over de vier

 

COMPLEXIËN;

 

Zijnde een

 

TROOST-SCHRIFT:

 

Dat is,

 

Een onderwijzing in de tijd der Aanvechting; voor een gedurig treurig aangevochten hart.

 

Waar de treurigheid van komt, en haar natuurlijke oorsprong heeft; en hoe de Aanvechting geschied.

 

Daarbij Troost-spreuken; zeer van nut voor Aangevochten harten en zielen.

 

Op ’t begeren Geschreven (in ’t Hoog-duyts)

Anno 1624. in Maart.

 

D O O R

 

JACOB BÖHME van Alt-Seydenburg  Teutonicus Philosophus  genaamd.

 

 

H E T   N E G E N D E   B O E K.


~~~~

 

Over de

 

 

VIER COMPLEXIËN.

 

HET  Ie  HOOFDSTUK.

 

Over de oorzaak der vreze of treurigheid; En wat het ontzetten of de angst is.

 

 

I.

 

Allerlei treurigheid en vrees, waar de mens zich in zichzelf over ontzet, is van de ziel; want de uitwendige geest van het gesternte en van de Elementen, ontzet zich niet, want hij leeft in zijn moeder die hem gebaard heeft. Maar de arme ziel is met Adam een vreemde herberg ingegaan (namelijk in de geest van deze wereld) waar de schone Creatuur verdekt werd, en in een duistere kerker werd gehouden.

2. De geest van de wereld heeft nochtans vier herbergen, waar het edele kleinood in gesloten staat. Onder deze vier is altijd één (en niet alle vier) in een mens voornamelijk openbaar, te weten, naar de vier Elementen die een ieder mens in zich heeft; hij is zelf van hetzelfde wezen – echter niet de ziel, die is niet van hetzelfde wezen, al ligt zij evenwel in hetzelfde wezen gevangen. Er heeft maar één herberg of gestaltenis van de vier het opperste regiment over het leven. Deze vier zijn genaamd; Cholerisch, Sanguinisch, Melancholisch, Flegmatisch.

3. I. Cholerisch, is de eigenschap van het vuur. Geeft kloekmoedigheid, verheven toorn, opklimmen der hovaardigheid, eigenzinnigheid, onverschilligheid naar anderen. Deze gestalte schijnt, naar de uitwendige wereld, in een vuur-licht; zij werkt naar ’t geweld {kracht} der Zon, en wil doorgaans Heer zijn.

4. II. Sanguinisch, naar de lucht, is subtiel, vriendelijk, vrolijk; doch niet sterk-moedig. Zij is veranderlijk, wordt makkelijk bewogen van het een tot het ander, ontvangt in haar Essentie de eigenschap en ’t vernuft van ’t gesternte. Zij is tuchtig en kuis, en voert grote heimelijkheid in haar wetenschap.

5. III. Flegmatisch, naar de natuur en eigenschap des waters, vleesachtig, grof en week, vrouwelijk, van een matig begrip. Houdt vast wat ze in zich ontvangt. Kunst {vaardigheid} moet door geluid of leren in haar gebracht worden; zij vindt niets in de wortels van haar eigen zelf. Ze laat alles goed zijn, maakt zichzelf niet zwaarmoedig, zij heeft een glans van het licht, niet treurig noch hoog vrolijk, maar alles licht en serieus.

6. IV. Melancholisch, de natuur en eigenschap der aarde. Gelijkt de aarde, koud, verhard, duister, treurig en hongerig naar ’t licht. Altijd bevreesd voor Gods toorn.

7. Want de aarde en stenen, die zijn buiten de eeuwige Wezendheid (dat is; in de ontstoken begeerte) in ’t fiat, naar de eigenschap van de toorn en het licht begrepen geworden. Het kwade en het goede is onder elkaar. Het goede heeft doorgaans een vrees voor het kwade, daar is een gedurig vluchten. Het goede wil doorgaans van ’t kwade vlieden, gelijk aan het metaal te zien is, waar zijn tinctuur goed is, en het gans aardse deel, boos en grimmig. Daar wil de tinctuur der metalen van ’t aardse vlieden (voornamelijk wanneer het boze gesternte haar beweegt) en wil uit het Centrum. Daardoor komt het dat metalen uitzetten, want haar tinctuur drijft haar begeerte uit haar, en begeert te vlieden. Vat evenwel in de begeerte, een zodanig lichamelijk wezen, gelijk de geest of de begeerte is; daarvan komt het metaalachtige lichaam.

8. De Melancholische natuur is duister en dor, geeft weinig wezendheid, zij eet zich in zichzelf {houdt zichzelf in stand mét zichzelf}, en blijft gedurig in ’t treurhuis. Wanneer de Zon in haar schijnt, is zij toch in zichzelf treurig, al krijgt ze zo enige verkwikking, door de glans van de Zon, maar in de duisternis is zij doorgaans in vrees en verschrikking voor Gods Oordeel.

 

 

Alhier merkt een treurig gemoed.

 

9. Wanneer nu een van deze Complexiën in de mens de overhand heeft, wanneer hij hierin gecomplexioneerd is, dan staat de arme ziel (zijnde het edele kleinood) in ditzelfde huis en moet zichzelf in deze tijd (wanneer zij het licht Gods niet volledig in zichzelf bereikt) met de glans der Zon behelpen, omdat haar in Adam, het Goddelijk Licht-oog in de aardse eigenschap (waar zij inging) versloten is. De ziel heeft in Adam de uitwendige Complexie in zich gelaten, zijnde de geest van de grote wereld, van de Sterren en Elementen.

10. In deze tijd woont nu de ene in de ander; de ziel in de Complexiën, en de Complexiën in de ziel. Toch begrijpt het ene de Essentie van de andere niet. De ziel is dieper dan de uitwendige geest. Desondanks hangen ze aanelkaar, als de inwendige en uitwendige wereld, waar toch de ene de ander niet is; zo is ook de uitwendige geest ook niet de ziel.

11. Weet verder dat de ziel in haar substantie een magische vuur-kwaal is, uit de natuur van God de Vader. Zij heeft een grote begeerte naar het Licht, zoals God de Vader in grote begeerte Zijn Hart (het Centrum van het Licht) van Eeuwigheid begeert, en in Zijn begerende Wil deze uit de vuur-eigenschap baart, zoals het licht uit het vuur geboren wordt.

12. Nu kan er geen vuur zijn, of er moet een wortel tot het vuur zijn; dat is het Centrum of de gestalte van de natuur. Deze heeft de ziel ook in zich; ze brandt uit de gestalte van de natuur, dat wil zeggen, uit de duistere wereld, die haar in haar eigenschap der begeerten drijft tot aan het vuur, want zij begeert de vrijheid, dat is het Licht, zoals uitgelegd in ’t Boek van ’t Drievoudige Leven. 

13. Omdat de ziel een hongerig magisch geest-vuur is, begeert zij geestelijke Wezendheid (dat is, Kracht), waardoor zij haar vuur-leven kan onderhouden, en de vuur-eigenschap verzachten.

14. Nu is wel bekend, hoe zij zich met Adam in ongehoorzaamheid, in de geest van deze wereld heeft ingewend, en van de geest van deze wereld heeft gegeten. Daarom werd Christus mens, in onze Essentie, opdat Hij haar wederom door ’t Centrum en door ’t vuur Gods, in het Licht (dat is, in de wereld der zachtmoedigheid) inwendt, wat nu in de Persoon van Christus alzo geschied is.

15. Maar omdat onze ziel, als door ’s moeders lichaam, in de geest van de grote wereld, in de Complexiën staat, zo eet zij van stonden aan van ’s moeders lichaam (ja, in de moeder) van de geest van de wereld.

16. De ziel eet geestelijke spijze, namelijk, van de geest of gestaltenis der Complexiën; niet geheel van dezelfde Essentie, maar magisch, het is een aansteking van haar vuur; de Complexie wordt in het vuur van de ziel zielachtig, het is gelijk hout en vuur. De Complexie is als het hout, en de ziel als het vuur. Het vuur moet hout hebben; namelijk óf de uitwendige Complexie, óf een Goddelijke Wezendheid van ’t Wezen Gods. Van één van beide moet ze eten, of ze verderft. Maar in haar is geen verderven mogelijk, want zij is een begeerte, en waar een begeren is, daar is ook wezen, de begeerte maakt zichzelf tot wezen.

17. Nu kunnen we begrijpen waarom een zodanig onderscheid tussen de mensen bestaat, in willen en in doen: want waar de ziel van eet, waarin haar vuur-leven wordt aangestoken, daar voert het leven van de ziel het regiment. Wanneer de ziel zich nu uit haar Complexie wendt, in het lieve vuur Gods, in de Hemelse Wezendheid (welk de lichamelijkheid van Christus is, naar de Licht Wereld van de Engelen) dan eet zij van Christus’ vlees, van het Hemelse, zijnde Zijn Eeuwige Wezendheid, van de zachtmoedigheid, van ’t Licht der Majesteit; in welk het vuur van God de Vader in de glans een tinctuur maakt. In deze Wezendheid, als in de water-kwaal van het Eeuwige Leven (waar Christus van zei; Hij wil ons zodanig Water te drinken geven) daarvan eet het vuur van de ziel, dat is, van de Goddelijke Hemelse Wezendheid, welk in de tinctuur, in Hemels bloed wordt veranderd, geestelijk te verstaan. Daarvan krijgt de ziel een Goddelijke Wil, en voert het lichaam in dwang om te doen hetgeen het zelf niet graag wil, naar zijn eigen gestalte en geest van deze wereld. Hierin moet de Complexie in de ziel niet regeren, zij staat alleen in het wezen van het vlees, en voert het vleselijk regiment, het uitwendige lichaam betreffend. Deze mens vraagt naar Gods Woord, en heeft doorgaans een gedurig verlangen naar God, zijn begeerte is altijd over God te spreken, en wilde doorgaans gaarne de zoetigheid Gods nog meer smaken, maar wordt door de Complexie verdekt en verhinderd, zodat in hem een gedurige strijd blijft.

18. De ziel strijd tegen de Complexie, want zij zijn nu aan een enkele band. De Complexie strijdt tegen de ziel, zij wil doorgaans gaarne in ’t vuur van de ziel, en zich aansteken opdat zij leeft. Want wanneer de ziel van Gods Woord eet, dan is de Complexie, naar het uitwendige leven, onmachtig en gevangen, daar zij toch in zichzelf leeft.

19. De ziel is nochtans zo getrouw (voornamelijk Gods Liefde, die alleen haar wezen te hulp komt) dat ze menigmaal (wanneer zij van het lieve Wezen Gods eet) een triomf en Goddelijke smaak in de Complexie voert, waarvan ze sidderend en hoog vreugden-rijk wordt, en het ganse lichaam opwekt, alsof nu het Paradijs voor handen was. Maar dit heeft geen gedurig bestand, de ziel wordt zeer haast met iets anders bedekt, dat in de Complexie valt, en de uitwendige imaginatie van de geest van de grote wereld in de Complexie invoert. Hiervan ontvangt zij een spiegel, en vangt aan hierin te imagineren, dan gaat zij van Gods Geest uit, en wordt menigmaal in de drek gewenteld, wanneer de Jonkvrouw van de Goddelijke Wijsheid haar niet wederom roept tot de omwendig, welk de ziel tot een spiegel wordt voorgehouden.

 

 

Meer over de Complexiën

 

20. Wanneer de ziel in de Complexie imagineert, en hiervan eet, en zich van Gods Woord en Wil afwendt, dan doet zij dit naar de eigenschap van de Complexie: zij neemt alles aan wat van ’t gesternte in de Complexie wordt geworpen, en alles dat de geest van de grote wereld door zijn imaginatie in de Complexie invoert; zij vergiftigt haar door de begeerte in de Complexie, aan alle uiterlijke wezens, aan alles wat de wereld doet, aan woorden en werken. Zulks voert de begeerte van de Complexie in ’t zielen-vuur; daarin brandt het vuur der zielen.

21. Hier vindt men hoe alle boze daden en werken in ’t vuur van God de Vader (in welk de ziel staat) branden; wat de Liefde Gods niet gelijk is, kan de Liefde niet aannemen. Alhier vindt men wat en hoe de zonde is; Hoe God vertoornd wordt wanneer Hem met het branden of leven van de ziel zodanige gruwelen (gelijk de mens doet) worden in-gevoerd, die de ziel van de Liefde Gods ophouden, en ’t vuur van de ziel aan Gods Wijsheid en Licht stokblind maken.

22. Want de Geest Gods gaat niet in hetzelfde vuur-branden of leven der gruwelen, totdat de ziel er weer uitgaat, en zich wederom in ’t water des eeuwigen levens reinigt of wast, welk door ernstige boete geschiedt, aldaar wordt zij in ’t vuur van de zachtmoedigheid Gods, en in de Heilige Geest vernieuwd, gelijk een nieuw kind, en begint wederom van dit water te drinken, en leeft met God.

 

Over de vier Complexiën en hun eigenschappen: Wat de ziel en de ganse mens doet, wanneer de ziel haar vuur-leven bloot van de Complexie, en alleen van ’t gesternte aan-steekt.

 

23. Wanneer het ziele-leven met de Cholerische Complexie omvangen is, dan is zij vurig, grimmig, opklimmend en verterend: geeft ook een zodanig lichaam, welk mager, boos-achtig, grimmig en toornig is. Wanneer de ziel hierin imagineert, dan steekt zij de Complexie nog meer aan, want zij is ook vurig. Zo worden in de mens toorn, hovaardigheid, begeerte tot opklimmen in macht en pracht en alles onder hem te drukken aangestoken; hij is een bespotter der ellendigen, heerser over de gebogen knieën, en acht niets, alsof het schoon in toorn dood blijft. Dit verhindert het gesternte, die menigmaal met een vereniging de Complexie tegenstand biedt, en veel verhindert.

24. Er is bij deze Complexie grote gevaarlijkheid wanneer de ziel de uitwendige imaginatie leeft; zij heeft een harde band wanneer de ene vuur-kwaal aan de andere gebonden is.

25. De grimmige duivel heeft een geweldige toegang tot haar, want de eigenschap van het vuur dient hem: Hij is ook hovaardig en afgunstig, zo is de Complexie ook. O! Hoe zwaarlijk wordt de ziel los, wanneer zij in deze eigenschap recht is ontstoken: de duivel behoeft haar niet aan te vechten, want zij volgt hem gans gewillig na in zijn spelen. Zij wordt niet makkelijk treurig, want zij heeft in de Complexie  een vuur-licht, en zij meent doorgaans dat het Gods Licht is, dat ze op de goede weg is. Zij is echter een hovaardige, afgunstige, toornige, geweldadige, neer-drukkende wil en geest, zolang de ziel zich met de Complexie alleen behelpt. O! Zij geeft gaarne een schijnheilige glans, in haar pracht uit haar vuur-Complexie en schijn. In haar grote hovaardigheid en hoogmoed wil zij ook een heilige genoemd worden. O! Duivel, in Engelengestalte, hoe duister zijt gij, wanneer de Complexie in ’t sterven verbreekt!

26. De Sanguinische Complexie is zacht, licht en vreugden-rijk, naar de eigenschap van de lucht. Zij is zinnelijk, zacht en lieflijk, vergelijkt zich het leven.

27. Is de ziel met deze Complexie omvangen, en imagineert zij hierin, en leeft zij naar haar wil, zo vertoont zij zich vriendelijk en listig. Ze wil veel ondervinden, het komt haar ook ter hand; al hetgeen ’t gesternte maakt, ondervindt zij in de Complexie. Zij is vrolijk, doch voor het geweld van het vuur (dat is voor de grote Hansen {rijke kerels}) haast versaagd, maar in zichzelf machtig: in eigen zelf-zin zonder raad: zij is door de Complexie, naar de uitwendige geest, van een scherp vernuft, zij doet niet snel in toorn iets schadelijks, ze is verheffend, en grootmoedig, ook haast weder vallende, gelijk  de lucht. Zij moet zich wachten, de duivel is haar vijand, hij kan in de Complexie niet veel aan haar hebben. Hij zou haar graag verwarren, dat zij menigerlei zinnen zou voeren, opdat ze naar het Rijk Gods niet zou mogen imagineren. Hij werpt haar zeldzame dingen voor, om haar tijd mee te verdrijven. Zij studeert graag in veel dingen, want de Sterren werpen haar imaginatie in de lucht, daarvan krijgt zij veel wijdzwevende gedachten.

28. Deze mens spot met ieders vroom eenvoudig leven, maar de duivel hitst treffelijk zijn vijanden tegen hem op. Hij moet veel lijden, gaat er nochtans licht doorheen, gelijk de lucht door iets heengaat; hij is zelden zeer treurig. Want hij voert geen vurig hart, en hierdoor brandt ook het verschrikken niet hard in hem. Hij mag zich voor ontucht en afgoderij wel wachten, in zulks heeft de duivel in deze Complexie een toegang.

29. Flegmatische Complexie, naar het water. Is de ziel met deze Complexie omvangen, en dat haar leven zich hierdoor opblaast, zo is ’t een dik gezwollen leven, plomp, zeer snode en licht-achtende, grof van lichaam, en van een slecht vernuft. Doch door leren wordt allerlei gemeengoed daarin gebracht. Daar ’t geweld van de maan daarmede niet toekomt, zo is ’t een zeer grof blok, daartoe (door het geweld van de maan) zeer onrechtvaardig.

30. Uit deze Complexie kan men allerlei maken, de water-geest neemt allerlei aan. Zeer haast het kwade, zeer haast het goede, en geeft zichzelf gaarne voor een heilige huichelaar, meet zichzelf een vroom en rechtvaardig leven toe, maar het wordt nochtans vermengd. Het water is schijnende, de ziel wordt ook Gods toorn en de duistere wereld, welk haar Centrum is, niet licht gewaar, neemt vrijmoedig de gruwelen des werelds aan, en verdekt zichzelf onder de glans des waters, in de menig dat het Gods glans is.

31. In deze Complexie kan de duivel alle boosheid die hij in de hel weet in-voeren, wanneer ’t gesternte ’t niet verhindert, en de ziel het toelaat. Hij bekomt alhier zo veel als in ’t vuur, in des vuurs Complexie, want de zonde wordt hierin zo licht geacht, gelijk een water-stroom voorbij loopt. Hij heeft hierin ook macht, om hem met de treurigheid aan te vechten, wanneer zij hem ontlopen wil. Want hij verduistert de glans des waters, door de in-gevoerde zonden, en omvangt de ziel opdat zij van God terug blijft. Maar in de storm der ziel, zo zij hem met geweld uit het treur-huis wil ontlopen, bestaat hij alhier niet; de Complexie is te zwak, in ’t vuur kan hij beter bestaan.

32. De Melancholische Complexie vergelijkt zich met treurige aarde, die doorgaans in vreze staat voor de grim Gods, welk met de schepping in haar kwam. Zij geeft middelmatig verstand, doch iets diep-zinnigs.

33. De kamer van deze Complexie staat open, daar kan veel begrepen worden, wanneer de zwaar-moedigheid ’t niet verhinderd. Wanneer de ziel met deze Complexie omvangen is, dat zij hiervan eet, zo wordt haar vuur-branden zeer donker, zeer treurig. Zij acht geen wereldlijke wellustigheid groot, zij is door de Complexie doorgaans zwaar-moedig en bevreesd, gelijk de aarde. De duivel vecht haar hard aan, hij zou haar doorgaans gaarn volkomen in de duisternis, in zijn rijk willen werpen.

34. Want waar ’t donker is daar gaat hij gaarne in, hij maakt de ziel voorbeelden, en verschrikt haar met zijn schalksheid, dat zij aan de Genade Gods zou vertwijfelen. Want de ziel, in deze Melancholische kamer, voert zich anders niet veel dienstelijks in; wanneer zij zich van Gods Genade afwend en gans lichtvaardig wordt, kan zij naar het lichaam een moordenaar of rover worden, en acht een mens, God en de duivel allen gelijk. Want wanner zij zich overgeeft, en de Complexie met haar laat doen wat hij wil, zo doet deze mens alles wat het gesternte in de Complexie werkt, en de duivel vermengt zijn imaginatie daarin.

35. Maar zo lang zij in de strijd blijft tegen deze treurige Complexie, zo is er geen onder de vier Complexiën waar minder boosheden ingevoerd worden, want zij is doorgaans in strijd tegen de duivel, zij weet dat zij hem zeer nabij tot een buur heeft. Want de duisternis is zijn woonhuis, daarom vecht hij de Melancholischen zo gaarne aan. Hij wil hen in de duisternis hebben, of hen doen vallen, dat zij vertwijfelen en zich overgeven.

36. Want hij weet wel wat de ziel kan doen, wanneer zij ’t Licht Gods in zichzelf aansteekt, zo steekt zij hem zijn geroofde kracht aan, aldaar staat hij in grote schande, en zijn bedrog wordt openbaar.

37. De wil des duivels wordt in geen Complexie meer openbaar (wanneer de ziel in het Licht Gods wordt aangestoken) dan in de Melancholische, gelijk de aangevochtenen wel weten wanneer zij hem zijn geroofde vastigheid verbreken, zij herkennen in de Complexie in de natuur haast, wat hij voor een ellendige onbeschaamde vogel is. Hij nadert hen daarna niet graag. Wanneer hij dan ziet dat de ziel zeker is, en in ’t huis der zonden te gast gaat, aldaar komt hij dan gelijk een vriendelijke hond, dat de ziel hem niet kent, hij strooit er suiker op, meet de ziel vroomheid toe, totdat hij haar wederom in de Complexie kan invoeren, dat zij treur-spijs eet.

38. O! Hoe schalk-achtig gaat hij met haar om, gelijk een vogel-vanger de vogelen nagaat. Hij verschrikt haar in haar gebed, voornamelijk bij nacht wanneer het duister is. Werpt zijn imaginatie in haar, daat haar dunkt dat de toorn Gods over haar is, en haar te gronde wil werpen. Hij doet doorgaans gelijk of hij macht over de ziel had, gelijk alsof zij hem toebehoorde, maar hij bezit nog geen haar. Het is dat zij zelf versaagt, en zich aan hem overgeeft. Geestelijk durft hij haar niet aan te raken noch te bezitten, alleen schiet hij met de imaginatie door de Complexie in haar.

39. De oorzaak waarom hij deze ziel zozeer aanvecht, is deze; omdat de kamer van deze Complexie duister is: in het licht kan hij zijn imaginatie niet in-schuiven, hij moet zulks alleen met des mensen zonden doen. Maar in deze Complexie kan hij het doen, zij is zijn begeerte na-verwant, in deze begeerte maakt hij duisterheid, dat hierin vrees is vanwege de ruige aarde. Anders heeft hij hier niet een vonkje meer recht in of tot, dan in de anderen. Met de imaginatie kan hij niet anders uitrichten, dan dat hij de mens verschrikt en twijfelachtig maakt. Wanneer de ziel zelf niet versaagt en zich niet aan hem overgeeft, zo voert hij haar daarheen, dat zij zichzelf te gronde werpt. Hij durft haar niet neder te werpen, ’t is dan dat zij het zelf doet.

40. De ziel heeft vrije wil; staat zij voor de duivel, en wil ze niet gelijk hij wil, dan heeft hij niet zoveel macht, dat hij haar aan ’t uitwendige zondige lichaam durft aan te raken. Hij beroemt zich de macht wel, maar hij is een leugenaar. Zo hij macht had, zou hij dit snel bewijzen. Maar nee, Christus heeft met zijn ingaan in de dood, in de duistere kamer des doods, en in de hel, voor alle zielen de poorten op-gesloten, en ieder mag ingaan. De strik des duivels, aan welk hij de ziel in Adam bond, is hem aan het kruis verscheurd. O! Hoe ongaarn hoort hij van het kruis spreken: het is hem een pestilentie, wanneer zulks met ernst geschied.

41. De duivel werpt de Melancholische mensen doorgaans gaarn hun zonden voor, en geeft voor dat zij de genade Gods niet kunnen bekomen. Zouden zij maar vertwijfelen, zich door-steken, verdrenken, verhangen, of elkander vermoorden, dat hij maar alzo een toegang in de ziel mocht bekomen, want hij durft noch kan haar anders aanraken.

42. Maar kan hij ’t daartoe brengen, dat zij hem inwilligt zulks te doen, zo is hij gelijk ene beul, die een gevangene bindt, en tot het gerecht voert. Evenwel durft hij haar niet te rechten noch om te brengen, ’t zij dat zij het zelf doet.

 

Recept voor de Duivel

 

Wanneer hij de arme ziel aanvecht, dat zij zoude vertwijfelen, zo moet men hem, wanneer hij komt, dit Recept te eten geven.

 

43. De duivel is een stoute hovaardige geest, die men de meeste pijn aan kan doen, dat hij het snelste wijkt, door hem met een frisse moed tegemoet te treden, gans trots en hovaardig, zich niet voor hem ontzettend, want hij heeft niet een strohalm kracht, en hem alleen te bespotten; werp hem zijn val voor, hoe hij zo’n schone Engel is geweest, en nu een zwarte duivel is geworden.

44. Disputeer in eerste instantie op generlei wijze met hem, wanneer hij komt met het register der zonden, en zijn geweld toont, en zijn toegang tot u; geef hem hierop eerst geen antwoord. Maar wanneer hij komt, en met de imaginatie aan de ziel stoot, en u kwade gedachten inwerpt, en u uw zonden voorwerpt, en doet alsof hij u in de verschrikkelijke aanblik wilde wegvoeren, grijp dan een trotse moed, en spreek tegen hem;

45. Ziet! Vanwaar komt gij ellendige? Ik meende dat gij in de Hemel onder de Engelen was, en nu komt gij hierheen gereisd, en sleept met het register van de toorn Gods. Ik meende dat gij een Vorst in God was, hoe zijt gij dan Zijn beul geworden? Bent ge dan uit zo’n schone Engel een beuls-knecht geworden? Zeg, gij stinkende beuls-knecht, wat hebt gij bij mij te doen? Zijt gij Gods Dienaar, ga dan in de Hemel, bij de Engelen. Ga weg, gij beuls-knecht, ga tot uw Engelen, gij hebt hier niets te zoeken.

46. Dit recept eet hij graag, ’t dient tot zijn gezondheid. Wanneer hij nu niet wijkt, maar het register der zonden al voorleest, zo sta voor hem en spreek: Hoor, lees eerst dit: Het Zaad der vrouwe zal de slang zijn kop vertreden; kon gij het niet vinden? Wacht een weinig, ik zal een kaars aansteken, dat gij het zelf ziet, want het staat vooraan in de Bijbel, waar Adam in de zonde viel, zo schrijft eerstelijk de toorn Gods: Want des wijfs zaad zal u den kop vertreden. Dit is het andere recept dat hij gaarne eet.

47. Als hij nog niet wijkt, en zegt; gij zijt een groot zondaar, en hebt met voornemen deze of gene grote zonde begaan, ook wel wetende dat het onrecht was. Wilt gij u nu met Gods Genade verontschuldigen? De toorn Gods is al reeds in u ontstoken, en gij zijt des duivels eigen.

48. Alzo komt het de arme ziel in, door des duivels imaginatie, dat zij haar vreest, en denkt: gij zijt een grote zondaar, God heeft u verlaten, vanwege uw zonden, en nu zal de duivel u daarheen weg-nemen, en uw dispuut beëindigen; zodat de ziel aanvangt zich voor hem te ontzetten.

49. Wanneer hij u zo tegemoet treedt, grijp dan wederom, uit Christus, een moed tegen hem, en spreek; Duivel, ik heb nog wat voor u, opdat gij wederom een Engel kunt worden. Het bloed van Christus maakt ons rein van alle zonden, de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken ’t geen verloren is.

50. Wat zoud gij duivel daar wel om geven, dat God in u mens was geworden? Ik heb doorgaans een open Deur der Genade, maar gij niet, gij zijt niet anders dan een leugenaar. Scheer u weg, gij hebt niets aan mij. Al is het dat ik een zondaar ben, zo is het uw schuld. Gij hebt me met uw bedrog de zonden in mij gewrocht. Neem nu hetgeen van u is, het lijden en sterven van onze Heer Jesus Christus is van mij. Hij is daarom mens geworden, omdat hij ons van zonden wil verlossen. Gij hebt in mij de zonden gewrocht, behoud deze voor u, en mijn Heer Jesus Christus heeft de gerechtigheid, die voor God geldt, in mij gewrocht, deze behoud ik voor mij. Zijn lijden en sterven voor de zonden is van mij, Hij is voor mijn zonden, die ik heb gedaan, gestorven, en is in Zijn Gerechtigheid opgestaan, en heeft mijn ziel in Zijn genoegdoening gevat. Christus is in mij, en ik ben in Hem, en mijn zonden zijn in u, en gij zijt in de hel.

51. Spot met hem: Ai! Gij schone Engel, die niet één dag in de Hemel kon blijven: gij was een vorst, en sleept nu met het register der zonden, met de drek-zak, gij beuls-knecht, neemt mee mijn zonden in uw beuls-zak, gij zijt toch niet anders dan een knecht der zonden geworden! Breng deze uw Heer, zo raak ik ze kwijt, zo blijft de verdienste van Christus in mij. Christus sprak, Matth 10. Mijn Schaapkens zijn in mijn handen, en niemand kan hen daaruit rukken. De Vader Die mij hen gegeven heeft, is groter dan alles. Gij schone Engel, hoe zijt gij tot een drager van de zak der zonden geworden? Uit een Vorst een beuls-knecht; vaart met uw zak der zonden maar heen, en neem de mijne ook mee. Gij hebt toch niets anders dan zonden van node, aan mijn ziel hebt gij geen deel. Eet mij als ge kunt, hier sta ik. Maar hoor! Ik heb een teken in mij, het teken des Kruizes, aan welk Jesus de zonde en dood verwurgde, en de duivel zijn hel verstoorde, en hem in de toorn Gods bond. Eet ook hiervan, zo wordt gij wederom een Engel.

52. En laat de zinnen niet met hem disputeren, ontzet u ook niet voor hem, maakt u kloekmoedig, hetzij bij dag of nacht. Hij durft u niets te doen, al is ‘t dat gij hem op het gruwelijkste bespot wanneer hij oorzaak geeft. Anders, bespot hem niet.

53. Wanneer hij niet met een verschrikken van de vreze komt, dan is hij daar niet, maar het is de ontzetting van de ziel voor de duistere afgrond, deze ontzet haar voor de toorn Gods. Zij denkt menigmaal, wanneer de Melancholische Complexie met de grimmigheid van ’t gesternte wordt aangestoken, dat de duivel daar is, maar hij is er niet. Wanneer hij komt, dan komt hij hetzij met een hard verschrikken, of gelijk een Engel, zeer vriendelijk, gelijk een flaterend hondje.

54. Komt hij in ’t duistere, en dat gij op een duistere plaats zijt, en u verschrikt, wijk dan niet voor hem van die plaats, en vlucht niet voor hem, hij is zulks niet waardig, dat een mens voor hem wijkt. Bespot hem in de duisternis, zeg; Ziet! Zijt gij daar? Ik meende dat gij een Engel des Lichts was, en nu staat gij daar en loert in de duisternis, gelijk een dief. Er zijn voor u wel andere plaatsen waar het meer stinkt dan hier. Gij zoekt toch naar niets anders dan de stank der zonden. Daag hem echter niet uit, opdat hij geen oorzaak bekomt.   

55. Een kloekmoedig mens, die niet wijkt, hem verschrikt de duivel niet snel, voornamelijk wanneer hij zich verstout, en hem bespot. Want hij is hovaardig, en wil doorgaans Heer zijn, en wanneer de mens niet voor hem wil wijken, verdriet hem dat, en hij blijft daar niet wachten.

56. Wanneer hij nochtans ergens gaat met zijn stank, ga er dan terstonds vandaan, zeggende: Gij stinkende beuls-knecht, hoe ruikt gij naar uw herberg, het ruikt al evenzo in een bevuilde plaats; en hij zal u niet snel meer met verschrikken nader komen.

57. En laat uw gemoed met hem generlei dispuut houden, hij is zulks niet waardig. Beeld u alleen dat enige spreukje in, daaraan hebt gij genoeg, gij behoeft geen vertroosting meer in ’t verschrikken. Het bloed van Iesus Christus, des Zoons Gods, maakt ons rein van alle zonden. Wikkelt al uw zinnen hierin, en laat geen andere uit u gaan, de duivel schuift u door zijn imaginatie in wat hij wil; bedenk toch, het zijn leugens, alles wat de duivel zegt. Maar de spreuk is waar. Houd de spreuk voor u, en laat de duivel inschuiven wat hij wil.

58. En zoek op de invallende schrik niet te veel spreuken, want hij is u te listig, en scheurt de eerste en de beste uit uw hart, dat gij deze vergeet of eraan twijfelt. Wikkel de ziel alleen in deze enige, hij is hem tot een tegenstand sterk genoeg. Wanneer gij uw ziel hierin wikkelt, dan moogt gij met hem wel spotten. Hij kan u niet aanroeren, zal ook niet lang vertoeven, zo gij maar niet van hem wijkt, dan is hij voor zijn andere dienaren aan de mens tot spot geworden, ook voor de heilige Engelen; aldaar vlucht hij voor alle dingen, aleer gij hem bespot.

59. Repeteer de spreuk, vat hem in ’t hart, en neem u een kloeken moed tegen hem. De geest die in de spreuk steekt zal u wel bijstaan. Al is het dat de ziel voor hem siddert, en evenwel in de grim tegenover hem staat, alsof ge het leven zou overgeven; u zal niets wedervaren, hij durft geen macht te gebruiken, heeft die ook niet. Terwijl de mens in deze wereld leeft, durft hij hem niets te doen. Want Christus heeft de Deuren der Genade opengedaan, deze staan voor de arme zondaar open zolang hij op aarde leeft, deze Deuren der Genade staan in de ziel des mensen open.

60. Christus heeft dat vaste slot, welk in de toorn Gods was gesloten, in Zijn Ziel verbroken. Nu komen alle zielen uit één Bron-Ziel, zij zijn ontstaan uit één, ze zijn tezamen maar één boom met vele takken. Zijn opensluiting is op alle zielen gegaan, uit Hem op Adam, en op de laatste mens. De Deur der Genade staat voor allen open, God heeft deze voor niemand anders gesloten dan voor alleen degene die zelf niet wil. Het teken van Zijn ingang in de mensheid, is aan alle zielen openbaar, en zal ook een getuigenis over de goddelozen zijn op de Dag des Oordeels, dat zij dit teken veracht hebben. Al was het dat onze zonden bloed-rood waren, gelijk Esaias zei, evenwel staat hem de Deur der Genade nog open, want wanneer hij zich bekeert, zullen ze sneeuw-wit worden als wol. Verder zei Esaias: Kan een Moeder haar kind vergeten, dat zij zich niet erbarmt over de Zoon hares lichaams? En al was het dat zij zelf vergaat, zo wil ik hem niet vergeten, want ziet! In mijn handen heb ik u getekend; namelijk in Zijn met nagelen doorboorde handen, en in Zijn holle zijde heeft Hij de ziel aller zielen getekend.

61. Wil nu iemand niet komen, en zich daarin leggen, maar het litteken van Christus verachten, of deze door de duivel laten toedekken, die is zelf schuldig; en al is het dat hij het verdekt, evenwel staat ’t toch in de grootste zondaar die in deze wereld is ingedrukt. Wanr Esaias zei, in de geest van Christus; Ofschoon een Moeder haar kind vergat (welk toch smartelijk toegaat) evenwel zal Zijn Liefde en Genade niet vergeten zijn. Hij heeft de ziel niet vergeten, al was zij bloed-rood in de zonde, want Hij heeft het in Zijn bloed en in Zijn dood ingetekend. Niet alleen ettelijke, maar de gehele boom met zijn wortel en takken. Gelijk de zonde van één op allen kwam, zo ook kwam de gerechtigheid door Christus op allen, zoals de Apostel zei; Gelijk de zonde van één op allen drong, zo drong de gerechtigheid uit van Christus, ook van één op allen, ten leven.

62. Maar dat zij allen niet willen, dat is hun eigen schuld. Zij hebben vrije wil. God wil dat alle mensen geholpen worden. Psalm 5; Gij zijt geen God die het kwade wil. Ezech 33; Zo waar ik leve, spreekt de Heer; ik wil de dood des zondaars niet, maar dat hij zich bekere en leeft.

63. Hierover moet geen ziel denken; de maat van mijn zonden is vol, God heeft mij vergeten, ik kan niet zalig worden. Nee! Hij heeft hem in Zijn handen, in de nagel-tekenen ingetekend, hji is een takje aan de grote boom van alle zielen, één in dezelfde Bron, gelijk de takken met de boom. Terwijl hij in deze wereld leeft, staat hij in de boom, zolang de ziel met vlees en bloed bekleed is.

 

 

HET  II.  HOOFDSTUK.

 

Van de aanvechtingen uit de Complexie,

en uit het gesternte.

 

 

64. De aanvechting geschiedt niet alleen door de duivel, voornamelijk bij de Melancholische mensen. De meeste treurigheid komt van de inbeelding der zielen; wanneer deze in een Melancholische herberg moet staan, wordt zij aldaar zeer licht treurig, en denkt dat God haar vergeten heeft, en haar niet begeert. Want de Melancholische Complexie is donker, en heeft geen eigen licht, gelijk de andere. Zij behoort nochtans niet tot het wezen der ziel, zij is in deze tijd van het uitwendige leven niet anders dan het woonhuis van de ziel. Ook staat de heiligheid en de gerechtigheid der ziel niet in de Complexie, maar in de Hemel bij God, want Paulus zei: Philipp.3. Onze wandel is in de Hemel. Deze Hemel, waar God woont, is in de Complexie niet openbaar, maar in zichzelf, in ’t tweede Principium.

65. Het geschiedt menigmaal dat de allerheiligste zielen zeer verdekt en treurig worden. God laat zulks menigmaal toe, opdat zij geprobeerd zouden worden, te worstelen om het edele Ridder-kransje.

66. Want wanneer de ziel het kransje van de Heilige Geest, met storm en in grote bestendigheid, in de strijd bekomt, dan is ze veel edeler en schoner dan wanneer ’t de ziel pas na het sterven van het lichaam wordt opgezet. Want de openbaring van Jesus Christus zei: wie overwint, die zal ik op mijn Troon zetten, gelijk ik overwonnen heb, en met mijn Vader op Zijn Troon zit. Zo wie overwint, zal ik te eten geven van het verborgen Manna, en ik zal hem een goede getuigenis geven, en met het getuigenis is een nieuwe naam geschreven, die niemand kent, dan degeen die het ontvangt.

67. Het gesternte heeft menigmaal een kwade conjunctie of samenkomst, en menigmaal duisternis aan Zon en Maan. Wanneer Mars dan zijn vergif-stralen hierin werpt, en de conjunctie in een aards teken geschiedt in de Melancholische kamer, zo verschrikt zulks de zielen die met een Melancholische Complexie omvangen zijn machtig: zij menen doorgaans dat de grimmige toorn Gods of de duivel daar is, en dat hij komt en de ziel wil halen. Want zij voelt in de Complexie, Martis gif-stralen. Daartoe ziet zij dat zij in een donkere herberg is, en dan denkt zij dat God haar vergeten heeft, en haar niet begeert, voornamelijk wanneer zij in de Complexie imagineert en onderzoekt, en hiermee van ’t vergif Martis eet, en hiermee haar vuur-leven opblaast. Zo is in haar grote bittere angst, vrees voor de duivel en voor de toorn Gods. Aldaar speculeert zij dan, en denkt dat God haar niet in Christus ten eeuwige leven heeft voorzien. Zij is zo bang, dat zij haar aangezicht niet gaarn tot God opheft, en denkt gedurig dat zij een van de grootste zondaars is, en dat de Deur der Genade gesloten is.

68. In de waarheid is het toch niet anders dan fantasie van ’t gesternte in de Complexie, waar de ziel zich in kwelt. Wanneer nu de geest van de grote wereld met de constellatie van ’t gesternte dit gewaar wordt, dan drijft hij daarin zijn goochel-spel, brengt daar wonderlijke fantasie in, zodat de ziel zichzelf kwelt, en uiteindelijk ook  de uitwendige geest in de aardse kwaal zich gans ontsteekt, waardoor het rad, in ’t Centrum der natuur gaat draaien, en de geest de zinnen niet kan vatten en tegenhouden. Dit alles is onzinnigheid, en wordt vaak bij de Melancholici gehoord.

69. Wanneer de duivel zulks ziet, zo schiet hij zijn imaginatie daarin, en kwelt de arme ziel nog veel meer. Maar hij heeft geen geweld {kracht}, doch de angst-kwaal is zijn levens-kwaal, hij is daar gaarne bij, zonder dat is hij een vijand van het menselijk geslacht.

70. Hierdoor moeten de aangevochtenen zich niet van de treurigheid inbeelden (wanneer deze hen door de Complexie aanvecht) dat het door de ongenade en toorn Gods komt. Het is een fantasie van de Complexie en van ’t gesternte. Men kan toch wel zien, hoe de ergste mest-zwijnen des duivels, die zich alle dagen en uren in de zonde wentelen, niet zozeer treurig zijn, noch aangevochten worden! De oorzaak: zij hebben in de Complexie een uitwendig licht, hierin dansen zij met de duivel in engelen-gestalte. Zolang er een vonkje in de mens is, welk maar de Genade Gods begeert, en gaarn zalig wil worden, zo is Gods Genade-deur open.

71. Want degene die van God is verlaten, wiens beker vol is, die vraagt niets, noch naar God, noch naar de mens, noch naar de duivel. Hij is steke-blind: gaat lichtvaardig, zonder vreze daarheen, heeft aan zijn Gods-dienst een uiterlijke gewoonte; een dier gaat in ’t heiligdom, en een dier gaat daar wederom uit. Daar is geen Goddelijke Kennis, niet anders dan fabel en gewoonte, en dat houdt hij voor zijn heiligdom.

72. Het Melancholische gemoed zal daaraan bekennen, dat God in dit leven Zijn toorn niet alzo openbaart; want al is ’t dat de goddeloze in dit leven door God wordt gestraft, zo houdt hij zulke straf toch voor iets dat bij toeval geschiedt. Want Esaias zei, in de Persoon en Geest van Christus, Hij zal het gekreukte riet niet verbreken, noch het gloeiende lontje uitblussen.

73. En Matth. 11. Komt allen tot mij, gij die belast en beladen zijt. Dit is ook zijn juk. Zo wat de natuur de arme zielen toevoegt (hetzij aanvechting, vervolging of ziekte) dat men het maar met geduld verdrage, en zich werpt in Zijn Liefde en Barmhartigheid. ’t Schaadt de ziel niets, het is haar in de waarheid meer goed. Want zolang zij in het treur-huis staat, zo is zij niet in het huis der zonden, of in de hovaardigheid of wellustigheid des werelds. God houdt haar daardoor in toom, en van de zondige wellustigheid des werelds af. Al moet zij een kleine tijd treuren, wat stelt het voor? Hoe snel zal zij van ’t treur-huis verlost worden, en de Ridderlijke kroon van de eeuwige vreugde opzetten. O! Eeuwigheid, gij zijt lang! Wat is ’t dat een ziel een kleine tijd treurig moet zijn, en daarna eeuwige vreugde zal hebben? Want Hij zal alle tranen van haar ogen afwassen. Zolang als in de ziel maar een klein vonkje is, welk naar God verlangt, zo is Gods Geest in ditzelfde vonkje.

74. Want dat een mens begerig is naar God, en naar Hem smacht, zulks komt niet van de mens. Het is de aantrekking des Vaders, in Zijn Zoon Jesus Christus.

75. De Heilige Geest is de Goddelijke Begeerte zelf; geen mens kan God begeren zonder Zijn Geest, die in ’t begeren is, en de wil des begerens in God bewaart, dat de arme ziel behouden wordt. S. Paulus zei, Wij weten niet wat wij voor God moeten spreken, wanneer wij bidden: De Geest Gods helpt ons machtig met onuitsprekelijke zuchten, naar ‘tgene wat God behaagt.

76. Wat zullen wij aan Zijn Genade dan lang kleinmoedig zijn? Hij neemt ons toch veel liever in Genade aan, dan dat wij tot Hem komen. Zie! Hoe deed Hij de verloren Zoon, die zijn Vaders erf-goed met de dieren des duivels had verteerd, en een naakte stinkende zwijn-herder was geworden (toen Hij zag dat hij zich wederom tot Hem had gewend), hoe viel Hij hem om de hals, en kuste hem, zeggende; dat is mijn beminde Zoon, die ik verloren had, hij is wederom gekomen. Hij was dood en is levend geworden. Hoe gebood Hij de maaltijd te bereiden, en met hem, over Zijn Zoon die boos was geweest Zich te verheugen; gelijk Christus verder leert, dat er vreugde is in de Hemel voor de Engelen Gods, over een zondaar die boete doet, meer dan over negen-en-negentig rechtvaardigen die de bekering niet van node hebben.

77. De arme zondige mens is de verloren Zoon, waar hij bekent dat hij een groot zondaar is geweest, en gedenkt om te keren tot de Barmhartigheid Gods, zo ontmoet hem onze Beminde Vader in Christus, neemt hem alzo met grote vreugde weer aan, en de Engelen en Heilige Zielen in de Hemel verheugen zich zeer, omdat wederom een lieve ziel, een lieve Broeder, uit het huis der zonden, uit de dood tot hen is gekomen.

78. De treurige ziel bedroeft zich om dies wille zozeer, omdat zij geen grote vreugde in ’t hart kan verwekken, in haar begeerte: zij smacht en klaagt en denkt dat God haar niet begeert. Wanneer zij niets kan gevoelen, ziet zij andere mensen aan, die daar vrolijk zijn; zij staan toch met haar gelijk in de wagen, in de vreze Gods. Zo denkt zij dat deze vreugde in de kracht Gods staat, maar dat zijzelf voor God niet aangenaam is, dat God haar niet wil, zij wil God alleen in het hart voelen.

79. Voor de tijd van mijn Kennis was het met mij ook zo: ik lag in een zware strijd, totdat ik mijn edel kransje bekwam. Daar leerde ik eerst kennen, hoe God in ’t uitwendige vleselijke hart niet woont, maar in het Centrum van de ziel in Zichzelf. Aldaar werd ik eerst gewaar, dat God mij alzo in de begeerte had getogen, en ik verstond zulks tevoren niet. Ik meende dat begeerte eigendom was, dat God verre van dat was. Daarna zag ik zulks, en verheugde mij daarover, dat God zo genadig is, en ik schrijf dit voor anderen tot een voorbeeld, zo wanneer de vertroosting vertoeft, gans niet te vertwijfelen, zoals David in de Psalmen spreekt: En al waar ’t dat het duurde tot in de nacht, en wederom aan den morgen…

80. Het is met de grote Heiligen alzo gegaan, dat zij veeltijds om het edele Ridderkransje moesten worstelen; daar wordt niemand mee gekroond. Het wordt de ziel wel bijgelegd, maar het ligt in ’t tweede Principium, en de ziel staat in ’t eerste. Wil zij het in deze tijd opzetten, dan moet zij daarom strijden.

81. Bekomt zij ’t nochtans in deze wereld niet, dan bekomt zij het na deze tijd, in de aflegging van de aardse hut, want Christus sprak, zijt getroost, ik heb de wereld overwonnen, en in mij hebt gij vrede, in de wereld angst.

82. De edele Parel ligt in menig aangevochten bedroefd gemoed geheel veel nader, dan in degene die meent dat hij het begrepen heeft, maar voor hem verbergt zij zich, want

 

Wo er ist am besten mit,

Da will ers nicht entdecken.

 

Dat is:

 

Waar hij op ’t beste mee is,

Daar zal hij ’t niet ontdekken.

 

En al waar ’t dat het zich liet aanzien, alsof Hij niet wilde, hierdoor moet geen ziel zich laten verschrikken.

83. Hij verbergt het daarom, opdat de ziel zou aankloppen en zoeken, want Christus spreekt: Bid, zo zult gij ontvangen, zoekt zo zult gij vinden, klopt zo wordt u opengedaan: mijn Vader zal de Heilige Geest geven aan hen die Hem daarom bidden.

84. Laat u de beloften Gods gewis zijn, en al spreekt uw hart louter neen!, vreest evenwel niet, want dat is geen geloven, dat iemand ’t vleselijke hart, in de uitwendige Complexie, vreugde ontvangt, dat het gemoed in de geest vrolijk wordt, dat hart en nieren gelijk als van vreugde Jubileren: dat is het geloof niet. Het zijn alleen de stralen der Liefde des Heiligen Geest, een Goddelijke aanblik, die onbestendig is. Want God woont niet in het uitwendige hart, noch in de uitwendige Complexie, maar in Zichzelf, in ’t tweede Centrum, in ’t kleinood van de edele beeltenis, de gelijkenis Gods, die in de uitwendige wereld verborgen is.

85. Het rechte geloof is, dat de geest der ziel met zijn wil, met de begeerte gaat in hetgeen hij niet ziet noch voelt. Versta; de ziel haar enige pure belang) staat in deze tijd niet, en evenwel schikt zij de subtiele wils-geest (die uit haar vuur-leven ontstaat) daarin. In deze wils-geest wordt de Parel ontvangen, dat het vuur der ziel doorgaans in de begeerte blijft. Want zolang deze Parel in de wils-geest blijft, zo lang is de begeerte in de ziel. Want de Parel is een vonkje van de Goddelijke Liefde. Zij is de aantrekking des Vaders in Zijn Liefde.

86. De ziel moet in haar begeerte vast staan, al waar ’t schoon dat het uitwendige vernuft uit de duistere Complexie, louter neen! sprak. God is daar niet, zo zou toch ook geen begeerte of wil naar Hem daar zijn. Want omdat God niet is de wils-geest is, zo is deze blind, en aan God dood. Hij begeert God niet, hij leeft in meningen. God te begeren acht hij niet, daar is in hem niet anders dan een subtiele wetenschap boven andere, waardoor de ziel hoger gegradeerd is.

87. Daarom moet een treurig hart zich door de Complexie gans niet in ’t hart laten inbeelden; God is daar niet, is daar niet tegenwoordig. Anders eet de ziel van zodanige inbeelding en wordt treurig. Het is grote zonde, dat het gemoed zondaige fantasie in ’t hart schuift. Want de ziel (welk een edel Creatuur is, uit Gods natuur) wordt daarin beangstigd. De fantasie steekt het vuur der ziel aan, dat ’t in zodanige smartelijke kwaal brandt.

88. Lief gemoed, wanneer de angst der Complexiën door ’t gesternte ontsteekt, denk dan niet anders dan; het komt omdat gij in Gods Wijnberg staat, gij moet arbeiden en niet ledig staan, gij doet hiermee God een grote dienst, uw arbeid is, dat gij in het geloof overwint, ook als u geen troost in ’t uitwendige hart verschijnt; dwaal niet.

89. Het is geen geloven dat ik zie, maar het is geloven dat ik de verborgen Geest vertrouw, en Zijn woorden geloof. Dat ik eerder het leven zou willen verliezen dan dat ik Zijn beloften niet zou willen geloven. Dat ik recht met God worstel, gelijk Jacob de ganse nacht. Wie niets ziet noch voelt, maar op het beloofde woord vertrouwt, die overwint God, zoals tot Jacob werd gezegd; gij hebt met God en mens geworsteld, en zijt boven gelgen. Spreekt gij, welk is het woord?  Dat is; mijn Vader zal de Heilige Geest geven aan hen die Hem daarom bidden. Dit is ook wat de mond van Christus zei: wanneer deze zal komen, zal Hij u in alle waarheid leiden, want van de mijnen zal hij ’t nemen en u verkondigen.

90. Opdat gij dan nog niet twijfelt dat het zo gewis zij, dat de aanvechting en het ontzetten alleen uit de Complexie komt, zo stel ik u een voorbeeld voor, welk een Complexie des vuurs, en ook wel een Melancholische dikwijls kan ontmoeten. Zo gij bij nacht in een donkere kamer gaat, zo verschrikt gij zich, en denkt doorgaans, daar is iets in het duister ‘tgeen u zou kunnen verschrikken; wat is dit voor een vrees? Vreest zich het vlees? Nee, ’t zou anders daar niet heen gaan. De arme in ’t vlees gevangen ziel vreest zich in de duisternis, heeft gedurig zorgen dat de duivel naar haar grijpt, want zij weet dat hij in de duisternis woont, waardoor de vreze zodanig is, dat naar hem gegrepen zal worden. Aldaar kan men wel zien, dat de vreze uit de fantasie komt. Alzo gaat het ook met de arme ziel, in een altijd-durende duistere Complexie-kamer. Zij is zozeer vreesachtig omdat zij in ’t donker moet wonen, en vreest zich gedurig voor de duivel en Gods toorn.

91. Een ziel in de Melancholische kamer moet in de toorn Gods niet gedurig speculeren, noch gaarne alleen zijn, maar bij een sprekend gezelschap, zo beeldt zich de ziel in de fantasie van de rede, en speculeert niet. Want geen speculatie is haar van nut. Wanneer zij zich deze niet tot zaligheid vermag aan te wenden, dat zij ’t dan laat blijven.

92. Een zodanig mens moet ook geen zodanige schriften lezen, in welk van een bijzondere verkiezing wordt geleerd; zij leren al tesamen met onverstand, en verklaren ’t niet recht hoe ’t de hoge tongen des Heiligen Geest heeft gesteld en verstaan; en in de andere, onze schriften genoegzaam is verklaard.

93. Hij moet zichzelf niet inlaten velerlei schriften te lezen, maar eenvoudig bij de Schrift te blijven, alwaar hij een gedurige troost mag vinden.

94. Is hij nochtans met een diepe zin van God begaafd, dan zal de ziel niet nalaten te onderzoeken, dat hij zichzelf dan, in de vreze Gods, met gedurig bidden op ’t Centrum der natuur legt, dat hij deze onderzoekt, zo stelt de ziel zich in ruste, want zij ziet haar grond, en alle vreze en treurigheid verdwijnt van haar.

95. Van zulks weet ik te zeggen wat het voor licht en bevestiging is, voor wie het Centrum natura vindt. Doch geen eigen vernuft bekomt het, God versluit het wel voor niemand, maar het moet in de vreze Gods, met gedurig aanhouden en bidden gevonden worden, want het is ’t grootste kleinood in deze wereld, zo wie het zelf vindt, die komt uit Babel.

96. Een Melancholisch gemoed moet zich met grote ernst voor dronkenschap wachten, dat de ziel met de aardse kracht niet te zeer wordt bezwaard. Want wanneer het lichaam zich alzo met de dronk belaad, zo neemt de aardse kracht van de drank de Complexie-kamer gans in; dan imagineert de ziel daarin, zij eet de aardse kwaal, steekt daarmee haar vuur aan, en verheugt zich hierin. Maar wanneer de kracht wederom zinkt, en ophoudt (dat is, wanneer de mens van de dronk wederom nuchter wordt) zo is de arme ziel gelijk of ze vervloekt was, want in de overvloedige aardse kwaal verliest zij de Goddelijke imaginatie of begeerte, want de Geest Gods wil in de aardse imaginatie niet wonen. Aldaar gaat dan droefheid in de ziel, en het is haar alsof ze was vervloekt.

97. Zozeer stelt zich de toorn Gods tegen haar, gelijk of hij haar in de wortel in ’t Centrum in de duisternis wilde stoten. Dan is de ziel bang, tracht wederom naar goede drink-broederen, opdat zij toch wederom een dwaze vreugde mocht hebben. Daarvan komen de drink-broederen die de ene dag aan de andere knopen, en hun zielen in de toorn en ongenade Gods storten. Zulks zeg ik trouwelijk, gelijk ik hoog heb bekend in ’t Centrum van de natuur, en in ’t Principio des levens.

98. De Melancholische ziel moet zich voor toorn hoeden; toorn is haar grootste vergif, en brengt onzinnigheid, gelijk zulks in het Centrum gans klaar is te kennen. Want de Melancholische kamer is ruig, gelijkt zeer wel de wilde aarde, zij is zeer woest, zij heeft aan ’t rad der natuur ’n gans zwakke houding. Wanneer het nu geschied dat het vuur der grimmigheid te zeer beweegt, zo gaat het rad der natuur in ’t geluid, gelijk men dan ziet dat het lichaam siddert.

99. Daar nu de Complexie-kamer zo woest is zonder wezen, kan het rad zichzelf niet licht weer temmen, en de zinnen kunnen niet gevat worden, maar alles gaat onder elkaar, gans vurig en grimmig (gelijk aan de onzinnigen is te zien) dat het gemoed niet vermag de zinnen te begrijpen, en niet weet wat hij spreekt, en doet gelijk het rad gaat. Zo ook voert de duivel zijn imaginatie gaarn daarin, zodat menigmaal groot kwaad geschied. Dit rad staat wel in de uitwendige geest, maar de arme ziel eet er ook van, en het gaat er verschrikkelijk aan toe. Doch men moet in deze tijd geen ziel verdoemen, want het teken van het Kruis staat nog in haar, met de open Deur der Genade.

100. De Melancholische kamer moet zich voor gierigheid wachten, en met ernst daarvan uit-gaan. Want dit is haar net zo schadelijk als de toorn. Gierigheid is een aardse begeerte, de Complexie is ook aards en haar rechte kamer zeer woest. Dan trekt de begeerte het aardse wezen in de ledige kamer, en vult deze met zodanige duistere materie, waar ijdele grimmigheid en toorn Gods, met valsheid en ongerechtigheid in steekt, en boze wezendheid naar de eigenschap der aarde. Zulks maakt de Complexie (daar zij zonder dat een aardse begeerte is) uiteindelijk geheel aards.

101. Van zulks eet dan de arme ziel door haar imaginatie, en voelt dan in haar vuur de strenge gerechtigheid Gods branden (die over de valsheid en ongerechtigheid vertoord is), gelijk dan in de gierigheid, veel zodanige snode materia mee wordt ingevoerd. Wanneer nu de arme ziel zich alzo in de toorn Gods bevind, zo begint zij te vertwijfelen en te versagen, want zij ziet niet anders rondom haar, dan enkel boosheid, aardsheid, valsheid en ongerechtigheid, waar de toorn Gods zich van ontsteekt; zulks zij getrouwelijk openbaart.

102. Een Melancholisch gemoed kan niet beter doen dan een eenvoudig eenzaam leven te voeren, zonder hovaardigheid, in een gemene stand; zo vermag ‘t te zijn: ja, een nuchter, matig leven, met geen grote zorgen beladen. En anders moet de vreze Gods en het gebed alles beginnen, zo is zij bekwaam in alle standen. Wanr in de Melancholische kamer kan grote raad gevonden worden, deze is open, wanneer ze zich nuchter houdt. Zij gaat zo diep als de Sanguinische kamer, maar zonder vreze Gods bekomt zij niets anders dan uitwendig vernuft. Zij richt het grootste kwaad in de wereld aan, wanneer zij open, en in een Saturniaans teken is, die dan haar Heer is: zij bouwt Babel en allerlei bedrog; zij is zeer groot-machtig, zo veel als zij treurig is.

103. Zo zich iemand onder deze Complexie bevindt, dat deze zonder het gebed niets begint, dat hij tevoren zijn hart, zin en gemoed, willen en doen, de Hoogste in Zijn Heilige Handen beveelt, Hem biddende dat Hij, in al zijn willen en doen, de regeerder is, zo kan hij veel goeds uitrichten. Buiten dit richt iemand die in Ambten zit, en in deze kamer staat, niets goeds uit, dat God behaagt.

 

 

 

HET  III.  HOOFDSTUK.

 

Over de andere drie Complexiën; een algemene spiegel,

in welk een ieder zichzelf kan bezien.

 

Wordt zeer kort opgeschreven, gelijk mij zulks, uit

Gods genade, is voorgesteld geworden

 

I. Over de Cholerische Complexie.

 

104. De mens, die zijn beste schat (de edele ziel) in een Cholerisch huis heeft, moet zich voor alle dingen in de ootmoedigheid oefenen, of hij staat in groot gevaar. Hij mag wel water in het vuur gieten, opdat hem zijn edel Beeld niet ontstoken wordt, want zij geeft grote hovaardigheid, hardzinnigheid, verheven toorn, en wordt zeer verheven, gevreesd en hoog gezet; doch niet bemind. ’t Zij dan dat Gods water (zijnde de edele ootmoedigheid) in ’t vuur komt, zo is zulks beminnenswaardig, en geeft de eerste glans.

105. Want deze kamer heeft een eigen glans in de uitwendige natuur. Zij is wel niet eenvoudig ootmoedig, ’t zij dan dat zij in ’s levens teken de Jupiter of Venus heeft: Zo heeft zij nochtans onder Venus hare duivel, die haar met de onkuisheid dag en nacht plaagt.

106. En ik zeg tot waarschuwing, dat in deze Complexie groot gevaar is, veel groter dan in de Melancholische: want hier komt de duivel in engelen-gestalte des lichts, in een vuur-glans. Hij kittelt de arme ziel wel, dat zij zich met de glans des vuurs behelpt en grootmoedig wordt, het wordt haar alles licht voorgesteld, zij grijpt zeer lichtelijk aan de zonde. Zweren, vloeken en lichtvaardige woorden, die daar tegen de naam Gods lopen, en deze in de ziel ontheiligen, is in deze kamer niet vreemd. De grimmige Essentie des vuurs houdt het gemoed op, dat het geheel zwaarlijk in de liefde en zachtmoedigheid Gods, voornamelijk in rechte abstinentie en boete ingaat. Het verhardt doorgaans gaarn in toorn. Wanneer het in een aards teken gaat, doet het uit eigen gestalte niet veel goeds welk ter ere Gods bekwaam is.

107. Daarom, als iemand zijn beste schat hierin gelegen heeft, die zie toe wat hij doet, en hoe hij leeft. Want de arme ziel stelt haar imaginatie daarin, en wordt daarmee aangestoken, zij wordt niet licht gewaar dat zij in de toorn Gods, in het helse vuur zit, totdat deze opwaakt, of tot zij de uitwendige vuur-glans in de Complexie, met het sterven des lichaams, beroofd wordt; dan is zij een hovaardige, grimmige duivel, en moet in de duisternis zitten.

108. Voor zoiemand is het goed, niet naar macht en eer te lopen, en wanneer dit haar wordt opgelegd, dat hij dan zijn gemoed niet toelaat zichzelf daarin te bezien, want het heeft een stout en boosachtig vuur-oog. Vlijtig bidden is hier hoognodig.

109. De ziel wordt alhier lichtelijk ontstoken, dat zij vreugde ontvangt, doch gewoon uit des vuurs Complexie, in het vuur-licht. Zo meent zij, het is Gods Geest, maar nee! Gods Geest komt met gans grote zachtmoedigheid en ootmoedigheid, wanneer Hij Zich in de ziel openbaart. O! Wat een triomf voert Hij in des vuurs Complexie in de ziel, wanneer Hij dan verschijnt; maar het is nu in de mensen zeer diers geworden, de Complexie blijft gedurig heer. Daarom, zijt gewaarschuwd: wordt moedig, bevlijtig de zachtmoedigheid in woorden en werken, zo mag de Complexie u niet zo licht de ziel aansteken, want een ootmoedig hart heeft God lief. Vanwege de Complexie zijt gij God niet tegen: zie maar toe, misbruik het niet, zo schaadt u niets; breek haar de wil.

 

 

II. Over de Sanguinische.

 

110. Gij moogt uw leven ook daar naar aanstellen, en u niet zelf in deze edele Complexie een huichelaar geven. Gij vindt met uw wijd-zwevendheid veel; ziet toe dat gij geen stoppelen en stro in de Sanguinische kamer invoert, en meent dat het de H. Geest is. Want gij hebt in de Complexie ook een schijnend licht. Het is wel menselijk, maar zie toe, voer er geen aardsheid in.

111. Een nuchter leven is u goed, wacht u voor dronkenschap, anders valt gij de vijand in zijn armen. Want gij bemint veel, wacht u dat gij geen ontucht noch hovaardigheid bemint.

112. En hoewel gij van nature ootmoedig zijt, zo mag toch zeer licht hovaardigheid in u gebracht worden, want gij draagt het huis van alle sterren, gelijk de lucht en het bovenste water.

113. Wanneer ge dan in de vreze Gods gaat, en u daarin schikt, zo moogt gij geheel wel Mysterium Magnum vinden, doch niet uit uzelf, maar door God, alleen hebt gij daar een open kamer toe, daarom ziet toe wat voor spijze dat gij aan uw ziel geeft.

114. Want daar is niets zo goed, of het kan kwaad worden; wanneer daar wat kwaads in komt. Dat men nu veracht, laat zulks heen varen, en vertrouw op God. Zulks bejegent u veelvoudig om uw eenvoudige gestalte wil, behoud maar wat gij hebt, en gebruik niet veel vreemde wetenschap, zo voert gij u geen vreemde geest in uw edel huis.

 

Besser al hier leiden spot,

Als nach diesem leben noth.

 

Dat is:

 

Beter hier te lijden spot,

Dan na dit leven nood.

 

115. Kwelt gij u met dronkenschap, zo zal u de duivel veel kwaads en ongeluk in ’t delicate huis invoeren, want hij is zijn machtige vijand. Hij heeft geen eigen zitplaats daarin, dan alleen in de invoering der zonden. Een eenzaam stil leven zou goed voor u zijn, maar gij zijt te wijd-zwevig en vindt veel, geeft er ook niet om, gelijk de lucht: ziet toe wat gij in-laat, en uit-geeft, dat het niet van de sterren is, maar uit God geboren. Anders wordt gij bedrogen, en bedriegt gij.

 

 

III. Over de Flegmatische

 

116. De waarheid en gerechtigheid zouden een edel medicijn in u zijn, want anders steekt gij gaarn vol leugens, en acht het weinig wat gij uit-geeft en in-neemt. Gij arme ziel hebt alhier een gevaarlijke weg door dit jammerdal in deze Complexie te gaan: gij wordt doorgaans met ondeugende woorden en werken bevlekt.

117. Gelijk het water een klare glans in zich heeft, en een tegen-schijn geeft (doch het is een valse spiegel) alzo heeft de arme ziel, in deze Complexie, een gehele valse spiegel, want het water neemt alles in zich, hetzij goed of kwaad, het houdt dit bij zich, en verduistert zich daarmee.

118. Alzo gaat het ook met deze Complexie. Zij neemt de vergiftige stralen van alle sterren in haar, en stelt dit de arme ziel voor in de spiegel. Daar bijt zij dan aan, en stelt ’t in het lichaam aan het werk, ‘tgeen in de Complexie niet anders dan een magische spiegel is.

119. O! Wat voor goede zoete woorden, gelijk het zoete water, zijn het, zonder geld, doch vol bittere gal gemengd door de sterren; daar is generlei bedrog te veel, leugens zijn de mantel, huichelarij met een spiegel-glans zich te laten zien, waar goede Christenen in Babel zijn; zij is en wil tot de Gods-dienst gerekend worden.

120. Dat gij onrecht doet, vindt gij niet: maar komt men u met een vonkje te na, zo is het terstonds in uw spiegel. U zou wel te rade zijn, dat gij leerde verstaan, hoe gij een gedurig zondig mens zijt. Gij moogt wel in een rechte boete ingaan, en God bidden om de regering van Zijn H. Geest, dat de kwade affecten van ’t gesternte gebroken en in de toorn gehouden worden, dat de arme ziel zulks niet vat, en alzo tot een dwaas wordt.

121. Ook zal u een nuchter leven gezond zijn: gedurig waken en bidden, en gedurig in de vreze Gods zijn. Dit wendt al het kwade uit het gesternte af, want die ’t gesternte leeft, die leeft het vee gelijk. Maar wanneer men de vreze Gods in het hart in-beeld, zo wordt de ziel een heer over het uitwendige leven, en dwingt het in de gehoorzaamheid. Maar geschiedt zulks niet, zo wordt de Complexie meester en weg-wijzer van de ziel. Zij kan in eigen macht niet de ziel regeren, maar stelt nochtans haar elementische en sterren-spiegel de ziel voor, waar de ziel zich in vergaapt en vangen laat.

122. Daarom moet de mens een mens zijn, en geen vee, hij moet met de ziel menselijk regeren, en niet met de begeerte van de Complexie. Zo mag hij het hoogste en eeuwige goed bekomen, onder welke Complexie hij ook wil.

123. Er is geen Complexie zo edel, of de duivel heeft zijn wellustigheid er in, opdat de mens het gesternte zal leven.

124. Daarom is het wel terecht genaamd, gelijk S. Petrus schrijft: zijt nuchter en waakt, want uw tegenspreker de duivel gaat om gelijk een brullende leeuw, en zoekt, wie hij mag verslinden. Weersta deze in de vreze Gods, en zijt voor Hem nimmermeer zeker.

 

Heer Gij zijt onze toevlucht.

 

 

 

Einde van het Negende en laatste Boek.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ß Terug