OVER HET

 

HEILIGE GEBED,

 

Gesteld op alle dagen van de Week

 

Waarin de Ware grond van het rechte bidden wordt

getoond en aangewezen.

 

Begonnen op het bidden en begeren van zijn lieve en

goede vrienden (maar niet voleindigd) in het jaar 1624.

 

DOOR

 

JACOB BÖHME van Alt Seidenburg, anders

genaamd Teutonicus Philosophus

 

 

HET TWEEDE BOEK.

 

~~~~~~

 

 

KORTE INHOUD

VAN DIT

GEBEDE-BOEKJE

 

Hoe de mens zich zijn ambt, staat, en wandel, waarin God hem geördineerd heeft, gedurig herinneren moet, en hoe hij het begin, midden en einde van al zijn doen aan God opdraagt, en gedurig al zijn werken met God doen zal, op gelijke  wijze als een stam van een boom, die met de kracht van zijn wortels zijn takken voortbrengt, alwaar hij zijn vruchten op draagt. En hoe hij in het begin van al zijn werken uit het Fonteintje Gods kracht schept, en zijn Schepper voor al Zijn weldaden danken zal.

Daarnaast een hartelijke betrachting over het Lijden, Sterven en de Opstanding van Iesus Christus. Hoe de mens de honger en de begeerte zijner ziel, door de dood van Christus, in Zijn Opstanding, gedurig in God in zal voeren, en de nieuwe Wedergeboorte zal indringen, opdat hij in de Geest en Waarheid mag komen bidden, en dat de Geest van Christus in hem en met hem bidde, en hem voor God verdedige.

 

 

~~~~~~

 


VOOR-REDE

Aan de God-lievende

 

LEZER.

 

Waarin de grond van het rechte Bidden getoond wordt;

Wat het Gebed is, en waarom God ons beveelt te bidden.

 

I.

 

Christelijke lieve lezer, recht bidden is niet alleen een gewoonte waarin men slechts de woorden van het Gebed hoeft te spreken. Nee, een zodanig gebed dat alleen in woorden bestaat, zonder hartelijke aandacht en Goddelijke begeerte, is maar een uiterlijk ding, een uiterlijke formering der woorden.

2. De mond maakt zijn woorden des Gebeds alleen met de uitwendige kracht van het gesternte en van de elementen, en maakt maar een gedaante van de wil, in welk geen werkelijke kracht is. Want niets behaagt God dan alleen datgene, dat Hij Zelf in de Mens bewerkstelligt en doet.

3. Daarom is het dat God klaagt in de Profeet over zulke uitwendige mond-gebeden zonder kracht, alwaar Hij spreekt, Dit Volk benadert mij met hare mond, en eert mij met hare lippen, maar het hart houdt zich verre van mij. [Isaias 29.13.] Ook zei Christus, Niet alle die daar zeggen, Heere, Heere, zullen in het Koninkrijk der Hemelen komen, maar die doen den wille mijns Vaders, die in de Hemelen is. [Matth. 7:21] en op een andere plaats; Zonder mij, kunt gij niets doen. Hij alleen is de Levende Fontein en Troon der Genade, met en door welk wij met het Gebed voor God kunnen komen en tot God indringen.

4. Willen wij nu recht bidden, dan zullen wij eerst onszelf aanschouwen en wel betrachten of ons hart zich ook in andere Creaturen heeft gebeeld. En of ook zulke begeerte, namelijk hetgeen wij van God begeren te verwerven, recht is. Of ook onze begeerte (die wij in ’t gebed God voordragen) tegen de nuttigheid en de liefde voor onze naasten is. Of wij ook tijdelijke dingen daarin zoeken, om onze naasten daarmee te verkorten, en het zijne aan ons te trekken. Vervolgens of wij ook een algemene Liefde, en eendrachtigheid daarmee begeren. Of dat we met zodanig bidden maar ons eigen nuttigheid [en voordeel] zoeken.

5. Ten tweede zullen wij ons wel betrachten en bedenken, of wij ook iets meerder en hoger in ons gebed begeren en beminnen, dan de barmhartigheid Gods. Of wij hetgeen wij begeren aan tijdelijke dingen, enkel en alleen willen hebben van de hand en medewerking Gods. Of dat wij ’t door onze kunst, listigheid en wetenschap willen bekomen, en God slechts om verlof hiervoor bidden. Of wij ons op onszelf verlaten. Dan of wij het door Goddelijke medewerking willen verkrijgen, opdat we daarna met een vrolijk hart mogen zeggen: Zulks heeft mij de lieve en getrouwe God verleend door zijne Vaderlijke voorzorge: ik ben maar de hand en het werktuig geweest. Of dat we liever zeggen: Dat heb ik door mijn eigen kunst en verstand teweeggebracht.

6. Ten derde, zo zullen wij bedenken wat wij met hetgene (welk wij van God bidden en begeren) doen willen, of wij de eer en hoogheid dezer wereld daardoor begeren, alleen tot tijdelijke wellust. Dan of wij dit, hetgeen God ons met Zijn zegen (door ons Gebed) toewerpt, tot Zijner eer en liefde des naasten ook willen aanleggen, en hem zulks weder-geven. En of wij ons ook daarmee enkel en alleen voor arbeiders en dienaren in zijn Wijnberg houden, van wie God rekenschap van Zijn gaven zal eisen, hoe getrouw dat wij daarin geweest zijn.

7. Ten vierde zullen wij overwegen, dat we in deze wereld niets eigens hebben, ja dat wij onszelf niet eigen zijn, maar alleen een kleine tijd alhier in deze wereld arbeiden, en daartoe vreemde gasten, niet anders dan Ambtslieden van onze God zijn, over Zijn schepselen en Creaturen. Dat wij hetgene (welk wij werken en doen) niet alleen onszelf, maar God en onze naasten doen. En dat wij al tezamen in Christus onze Heiland maar één zijn, dat is Hijzelf in ons allen. En dat wij een algemene Liefde onder elkander moeten hebben, ook de een de ander hartelijk moet begeren te beminnen, gelijk God ons in Christus onze Heiland heeft bemind. En dat wij de gaven (die God ons door ons gebed geeft, hetzij Hemels hetzij Aards) gaarne willen delen met onze mede-leden, en ons houden als de boom met zijne takken (of gelijk de aarde met hare vruchten doet) die zich gewillig aan al haar vruchten geeft, en deze al tezamen bemint en draagt.

8. Ten vijfde zullen we overwegen dat we uit onze eigen kracht niet recht voor God kunnen bidden (gelijk Christus zei,) zonder mij kunt gij niets doen: En ook zei de H. Paulus: wij weten niet wat wij bidden zullen, gelijk het behoort. Maar de H. Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.

9. Indien wij tot God onze Hemelse Vader willen bidden, dan zullen we Hem in de naam van Zijn lieve Zoon Jesus Christus om de verlichting Zijns H. Geestes aanroepen, dat Hij ons onze zonden gelieve te vergeven, en ons alleen geve wat goed en zalig is. Ook zullen wij al wat aards is in Zijn erkentenis en wil stellen, en niet alleen met blote woorden voor God verschijnen, wanneer wij recht willen bidden en verhoord willen worden; maar met rechte ernstige boete en omkering van onze valse wandel.

10. Wij moeten van alle valsheid, hovaardigheid, gierigheid, afgunst, toorn, en tegenstrevende wil uit-gaan, en ons gehele hart en ziel aan God de H. Geest overgeven, dat Hij onze bekering en kracht in ’t gebed wil zijn: dat Hij onze wil en begeerte in Zich vat, en in God invoert, opdat wij onze valse ijdelheid en begeerte (die ons aangeërfd is) in de dood van Christus mogen afsterven; en in de Geest van Christus (in ons) met een nieuwe wil, gemoed en gehoorzaamheid tot God opstaan en geboren worden; en voortaan in zodanige kracht in gerechtigheid en reinheid, met onze wil en nieuwe geboorte voor God wandelen, als Zijn kinderen, die Hij (door het bloed en de dood van Zijn lieve Zoon) duur gekocht, en in Zijn Geest weer opnieuw gebaard heeft.

11. Christelijke lieve Lezer, gij moet wel overwegen, wat het gebed is, en waarom God ons beveelt te bidden. Het is niet alsof men voor een wereldlijke koning of heer verschijnt, aan welk men zich vergrepen heeft, en hem om genade bidt; en menigmaal in ’t hart wat anders denkt. Neen, het is een uitgaan uit zichzelf, alwaar de Mens uit al zijn krachten, met al hetgeen hij is en bezit, zich aan God overgeeft. Ja, door recht te bidden geeft de mens zich over tot een eigendom van God. Hij komt weder met de verloren Zoon tot de Vader in zijn eerste Vaderland en erfdeel, waar Adam, onze eerste Vader, hem heeft uitgevoerd. Hij heeft geen natuurlijk recht meer tot de Hemelse goederen: hij heeft ze met Adam’s uittocht alle verloren, en met des duivels boeleringen in de ijdelheid verteerd.

12. Daarom moet hij nu in grote ootmoedigheid en geloof, in ware hoop vertrouwen op Gods aangeboden genade in Zijn Zoon Jesus Christus, en met de verloren Zoon tot God komen, en zich alle Hemelse goederen (uit natuurlijk recht) te onwaardig achten, en voor God zijn Eeuwige Vader nedervallen, Hem om de aangeboden barmhartigheid (in Zijn Zoon Jesus Christus) bidden, dat Hij hem toch wederom gelieve aan te nemen, als een dag-loner en arbeider in Zijn Wijnberg, en hem toch wederom Hemelse spijs en drank wil geven, voor zijn versmachte, hongerige en dorstige ziel, opdat hij niet meer met de dieren des duivels de draf der ijdelheid, namelijk leugen en valsheid, behoeft te eten, en alzo in ’t ongeloof zonder Hemelse kracht verderven zal.

13. Zo zal hij ten eerste in zijn ziel vernemen, dat God hem met Zijn genade tegemoet zal komen, en hem de genade (die Hij in Jesus Christus aanbiedt) in zijn ziel geven, dat de arme hongerige ziel (’t geen wat zij van God bidt het begeert) krachtig en wezenlijk in zich zal ontvangen, te weten, het vlees en bloed van Jesus Christus, welk alle hongerige en boetvaardige zielen uit genade aangeboden wordt.

14. Hij zal in zich recht bevinden, hoe de oude Vader van de verloren Zoon de arme omgekeerde boetvaardige ziel tegemoet komt, en haar met Zijn Liefde om de hals, van de Essentie van haar leven valt, en haar met Zijn Liefde omvangt en kust, en haar in Zijn armen omvat, en in kracht tot haar spreekt: dit is mij beminde zoon; dit is mijn lieve Ziel, die ik verloren had. Zij was dood, en is weer Levend geworden; slacht nu het Lam Jesus Christus: zij zal met mij in mijn kracht aan de Tafel zitten, en met mij van mijn toebereide maaltijd, van de rechte spijze van mijn Zoon Jesus Christus eten; en zich met mij eeuwig verheugen. Aldaar werd de Ziel de Zegel-ring (namelijk het hoogwaardige Testament des Verbonds in het Bloed van Jesus Christus) wederom aangestoken, en wordt door zodanig verbond en verzegeling weer tot een kind Gods aangenomen.

15. Daarom zeg ik dit tot de Christelijke Lezer, dat het bidden niet alleen een werk is van de mond, gelijk als men voor een heer komt, om tijdelijke dingen of kwijtschelding der schulden van hem te bidden: God beveelt ons niet alleen om uiterlijke toegerekende genade te bidden, maar juist om een kinderlijke werkelijke genade. Waar de H. Geest in de verdiensten van Christus in ons zelf smeekt en bidt, opdat hij de genade in ons krachtig maakt, en in zodanige werking de zonde in ons verdelgt, en in Christus’ dood verdrinkt, de hel verstoort, en de poorten des Eeuwigen Levens (namelijk de betaling van Christus) in ons door Gods toorn uitvoert, en de macht van de duivel in ons beneemt, en Christus in ons aantrekt, opdat wij in de Geest en verdienste van Christus tot de Vader aller Barmhartigheden mogen roepen en zeggen: Abba lieve Vader.

16. Want wij hebben niet een Knechtelijke geest ontvangen, dat wij ons andermaal moeten vrezen: maar een Kinderlijke geest, dat wij met vrolijke harten en volkomen vertrouwen de Vader mogen bidden; zo zal Hij ons geven. Rom 8,15 Eph 3,11 Gal 4,6

17. Omwille van het geven en ontvangen beveelt ons God te smeken en te bidden, gelijk Christus zei: Mijn Vader wil de H. Geest geven, den genen die Hem daarom bidden. En Bid, zo zult gij ontvangen: zoek, zo zult gij vinden: Klopt aan, zo wordt u open gedaan. Luc 11.v.9,13

18. Een ieder gebed welk daar niet vindt noch ontvangt, dat is koud en lauw, en wordt opgehouden door tijdelijke en aardse dingen, dat is, de ziel nadert zich niet zuiver tot God, zij wil zich niet gans aan God overgeven, maar hangt nog aan aardse liefde, die haar gevangen houdt, dat zij de plaats Gods niet vermag te bereiken.

19. Wil men recht bidden, zo zal men zich van alle Creaturen afkeren, en louter met de wil en het gemoed voor God komen. Daar moet een zodanige ernst en voornemen zijn, zoals met de arme Tollenaar in de Tempel, en met de verloren Zoon was, die alzo tot God kwamen; ofschoon het vernuft in vlees en bloed doorgaans neen zegt, gij wordt toch niet verhoord, uw zonden zijn te groot, of het is nu geen tijd, wacht nog wat: doe eerst dit of dat, zo moogt gij daarna alle tijd hebben. Of dat het spreekt: wat bidt gij, gij kunt toch met uw begeerte niet voor God komen, noch ontvangt u enige kracht in u.

Laat u door zulke of dergelijke dingen niet verleiden: de kracht is in de innerlijke grond in de begeerte van de wil, en werkt met God. Sta maar stil, en wacht op de Heer, zij zal eindelijk wel doordringen, dat gij haar in uw hart zult voelen, en God danken.

20. Zo wie daar recht wil bidden, en Gods Kracht en Geest met zijn begeerte wil bereiken, die zal al zijn Vijanden van harte vergeven, hen ook in zijn gebed insluiten, en God bidden, dat hij hun mede gelieve te bekeren, en met Hem verzoenen in Zijn Liefde, opdat hem niet ergens een slang in zijn hart blijft, die hem terug mocht houden, en de Kracht des Gebeds van de Ziel scheurt; gelijk Christus zei: de duivel scheurt dat woord van hare harten; opdat zij niet geloven en zalig worden. En Zo gij dan uw gave op het Altaar zult offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw Broeder iets tegen u heeft, laat daar uw gave voor het Altaar, en gaat henen, verzoen u eerst met uw Broeder, en kom dan, offer uw gave. En, in het onze Vader; vergeeft ons onze schuld, als wij onze schuldenaren vergeven. Opdat de boze vijand met de ingenomen haat ons niet verzoekt, en ons verhindert en in twijfel voert.

21. God eist een loutere, blote en naakte Ziel in ’t Gebed: Al is het dat zij met de ijdelheid omvangen is, zo zal nochtans haar wil zuiver voor God komen, opdat Hij in haar wil beginnen mag te werken, en daarna ook de ijdelheden van het vlees dagelijks doodt. Zo geheel zeker zal de wil met de begeerte tot God gesteld zijn, dat hij met Jacob mag zeggen (toen hij de gehele nacht met God worstelde) Heer ik laat u niet, tenzij Gij me zegent.

22. En als is het dat het hart verflauwt en twijfelt, ook allerlei verhinderingen invallen, nochtans zal de wil [bestendig] blijven staan, en zich de genade vastelijk inbeelden, en daar niet van willen aflaten. En al voert de duivel gedurig de lust van het vlees naar boven, waar de Ziel voor verschrikt, en denkt dat zij daarom van God verstoten is; Zo zal toch haar wil aan de genade hangen, gelijk een kind aan haar Moeders Borst: en gestadig tegen de duivel en zijn begeerlijkheden (in het Vlees en Bloed) strijden, totdat hij eindelijk de overhand krijgt, en (in de Geest van Christus) de duivel overwint: Dan zal hij daar naar groot wonder in zich zien, en ook moeten bekennen, waarachtig te zijn, en hoe dat er meer vreugde in de Hemel is over een bekeerde ziel, dan over negenennegentig Rechtvaardigen die zodanige bekering niet van node hebben, Luc 15.v.7.

23. Derhalve degene die recht wil bidden, die zal zich vastelijk inbeelden dat hij tot Goddelijke Genade en ontferming wil komen, en ’t geen hij bidt gewisselijk zal verkrijgen. Daarom zal ook zijn gebed zodanig gesteld zijn, dat het niet loopt tegen de ordinatie Gods: maar denken dat hij in zijn gebed met God wil arbeiden. Gelijk als het Hout aan de Boom met de kracht van de Boom werkt, zo zal hij ook begeren alleen met Gods Kracht en Wil te werken. Anders is zijn gebed maar een werken in de schors van de rechte Boom des Levens: want hij werkt daarmee alleen maar uiterlijk in de Elementen, en niet innerlijk met, en in God.

24. Maar wie daar recht bidt, die werkt innerlijk met God, en brengt uiterlijk goede Vruchten voort: gelijk de Boom zijn kracht uitwaards voert, en zich met de kracht in de vrucht laat zien; zo laat zich ook de ware Goddelijke Kracht in de Mens uiterlijk met deugd en goede werken zien. Anders is daar geen geloof, tenzij de werken volgen en blijken: Ook is het gebed maar geveinsdheid, en maakt alleen een uiterlijke gedaante; en bereikt de plaats Gods niet.

25. Zulks wilde ik mijn goede Vrienden en mede-Broeders in Christelijke Liefde (uit mijnen geringeschat) tot een Christelijke vermaninge niet verbergen, hoe de Mens tot het Gebed bereid moet zijn. En alhoewel ik weet dat zij-lieden zelf (benevens mij) in zodanige werking staan, en de gave des H. Geestes deelachtig en ontvankelijk zijn: Zo wilde ik mij toch aldus in dit en de navolgende Gebeden een weinig met hun verkwikken, en hun uit mijn kracht en gaven de genade Gods aanwijzen en mede-delen (gelijk ’t ene licht het andere ontsteekt: en zo ook de ene gave Gods de andere.) Opdat wij ons mogen verkwikken in eender Liefde, die Christus in ons allen is, en ik ook alzo uw Goddelijke gaven en kennis geniet: dat wij met elkander in Gods Lof mogen wassen, toenemen, en vele vruchten dragen.

26. En wil de navolgende Gebeden stellen op al de dagen van de Week, waarmee de Mens zich dan zijn bijzondere uren en gelegenheden mee mag waarnemen, Alleen maar tot een oefening en opwekking van de goede Gaven, die tevoren bij u allen zijn: Niet om wederom van de grond of begin der Christelijke Leer aan te vangen; maar alleen tot oefening en opwekking. Waarmee ik u allen tezamen in de werkende Liefde van Jesus Christus, en mij in uw Broederlijke en Christelijke gunsten, beveel.

 

 

J.B

 

 

 

 

 

INLEIDING,

 

Hoe een Mens zich tot zodanige order

en oefening (om recht te bidden)

moet schikken en voegen.

 

 

 

27. Christelijke lieve Lezer, recht Bidden is ook rechte ernst: en het moet ernst wezen, of het geldt niet voor God. Want wanneer wij recht willen bidden, dan moeten wij niet anders denken dan dat we voor Gods klare aangezicht, voor de H. Drievuldigheid staan, en voor de Koren van Zijn Heilige Engelen, en dat God in ons Gebed onze Ziel, Geest en Hart beproeft, en onze wil doorzoekt en geheel innerlijk aanschouwt, of deze geheel tot Hem is gesteld, of de wil zich gans in Hem heeft overgegeven.

28. En wanneer dit het geval is, beweegt Hij de wil met de kracht van Zijn Heilige Geest, en wekt deze op, opdat hij recht begerig en hongerig wordt naar de Genade, en ernstig mag beginnen uit zijn zelfheid uit, en in Gods ontferming in te dringen.

29. Want in eigen kracht is de wil al te zwak; maar als de Goddelijke Kracht zich beweegt, dan wordt hij opgewekt, opdat hij vurig en recht begerig wordt, in welke begeerte God Zelf werkt. Dan spreekt de mens recht met God, en spreekt werkelijk vanuit de Ziel des Mensen.

30. Zodanig spreken of werken is niet anders dan dat de arme Ziel van Gods Barmhartigheid (welk hij door de dood van Christus wederom tot ons heeft gewend) eet, en zich met de Balsem der Goddelijke Liefde in Christus verkwikt, in welk zij sterk wordt tegen de aanvechtingen des duivels.

31. Want dat Goddelijk gehoor is de kracht der genade, welk Hij in de Naam van Jesus weer in de Mensheid heeft ingevoerd, en ons wederom aldaar een deur tot Zijn gehoor geopend, waardoor wij God werkelijk in ons kunnen horen spreken, namelijk hoe hij ons Zijn Barmhartigheid (door dezelfde geopende Deur der Genade) inspreekt. En hoe daar de Ziel (door dezelfde open Deur) met God in zichzelf spreekt, waardoor zij door zodanig inwendig uitspreken van God gespijzigd, verkwikt en ook verlicht en vernieuwd wordt.

32. Want zij eet van Gods uitspreken (welk Mens geworden is, zijnde het Vlees en Bloed van Christus) op gelijke wijze als een Kruid de kracht van de Zon in zich eet, waar het getingeerd, balsemachtig en goed van wordt, dat het wast en bloeit, alzo eet ook de Ziel van de Goddelijke Zon, waar zij verlicht en krachtig van wordt.

33. Dit is nu de nut en de vrucht van het recht Bidden: welke nuttigheid geen uiterlijke mond, noch een van God afgekeerde wil vermag te bereiken, maar alleen de ingekeerde, die zich geheel aan God overgeeft.

34. Zal dit nu geschieden, zo moet de wil zich van alle andere Creaturen en van alle aardse dingen afkeren, ook zuiver voor God staan, zodat het werk der Creaturen, of ’t gene dat hij in tijdelijke dingen van God wil bidden, hem alleen in het vlees navolgt. Hij zal achter de zuivere wil staan opdat die zuivere wil de nooddruft des Lichaams voor God brengt, en het vlees met zijn lusten zelf niet meewerkt; anders voert hij Aardse lusten in de Goddelijke Zielewerkingen.

35. Daarom behoort bij het rechte ernstige Bidden (indien wij iets van God willen verkrijgen) te allen tijde een rechte bekering en ingekeerde ootmoedigheid, want recht bidden is een nemen van hetgeen de Ziel begeert, waar Christus van zei: Van nu af lijdt dat Hemelrijk geweld, en die geweld doen, nemen ’t tot zich, Matth. 11,12

36. Ik zal hierover een kort formulier opstellen van een rechte Belijdenis of Voorbereiding, hoe de mens zich voor zal bereiden, wanneer hij zijn korte Gebeden en smekingen voor God wil brengen. Want hij kan in een kort Gebed evenwel verhoord worden als met vele woorden, indien zijn hart maar oprecht voor God staat. Hier zijn geen lange woorden nodig, maar een gelovige boetvaardige Ziel, die zich met ganse ernst in de Barmhartigheid Gods, in Gods ontfermingen overgeeft. Want een enkele zucht werkt met God wanneer de wil zuiver voor God staat, en hij het aardse kleed (namelijk de valse lust) van zich heeft geworpen.

37. Niet dat er altijd een zodanig formulier van Belijdenis gebruikt moet worden; want de H. Geest maakt zelf wel een dergelijke belijdenis in het hart wanneer de Wil zich oprecht en ernstig tot God keert.

38. Alleen ter inleiding voor degene die nog niet weet hoe een recht bidder gesteld moet zijn, wil ik deze belijdenis opstellen, om zijn Ziel daarmee een aanleiding te geven. Maar het werk van de belijdenis en het bidden wil ik de Heilige Geest (in ieders ziel die recht en ernstig is) bevelen, die maakt zelf wel de Belijdenis en Gebeden, waar iemand recht en ernstig aan de deur komt, waar God de Heer werkelijk in de Mens spreekt; zo zal hij het bevinden.

 

 

Een belijdenis en rechte Werking der Bekering voor Gods Aangezicht

 

39. O Allerdiepste, Grootste en ondoorgrondelijke Heilige God! Gij, die Zich uit louter genade en barmhartigheid (na de verschrikkelijke val van onze eerste Ouders, met Uw grote Liefde en Barmhartigheid) in Uw Zoon Jesus Christus in onze mensheid heeft geopenbaard: En ons arme mensen wederom een open Deur der Genade tot Uw Aangezicht in Hem heeft gemaakt, en ook de zonde en de dood in Zijn Bloed verdelgd: En ons roept tot zulke Genade, dat wij arme zondaren maar weer om zullen keren, en tot U komen, omdat Gij ons wilt verkwikken. Matth. 11,28.

Ik arm onwaardig zondig mens, kom tot U op de uitnodiging van Uw Woord, en beken u dat ik zulke genade niet waardig ben, die Gij ons aanbiedt. Want ik steek in de drek der ijdelheid, en ben geheel met de lust des vlezes en eigen-wil beladen. Mijn zonden hebben mij gevangen en verduisterd, opdat ik Uw Genade niet smaken noch zien kan. Ik heb ook geen recht vertrouwen noch geloof tot U, en heb mij geheel in de ijdelheid dezer wereld en des vlezes begeven, en ben daarmee omvangen. Ik heb mijn schone kleed, welk Gij me in de H. Doop hebt aangetrokken, met vleselijke wellust besmet, en lig in de netten des duivels, in Uw grim, gevangen. De hel zet haar keel tegen mij open, en mijn Conscientie {geweten} knaagt mij. Uw Oordeel staat gedurig voor mij, en de banden des doods wachten op mij.

Ik lig in de drek der zonden en ijdelheid, waardoor ik ook mijn zonden niet ken noch berouw daarvan hebben kan, want zij hebben mij van Uw Aangezicht verborgen, en ik heb nog maar een klein vonkje van de Levende Adem in mij, door Uw aantrekking, welk Uw Genade begeert, en kom tegenwoordig voor U met de verloren Zoon, en de Tollenaar in de Tempel, en neem toevlucht tot Uw Barmhartigheid, en bid U in mijn zwakke kracht door het bitter lijden en sterven van mijn Verlosser Iesus Christus (Die Gij hebt voor-gesteld, tot een Troon der Genade, en Die ons Uw Genade aanbiedt door Zijn betalingen); neemt Gij mij toch weer tot uw Kind en Erfgenaam (in Uw Zoon) aan, en verwekt in mijn hart mijn rechte ernstige bekering, daarnaast ook berouw en leedwezen over begane zonden, opdat ik van de goddeloze weg mag uit-gaan, en mijn hart gans en geheel tot U mag keren.    

O grote God! Versterk toch mijn zwak geloof in mij, wek toch mijn hart op, dat het de menigvuldige zonden kent en berouw daarvan heeft. Raak toch mijn arme ziel aan met Uw Kracht, opdat zij zichzelf mag kennen, hoe zij van u staat afgekeerd.

O Gij Adem der grote Barmhartigheid Gods! Trek mij toch tot U, door de dood en verrijzenis van mijn Verlosser Jesus Christus, en verdelg mijn zonden in Zijn Bloed en dood, en maak mijn arme ziel Levend in Zijn Bloed, en was haar rein van haar zonden, opdat haar begeerte tot U (O Gij Heilige God!) moge indringen, en uit Uw Fontein der Genade kracht mag scheppen. Verwekt Gij toch in mij een rechte honger en dorst naar ware boete en berouw over de bedreven zonden, zodat ik deze tegen en vijandig wordt, en mij tot U keer.

O Gij grote Diepte der Barmhartigheid! Ik ben verre van U, en kan U in mijn zwakke krachten niet bereiken. Keert U toch tot mij-waarts, en neem mijn begeerte in U, en ontsteek ze, Heer! opdat ik Uw Genade mag smaken. Vergeef mij toch mijn zonden en overtredingen, en genees mijn zwakheid. Vermorzel toch mijn hart en ziel, opdat ik mij erken, en voor U verootmoedig. Zijt Gij toch mijn begin tot de bekering, en leidt mij op de rechte straten, dat ik met U moge wandelen. Geef mij toch Uw H. Geest in mijn Ziel en Geest, en heilig mij in Uw Genade, zoals mij Uw lieve Zoon Jesus Christus heeft beloofd: Mijn Vader wil den H. Geest geven den genen die Hem daarom bidden. En Klop, en u zal open gedaan worden. Nu kom ik arme zondaar op de uitnodiging van Uw Woord, en neem mij Uw Belofte in mijn Ziel en hart, en laat van U niet af, tenzij dat Ge me met Jacob zegent. En alhoewel mijn zonden vele zijn, zo zijt Gij toch de Almogende God, en de eeuwige Waarheid, Die niet liegen kan, en in de Profeet Esaia beloofd heeft: Indien wij omkeren en boete doen, zo zullen onze zonden [al waren ze bloedrood] sneeuw-wit worden als wol. Op Uw toezegging vertrouw ik, en geef ik me gans en geheel aan U over, en bid U, neem mij aan in genade, en leidt mij tot Uw Kinderen, die daar wandelen op de weg der Levenden, en laat mij met hun gaan, en in Uw Geboden wandelen. Geef mij een recht ootmoedig en gehoorzaam hart, welk zich altoos vreest voor Uw toorn, en niet meer zondigt.

O! Gij Fontein aller Genaden, wat zal ik voor U zeggen? Of wat zal ik mij veinzen, en mijn boze wil en begeerte troosten? Ik begeer geen troost van U in mijn aardse boze wil, maar bid U uit al mijn krachten die nog in mij zijn, doodt maar mijn aardse boze wil, en laat hem niet meer voor U leven. Want hij begeert maar geveinsdheid en eigen liefde, en is nooit oprecht voor U. Hij geeft U goede woorden, zegt waarheid, en is toch een gedurige leugenaar voor U. Geef mij maar Uw Wil, opdat ik niet zonder U wil. Treed met Uw Wil mijn valse boze wil te gronde, en laat mij met Uw Kracht met U willen en doen.

O Heer! Wat zal ik in mijn ijdelheid van U bidden? Ik bid niets dan alleen het sterven van mijn Heiland Jesus Christus van U, dat Gij mij in Zijn dood wilt doden, en me in Zijn Opstanding in Hem Levend maakt, opdat ik niet meer naar mijn geestes wil in me wandel, maar in Hem. Dat ik Zijn Tempel en Woning mag zijn, opdat Hij mij voert en leidt, en ik zonder Hem niets wil noch kan. Verenig mij met Hem, opdat ik een vruchtbare rank aan Zijn Wijnstok mag zijn, en in Zijn Kracht goede vruchten draag. Ik verzink me gans en geheel in Uw Belofte, mij geschiedde naar Uw Woord en Wil, Amen.

 

 

Dankzegging en Gebed, wanneer de Mens na zodanige werking ter bekering de Goddelijke Kracht in zich bevindt.

 

40. O God! Gij Fontein der Liefde en Barmhartigheid, ik loof en prijs U in Uw Waarheid, en dank U in mijn hart, dat Gij me wederom Uw Aanschijn aanbiedt, en mij onwaardig en ellendig als ik ben, aanziet met de ogen Uwer Barmhartigheden, en mij wederom een straal ter vertroosting geeft, dat mijn ziel op U kan hopen.

O gij onuitsprekelijke Liefde van Jesus Christus! Gij die de dood verbroken, en Gods toorn in Liefde hebt veranderd! Aan U geef ik mij gans en geheel over. Mijn Ziel looft en prijst U, ze verheugt zich in Uw Kracht en Liefde, dat Gij zo goed zijt. Mijn Geest speelt in Uw Kracht, en is verheugd over Uw Waarheid. Gij heerst over de zonden, en vebreekt de dood zijn geweld, gij houdt de macht der hel gevangen, en toont ons de Weg des Levens. Niemand Heer! is als U, Die de gevangene uit het graf des doods verlost en uitlaat, en de ellendige verkwikt. Gij drenkt ze in hun dorst, en geeft ze het Water des Eeuwige Levens. Gij stuurt haar voet op rechte wegen, en weidt haar met Uw staf. De dorre plaatsen van het Hart en de Ziel bevochtigt Gij met Uw regen, U geeft ze ’t water van Uw Barmhartigheid. Gij maakt ze levend midden in de dood, en richt ze voor U op, opdat ze voor U leven. Gij gedenkt aan Uw Barmhartigheid, en aan het Verbond welk Gij met ons (door Uw bloed en dood) gemaakt hebt, en vergeeft ons onze zonden. Gij schenkt ons in van Uw Kracht, opdat wij U erkennen, en geeft ons de spijze des Eeuwige Levens, waardoor wij verkwikt worden, en eeuwig naar U hongeren en dorsten. Zulks erkent nu mijn Ziel, en daarom looft zij U, en juicht U toe, in Uw grote Macht en Heerlijkheid.

O Gij Fontein der Goddelijke Zoetigheid! Neem toch mijn Ziel in U, en vervul mijn Geest met Uw Liefde, en bind mij aan Uw band, dat ik nimmermeer van U wijk. Sterk toch mijn zwakke geloof, en geef mij een zekere hoop en toeverlaat. Reinig toch mijn hart en ziel, en geef mij zuiverheid in de Conscientie, dat ik mij schaam voor Uw Aangezicht vanwege mijn zonden, en me hier van afwend. Dood toch alle boze lusten in mij, opdat ik U aanhang met reine begeerte, en in Uw Wil wandel. Behoud mij toch in Uw Kracht en Kennis, en geeft mij een ootmoedig hart tegenover U en mijn naasten, opdat ik U altijd erken en bemin. Help ook, dat ik mijn naasten mag liefhebben als mijzelf, door Jesus Christus onze Heer, Amen.

 

 

Een kort Gebed tot de grote vuur-brandende Liefde Gods, om recht tot Hem te bidden.

 

41. O Heilige God! Gij die een ontoegankelijk Licht bewoont, tot welk niemand vermag te komen dan alleen de Liefde van Uw Zoon Jesus Christus, die Gij uit louter Genade in onze mensheid in Jesus Christus hebt ingestort,  waarmee Gij ons arme mensen hebt bemind vóór de grondlegging van de wereld, en ons door dezelfde Liefde verlost van Uw grim, en van het geweld des doods en der hel. Nu biedt Gij ons zulke Liefde aan, door Uw Zoon Jesus Christus, in Uw vuur-vlammende Geest, dat wij U hierom zullen bidden, opdat Gij het ons zult geven.

Ik arm onwaardig mens, erken mij deze weldaden niet waardig, maar nu hebt Gij die in onze aangenomen mensheid geopenbaard, en hiermee de arme verloren zondaar geroepen, en bent daarom in het vlees gekomen, dat Gij ze zult zoeken in haar zonden en ellendigheden, en daardoor van zonden verlossen en zalig maken, gelijk Uw Woord ons leert.

Zo kom ik, O Liefrijke Vader, op de uitnodiging van Uw Woord, en neem Uw Woord en Waarheid in mijn hart en ziel, en neem deze in mij als een geschenk van Uw hand, en bid U, O! Gij vuur-vlammende Liefde Gods (in ’t Verbond van Jesus Christus aan ons arme dorstige zielen geschonken), ontsteek ook mijn arme Ziel met deze Liefde, dat zij een nieuw leven zal bekomen, en uit haar gevangenis van Uw toorn, en uit de kaken des doods verlost mag worden.

O Gij vurige Liefde Gods! Gij die de dood in onze mensheid hebt verbroken, en de hel verstoord, en de overwinning van onze zielen in Christus door de dood hebt uitgevoerd, Gij die op de H. Pinksterdag in de monden en harten van de Apostelen in vurige vlammen hebt gezweefd, en al Uw Heiligen hebt ontstoken, en Uw wonderwerken door hen gedaan, Gij die de gehele wereld en alle schepselen bemint en onderhoudt; tot U kom ik, en ik geef mij gans in U over.

O! Gij grote Fontein Gods, openbaar U ook in mijn geest van binnen, en steek in mij aan dat vuur van Uw reine Liefde, opdat mijn Geest in Uw Liefde mag branden, en U daarin erkent en looft.

O! Gij grote Heiligheid, door de verdienste van mijn Heiland Jesus Christus, door Zijn bloed en dood dring ik mij tot U in, en geef mij over in Uw Vlammen, ik voer mijn wil door Zijn Opstanding en Hemelvaart in U, en geef hem gans en geheel aan U over. Doe met hem wat U wilt. Verlos hem maar van de valse lust, en breek hem zijn geweld, dat hij alleen naar U opziet.

O! Gij heilige Kracht Gods, die in en boven de Hemel en aarde zweeft, en alle dingen nabij zijt, giet U toch ook in mij uit, opdat ik in U weer opnieuw geboren wordt, in U groei, en goede vruchten draag, als een rank aan de Wijnstok van mijn Heiland Jesus Christus, tot Uw eeuwige Lof en Heerlijkheid.

O! Gij Poort der Heiligheid Gods, licht toch op in Uw Tempel in mijn geest, opdat ik in Uw Licht wandel, en U alle tijd loof, en U dien in heiligheid en gerechtigheid, naar Uw welbehagen, gij die daar zijt een Enig God, Vader, Zoon en Heilige Geest, hoog geloofd in de eeuwigheid, Amen.

 

Nu volgen de Gebeden op alle dagen in de week, des morgens, des middags en des avonds, hoe de mens in gestadige oefening en werking zal zijn.

 

Christus sprak tot Zijn Discipelen, waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt. Matth 26,41.

En de Heilige Paulus zegt: Uw tegenpartij de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekend wie hij zou mogen verslinden; wedersta hem, vast in het geloof, in ’t Gebed, en in de hoop, opdat uw hart bewaard wordt voor zulke pijlen van de boze vijand. 1 Pet. 5,8-9.

 

 

Gebed des Maandags

 

Een kort Gebed en tot God dringend zuchtje, als men wakker wordt, aleer met opstaat.

 

42. O Levende God! Gij die Hemel en aarde gemaakt hebt, mijn ogen zien naar U op, en verheugen zich over Uw Goedheid, dat Gij zo genadig zijt, en Uw hand over mij gehouden hebt in deze duistere nacht, en mij door Uw Heilige Engel voor alle schade en leed bewaard. Tot U, Gij Levende Fontein, dring ik, en zegen mij met het H. Kruis, aan welk Gij de dood gewurgd, en ons het leven weer gebracht hebt, door het bloed van onze Heer Jesus Christus, in de naam van God de Vader †, de Zoon †, en de H. Geest †, Amen.

 

Een Gebed en Dankzegging wanneer men opstaat.

 

43. O God, mijn Hemelse Vader, ik dank U door Jesus Christus, Uw lieve Zoon onze Heer en Heiland, voor alle weldaden en genade, voor Uw genadige behoeding en bescherming, dat Gij Uw hand over mij gehouden hebt, en mij deze nacht voor des duivels list en bedrog, en voor alle kwaad bewaard hebt. En beveel U nu mijn Lichaam en Ziel (en al hetgene Gij mij gegeven hebt, en waarin Gij me tot Uw Dienaar hebt gesteld) in Uw hand. Ook al mijn zinnen, gedachten en begeerten. Regeer mij toch deze dag en altijd met Uw Heilige Geest, en leid mij op rechte wegen. Geef mij Uw Woord in  mijn hart, en leert mij Uw Waarheid, dat ik niets spreek, denk noch doe, dan alleen wat recht en waarachtig is. Behoed mij voor leugens en alle boze mensen, die in leugens en bedrog wandelen, dat ik hen niet navolg, maar Uw Waarheid in mijn hart voer, en op rechte wegen wandel. Bekleed toch mijn hart en ziel met het Kleed des Heils, en met de Rok der Gerechtigheid en Reinheid, en was mijn hart met het bloed van het zuivere Lam Jesus Christus. Laat mijn ogen naar Uw Weg zien, dat ik daar op wandel. Geef mij Uw H. Engel, opdat Hij mij geleidt en voert, en voor de duivelse voorstellingen en valse netten bewaart, dat ik mij niet laat gelusten aan de ongerechtigheid. Geef mij kuise en zuivere ogen, dat geen valse lust in mij opwaakt, en behoed mij voor toorn en vloeken, dat ik Uw H. Naam niet misbruik, maar alzo wandel, als het U behaaglijk is, door Jesus Christus Uw lieve Zoon onze Heer en Zaligmaker, Amen.

 

 

Een kort Gebed als men zich aankleedt en wast.

 

O Eeuwige God! Met dit kleed herinner ik me het Kleed des Onschulds van onze eerste Voorouders, toen zij dusdanig kleed niet behoefden, welk aardse kleed zijn begin door de zonden heeft genomen.

O Barmhartige God! Gij hebt ons dat schone Paradijs-kleed (in Uw Zoon Jesus Christus) wedergebracht, trek ’t mijn ziel toch aan, nu mijn aardse lichaam het niet waardig is, totdat ik eenmaal wederom uit het stof der aarde zal opstaan, dan zult Gij me wederom geheel overkleden, met het Kleed Uwer Kracht en Heerlijkheid, zulks geloof en hoop ik naar Uw Woord. En gelijk ik mij tegenwoordig met uiterlijk water was, alzo, O Lieve God! wast Gij toch ook mijn hart en ziel met het Bloed des Lams Jesus Christus, opdat ik voor U rein ben, en als Uw Bruid U mag behagen. Omhels mij in de armen van Uw Liefde, gelijk als Uw welbeminde Bruid, met welk Gij U verloofd hebt, en in geloof en liefde verhuwelijkt zijt.

O Here Jesus Christus! bekleed mij toch met het kleed Uwer Onschuld, gij die in ons kleed zijnde, de bespotting van alle mensen op U hebt genomen. Gij hebt onze aardse klederen (in Uw lijden en sterven) van U afgelegd. De Krijgs-knechten trokken ze U uit, en Ge hebt U (van alles ontbloot zijnde) aan Uw Eeuwige Vader opgeofferd, en hebt voor ons daarmee dat reine en Heilige Kleed van Uw Onschuld verworven, welk onze Vader Adam voor zijn val aanhad, toen hij niet wist dat hij naakt was.

O lieve Heer Jesus! trek mijn arme ziel dit Kleed toch weer aan! Gij zijt toch daarom in de mensheid gekomen, dat Gij ons wilde helpen, en het Kleed Uwer Kracht wilde schenken! Neem toch mijn gemoed in Uw Kleed, dat het in zodanig Kleed voor God Uw Vader mag verschijnen, en Hem mag bidden.

O Here Jesus Christus! Ik kan zonder dat kleed Uwer kracht en genoegdoening voor God niet komen. Mijn Gebed kan de plaats der Godheid anders niet bereiken, tenzij Gij mijn gemoed en begeerten overkleedt met de overwinning van Uw Opstanding. Hierin alleen kan ik met mijn gemoed tot Uw H. Vader komen, daarom geeft ik U nu mijn gemoed en wil geheel tot eigendom over. Bekleed het toch, Here Jesus, met Uwe Kracht, gelijk als ik mijn lichaam tegenwoordig met aardse klederen bekleed, en was alle onreinheid af van mijn gemoed, en gelijk als ik nu mijn aangezicht met water was, was zo mijn gemoed inwendig met de kracht Uwer Genade, opdat het wakker wordt om U te aanschouwen, en walgt van alle valsheid en onreinheid der leugen, onwaarheid, hovaardigheid, gierigheid, afgunst, toorn, en al hetgene wat tegen God is.

O God Heilige Geest! Laat mij innerwaarts gaan, en wandelen in Uw Kracht, Uw Heilige Engel (welk Gij mij toegevoegd hebt) die leidt mij, door Jesus Christus, onze Heer, Amen.

 

Een Gebed, Als men tot zijn werk en beroep wil gaan, in welk God eenieder gesteld heeft.

 

45. Almachtige, eeuwige God en lieve Vader! Een Schepper des Hemels en der Aarde; Gij hebt alle dingen tot uwen lof, en de mens tot Uw evenbeeld geschapen, en hem tot een Heer en Regeerder over Uw werken gesteld; en alles onder zijn handen gedaan.

Ik arm en ellendig zondig mens herinner mij de zware val van onze eerste Voor-ouders, waardoor Uw vloek over dit werk en over de aarde kwam, en zie voor me hoe de eerste ouderen uit het Paradijs in deze vloek zijn geraakt, in welk wij nu al tesamen in moeiten, kommer en nood moeten baden, en ons vermoeien en krenken, dat wij ons leven generen {de kost winnen} en ons onderhouden; totdat wij uiteindelijk weer het stof der aarde ingaan, waaruit wij voortgekomen zijn. Alwaar wij Uw waarachtige Belofte en toezeggingen verwachten, dat Gij ons uit het stof der aarde in de laatste dagen weder op zult wekken, en ons wederom in het schone Paradijs-Beeld formeren. Zulks herinner ik mij tegenwoordig, nu ik het werk en het beroep bij de hand neem, in welk Gij mij (door de natuur) verordineerd hebt, en bid ik Uw grote Barmhartigheid, die Gij (na zulke zware af-val) in de Genade van Jesus Christus wederom tot ons hebt gewend, zegen mij toch in mijn beroep en stand, en keer Uw vloek en toorn (door de Liefde van Jesus Christus) van mij af, opdat mij de boze geest in mijn beroep en stand niet zift en aantast, en in valsheid voert, dat ik mijn naasten niet ergens in verongelijk of bedrieg, met woorden of werken onrecht doe, of iets begeer, dat mij niet toebehoort.

Geef mij toch, O lieve Heer! een redelijk hart en gemoed, dat ik met een goede conscientie, zonder valse begeerte, ook zonder hovaardij, gierigheid en toorn, mijn werk mag doen; en dat mijn stand mag leiden naar Uw Wil, en mij aan Uw Genade (wat Gij mij geeft) laat genoegen; En met het werk mijner hand in mijn stand en staat (in welk Gij mij gesteld hebt) niet alleen het mijne zoek, om mijzelf te dienen, maar ook mijn naasten, de armen, ellendigen en onvermogenden. Ook de zwakken en naakten, die niet met verstand begaafd zijn (Uw wonderwerken voortzettend) te hulp te komen.

Help toch, O lieve God!, dat ik mijn eigen recht ken, dat ik in mijn stand en staat, in mijn werk, alleen maar Uw dienaar ben, en dat al hetgeen (wat ik bezit) van uw hand komt, en dat ik in deze wereld niets eigens heb, maar alleen een Pelgrim en Huisgenoot op aarde ben, en dat Gij O God Vader met uw Zoon Iesus Christus, in de kracht des Heiligen Geest Zelf alles werkt, bestiert en regeert, en alles alleen het Uwe, niet het mijne is.

Geef mij toch recht te kennen, dat alle Mensen uit Eén voortgekomen zijn, en daarom al tesamen mijne leden, Broeders en Zusters, gelijk een boom in zijn takken; dat ik ze weer al tesamen moet liefhebben, gelijk Gij ons liefhebt, O lieve God!, en met een enige Liefde in Jesus Christus, vóór des Werelds grond-legging lief gehad hebt, en nog altijd liefhebt, en ons allen in een enige Liefde in uw toorn verzoend. Alzo, O lieve God!, verwekt toch ook dezelfde Enige Liefde in mij, en ontsteek mijn ziel en gemoed daarmee, opdat ik ook met en in U, in Uwer Liefde al mijn mede-leden lief heb, en hen ten dienste bereid en willig ben: Opdat Uw naam in ons allen wordt geheiligd, en Uw Rijk in ons kome, en Uw Wil in ons geschiede: opdat wij allen in eender Liefde Uw Zegen eten en drinken, neemt van ons het kwaad en de zware schuld, namelijk Uw vloek en toorn, opdat de nijdigheid en gierigheid des duivels niet in ons opwelt, en dat wij ons ook tesamen hartelijk mogen beminnen, en ons onder elkander de gebreken en zwakheden vergeven, gelijk gij ons (in Uwer Liefde) in Jesus Christus dagelijks vergevend zijt.

O Heer! Weert Gij toch Satan’s listige grepen, dat hij ons niet verzoeke, noch de kwade genegenheden in ons verheft, waardoor wij in valse lust mochten geraken. Verlos ons toch, O lieve God!, van dergelijk kwaad, door het bloed en de dood van onze Heer Iesus Christus.

Geef mij een vrolijk gemoed om Uw wonderen voort te zetten, en help, opdat ik zonder Uw Kracht niets werk, wil noch doe. Geleid mijn leven door Uw wonder-werken en schepselen in de eeuwige Hemelse werkingen, tot in de geestelijke verborgen wereld, en laat mij alhier in uw wonder-werken in kracht en kennis toenemen, opdat ook mijn inwendige grond (in Uw wonder-werken) in Uw Kracht was en toeneem, tot de openbaring van het nieuwe Jerusalem in ons; waar Gij (O waarachtige God) alles in allen in ons zult willen, werken en zijn. Geef mij derhalve toch zulks gedurig te kennen, opdat ik het tot een gedenk-teken in mijn gemoed heb, en niet zondig, noch mijn wil van U afbreek, en een vals beeld voortbreng, welk geen andere begeerte heeft dan hovaardij, gierigheid en eigen eer, en met de boze geesten verdoemd zou worden. Maar laat mij een Geest en Wil met U zijn, en met U werken in de Kracht van mijn Heiland Jesus Christus, en de Heilige Geest, Amen.

 

Een Gebed des middags, of wanneer zodanige aandacht de boetvaardige mens beweegt, om zichzelf zijn stand te herinneren.

 

46. O God, eeuwige Vader!, ik dank en loof U, dat Gij mij in deze stand geordineerd hebt, en mij goede nering hebt gegeven (of tot vrome lieden gebracht hebt, die ik met mijn gaven zou dienen) en mij met vernuft en verstand begaafd, tot een vernuftig mens geschapen, opdat ik U ken: en dat ik niet een dood, dwaas, onwetend mens ben, die van U niets weet, en U niet dankbaar is voor zulke weldaden. Maar daarentegen mij aan ’t licht des werelds hebt geschapen, dat ik met en in Uw Licht werken en leven zou, en dat U mij al Uw wonderen toont in Uw Licht. Ook dank ik U, dat Gij mij tot Uw evenbeeld hebt geschapen, en mij Uw wonderen onder mijn handen hebt gedaan, opdat ik ze ken, en mij in de werken Uwer Schepping mag verheugen.

Ik bid U, eeuwige God, geef mij wijsheid en verstand, opdat ik uw schepselen niet misbruik, maar enig en alleen tot mijnen nooddruft gebruik, mijn naasten en mij ten goede. Geef mij, dat ik U in al Uw gaven dankbaar zij, dat mijn vernuft niet zegt: dat is mijn, ik heb ’t verkregen, ik wil ’t alleen bezitten, ik ben daarmee edel, heerlijk en schoon, mij komt hierom eer en roem toe; dat komt allemaal voort uit de duivel en de zware val van Adam.

O lieve Heer Christus!, help toch, dat ik alle tijd Uw ootmoedigheid, nederigheid en tijdelijke armoede overweeg, en mijn gemoed niet toelaat zich te verheffen boven de eenvoudige armen en nooddruftigen, dat mijn ziel zich niet van hun afbreekt, en zij in hun ellende niet over mij zuchten, en mij mijn wegen naar U niet verhinderen, maar help, dat ik mijn hart bij de eenvoudigen in het stof leg, en altijd beken dat ik niet meer ben dan zij, en dat mijn stand de Uwe is, en ik maar een dienaar.

O grote H. God!, ik bid U, open toch mijn inwendigheid, opdat ik recht ken wat ik ben. Sluit toch in mij op, hetgeen in Adam ingesloten werd, laat mij toch in mijn inwendigheid des gemoeds de schone Morgenster in de H. naam Jesus zien en bevinden, die Zich aan ons arme mensen uit genade aanbiedt, en in ons wonen, en ook krachtig in ons werken wil.

Verbreekt Gij toch in mij de harde posten van mijn aannemelijkheid van de eigen wil, opdat Zijn Wil door mij uitlicht, en mijn gemoed Zijn lieve vier-stralen gevoelt en bevindt.

Ontsteekt Gij toch mijn vurig leven (van de grond der Zielen) met de stralen van Uw Licht, opdat ik U verdragen mag, giet toch Uw Liefde en Zachtmoedigheid in mijn vuur-leven, opdat de glans van Uw vuur mij niet verteert noch verslindt, vanwege mijn tegenwoordige onreinheid.

O Gij grote H. God!, tot U nader ik mij nu met mijn gemoed, namelijk met Uw uitgegoten Kracht, welk Gij in een beeltenis naar Uw gelijkheid, door Uw werkingen hebt geformeerd; en geef ik mij wederom geheel tot Uw eigendom over. Werk in mijn gemoed, als in Uw voorwerp, Uw wonderen naar Uw behagen, en houdt mijn gemoed met Uw Kracht als Uw Werk-Instrument, opdat het zonder U niets wil noch doet. Leidt mijn genegenheden met Uw Macht, opdat ik in en met U mag heersen, over zonde, dood, duivel, hel en de wereld.

Nu Gij me in ’t begin (in mijn Vader Adam) tot een heerser over alle Creaturen hebt gemaakt, en me na de verschrikkelijke val wederom in Christus Jesus hebt gebracht, opdat ik in Jesus Christus, met Hem en in Hem, en Hij met mij en door mij, over al Zijn vijanden heersen zou, tot zij allen tot een voetbank Zijner en mijner voeten gelegd worden. Zo geef ik mijn gans gemoed en ziel, en alles wat ik ben, aan U over, mijn Heer Jesus! Heerst Gij in mij over al mijn vijanden, die in en buiten mij zijn. Legt Gij die tot een voetbank Uwer voeten, en leidt mijn gemoed (zijnde het evenbeeld Gods) in Gods Kracht, dat deze als een Werk-Instrument van de Heilige Geest, met God het goede werkt, wilt en volbrengt, opdat Uw hoge naam (God) wederom daarin openbaar wordt, en wederkomt tot de gemeenschap Uwer H. Engelen, waartoe Gij dit in het begin verordineerd hebt.

O grote God! Mijn gemoed is toch een straal van Uw Almogendheid, heerlijkheid en wetenschap, een Speel-genote van de Goddelijke Wijsheid en Heiligheid, een Dienares van de Majesteit en Eenheid Gods, een kenster Uwer openbaringen, en een figuur van de grote naam Gods. Gij die de wereld en alle dingen gemaakt hebt! In ditzelfde wezen (aleer ’t een Schepsel werd) stonden de formeringen van Uw Wil, welke formeringen Gij (O! grote God) in een Creatuurlijk schepsel hebt gebracht, en dat edele gemoed gesteld tot een heerser daarover, waar Gij met Uw H. Naam, in Uw Kracht, door het gemoed, Zelf wilt heersen.

O God! Het gemoed heeft zich in Adam van U gekeerd, en is in eigen aannemelijkheid en eigen wil gegaan, en heeft zich duister, dor, stekelig, vijandig, hongerig en nijdig gemaakt, en is een helse kwaal en gruwel voor U geworden, aan alle boze geesten gelijk. En Gij heeft het met Uw allerheiligste naam van Jesus wederom tot U gekeerd en opnieuw gebaard. Daarom geef ik mij gewillig over in Uw zoete aangeboden Genade, en verzaak hiermee mijn eigen wil en natuur-recht, en geef ze aan U, Heer Jesus!, ten eigendom, opdat ik het zelf niet meer ben, maar dat Gij het zijt, naar Uw en Uw eeuwige Vaders welgevallen, opdat God zij alles in allen, een waarachtig drie-enig Wezen, Vader, Zoon, Heilige Geest, in de Hemel en op aarde, alles in allen werkende en beheersende, Amen.

 

 

Een ander Gebed, des Maandags middags, om daarin de kwaliteit en eigenschap van de dag te overwegen; en zich (in den rechten middag, van de Mane des Hemelse wezens) te verheffen.

 

Van ’t opklimmen des gemoeds

 

47. O God!, Gij overglinsterend eeuwig uitschijnend Licht: Gij hebt de uitwendige wereld dat licht (van het spreken Uwer Macht) door de stralen van Uw Licht gegeven, en heerst met Zon en Maan in al Uw Werken, in het Wezen van deze wereld. Gij baarde alle tijdelijke leven door deze lichten: Al wat adem heeft, werkt en leeft in deze lichten; en U in al Uw Kracht looft. Alle Sterren nemen licht en schijn van Uw uitgegoten glans. Gij versiert de aarde (door dit licht) met schone kruiden en bloemen, en verheugt daar in alles wat er leeft en wast; En toont ons mensen Uw Heerlijkheid, dat wij Uw Kracht kennen, die inwendig verborgen is; en daaraan zien, hoe Gij Uw Eeuwig Woord en werking zichtbaar hebt gemaakt, opdat wij daardoor Uw inwendig geestelijk Rijk zouden betrachten, waar Gij in het verborgene woont, en al Uw schepselen vervult, en alles in allen Zelf werkt en doet.

De Hemel en ook de aarde vertellen Uw Eer, Kracht en grote Macht: de Elementen zijn een tegenbeeld van Uw Wijsheid, waar Uw Geest met een tegenbeeld voor U speelt, en alle dingen U loven, en zich in Uw Kracht verheugen en vrolijk zijn. Boven dit alles, zo hebt Gij (O grote God!) mijn gemoed tot een Kenster en Speelgenote Uwer Wijsheid gemaakt, dat ik U daarin zou loven, en Uw wonder-werken helpen en voortzetten. Gij hebt een welgevallen daaraan gehad, dat Gij mij zulke macht hebt onderworpen, en mij gegeven in alle dingen te werken, en mij alles tot eigen gemaakt.

O grote God in Christus Jesus! Waar is nu mijn macht en heerlijkheid? Deze is toch blind! Geleid mij toch wederom in mijn plaats van Uw scheppingen, opdat ik in Uw Licht weer ziende word, en Uw wonderen kennen mag. Licht Gij toch wederom op in mijn uitwendige Zon- en Maan-licht, opdat ik aan ’t uitwendige wezen Uwe inwendige Kracht leer kennen.

Och! Gij Licht boven al het licht van de grote verborgenheid, geef mij toch Uwe stralen van Uw verborgen Heiligheid, dat ik in mijn licht mocht zien het Licht van Uwen glans.

O Gij Vuur en Licht van de grote inwendigheid, ontferm U over mijn ellendigheid, en help mij uit dit duistere woon-huis, in welk ik gevangen ben. Geef mij toch wederom een ware kennis van Uw Wezen, waartoe Gij het gemoed aanvankelijk in de natuur hebt gebeeld, en het tot de Wil van Uw figuren en schepselen geordineerd. Geleid mij toch weer in Christus mijn Heiland, in mijn vorige heerlijkheid.

En alhoewel het lichaam zulks in deze tijd niet waardig is, nu hij een stinkende romp is geworden, doorlicht toch mijn edel gemoed, in Uw evenbeeld, en laat het in Christus mijn Heiland in de Hemel wonen, in de gemeenschap van uw Heilige Engelen.

Stelt Gij het in de middag van Uw wonderen, waartoe Gij het gemaakt hebt, en heers (O Heere Jesus Christus) daarmee als met Uw erve over alle dingen, en help mij, dat ik ootmoedig ben, en mij (’t geen Gij doet) niet aanneem: maar U na zie, en mijn begeerte U looft, en gestadig in Uw Harmonie leeft, en zonder U niets begeert te beginnen noch te doen.

O Heer, gij Allerheiligste Licht!, laat toch mijn gemoed in Uw Voorhoven wonen, dat het zich van Uw glans (die van U uitvloeit) verheugt, en eeuwig niet meer van U afwijkt. Maar leid het wederom tot de gemeenschap van Uw Heilige Engelen, waartoe Gij ’t verordineerd hebt.

O Heilige Naam E M A N U E L, het is ’t Uwe, doet Gij daarmee wat Gij wilt, Amen.

 

 

Gebed des Maandags tegen de avond, om ons de moeilijkheid van het werk van onze handen (in de vloek van Gods toorn) te herinneren.

 

Van ’t afklimmen des gemoeds.

 

48. Ach God!, hoe ellendig, vol jammer, kommer en zorgen, is onze tijd; vol angsten en droefheden! Wanneer wij menen dat wij oprecht staan, en ons in het werk van onze handen verheugen, zo overschaduwt Gij ons met Uw grimmigheid, en maakt dat wij ons benauwen. Wij lopen en beangstigen ons, en daar is niemand die ons jaagt, dan alleen Uw toorn in onze verdorvenheid. Wij verteren onze dagen gelijk een gepraat; gelijk een rede die vergeten wordt. Alzo vergaan onze dagen, en zijn we gedurig in onrust. Ongestadig is onze wandel. Wij verlaten ons op onze arm, en hangen aan het werk van onze handen, en vertrouwen U niet ganselijk. Daarom laat Gij ons heenvaren in onze angsten en kwellingen. Wij overwegen nimmermeer dat Gij, O God, Zelf alles werkt en doet. Want geen adem kan zich zonder U bewegen, ook vermag geen enkel grasje op de aarde (zonder U) kronen. Dit alles zien wij, en toch bouwen we op onze nietigheid, op ’t werk van onze handen, en vertrouwen U niet recht. Wij komen bijeen, en genieten het niet. Een vreemde kwelt zich daarin met ijdelheid, en des jammers (‘tgeen wij drijven) is eindeloos.

O God!, gedenk toch aan onze moeilijkheid en ellende, en wend Uw toorn en vloek van ons, en laat ons wederom tot Uw perk lopen, opdat wij weer in onze erfenis komen, en ons in Uw wonderen verheugen. Zie toch de angst van ons gemoed, en het verdichten van onze wil, en gedenk dat wij in het wezen van het stof versloten liggen. Ontsluit ons toch Heer!, en geleid ons weer naar Huis. Want wij zijn in een vreemd land, bij een vreemde moeder, die ons in Uw grimmigheid ernstig slaat, en in een gedurige honger (met ontbering van Uw zoete spijze) laat lopen, en gebrek doet lijden. Wij moeten met de verloren Zoon de draf der ijdelheid eten. Ons kleed is verouderd, en vol schande, en we staan in grote bespotting voor Uw Heiligheid. De drijver van Uw toorn houdt ons gevangen. Wanneer wij menen dat wij U begrepen hebben, zo verbergt Gij Uw Aanschijn voor ons, en laat ons in smarten.

Dit alles maakt onze eigen wil, dat wij ons van U afkeren in de ijdelheid, en alleen maar het vergankelijke Wezen begeren: Wij zwemmen met onze lusten daarin, zoals de vis in het water, en zeggen doorgaans tot onze Ziel: ’t heeft geen nood! daar wij toch op de afgrond van de hel staan, en de grimmige dood alle uren op ons wacht.  Wij wandelen al tezamen naar de nacht, en lopen naar onze graven toe, gelijk een lopende Bode zijn weg loopt.

O Heere Jesus!, blijft Gij toch bij en in ons, en leer ons bedenken, dat ons uiterlijk leven (waar wij zoveel op vertrouwen) tegen de avond, en naar het einde lopend, dat het zeer haast met ons gedaan is, en leer ons de rechte weg wandelen. Zijt Gij toch met ons op deze Pelgrims straat, en leid ons tot U thuis, wanneer onze nacht nadert, en de dood zijn keel naar ons vlees en uitwendig leven openzet, en ons in haar verslindt, en als een stof verbrijzelt; zo neem ons toch in Uw Kracht, en laat ons een zoet brood zijn in ’t Wezen van het uitgevloeide Woord van Uw mond.

Help toch, O lieve God!, dat ik gestadig daaraan denk, dat het met mijn uitwendige leven alle uren tegen de avond, en tot het wezen van de stof gaat; dat ik de nacht der aarde doorgaans nader kom, dat mijn loop des vlezes niet anders als een loop ten grave is, alwaar mij de wormen zullen verteren.

Ach Heer!, wat mij alhier een walging is, die moet ik in zijn verslinding vallen, en mij hem ter spijze overgeven: Gen 3.14. Waar blijft dan mijn lust der aardse dingen, die ik in de wereld onderhouden heb? Indien het mij alles tot bespotting strekkende is, wat verhef ik mij dan in tijdelijke lust, naar ‘tgeen dat mij daar niet van verlossen kan? Waarom kwelt zich mijn Ziel, en beangstigt zij zich naar haar vijand, die haar tot de duistere nacht leidt?

O God!, leer mij toch zulks kennen, opdat ik mijn hart van de moeilijkheid des arbeids van deze wereld tot U keer, en de dood niet voor mijn leven houd: Opdat ik in een gedurige boete leef, en mijn gemoed zich tot U verheft, en met U arbeidt; opdat ook mijn recht (in Adam geschapen) vlees geheiligd, en uit het stof wederom tot het gemoed gebracht wordt.

Verlos mij toch van de grove schors van dit aardse vlees, in welk de duivel zijn vergif heeft gebracht, en in Uw Rijk niet van nut is. En baar wederom in mij een Hemels geestelijk Lichaam, in welk de onsterfelijkheid is, en geen kwade genegenheden of valse lusten meer kunnen ontstaan. En laat mij in Christus Jesus in U rusten, tot op de heerlijke wederkomst en openbaring Uwer heerlijkheden, Amen.

 

 

Een Gebed, als men ‘s avonds van werken ophoudt, en zal gaan slapen.

 

49. O God, Gij Vader van alle Goeds! Ik dank U door Jesus Christus Uw lieve Zoon onze Heer en Zaligmaker, voor alle weldaden, dat Gij mij deze dag voor alle kwaad en schade genadig hebt bewaard, en beveel U nu mijn werk in Uw Kracht, en vlied met mijn gemoed tot U, en geef mij gans en geheel in Uw heilige werking over. Werkt Gij toch deze nacht en altijd met de kracht Uwer Genade in mij, en verbreek in mij de ijdele begeerten van de valse werking, in welk Uw vloek en grim (in mijn vlees) mede begeert te werken, alsmede des duivels ingevoerde lust, welk mijn gemoed tot de lusten der ijdelheden tergt: verstoor dit toch, O lieve God!, met Uw Kracht, en ontsteek in mij het vuur van Uw reine Liefde, en verdelg de valse lust van de onreinheid.

Wederstaat Gij alle boze invloeiingen van ’t gesternte, en van de ontstekende Elementen, en laat mij in Uw Kracht rusten, opdat mijn gemoed niet in valse begeerlijkheid en genegenheden gevoerd wordt.

O grote Heilige God!, in Uw genade en barmhartigheid verzink ik gans en geheel. Laat toch Uw goede Engel bij mij zijn, dat hij de vurige stralen van de boze vijand tegenhoudt, opdat ik in Uw Kracht zeker mag rusten, door Jesus Christus onze Heer, Amen.

 

 

Een Gebed, wanneer men zich ontkleed en neder legt.

 

50. O Barmhartige God!, trekt Gij toch in mij het valse kleed der slang uit, ‘twelk mijn vader Adam en mijn moeder Eva mij door hun valse lust aangetrokken hebben, in welk mijn arme Ziel met Uw toorn bekleed is, en in schande voor Uwe H. Engelen staat. Ontbloot Gij toch mijn Gemoed en Ziel, opdat mijn gemoed van zodanig kleed afgetrokken wordt, en rein voor Uw Aangezicht mag staan. Bekleed het toch met Uw Kracht, en met het kleed van de mensheid van Jesus Christus, opdat het wederom met de H. Engelen voor U mag wandelen.

O lieve Heer Jesus Christus!, ik geef aan U mijn ziel en gemoed geheel naakt en bloot over. Trekt Gij mij het onreine kleed af, in welk ik in grote schande voor Gods Heiligheid sta.

Bekleed mij toch met Uw overwinning, en stel mij wederom aan Uw Vader voor, als een nieuw-geboren Kind, welk Gij in Uw bloed gewassen, en wiens boze wil Gij in Uw dood gedood hebt, en in Uw opstanding opnieuw gebaard, en ontsteek Uw Licht in deze nieuwe geboorte, opdat ik in het Licht wandel, en een rank aan Uw Wijnstok ben en blijf, Amen.

 

 

Een Dankzegging van de Boetvaardige Ziel, voor het bittere lijden en sterven van Iesus Christus.

 

51. O Allerdiepste Liefde Gods in Christus Jesus! Ik zeg U lof en dank, dat Gij mij uit de eigenschap en de pijnlijkheid van het vuur verlost hebt, en Uzelf met Uw Liefde en Genade, in mijn vuur-eigenschap ingegeven, en mij in een vuur der Liefde en Goddelijk Licht hebt veranderd. Gij hebt Uw Kracht en Macht in mijn wezen, in lichaam en ziel ingelegd, en aan mij tot een eigendom gegeven. Ja, Gij hebt mij met Uw Genade, door de schat van Uw dierbaar bloed, U ten eigendom gekocht, voor welk ik U dank tot in de eeuwigheid, en ik bid U, Gij eeuwig uitgegoten Liefde, in de allerheiligste naam Jesus, leid mij toch wederom in mijn eerste Vaderland (wanneer ik dit tijdelijke leven afgestorven ben) in welk mijn vader Adam in zijn onschuld woonde, in het Paradijs; en begraaf  mijn lichaam en ziel in de Goddelijke rust. Verleen mij ondertussen, dat ik dagelijks in de bekering, in het uitgaan van mijn aardse wil, mag leven. Dat ik ook de ganse tijd van mijn leven daarin volstandig blijf, en in zodanige stand veel goede vruchten mag voortbrengen, totdat Gij mij wederom in de rust zult leiden, in mijn rechte Vaderland, waar melk en honing der Goddelijke Kracht vloeit, Amen.

 

 

 

 

Gebed des Dinsdags

 

Over Gods gerechtigheid, alsmede over het strenge Gebod en Wet, over hetgeen God van ons eist, en hoe zulks vervuld mag worden.

 

Door de 10 Geboden, en het Geloof geleid,

ook in Belijdenis en Gebedswijze

voorgesteld

 

Een ernstige Spiegel, wel te betrachten.

 

 

Van ’t Eerste Gebod.

 

God sprak op de Berg Sinaï tot Israël: Ik ben de Heere uw God; gij zult geen andere Goden naast mij hebben, Exod. 20.1,2. Deut. 5.6,7. En, Gij zult God uw Heer liefhebben met geheel uw Hart, geheel uw Ziel, en geheel uw Gemoed, Deut. 6.5. Matth. 22.37.

 

Belijdenis.

 

52. O Grote Heilige God! Gij hebt de mens uit de Limo der aarde gemaakt, in welk ’t Paradijs (zijnde Uw Heilige Kracht) een heerlijk, krachtig en schoon Lichaam groenend was: zonder verderfelijkheid en zonder verstoorlijkheid; in een gelijkheid der Elementen. En Ge hebt hem uit Uw Kracht het innerlijke, zielse, en het uitwendige, elementische leven ingeblazen, van de Kracht van Uw innerlijke, Goddelijke werking en kennis, zijnde de grote Naam Gods, en hebt hem een eigen wil gegeven, opdat hij een beeld naar Uw wonderen, macht en heerlijkheid was, en over al Uw schepselen dezer wereld zou heersen. Ook hebt Gij hem dat uiterlijke leven van alle werking, met het innerlijke zielse leven gegeven; door welk Gij de wereld beheerst.

Gij hebt hem tot een Regent over Uw wonder-werken gesteld, en hem geen Gebod noch Wet gegeven, behalve dat hij zich niet in eigen lust en wil zou invoeren, maar alleen in Uw (aan hem gegeven) Wil in Uw Kracht werken en willen zou, en zich niet in eigen aannemelijkheid zou invoeren, om goed en kwaad te proberen, opdat de grim des vuurs, en de macht der duisternis, niet in hem opwaken, en ’t edele beeld verstoort, en in de scherpte van de aarde verandert.

Maar nu hebben onze eerste Voor-ouders (door Satans inspreken van de leugens) zich van Uw Wil afgewend, en in eigen wil ingevoerd, ook tegen Uw Verbod ’t goede en ’t kwade geprobeerd, en zich naar de bevindelijkheid en de eigen aannemelijkheid lieten gelusten, waardoor Uw toorn en grim in hen is opgewekt, en het Hemelse Beeld heeft verstoord en dit in een Aards Beeld (de dieren gelijk) heeft veranderd.

Zo hebt Gij, O Heilige God!, ons Uw Gebod en Wet gegeven, en ons hierin de Hemelse, Goddelijke gedaante (van de volle gehoorzaamheid) voorgesteld; wat wij geweest zijn, en wat wij in de val zijn geworden; en eist Ge van ons, dat wij in onze wil uit alle krachten en zinnen alleen U aanhangen; en met U alleen werken. Ja, Gij eist van ons dat edele pand; zijnde de ziel, die Gij ons uit de inwendige Kracht van Uw Naam en Wil hebt ingeblazen, en wilt dat de Ziel (die van Uw Kracht is uitgevloeid) alleen in Uw Naam en Kracht blijft, en met U werkt, en zich geen andere vreemde namen wil noch begeert te gebruiken, als maar enkel en alleen de gene waar zij is uitgevloeid. Dat zij geheel haar Centrum aanhangt, en haar begeerte enkel en alleen in Uw Liefde invoert, en met Uw Liefde (met U) over al Uw werken heerst, en zich geen eigen heerschappij (zonder Uw Liefde en mede-werking) aanneemt; opdat zij Uw Werktuig zij, waarmee Gij alle wezens dezer wereld regeert. Zij zal haar vertrouwen in geen andere macht noch kracht invoeren, en zich niets tot eigendom maken; zich ook nergens mede-beelden noch gelijk-maken, want zij is een Straal van de Almachtige, en zal over alle dingen volkomen heersen, als God Zelf, en evenwel niet in eigen aannemelijkheid van haar eigen wil, maar in en met God: En het lichaam tot haar Werktuig gebruiken, welk een bezorger van Uw Creaturen zou zijn; Alle dingen hebt Gij hem gegeven en onderworpen tot een spel van zijn vreugde.

O grote God!, dit al tesamen stelt Gij ons voor in Uw Gebod, en eist zulks van ons naar Uw strenge gerechtigheid, en eeuwige Waarheid; ter vermijding van eeuwige straf, dat wie zich niet aan al Uw Geboden en Wetten houdt, en niet in Uw ordonnantie blijft, die zal vervloekt, en van Uw Aangezicht gescheiden zijn, en Uw Heerlijkheid tot in de eeuwigheid niet zien, noch tot Uw ruste komen.

O grote Heilige God! Gij die een verterend vuur zijt, wat zal ik, arm en ellendig mens (ik die vol ongehoorzaamheid, eigen-lust en –wil ben, en geen rechte liefde noch genegenheden tot U heb) voor U zeggen? Wat zal ik antwoorden, indien Gij mij voor Uw oordeel stelt, en mijn Hart en Ziel beproeft?

O lieve God! Ik kan niets, ik steek in de drek der ijdelheid tot in de inwendigheid van mijn Ziel: Uw toorn is in mij ontstoken, in mij leven alle boze dieren met hun lusten.

Ach Heer! mijn lust in Ziel en Lichaam heeft zich in hun in-gebeeld, en ben voor U als een worm en geen mens. Ik kan alzo met deze beelding voor Uw Aangezicht niet verschijnen; veel minder tot Uw Heilige Naam als tot het Centrum mijner Ziel, waar zij uit ontstaan is: Ik schaam me in dit monster voor Uw Aangezicht, en heb geen gerechtigheid in mij tot U. Ik ben U trouweloos geworden, en heb mij van Uw Wil afgebroken, en in eigen wil ingevoerd. En sta tegenwoordig voor Uw Aangezicht als de verloren Zoon, die een zwijn-herder is geworden, en heb dat schone kleed Uwer Kracht verloren, en eet alle uren met de dieren des duivels de draf der ijdelheid, en ben niet waardig, dat ik Uw Beeld en gelijkenis genoemd wordt. Want uit eigen krachten kan ik U niet gehoorzaam zijn, en ben (buiten Uw Genade) in mijzelf maar een fontein van Uw grim en toorn.

Nochtans verheug ik mij over Uw Genade en grote barmhartigheid, die Gij (uit die Heilige Naam waar mijn Ziel is uitgevloeid) wederom tot ons gewend hebt. Ja Gij hebt de poort van Uw eeuwige Eenheid opengedaan, en in mijn Ziel gegoten wat Uw grim verstoort, en dat monster verbreekt. Ja Gij hebt met deze invloeiing Uw innerlijkste Heiligheid en zoetigheid, de naam Jesus in mijn Ziel ingedrukt, die mijn Ziel en mensheid heeft aangenomen, en U gehoorzaam is geworden aan mijn plaats, en Uw Gebod en strenge wetten met volle Liefde en gehoorzaamheid heeft vervuld.

Dus kom ik dan nu tot U, O Heilige God!, met dankzeggingen: en bid U, maak zodanige door U geschonken Liefde van Uw ingegoten Genade groot in mij, opdat ik U nu in deze nieuwe liefde der genade gehoorzaam zij, en Uw Gebod en Wetten met de gehoorzaamheid van Jesus Christus, met Zijn Liefde vervul.

Mijn Heer Jesus heeft mij wederom in Uw Naam ingeplant; waar mijn Vader Adam mij had uitgeroeid. Daarom kom ik nu in Hem en met Hem tot U, en troost mij, dat ik in Hem, in Zijn inwonende en inheersende Genade en Liefde, in Uw gehoorzaamheid leef en ben: en dat ik in Hem over zonde, dood, duivel, wereld, en alle Creaturen kan heersen, en wederom Uw recht evenbeeld en eigendom in Hem geworden ben.

O lieve God! Heers nu door deze ingegoten Liefde Uwer Genade in mij, en doe in en met mij wat Gij wilt. Dood maar dagelijks mijn boze Creaturen in mijn vlees, en verbind U eeuwig met mijn Ziel en gemoed, gelijk Gij in de mensheid van Jesus Christus hebt gedaan. Ik wil mijn boze dieren in het vlees gaarne aan de aarde laten, tot Uw wederbrenging. Overkleed maar mijn Ziel en gemoed, en leid het in Uw gehoorzaamheid, dat het geen andere God of naam meer zoekt noch eert, dan alleen de H. Naam Jesus, welk in mij Uw Geboden vervult, Amen.

 

 

Het tweede Gebod

 

Gij zult de naam des Heeren uw God niet misbruiken: want de Heer zal hen die Zijn Naam misbruiken, niet ongestraft laten. Exod. 20.7.

 

53. O Lieve God! Dit gebod vermaant mij recht, hoe Gij Uw H. Naam in mijn Ziel en gemoed hebt ingegoten; Ja, uit Uw Naam is ’t ontsproten: en mij de macht gegeven hebt, met Uw Naam over alle dingen te heersen, dat deze uit mijn mond door Uw Kracht zou uitvloeien, en alles regeren. Ja, ik zou met mijn mond en uitspreken weer heilige figuren en beeltenissen beelden en formeren, gelijk als Gij eeuwige God alles door Uw uitspreken hebt gebeeld en geformeerd. Alzo hebt gij ook Uw Woord met Uw H. Naam in mijn Ziel en gemoed gegeven, dat ik (gelijk een vorm en beeld Uwer Wil) ook alzo zou uitspreken; namelijk Uw wonder-daden. Wat Gij O grote God!, lichamelijk en Creatuurlijk door Uw Woord hebt gebeeld, zou ik geestelijk in Uw lof-beelden en in Uw Wijsheid formeren. En geen vreemd beeld tegen Uw Schepping en ordonnantie in mijn mond beelden, maar in Uw Werking blijven, en met Uw Woord in mijn mond en hart over alle dingen heersen, gelijk de Schriftuur getuigt: Het Woord is u nabij, namelijk in uw mond en in uw hart. Deut. 30.14.  Rom. 10.8.   En Het Rijk Gods is inwendig in u. Luc. 17.22.

Dit Heilige Woord van U (waar Gij Hemel en Aarde mee hebt gemaakt) hebt Gij in onze mond gegeven, opdat Gij door onze mond Uw lof zou scheppen en beelden.

Maar nadat zich de mens in eigen lust had ingevoerd, en zijn wil van U afgekeerd, zo begon hij aardse en helse figuren in Uw grim met zijn mond in Uw Woord te beelden, en vloeken, zweren, liegen, gedaanten van valse boze slangen, wolven, beren, leeuwen, honden, katten, adderen, slangen en allerlei vergiftige dieren te formeren, en de Naam Gods (onder schijn van Goddelijke formering en Waarheid) daarin te beelden, ook in valse toverij en bedrog vreemde beelden voor God op te werpen en te eren, ook Uw Naam in Afgoden-beelden in te voeren en te beelden.

Dit alles stelt Gij ons voor in dit Gebod, en vordert van ons Uw strenge gerechtigheid; Uw Naam in Heiligheid, tot Uw lof en in Uw lof, in zuiverheid en Waarheid te beelden, en zonder Uw Wil en medewerking geen vorm van onze woorden te maken, maar dat wij spreken, willen en beelden met U, en de eeuwige straf vermijden, gelijk Uw Gebod luidt, vervloekt zijn degenen die zich niet aan alle woorden dezer Wet houdt. Deut. 27.26.

O grote God! Wat zal ik nu alhier voor U zeggen? Hoe vaak voeren wij Uw Woord en Kracht in onze mond in valse beeldingen, als wij bij Uw naam zweren, vloeken, valse lusten invoeren, en een schoon schijnend beeld op onze lippen maken, en dat elkander voor waarheid verkopen, en daarin spreken, terwijl daar toch innerlijk niets anders is dan een Slang, vol leugens en vergif. En we beelden alzo Uw Woord (onder rechte schijn) in een Slang en Duivels-beeld. Wij vloeken daarbij, en baren alzo een levendige figuur des Duivels en der Hellen. Wij gebruiken Uw Heilige Naam tot verachting en spotternij, en beelden onze valse dieren hierin. Alles wat wij in de wereld beminnen (hoe vals het ook is) daar beelden wij Uw naam en Kracht in met onze mond, namelijk in zweren, als wij Uw Macht tot getuige voeren, ook in toveren en martelen, en in ziekten. Ja, in helse figuren beelden wij Hem met onze mond. De mensen voeren nog Uw geopenbaarde Woord en Wil, maar alleen om haar eigen buiks wil, tijdelijke wellust en hovaardij, in een vreemd beeld, welk zij zelf niet kennen, opdat de waarheid verduisterd mag blijven, en zij in zodanig vreemd beeld zelf voor Goden geëerd mogen worden. Zij maken wetten en geboden tot haar eigen eer en wellust, en verbinden die met het bezweren van Uw Naam, terwijl er niemand is van hun allen die Uw Naam in zijn hart houdt.

Ach God! Hoeveel vergiftige toornigheden en boosheden van eigen wraak voeren wij in Uw Naam? Daar wij elkander in onze hovaardige zin met Uw Naam lasteren, vertreden, en deze in Tiranniek geweld voeren, en met Uw Naam niet anders doen als de afgevallen Lucifer doet.

Dit al tesamen stelt Gij ons voor in Uw Gebod, want Gij zegt, dat wij Uw Naam niet zullen misbruiken. Dat is misbruiken; wanneer wij het in vals uitspreken en valse beelden invoeren.

O grote God! Wat zal ik alhier voor U zeggen? Gij eist Uw Naam van en in mij in Heiligheid in Uw Lof; waar zal ik al deze duivels-beelden (die wij arme mensen in ons huis der zonde beelden) voor Uw Aangezicht weg doen? Het zijn toch enkel gruwelen voor U, waar Uw Wet mij om vervloekt, en ten eeuwige dood veroordeelt.

O Heilige God! Ik heb niets waarmee ik voor U mag komen, dan alleen Uw grote barmhartigheid, waarin Uw Heilig Woord (naar Uw allerinwendigste Liefde) mens is geworden, en ons (teweten Uw eerstgegeven Woord, welk Zich in ons leven heeft geformeerd) te hulp gekomen, opdat wij het wederom vernieuwen, en al deze duivels-beelden doden, en de arme Ziel en het Gemoed van zodanige slangenbeeld verlossen.

Daarvoor dank ik U in eeuwigheid, en bid U, Gij eeuwig uitgegoten Liefde in de Allerheiligste Naam Jesus, kom mij toch te hulp, en voer Uw Woord (welk Mens werd) in mijn Ziel en Gemoed in, en blijf in mij, opdat ik in U blijf. Verwek toch in mij het vuur van Uw grote Liefde, steek het toch aan O Heer!, opdat mijn Ziel en gemoed deze boze dieren ziende, hen in Uw kracht (door rechte en ware boete) mag doden, opdat ik Uw heilige Naam Jesus in mij (tot Uw lof en dank) gedurig mag voeren en gebruiken, en geen boze dieren meer in Uw Woord baar, welk in Uw Oordeel behoren.

O Gij levende Adem Gods! Aan U geef ik mij ganselijk ten eigendom over, werkt Gij in mij wat U belieft, Amen.

 

 

Het Derde Gebod

 

Gedenk de Sabbathdag, dat gij die heiligt. Want in zes dagen heeft de Heere Hemel en Aarde gemaakt, de Zee, en alles wat daar in is, en hij rustte de zevende dag. Exod. 20.8,11.

 

54. O Lieve God! Dit Gebod herinnert mij mijn innerlijke, rechte, Goddelijke rust in Uw Liefde en Kracht, dat mijn Wil van zijn eigen zelf-aannemelijkheid van zijn eigen wil in U zou rusten; zo wilt Gij, eeuwige God!, met Uw Kracht in mijn Wil werken. Gij zijt de rechte Sabbath, in Wien al mijn krachten (in een eeuwige rust) behoren te werken, en in U heilig zijn en blijven.

Och Heere! Dit is het rechte Paradijs geweest, in welk Gij onze eerste Voorouders hebt gesteld, dat zij Uw Sabbath (zijnde Uw inwonende werkelijke Kracht) zouden heiligen, dat is, recht liefhebben, en geen vreemde lust van valse begeerte daar in voeren, en deze Heilige Sabbath van Uw inwonende Kracht met geen eigen begeerte verduisteren, noch de slangen-list en valsheid daarin voeren, maar met U willen, werken en leven; opdat Gij in mij alleen dat werken, willen en doen zou wezen.

Ach lieve God! Gij stelt mij in dit Gebod wel de figuur voor, in welk ik Uw ordonnantie en Wil zie; Gij eist van mij het vermogen, dat ik in rechte ordening in Uw Wil leve, gelijk Gij mij in Adam hebt geschapen. Maar mijn vader Adam heeft zijn wil van U afgewend, en in eigen lust en begeerte ingevoerd, en zodanige Paradijselijke werken in Uw rust, in een vurige, vijandige, hovaardige, gierige, nijdige, en toornige werking gevoerd, en heeft Uw en zijn Sabbath ontheiligd, en de valse werking en wil der slang daar ingebracht. Om welker wil Gij hem uit zodanige rust en Paradijselijke werking hebt uitgesloten, en zijn valse werk vervloekt. Want nadien zulks met de duivel en de hel werkend is, en in enkel onrust loopt, zo is ’t ook een vijandschap tegen Uw Heilige Sabbath.

Gij stelt ons voor in dit Gebod, hoe Gij in de zes eigenschappen van de eeuwige Natuur (namelijk 1. De Begeerlijkheid. 2. De Beweeglijkheid. 3. De Bevindelijkheid {of angst}. 4. Het vuur of leven. 5. Het licht of liefde. 6. Het verstand en kennis der krachten.{zie ook MM 6.14 en Aurora}) alle dingen hebt gewrocht, en het nochtans in de zevende eigenschap (als in Uw wezenlijke Eenheid en Wijsheid) tot de rust ingevoerd, waarin al Uw werken (in Uw werkende Liefde) zouden rusten, en in welk Gij met Uw Liefde wilt werken.

Dit was dan het rechte Paradijs op Aarde in de Elementen, alwaar Uw uitgegoten Liefde het Opperste Regiment in allen had. Maar de duivel en de mensen hebben het verdorven. Daarom hebt Gij rechtvaardige God! dat werken van de eigen valse wil vervloekt, en Uw Sabbath daarvan onttrokken, zodat nu alle dingen in enkel onrust, jammer, nood, steken, breken, moorden, doden en weder-wil staan. Dit heeft mijn vader Adam op mij geërfd, dat ik in Uw toorn werk en loop, en Uw Sabbath gestadig in mij verbreek en ontheilig, en Uw Naam misbruik, welk zich met mijn leven in mijn werken en willen heeft ingegeven. Maar nu de mens aan zodanige kennis is blind geworden, zo hebt Gij hem in Uw Geboden voor een figuur en gelijkenis gesteld, waar Gij hem toe hebt geschapen, en in welke ordening hij gestaan heeft, en eist Ge nu van hem dat hij in zodanige vorm en ordening Uw Sabbath zal heiligen, en aan de zevende dag van al zijn werken stil staat, op daarmee aan te wijzen dat Gij de rechte Sabbath zijt, in Wie alle dingen rusten.

Ook stelt Gij ons daarmee voor de eeuwige rust, waar alle dingen (wat tot het eeuwige en uit het eeuwige gevloeid is) in Uw Sabbath zullen rusten, en hebt Uw vloek en toorn tegen degenen gesteld die Uw Ordonnantie niet houden, en aan Uw Sabbath in U niet rusten, noch met U alleen werken.

O Eeuwige God! Wat zal ik nu alhier voor U zeggen? Mijn Conscientie overtuigt mij dat wij Uw Sabbath niet recht heiligen, want men bedrijft hierop alle goddeloze overdadigheid en onordentelijk leven. Hij wordt met ijdele pracht en wellust des vlezes ontheiligd, alwaar de duivel (in Uw toorn) in velen werkende is, en zijn sabbath van het tegendeel houdt. Wij laten ons door Uw Woord roepen en noden, en houden ’t geluid (van hetgeen wij horen) voor Uw Sabbath, maar de ziel en het gemoed worden het niet gewaar. Wij gaan voorbij als de doven die Uw stem niet horen. Gij roept ons in Uw Sabbath, maar de ziel heeft zich van U afgewend, en werkt in haar eigen wil, in de lust des duivels, en laat zich vergenoegen aan de naam, dat het Uw Sabbath zij. Maar zij wil in U niet stilhouden, noch haar oren en begeerten tot U keren, opdat Gij in haar mocht werken. De duivel heeft zijn sabbath in het menselijk geslacht gevoerd, en hun alzo verblind, dat zij Uw Sabbath niet meer kennen, om welkers wil Gij ook onze vader Adam en onze moeder Eva uit Uw Heilige Sabbath hebt uitgestoten, en hen tot een voorbeeld gesteld. Maar Ge hebt Uw Sabbath (in de Naam Jesus) weer in de mensheid ingevoerd, dat Hij wederom in ons zou zijn en wij in Hem, die de duivel zijn sabbath der valsheid, leugen en ijdelheid verstoort, en ons het Paradijs weer gebracht heeft, opdat wij ons maar tot U zouden keren, en deze Sabbath aannemen, en ons gans in het werken Uwer Genade overgeven. Zo wilt Gij, O eeuwige God!, in Jesus Christus in ons een nieuwe Sabbath oprichten, en woning in ons maken, en Uw gebeeld Woord (namelijk ons gemoed en ziel) wederom Heiligen, en in de eeuwige Sabbath stellen, namelijk in de rust Uwer Eenheid.

O Eeuwige God! Ik geef U mijn ziel en gemoed in Uw Heilige en nieuwe Sabbath van Jesus Christus over, en geleid al mijn krachten, willen en zinnen geheel tot U. Neem en geleid mij toch in Uw nieuwe Sabbath, want ik kan hem uit mijn eigen krachten niet bereiken, zo Gij mij daar niet invoert. Doch, nu Gij mij in Uw Zoon Jesus Christus hebt geboden te komen, toezeggende dat Gij mij wilt verkwikken Matth. 11.28. zo kom ik op de uitnodiging van Uw Woord tot Uw eeuwig Avondmaal van Uw eeuwig Verbond in Christus Jesus, en bid U, heilig toch mijn arme ziel in de Sabbath van Uw Zoon Jesus Christus, en geleid ze daar in, in de eeuwige rust, en geef haar wederom de spijze van Uw rechte Sabbath, namelijk Zijn Heilig Vlees en Bloed, opdat mijn ziel Uw Sabbath wederom heiligt, en Gij alleen in haar, als in Uw Evenbeeld, mag werken.

Verbreekt Gij toch in mij des duivels sabbath en valse werking, en geef mij een gehoorzaam hart, dat gestadig naar Uw Sabbath hongert, en laat Uw Woord in mij de Sabbath houden, opdat mijn ziel hoort wat Gij in Uw Werking in mij spreekt, opdat zij U gehoorzaam zij, en ik al mij vertrouwen alleen in U stel.

O Gij Eeuwige Liefde Jesus Christus! Hoe heerlijk is Uw Sabbath in de ziel, wanneer zij zich tot U keert, en Gij ze met Uw zoete Liefde doordringt, in welk haar het Paradijs wederom opgesloten wordt. Laat toch mijn ziel eeuwig in Uw Sabbath blijven. Bouw toch weer in mij op dat nieuwe Jerusalem, zijnde de Stad Gods, in welk Uw Sabbath geheiligd wordt. En zo geef ik mij gans en geheel over in Uw Sabbath. Verlos mij maar van alle kwaad, Amen.

 

 

Het Vierde Gebod.

 

Eer uw Vader en uw Moeder, opdat uw dagen verlengd worden in den Lande dat u de Heere God geeft.

 

55. O Eeuwige God! Metonze lichamelijke ouders stelt Gij ons een beeld van onze eeuwige Vader voor, en onze eeuwige Moeder. Want Gij zijt onze Vader, van wie wij ons leven hebben ontvangen, en Uw Woord is onze Moeder, die ons uit Uw Schepping heeft gebaard, en naar Uw Evenbeeld van Uw Openbaring geformeerd. Onze ziel en gemoed is, O God Vader!  Uw Evenbeeld, en ons lichaam is een evenbeeld van Uw uitgevloeide Woord, welk Woord onze eeuwige Moeder is, in wiens Liefde wij gezoogd en gevoed worden; Die zullen wij eren, en ons daarvoor verootmoedigen, en haar gehoorzaam zijn. Gelijk wij onze uiterlijke lichamelijke ouders schuldig zijn te eren, zo ook onze eeuwige, uit wiens grond wij gesproten zijn.

O Eeuwige Vader! Wij zijn U ongehoorzaam geworden, en hebben ons aan een vreemde moeder in haar opvoeding begeven, en hebben de wereld tot een moeder aangenomen, en zijn de inwendige Moeder van Uw Kracht (in Uw Woord) trouweloos geworden. Nu moeten wij van de vreemde moeders borsten ’t vergif en de dood in ons zuigen. Ja, zij dragen ons nu in haar lichaam der wederwaardigheden, zij baart en verteert ons wederom in Uw grim, en onderhoudt ons de tijd van dit ganse uiterlijke leven in enkel ellende, bekommeringen, moeiten en nood, in lijden en behoeftigheden. Ze houdt ons gevangen, dat wij onze eeuwige moeder niet zien kunnen. Onze ziel jammert naar haar, maar Uw toorn houdt ons in zich gevangen, dat wij de vreemde moeder moeten dienen.

O God! Hoe lang wilt Gij ons in onze ellendigheden vergeten? Neem ons toch wederom tot Uw kinderen aan, en baart ons wederom nieuw in onze eeuwige Moeder, en geef ons een gehoorzame wil, dat wij eeuwig niet meer van U afwijken.

O lieve God! Gij hebt ons uit genade een nieuwe Moeder (namelijk Uw Allerheiligste Woord) in Uw Liefde gegeven, en in onze mensheid gezonden, om ons weder in Uw eeuwige Kracht tot uw kinderen en erfgenamen te baren, en giet ons wederom de melk van ’t Heilige Wezen Uwer Liefde in. Trek ons toch tot Haar, en sluit in ons op de rechte mond des geloofs, dat wij gedurig naar Haar hongeren en dorsten, en in Haar Kracht vernieuwd worden. Want het oude lichaam van de aardse moeder geldt voor U niet, hij kan Uw Rijk niet bezitten. Want niet hij, die van vlees en bloed is, en door de wil des mans is voortgebracht, kan Uw goddelijke kindschap bereiken, maar hij die uit God geboren is. Daarom bid ik U, O eeuwige Vader! Herbaar mij door de nieuwe Moeder Uwer Genade en Barmhartigheden in Jesus Christus, en laat mij in Hem wassen en toenemen, tot een heilige vrucht in Uw Rijk, opdat ik U (nevens de H. Engelen) eeuwig gehoorzaam zij, en me in U eeuwig mag verheugen. Amen, Amen.

 

De Auteur (Zaliger gedachtenis) heeft dit Gebed-Boekje niet verder volvoert, maar is, eer hij ’t voleinde, in ’t jaar 1624 te Gorlitz zalig in de Heer ontslapen.

 

 

Einde van het Tweede Boek.

 

 

 

 

 

 

 


ß Terug