene, waar alles in een
stille Liefde werkt en wil.
De hel is
eveneens in de ganse wereld, maar woont en werkt slechts in zichzelf en in hetgeen waarin het fundament van de hel openbaar wordt,
namelijk in de zelfheid en in de valse wil. De zichtbare wereld heeft beide in
zich, maar de mens, naar het tijdelijke leven, is alleen uit de zichtbare
wereld, en daarom ziet hij tijdens het uitwendige leven de Geestelijke Wereld
niet, want de uitwendige wereld bedekt met haar wezen de Geestelijke Wereld,
evenals de ziel met het lichaam bedekt is. maar
wanneer de uitwendige mens sterft, wordt de geestelijke wereld, naar de ziel,
openbaar. Hetzij naar het eeuwige Licht bij de Heilige Engelen, hetzij naar de
eeuwige duisternis bij de duivelen.
43 Discipel:
Wat is dan precies een Engel of de Ziel van een Mens, dat zij aldus
openbaar kunnen worden in Gods Liefde of toorn?
Meester: Zij komen uit eenzelfde oorsprong, en zijn deel van de Goddelijke
Wetenschap, van de Goddelijke Wil, ontstaan uit het Goddelijke Woord, en vormen
een weerspiegeling van de Goddelijke Liefde. Zij stammen uit de grond der
eeuwigheid, waar Licht en duisternis uit voortkomen. In de aannemelijkheid van
de eigen begeerte, is de duisternis, en in het willen naar Gods Wil is het
licht. Dus waar de wil van de ikheid van de ziel hetzelfde als God wil, daar is
Gods Liefde in zijn werken, en in het zelfzuchtige drijven van de wil der
zielen werkt Gods Wil smartelijk en is er duisternis, opdat het licht erkend
wordt. Zij zijn niets anders dan een openbaring van de Goddelijke Wil, hetzij
in het licht, hetzij in de duisternis, naar de eigenschap van de Geestelijke
Wereld.
44 Discipel:
Wat is dan het lichaam van een Mens?
Meester: Het is de zichtbare wereld, een beeld en wezen van al ‘t gene dat de wereld is. De zichtbare wereld is een
openbaring van de innerlijke Geestelijke Wereld, uit het Eeuwige Licht en uit
de eeuwige duisternis, uit het geestelijk werken. Zij is een afspiegeling van
de eeuwigheid, waarmee de eeuwigheid zich zichtbaar heeft gemaakt, omdat de
eigen wil en de gelaten wil onderling werkzaam zijn, namelijk als boos en goed.
Zulk een wezen is ook de uitwendige Mens, want God schiep de uitwendige Mens
uit de uitwendige wereld, en blies hem de inwendige geestelijke wereld in, tot
een ziel en verstandig leven. Daarom kan de ziel in het wezen van de uitwendige
wereld het kwade en het goede aannemen en in overeenstemming daarmee handelen.
45 Discipel: Wat zal er zijn na deze wereld, als alles vergaat?
Meester: Er houdt niets anders op te bestaan dan alleen het stoffelijke
wezen (zijnde de vier Elementen, de Zon, de Maan en de Sterren). Dan wordt de
inwendige geestelijke wereld gans zichtbaar en openbaar. Wat echter in onze
tijd hier door de geest verricht is (hetzij boos, hetzij goed), zal zich (ieder
werk, naar geestelijke aard) of in het licht, of in de duisternis afscheiden.
Want wat uit ieders wil geboren is, dringt wederom het gelijke in. Daarom wordt
de duisternis de hel genoemd, een eeuwige vergetelheid van al het goede. En het
Licht wordt het Rijk Gods genoemd, een eeuwige Vreugde en een eeuwige Lof der
Heiligen, die van de valse pijn verlost zijn.
Het laatste
oordeel is een ontsteken van het vuur, naar Gods Liefde en toorn.
Daarin vergaat de materie van alle wezens en ieder vuur zal het zijne (naar wezen van zijn gelijkheid), in zich trekken. Wat
in Gods Liefde geboren is, wordt door het Lieve Vuur Gods tot zich getrokken,
waarin het ook zal branden naar de aard der Liefde en waaraan het zichzelf
volledig zal overgeven. Wat echter in Gods toorn naar
de duisternis is geboren, trekt smart tot zich en verteert het boze wezen; dan
blijft alleen de pijnlijke wil over in haar eigen beeld en vorm.
46 Discipel:
In welke materie of gestalte zullen onze lichamen opstaan?
Meester: Er wordt een natuurlijk, grof en elementair lichaam gezaaid, dat
in onze tijd gelijk is aan de uitwendige Elementen. In hetzelfde grove lichaam
is de subtiele kracht, net als in de aarde een subtiele, goede kracht is, die
op de zon gelijkt en er mee verenigd is, en die ook
bij de aanvang der tijd uit de Goddelijke Kracht is ontstaan, en waaruit de
goede kracht van het lichaam werd genomen. Deze goede kracht van het
sterfelijke lichaam, zal in een schone, doorzichtige, kristallijnen materiële
eigenschap in geestelijke vlees en bloed wederkomen en
eeuwig leven. Zo ook de goede kracht der aarde, daar de aarde dan eveneens
transparant zal zijn, en het Goddelijke Licht zal in alle dingen stralen. Zoals
de grove aarde zal vergaan, en niet zal wederkomen, zo zal ook het grove vlees
der mensen vergaan, en niet eeuwig leven. Maar alles moet voor het oordeel, en in het oordeel door het vuur gescheiden
worden, zowel de aarde als de as van het menselijke lichaam. Want wanneer God
de geestelijke wereld nogmaals zal bewegen, zal iedere
geest zijn geestelijke wezen wederom tot zich trekken. Een goede geest en ziel trekt haar goede wezen tot zich, en een boze trekt zijn boze
wezen aan. Hieronder moet men alleen een wezenlijke, stoffelijke kracht
verstaan, daar het wezen alleen kracht is, als een materiële tinctuur, want de
grofheid van alle dingen vergaat.
47 Discipel:
Dus wij zullen niet met onze zichtbare lichamen opstaan en daarin eeuwig leven?
Meester: Wanneer de zichtbare wereld vergaat, dan vergaat ook alles wat
uiterlijk is geweest, en uit haar is voortgekomen. Van de wereld blijft niets
over dan alleen de Hemelse, kristallijnen eigenschap en vorm. Ook van de mens
blijft alleen de geestelijke stof over, want de mens zal de geestelijke wereld
(die nu nog verborgen is) gans gelijk zijn.
48 Discipel:
Zullen er ook man en vrouw zijn in het geestelijk
leven, of kinderen of bloed-vrienden? En zal de een de ander vergezellen, zoals hier geschiedt?
Meester: Hoe zijt ge zo
vleselijk gezind? Er is daar man noch vrouw, maar allen zijn niet anders dan de
Engelen Gods, namelijk, als mannelijke Jonkvrouwen. Er is daar dochter noch
zoon, broeder noch zuster, maar allen van één geslacht, één in Christus, zoals
een boom met zijn takken, en toch afzonderlijke Creaturen, maar God is alles in
allen. Er zal nochtans een geestelijke Kennis in zijn, van wat ieder geweest
is, en wat hij gedaan heeft, maar men neemt zulk een wezen niet meer aan, noch
bestaat de begeerte daartoe.
49 Discipel:
Zullen allen gelijkelijk genieten van de eeuwige
Vreugde en Verheerlijking?
Meester: De Schrift zegt: Zoals het
volk is, zo is haar God en: Bij de
Heiligen zijt ge Heilig,en
bij de verkeerden zijt ge verkeerd (Psalm 18:26,
27). En Paulus schrijft: Zij zullen in de opstanding elkander
overtreffen, zoals Zon, Maan en Sterren. Weet nu, dat zij allen de
Goddelijke Werking zullen genieten, maar de kracht en verlichting zullen geheel
ongelijk zijn, alles naarmate ieder in deze tijd door zijn nederige arbeid met
kracht geladen is. Want in de nederige arbeid van het Creatuur is een opening
en baring van de Goddelijke Kracht, waardoor Gods Kracht beweeglijk en werkzaam
wordt. Zij die in deze tijd met Christus gearbeid hebben, en niet naar de lust
van het vlees, zullen in hen en met hen een grote kracht en schone
verheerlijking vinden. Maar de anderen, die alleen op een toegezegde
genoegdoening hebben gewacht en ondertussen de buik-god
hebben gediend, maar zich tenslotte toch hebben
bekeerd en tot genade zijn gekomen, zullen niet zulk een grote kracht en
verlichting ontvangen. Daarom zal er tussen hun het verschil zijn als tussen
Zon, Maan en Sterren, en als tussen de bloemen des velds
in hun schoonheid, kracht en deugd.
50 Discipel:
Hoe en door wie zal de wereld geoordeeld worden?
Meester: Door Goddelijke Werkzaamheid, door de Persoon en Geest van
Christus. Deze zal door het Woord Gods, dat mens werd, hetgeen
dat niet tot Hem behoort van Zich scheiden, en Zijn Rijk in dit oord, waar deze
wereld staat, volledig openbaren, want de scheiding geschiedt overal tegelijk.
51 Discipel:
Waar zullen dan de duivelen en alle verdoemden heen geworpen worden, wanneer de
plaats van deze ganse wereld het Rijk van Christus zal zijn en verheerlijkt zal
worden? Zullen zij buiten de plaats van deze wereld gedreven worden, of zal
Christus Zijn Heerschappij buiten de plaats van deze wereld hebben en
openbaren?
Meester: De hel blijft in de plaats van deze wereld tot het laatste einde,
doch voor het Hemelrijk verborgen, zoals de nacht in de dag verborgen is. Het
licht zal eeuwig in de duisternis schijnen, en de duisternis kan dit niet
begrijpen. Zo is het Licht het Rijk van Christus, en de duisternis is de hel,
waar de duivelen en de goddelozen
in wonen. Aldus worden zij door het Rijk van Christus onder-drukt,
en als voetenbank (dat is, tot spot) gezet.
52 Discipel:
Hoe zullen alle volkeren voor het oordeel gesteld worden?
Meester: Het eeuwige Woord Gods, waar alle geestelijke Creatuurlijke
leven van uit is gegaan, beweegt zich op dat moment naar Liefde en toorn in alle leven dat uit de eeuwigheid is, en plaatst het
Creatuur voor het Oordeel van Christus. Door deze beweging des Woords wordt het leven openbaar in al zijn werken, en een
ieder zal zijn eigen Oordeel en Gericht in zich zien en ondervinden. Want het
Oordeel wordt in het afsterven van het menselijk
lichaam direct in de ziel openbaar. Het eindelijke
oordeel is niet anders dan een wederkomst van het geestelijke lichaam en een
scheiding van de wereld, alwaar naar het wezen van de wereld en van het lichaam
het kwade van het goede zal worden gescheiden, ieder ding {wezen} in zijn
eeuwige ingang en verblijfplaats. Het is een openbaring van de verborgenheid
Gods in alle wezens en leven.
53 Discipel:
Hoe wordt het oordeel geveld?
Meester: Beschouw hier de woorden van
Christus, die zal spreken tot degenen aan Zijn rechterhand: Kom, gij gezegende
mijns Vaders, beërf het Rijk dat u bereid is vanaf het begin des werelds. Want
ik ben hongerig geweest en gij hebt mij gespijzigd; ik
ben dorstig geweest en gij hebt mij te drinken gegeven; ik was een vreemdeling
en gij hebt mij geherbergd; ik was naakt en gij hebt mij gekleed; ik was ziek
en gevangen en gij hebt mij bezocht en zijt tot mij
gekomen. En zij zullen Hem antwoorden: Wanneer
hebben wij u hongerig gezien, dorstig, een vreemdeling, naakt, ziek en gevangen
en hebben u aldus gediend? En koning zal antwoorden, en tot hen zeggen: Wat gij aan een van
mijn geringste broeders hebt gedaan, dat hebt ge mij gedaan. En tot de goddelozen aan zijn linkerhand
zal Hij zeggen: Ga heen van mij, gij
vervloekten, in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is.
Ik ben hongerig, dorstig, een vreemdeling, naakt, ziek en gevangen geweest en gij hebt mij niet gediend. En ook zij zullen Hem
antwoorden en tot Hem zeggen: Wanneer
hebben wij u aldus gezien en hebben u niet gediend? Dan
zal Hij hen antwoorden: Voorwaar, ik zeg
u, wat gij een dezer geringsten
niet gedaan hebt, hebt gij ook mij niet gedaan. En zij zullen ingaan in de
eeuwige smart, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.
54 Discipel:
Lieve Meester, zeg mij toch waarom Christus zei: Wat ge aan deze geringsten
hebt gedaan, dat hebt ge mij gedaan, en wat ge hun niet hebt gedaan, hebt ge
ook mij niet gedaan? Hoe kan men Christus zoiets doen, opdat het Hemzelf geschiedt?
Meester: Christus woont wezenlijk in het geloof van degenen die zich
volkomen aan hem overgeven, en geeft hun Zijn vlees tot spijze en Zijn bloed
tot drank, en aldus is Hij innerlijk de grondslag van hun geloof. Daarom wordt
een Christen een rank aan Zijn Wijnstok en een ‘Christen’ genoemd, want
Christus woont (Geestelijk) in hem. En wat men voor zulk een Christen in zijn
lichamelijke nood doet, doet men Christus zelf, die in hem woont. Want zulk een
Christen is niet zijn eigen zelf, maar is geheel aan Christus overgegeven, en
Zijn eigendom. Daarom geschiedt het aan Christus Zelf. Wie echter zijn handen
aftrekt van zodanig noodlijdende Christen-mens, en
hem in zijn noden niet wil dienen, die stoot Christus van zich weg en veracht
Hem, in zijn leden. Wanneer een arm mens, die Christus toebehoort, u iets
vraagt en ge weigert het hem in zijn nood, dan hebt ge
het Christus zelf ontzegd. En wat men aan leed verricht bij zulk een Christen-mens, dat doet men Christus zelf aan. Als men zulk
een mens bespot, veracht, lastert en van zich afstoot, doet men dat allemaal
Christus zelf aan. Als men hem echter opneemt, spijzigt,
te drinken geeft, kleedt en in nood bijstaat, doet men het Christus en zijn
eigen lichamelijke leden. Ja, men doet het zichzelf, zo men een Christen is;
want in Christus zijn wij één, zoals de boom in zijn takken.
55 Discipel: Hoe zal het op de dag des
oordeels gaan met hen die de arme en geringe mens kwellen, zijn bloed uitzuigen,
hem opjagen en hem met geweld tot zich trekken en als voetveeg gebruiken, en
dit alles alleen met het doel machtig te zijn, en het bloed in wellust,
hovaardigheid en lichtzinnigheid te verkwisten?
Meester: Zij allen doen dit Christus zelf aan en vallen onder zijn
gestrenge oordeel. Want zo slaan zij de hand aan Christus, vervolgen Hem in
zijn leden en helpen bovendien het rijk van de duivel uit te breiden. Door deze
verdrukking houden zij de arme ziel van Christus af, zodat ook zij een lichtzinnige
weg zoekt om zijn buik te vullen. Ja, zij doen niet anders dan de duivel zelf
doet, die zonder ophouden het Rijk van Christus wederstaat. Allen die zich niet
van ganser harte tot Christus bekeren en Hem dienen,
moeten het helse vuur in, want alleen daar wordt aldus gehandeld.
56 Discipel:
Hoe zal het dan hun vergaan die in onze tijd om het Rijk van Christus strijden,
en elkaar daarom vervolgen, schenden, smaden en lasteren?
Meester: Al dezen hebben Christus nog nooit gekend, en staan slechts in
het beeld, waarin Hemel en hel met elkaar om de overwinning strijden. Alle
opklimmen der hovaardigheid, waarin men niet anders dan om een mening strijdt,
is een vorm van eigendunk. Wie geloof noch
ootmoedigheid bezit en niet in de Geest van Christus staat, die is slechts met
de toorn Gods gewapend en dient de overwinning van de beeldelijke
eigenheid, d.i. het rijk van de duisternis en van de
toorn Gods. Want alle eigenheid zal op de dag des oordeels aan de duisternis
worden gegeven. Evenzo hun nutteloze twist, waardoor zij niet de liefde zoeken,
maar alleen beeldelijke eigenheid, teneinde
zich in hun meningen te laten zien, en waardoor zij de vorsten met dergelijke beeldelijke meningen aansporen tot oorlog en met haar
beelden land en lieden bestormen en verwoesten. Deze komen alle tezamen in het oordeel tot de scheiding, van het valse en
het ware. Dan zullen alle beelden en meningen ophouden te bestaan en alle
kinderen Gods zullen in de Liefde van Christus wandelen, en Hij in ons. Alles
wat in deze tijd van strijd niet ijvert in de geest van Christus, en niet
alleen de Liefde begeert te zoeken, maar eigen nut zoekt in de strijd, is van
de duivel, en behoort in de duisternis en zal van Christus gescheiden worden.
Want in de Hemel dient alles samen in ootmoedigheid, God, zijn Schepper.
57 Discipel:
Waarom laat God dit dan geschieden, dat er een dergelijke strijd is?
Meester: Het leven staat in strijd, opdat het zich zal openbaren, en tot
ervaring voert zodat tenslotte de wijsheid herkenbaar
wordt en tot eeuwige vreugde van de overwinning zal dienen. Want in de Heiligen
in Christus zal grote lof oprijzen, doordat Christus in hen de duisternis en
alle eigenheid der natuur heeft overwonnen, en zij van de strijd verlost zijn.
Hierover zullen zij zich eeuwig verheugen, wanneer zij zullen merken hoe het de goddelozen vergolden wordt. Zo
laat God alles in een vrije wil staan, opdat de eeuwige heerschappij naar
Liefde en toorn, naar licht en duisternis, zich
openbaart en bekend wordt, en een ieder in zichzelf zijn oordeel zal veroorzaken
en verwekken. Want wat nu de heiligen, in hun ellende, tot strijd en pijn is,
zal in grote vreugde veranderd worden, en wat de goddelozen in deze wereld tot lust en vreugde is, zal tot
eeuwige pijn en schande verkeren. Daarom moet de vreugde van de heiligen uit de
dood ontstaan, gelijk het licht van de kaars ontstaat door het sterven en
verteren in het vuur, opdat aldus het leven van de pijnlijkheid der natuur
verlost wordt, en een andere Wereld bezit. Evenals het licht een volkomen
andere eigenschap bezit dan het vuur, en zichzelf weggeeft, terwijl het vuur
zichzelf neemt en verslindt, aldus zal ook het heilige leven van de
zachtmoedigheid opwassen uit de dood, daar de eigen wil sterft en alleen de Wil
van Gods Liefde in allen regeert en alles doet. Want alzo
heeft het Eeuwige Ene de beperkte ervaring en afgescheidheid
aangenomen en zich hier wederom door de dood uit gevoerd, en in het grote
vreugderijk gevoegd. Zo moet nu de smart een grond en oorzaak zijn van zodanige
beweging. En hierin ligt het Mysterium van de verborgen wijsheid Gods.
Wie bidt, die ontvangt;
Wie zoekt, die vindt;
En wie aanklopt, die zal worden opengedaan.
De genade van onze Heer Jesus
Christus,
En de Liefde Gods,
En de gemeenschap met de Heilige Geest,
Zij met ons allen.
A M E N.
Einde van ’t Zesde Boek.
Dank de Heer,
want ge zijt nu genaderd
tot de berg Sion,
tot de stad van de levende
God, tot het Hemelse Jeruzalem,
tot myriaden engelen, één feestelijke
schare, tot de Ekklesia van de eerstgeborenen, die
opgeschreven staan in de Hemelen, en tot God, de rechter over allen, tot de
geesten der tot volmaking gekomen rechtvaardigen,
en tot Jesus,
de Middelaar van een nieuw verbond, wiens vergoten bloed van iets beters
spreekt dan dat van Abel.
(Hebreeën 12:
22-23)
Aan Hem die
op de troon gezeten is, en aan het Lam,
zij lof, eer, glorie en
kracht, tot in alle eeuwigheid.
(Openbaring
5:13)