OVER DE WARE

 

GELATENHEID,

 

 

 

Hoe de mens zijn eigen wil, zijn zelfheid, dagelijks moet afsterven, en hoe hij zijn begeerte in God zal invoeren, en wat hij van God bidden en begeren zal, en hoe hij uit het sterven van de zondige mens met hernieuwde wil en gemoed door

de Geest van Christus opbloeien zal.

 

OOK

 

Wat de oude en nieuwe Mens zijn in hun willen en doen.

 

Opgesteld door

 

JACOB BÖHME van Alt Seidenburg,

Teutonicus Philosophus genaamd

 

 


 Het Ie Hoofdstuk.

 

I.

 

Een waarachtig voorbeeld hebben wij aan Lucifer (en ook aan Adam de eerste mens) over hetgeen de zelfheid doet wanneer zij het licht der natuur tot eigendom krijgt, en ze zo met begrip in eigen zelf-bestuur mag wandelen. Zo ziet men ook aan de geleerde mensen dat wanneer ze het licht van de uitwendige wereld [of natuur] in rationeel eigendom krijgen, dat daaruit niets anders dan hovaardigheid ontstaat; dit licht der natuur, waar de ganse wereld zo heftig naar op zoek is, en het begeert als ware het de beste schat. Het is ook wel de beste schat van deze wereld, maar alleen wanneer het juist gebruikt wordt.

2. Maar nu de zelfheid (te weten het vernuft) in een zware gevangenis (namelijk in de toorn Gods, en ook in het aardse wezen) gevangen is, en vast aangebonden ligt, zo is het voor de mens zeer gevaarlijk dat hij het licht der kennis in de zelfheid invoert, als een eigendom van de zelfheid.

3. Want de grimmigheid [of gestrengheid] van de eeuwige en tijdelijke natuur verlustigt zich hier van stonden aan in, en de zelfheid en het eigen vernuft nemen afstand van de Ware gelaten nederigheid jegens God en begeren niet meer van de Paradijselijke Vrucht te eten, maar in plaats daarvan van de aard der zelfheid (namelijk van het regiment des levens, waar kwaad en goed in staan) gelijk Lucifer en Adam deden, die beide (met de begeerte der zelfheid) wederom de oorsprong (waaruit de creatuur geboren werd en een schepsel is geworden) ingingen: Lucifer in het Centrum van de grimmige natuur, in de matrix [of moeder] van het vuur, en Adam in de aardse natuur, in de matrix van de uitwendige wereld, namelijk in de lust van kwaad en goed.

4. Bij hen beide was de oorzaak hiervan dat zij het licht des verstands in de zelfheid lieten schijnen, waarin zij zichzelf beschouwen en bespiegelen konden, waardoor de geest der zelfheid de imaginatie (als in een begeerte naar het centrum) is ingegaan, om zich te verheffen, groot en machtig, en daarenboven kloeker te worden. Gelijk Lucifer in zijn centrum de moeder des vuurs zocht, en meende daarmede over de Liefde Gods en alle Engelen te regeren, begeerde Adam ook de moeder (waar kwaad en goed uit vloeit) in de essentie [of in de grond des wezens] te proberen, en voerde zijn begeerte daarin, in de mening daardoor kloek en verstandig te worden.

5. Allebei (Lucifer en Adam) werden in hun valse begeerte in de moeder gevangen, en braken met de gelatenheid (uit God). Ze werden met de geest van de wil, met de begeerte, in de moeder gevangen die van stonden aan het regiment in de natuur verkreeg. Zo bleef Lucifer in de grimmige vuur-kwaal staan, en hetzelfde vuur werd in zijn geest van de wil openbaar, daardoor is de creatuur (in de begeerte) een vijand van de Liefde en Zachtmoedigheid Gods geworden.

6. Zo ook Adam; die werd van stonden aan [toen het hem belustte] door de aardse moeder (die kwaad en goed is, en in een wezen uit Gods Liefde en toorn is geschapen) gegrepen [of gevangen], en de aardse eigenschap verkreeg van stonden aan het regiment in Adam. Zo kwam het dat hitte en koude, afgunst en toorn, en allerlei boosheid en strijdige wil tegen God in hem openbaar werd en regeerde.

7. Maar wanneer zij de kennis des lichts niet in de zelfheid ingevoerd hadden, dan zou haar de spiegel van de kennis des centrums en de oorsprong van de creatuur (namelijk de eigen macht), waaruit de imaginatie en de lust ontstond niet openbaar zijn geworden.

8. Nu houdt dit ook nu nog het gevaar in voor de verlichte kinderen Gods, dat wanneer (als de Zon van de grote Verklaring van de Heiligheid Gods iemand beschijnt en hij zo in het leven van triomf treed) het vernuft zich daarin bespiegelt, en de wil in de zelfheid (namelijk ik het eigen zelfonderzoek) ingaat, en begeert het Centrum [of de grond] (uit welk datzelfde licht schijnt) te beproeven, en zich (in de zelfheid) daarin te verheffen.

9. Hieruit onstaat de ellendige hovaardigheid en minachting, zodat het vernuft (welk toch niet anders is dan een spiegel-schijn van de eeuwige wijsheid) zich laat voorstaan dat hij meer is dan hij werkelijk is, het vernuft meent dat hetgeen hij doet de werking van de wil van God is, en dat het een profeet is. Maar, het is toch maar in zichzelf, en gebeurt in eigen zelfbegeerte, waarin het centrum van de natuur zich spoedig in de hoogte verheft en in eigen zelfbegeren de valsheid tegen God ingaat, zodat de wil in een laatdunkendheid ingaat. 

10. Zo treedt de flatterende duivel tot hem, en doorziet het centrum der natuur, en voert zijn valse begeerte daarin, en zo wordt de mens dronken in zijn zelfheid, en laat zich voorstaan dat hij door God wordt gedreven, waardoor de goede aanvang (waar het Goddelijk Licht schijnend in werd) verderft, en hetzelfde Licht van God ook van hem wijkt.

11. Het uitwendig licht (van de uitwendige natuur) blijft  in de creatuur schijnende, want de eigen zelfheid werpt zich daarin, en hij [‘t schepsel] meent dat het nog het eerste Licht Gods is. Maar nee, hierin (namelijk in de laatdunkende zelfheid, in het licht van het uitwendige vernuft) werpt zich wederom de duivel (nadat hij uit het eerste licht, welk Goddelijk was, moest wijken) met een zevenvoudige begeerte, waar Christus van zei: zo wanneer de onreine geest van de mens uitvaart, zo doorwandelt hij dorre plaatsen, zoekt rust en vindt die niet. Dan neemt hij zeven geesten die erger zijn dan hij, en keert wederom terug tot zijn eerste huis, en vindt het opgeruimd en aangeveegd, en gaat er weer wonen. En deze mens zal het erger vergaan dan tevoren.

12. Het opgeschoonde huis, dat is het licht van het vernuft in de zelfheid. Want wanneer de mens zijn begeerten en zijn wil in God invoert, en afstand doet van zijn boze leven, en [met ernst] de Liefde Gods begeert, dan verschijnt deze, met haar zeer vriendelijke en vreugdevolle gelaat, en door wie ook het uitwendig licht van het vernuft werd aangestoken. Want waar het Licht Gods schijnen gaat, daar wordt alles licht, en daar kan de duivel niet blijven en moet hij uitgaan. Zo doorzoekt hij [de duivel] dan de moeder van de oorsprong des levens, te weten het centrum [van de Natuur], maar het is een dorre machteloze plaats geworden. De toorn Gods (namelijk het centrum van de natuur) is in zijn zelf-eigenschap geheel machteloos, mager en dor, en vermag tot het regiment (naar aard en eigenschap van de grim) niet komen. Deze plaats doorzoekt de Satan, of hij ergens een open deur mocht vinden waar hij met de begeerte in kan gaan, en de ziel kan verleiden, opdat zij zich verheffen zou.

13. En wanneer nu de geest van de wil van de creatuur, met het licht van het vernuft zich in het centrum (als in de zelfheid) verheft, en in een eigen waan treedt, dan gaat hij [die mens] wederom van het Licht Gods uit, dan vindt de duivel een open deur tot hem [te weten, tot de geest van de wil] en een opgeschoond huis (namelijk het licht van het vernuft) tot zijn woning. Dan neemt hij [de Satan] de zeven gestalten [of geesten] van de levens-eigenschap met hem in die zelfheid, als zijn huichelaars, die van God zijn uitgegaan in de zelfheid [Lees over deze zeven geesten in Aurora]. Aldaar trekt hij in, en zet zijn begeerte in de lust van de zelfheid, en in de valse inbeeldingen, alwaar de geest van de wil in de gestalten van de eigenschappen des levens, in het uitwendige licht, zichzelf beziet. Daar verzinkt hij [die mens] in zichzelf, alsof hij dronken was, en dan grijpt het gesternte hem, die zijn machtige constellatie in hem voert [in het licht van het vernuft] opdat het de wonderen Gods aldaar kan onderzoeken, en zichzelf daarin kan openbaren, want alle schepselen neigen zich naar God, en al is het zo dat het gesternte niet vermag de Geest Gods te begrijpen, het heeft veel liever een huis des lichts (om zich daarin te mogen vermaken) dan een toegesloten huis waar het geen bestendigheid in heeft.

14. Zo vergaat het de mens alsof hij in het gesternte [of in het licht van het uitwendige vernuft] dronken was geworden. Hij begrijpt grote wonderlijke dingen, en hij heeft aan het gesternte een gestadige voerman waardoor hij zich laat leiden. En de duivel houdt zeer nauw in de gaten of er een poort openstaat waar hij het centrum des levens mag aansteken, waarop ook de geest van de wil in eigen hovaardigheid, in zijn laatdunkendheid, of ten minste in gierigheid de hoogte in vare.

15. Daaruit ontstaat de eigen eerzucht; dat de wil van het vernuft begeert geëerd te zijn, want hij meent (nu hij het licht van het vernuft heeft) dat hij de goede schat des heils heeft en dat hij over het toegesloten huis kan oordelen [of dat hij de verborgen Wijsheid juist beoordelen kan] welk toch eenvoudig door God geopend kan worden. Hij meent (nu het vernuft hem begrip heeft gegeven) dat hem nu de eer toekomt, en hij bedenkt nimmer meer hoe de duivel zich met zijn begeerte vermaakt in zijn zeven gestalten des levens van het centrum der natuur, en wat voor gruwelijke dwalingen hij aanricht.

16. Uit het zelfde verstand [of uit het licht van het uitwendige vernuft, hetgeen in de zelfheid, in de ikheid schijnt] is in de Christelijke Kerk op aarde de valse Babel geboren. Alwaar men met conclusies van het vernuft leert en regeert, en het kind (welk dronken is in de zelfheid en de eigen wellustigheid) als een schone jonkvrouw op de stoel heeft gezet.

17. Maar de duivel is in de zeven gestalten van het centrum van het leven de herberg ingetogen (namelijk in de zelfheid van het eigen vernuft) en hij voert doorgaans zijn eigen wil en begeerte in deze opgeschoonde (door het gesternte aangenomen) jonkvrouw. Hij is haar Dier, waarop zij fijn, wel opgeschoond (in haar eigen levensgestalte) heenrijdt, gelijk in Apocalyps te zien is. Alzo heeft zij de uiterlijke schijn (namelijk het licht van het vernuft) van de Heiligheid Gods aangenomen, en zij meent dat zij het schone kind (in het huis) is, maar de duivel is in haar ten herberge.

18. Zo gaat het met al diegenen, die eens door God verlicht zijn geworden, en wederom van de ware Gelatenheid uit gaan, en zich van de ware moedermelk (te weten van de juiste ootmoedigheid) afwenden.

 

 

De Weg van een waar Christen-mens,

hoe hij gaan zal.

 

19. Het vernuft wil mij de mond snoeren en zeggen: het is toch juist dat wanneer een mens het Licht Gods, alsook het licht van het uitwendige vernuft bereikt, hij zijn leven wijselijk regeren zal, naar uitwijzing van de H. Schriftuur.

20. Voorwaar, het is juist, en er is niets nuttiger voor de mens, noch kan hem iets beters wedervaren, en het is een schat boven alle schatten op deze wereld voor wie het Goddelijke en het tijdelijke licht kan bereiken en verkrijgen, want het is een oog van de tijd, en van de eeuwigheid.

21. Maar hoort toe hoe gij het zult gebruiken. Het Goddelijk Licht ontsluit zich het eerst in de ziel. Het schijnt uitwaards, gelijk het licht van een kaars, en het ontsteekt van stonden aan het uitwendige licht van het vernuft; dat wil niet zeggen dat het zich aan het vernuft (namelijk aan de uiterlijke mens) in zijn regiment geheel overgeeft. Nee, de uitwendige mens beziet zichzelf in de doordringende glans gelijk als een beeld voor de spiegel. Hij leert zichzelf van stonden aan kennen in de zelfheid, ’t welk op zichzelf goed en nuttig is.

22. Zo wanneer nu zulks geschied, zo kan het vernuft (namelijk de creatuurlijke zelfheid) niet beter doen dan dat het zichzelf niet beschouwt in de zelfheid van de creatuur, en niet met de wil van de begeerte het centrum in gaat, en zichzelf zoekt, anders breekt zij zich van het wezen Gods (welk in het Goddelijk Licht mede opgaat, waarvan de ziel eet en zich laaft), en eet van het uitwendige licht en wezen, waardoor ze wederom het venijn in zich trekt.

23. De wil van het schepsel zal zich met alle vernuft en begeerten geheel in zichzelf verzinken, als een onwaardig kind, welk deze hoge genade geheel niet waardig is, zichzelf ook geen wetenschap noch verstand toekennen, ook niet om verstand (in de creatuurlijke zelfheid) van God bidden, noch begeren, maar zich alleen eenvoudig verzinken in Gods Liefde en Genade in Christus Jesus, en van zijn vernuft en zelfheid (in het Goddelijk Leven) begeren als dood te zijn, en zich aan het Leven Gods in de Liefde gans over te geven, dat Hij daarmee doet, als met Zijn werktuig, hoe en wat Hij wil.

24. Het eigen vernuft zal zich geen bemoeienis in Goddelijke zaken, of menselijke fundamenten voornemen, ook niets willen of begeren dan alleen de Genade Gods in Christus, op de wijze waarop een kind voortdurend naar moeders borsten verlangt, en zo zal de honger steeds in de Liefde Gods ingaan, en zich op generlei manieren van zodanige honger af laten brengen. Wanneer het uitwendige vernuft in het licht triomfeert, en spreekt; ik heb het ware kind, zo zal zich de wil van de begeerten ter aarde buigen en zich in de hoogste ootmoedigheid en on-begrip invoeren en tot het vernuft zeggen; gij zijt dwaas, en hebt niets dan alleen de Genade Gods, ge moet u met de grootste ootmoedigheid hier in wringen, en in uzelf geheel tot niets worden, uzelf ook noch kennen noch beminnen. Alles wat aan en in u is moet zich vernietigen, en zichzelf alleen achten en houden voor een werktuig Gods, en begeren het alleen in de ontfermingen Gods in te voeren, en van allerlei zelf-eigen weten en willen uit gaan, dit ook als helemaal niets achten, en niet voornemen te eniger tijd daar wederom in te willen treden.

25. Wanneer nu zulks geschied, dan treed de natuurlijke wil in zijn onvermogen, en de duivel vermag hem ook niet meer alzo te overweldigen met zijn valse begeerten. Want zijn rustplaats wordt hem geheel dor en machteloos.

26. Zo neemt de Heilige Geest uit God de gestalten des levens in, en Hij neemt het opperste bewind, dat is, Hij steekt de gestalten des levens met zijn vlammen der Liefde aan. En zo gaat de hoge wetenschap, en de kennis van het centrum aller wezens (naar inwendige en uitwendige constellatie van de creatuur) op in een geheel subtiel drijvend vuur, met grote lust, om zich in hetzelfde vuur te verzinken, en zich voor onwaardig en nietig daar te houden.

27. Zo dringt de eigen begeerte in het niets (vanwaaruit God creëert: en ze doet ’t geen Hij in haar wil) en de Geest Gods dringt zich door het begeren van de gelaten ootmoedigheid naar buiten. En zo ziet de menselijke zelfheid de Geest Gods na (in triomf en in vreugde der ootmoedigheid), en alzo vermag zij hetgeen in tijd en in eeuwigheid is beschouwen, het is haar alles nabij.

28. Wanneer nu de Geest Gods als een vuur van de Vlam der Liefde voortgaat, zo volgt de geest van de wil der ziel Hem nederig, en zegt: Heer, aan Uw Naam en niet aan mij is de eer. Gij hebt de Macht om kracht, macht, sterkte, wijsheid en kennis te nemen; doet Gij wat U wilt, ik kan en weet niets, en ik wil nergens heen gaan, tenzij Gij me leidt als Uw werktuig, doet Gij in en met mij hetgeen U wilt.

29. In zodanig volledige, ootmoedige overgave, valt de vonk van Goddelijke Kracht als een aanstekende vonk schitterend in het centrum  van de gestaltenis des levens (te weten, in het vuur van de ziel, die Adam in hem tot een duister kooltje heeft gemaakt), en wanneer het licht van de kracht Gods daarin ontsteekt, moet het schepsel direct als een werktuig (van de Geest Gods) voor Hem gaan, en spreken hetgeen de Geest Gods zegt. Zo is zij niet meer haar eigen zelf, maar het werktuig Gods.

30. Maar de wil van de ziel moet in deze vurige aandrijving zonder ophouden in het niets (namelijk in de hoogste ootmoedigheid voor God) verzinken.  Zo gauw als hij in het minste eigen onderzoek begeert te gaan, zo bereikt hij (in het centrum van de gestaltenis des levens) de Lucifer, en die overweldigt hem, opdat hij [de wil van de ziel] in de zelfheid ingaat. Zij moet in gelaten ootmoedigheid blijven gelijk een fontein aan haar oorsprong, en moet zonder ophouden uit het Goddelijk Fonteintje scheppen en drinken, en gans niet begeren van de Wegen Gods uit te gaan.

31. Want zo gauw de ziel van de zelfheid (van het licht des vernufts) eet, zo gaat zij in eigen waan, en zo is haar ding (wat ze voor Goddelijk uit geeft) niet anders als van de uitwendige constellatie, die haar van stonden aan bevangt en dronken maakt. Zo loopt zij dan weer lang in dwalingen, totdat zij zich wederom geheel in gelatenheid overgeeft, en zichzelf opnieuw als een bevlekt kind bekent, het vernuft tegenstand biedt, en de Liefde Gods wederom bereikt, wat zwaarder toegaat als de eerste maal, want de duivel voert daar de twijfel heftig in, hij verlaat zijn geroofde kracht niet graag.

32. Men kan dit helder zien bij God’s Heiligen van alle tijden, hoe er velen van de Geest Gods gedreven worden, en wederom vanuit de Gelatenheid de zelfheid (in eigen vernuft en wil) ingaan, waar de Satan zich in zonden en in de toorn Gods gestort heeft. Dit is ook te zien aan David, Salomon en ook aan de aarts-Vaderen, Profeten en Apostelen, hoe zij menigmaal krachtige dwalingen begingen en uit de Gelatenheid in de zelfheid (in eigen vernuft en lust) zijn ingegaan.

33. Daarom is het voor de kinderen Gods hoognodig te weten, wat zij met zichzelf zullen doen (wanneer zij de Goddelijke Weg begeren te leren), te weten, dat zij de gedachten moeten verbreken en weg moeten werpen, en niets willen, noch begeren te leren, tenzij ze zich in de Ware Gelatenheid bevinden en de Geest Gods de geest des mensen leert, leidt en voert, en dat de eigen wil des mensen (die tot eigen lust geneigd is) geheel gebroken en in God overgegeven is.

34. Alle speculatie in de wonderen Gods, is zeer gevaarlijk, en de geest van de wil kan hiermee snel gevangen worden, tenzij de geest van de wil de Geest van God achterna ziet; dan heeft zij de macht (in Gelaten Ootmoedigheid) alle wonderen Gods te schouwen.

35. Ik wil niet zeggen dat de mens niet moet pogen te leren en te ondervinden in en van natuurlijke kunst. Nee, want deze is hem dienstig, maar men moet het eigen vernuft niet gebruiken, de mens moet zijn leven niet alleen door het licht van het uitwendige vernuft regeren. Dit [licht van het uitwendig vernuft] is ook wel goed, maar men moet zich hiermee in de diepste ootmoedigheid voor God verzinken, en de Geest en de Wil Gods in al zijn zoeken voorop stellen, opdat het licht van het vernuft door het Licht van God ziet. En al is het dat het vernuft veel kennis heeft, hij moet zich deze kennis niet toeëigenen, als eigendom, maar hij moet God de eer geven, aan wie alleen de kennis en wijsheid toekomt.

36. Want hoe meer het vernuft zich voor God (in eenvoudige ootmoedigheid) verzinkt, en hoe onwaardiger het zichzelf voor God houdt, des te meer sterft de eigen begeerte af, en des te meer dringt de Geest Gods door, en leidt Hij het de hoogste kennis in, opdat het de grote wonderen Gods mag beschouwen. Want de Geest Gods vaart slechts in de gelaten ootmoedigheid, in hetgeen zich zelf niet zoekt noch begeert, in hetgeen in zichzelf begeert eenvoudig voor God te zijn, dát wordt door de Geest Gods ingenomen en in Zijn wonderen uitgevoerd. Alleen degenen die zich voor Hem vrezen en buigen behagen Hem.

37. Want God heeft ons niet tot eigen zelfheid geschapen, maar tot een werktuig van Zijn wonderen, waardoor Hij Zijn wonderen wenst te openbaren. De gelaten wil vertrouwt op God en verwacht alleen maar goeds van Hem, maar de eigen wil [of de wil der zelfheid en ikheid] die regeert zichzelf, want hij heeft zich van God afgebroken.

38. Al hetgeen de eigen wil [of de wil der zelfheid en ikheid] doet, dat is zonde, en strijdig tegen God, want hij is de ordening (waar God hem in geschapen heeft) uitgegaan, tot in een ongehoorzaamheid, en begeert zijn eigen heer te zijn.

39. Wanneer nu de eigen wil, de zelfheid, afsterft, dan is hij vrij van zonden, want hij begeert niets dan alleen hetgeen wat God van Zijn schepsel begeert, hij begeert niets anders te doen dan alleen hetgeen waartoe God hem geschapen heeft, hetgeen God begeert door hem te doen. En al is het dat hij zelf het doen is, en moet zijn, toch is hij zodoende niet anders dan een werktuig van het doen, waarmee God doet hetgeen Hij wil.

40. Want dit is nu het juiste geloof in de mens, dat hij de zelfheid (te weten de eigen begeerte) afsterft, en zijn begeerte (in alles wat hij aanvangt en van plan is) in de Wil Gods invoert, en zichzelf niets als eigendom aanneemt, maar [zichzelf](in al zijn doen) alleen voor een knecht en dienaar Gods acht, en denkt dat al hetgeen hij doet, dat hij dat uit God doet.

41. Want in een zodanig voornemen voert de Geest hem in de juiste getrouwheid en redelijkheid tegenover zijn naasten, want hij denkt, ik doe mijn dingen niet voor mij, maar voor God, die mij daartoe geroepen en verordineerd heeft, als een knecht in Zijn Wijnberg. Hij luistert voortdurend naar de stem van zijn Heer die Zich in hem beveelt wat hij zal doen, de Heer spreekt in hem en beveelt hem het doen.

42. Maar bij de zelfheid die doet wat het uitwendige vernuft van het gesternte begeert, vermengt in dit vernuft zich de invliegende duivel met zijn begeerten. Alles wat de zelfheid doet, is buiten de Wil van God, het geschiedt allemaal in de fantasie, dat zo de toorn Gods zijn plezier [en vermaak] mede volbrengt.

43. Generlei werk buiten de wil Gods vermag het Rijk Gods bereiken, het is al tezamen niet anders dan een nutteloos gefabriceerd werk in de grote moeiten [en bekommeringen] der mensen. Want daar is niets wat God welgevalt dan alleen hetgeen Hij Zelf door de wil doet, want in het Wezen aller wezens is niets meer dan de Enige God, en al hetgeen wat in hetzelfde Wezen met Hem arbeidt, dat is een geest met Hem.

44. Maar hetgeen in zijn zelfheid [en ikheid] in eigen begeerte werkt, dat is in zichzelf, buiten de Goddelijke Regering. Het is wel in Zijn regering daar Hij allerlei leven meeregeert, doch niet in de H. Goddelijke Regering in HemZelf, maar in het regiment van de natuur, waar Hij kwaad en goed mee regeert. Geen ding wordt Goddelijk genoemd, wanneer het niet in de Wil Gods gaat en arbeidt.

45. Alle planten, zegt Christus, die mijn Vader niet geplant heeft, die zullen uitgeroeid en in het vuur verbrand worden. Alle werken der mensen, die zij buiten de Wil van God doen, die zullen allen tezamen in het laatste vuur Gods verbranden, en aan de toorn Gods (te weten aan de afgrond van de duisternis) tot vermakelijkheid gegeven worden. Want Christus zegt, zo wie niet met mij is, die is tegen mij, en zo wie niet met mij verzamelt, die verstrooit. Zo wie niet in een gelaten wil, in een vast vertrouwen in Hem, werkt en doet, die verwoest en verstrooit maar, en is Hem niet aangenaam. Er is niets dat God welgevalt dan alleen hetgeen Hij met Zijn Geest Zelf wil, en door Zijn werktuig [Zelf] doet.

46. Daarom is het al tezamen fabel en Babel wat uit besluiten van de menselijke zelfheid, in [of door] Goddelijke Kennis en Wil geschiedt, en het is niet anders dan een werk van het gesternte en van de uitwendige wereld, en het wordt door God niet als Zijn Werk bekend. Maar het is een spel van het worstelende rad der natuur, alwaar het goede en het kwade met elkander worstelen. Hetgeen door het goede wordt opgebouwd, wordt door het kwade verbroken, en hetgeen het kwade bouwt, wordt door het goede verbroken. Dit is zeer jammerlijk voor de vergeefse, bekommerlijke arbeid, welk al tezamen tot het Oordeel Gods, tot de scheiding van de tweedracht behoort.

47. Daarom, wie veel in zodanige bekommerlijke arbeid werkt en bouwt, die werkt alleen maar tot het Oordeel Gods, want het is niet volkomen noch bestendig, het moet altezamen in de Putrefactie of zuivering gescheiden worden. Want wat zo in de toorn Gods tot stand wordt gebracht, wordt weer van hem afgenomen, en het wordt in het mysterium van zijn begeerten behouden [of het wordt in de verborgenheid van de begeerten des toorns bewaard] tot de dag van het Oordeel Gods, alwaar het kwade van het goede gescheiden zal worden.

48. Maar wanneer de mens voor die tijd omkeert, en van de zelfheid uitgaat, en de Wil van God ingaat, dan zal ook het goede welk hij in de zelfheid gedaan heeft, van het kwaad (hetgeen hij gedaan heeft) ontlast worden. Want Esaias spreekt: Al waar ’t dat uwe zonden bloed-rood waren, zo gij u bekeert en boete doet, zo zullen zij sneeuw-wit als wol worden. Want het kwade wordt verslonden (in de toorn Gods) in de dood, en het goede wast op, als een gewas uit de aarde.

 

 

Het IIe Hoofdstuk.

 

1. Zo wie er volkomen en goed wil werken, en zich hierin eeuwig hoopt te verheugen en er van te kunnen genieten, die gaat uit de zelfheid (namelijk uit de eigen begeerte) in de Gelatenheid, tot in de Wil van God, en hij zal werken met God.

2. Al hangt de aardse begeerte (van de zelfheid in vlees en bloed) nog aan hem, wanneer de wil van de ziel de begeerte niet inneemt, dan kan de zelfheid geen werk volbrengen. Want de wil van de Gelatenheid verbreekt steeds weer het wezen van de zelfheid, opdat de toorn Gods het niet bereiken kan. En al bereikt hij het toch (wat toch geregeld moet en zal gebeuren) dan voert de wil van de Gelatenheid zijn kracht daarin omhoog, en staat ze (in de figuur) voor God als een werk der overwinning in de wonderen, en kan ze het kindschap beërven.

3. Daarom  is het niet goed om zo (wanneer het vernuft in de begeerte van de zelf-heid ontstoken is) iets te zeggen of te doen, want zo werkt de begeerte in de toorn Gods, en de mens zal hier schade van ondervinden, want zijn werk wordt in de toorn Gods ingevoerd en bewaard tot de grote dag des oordeels Gods.

4. Alle valse begeerte (waarmee de mens de veelheid aan ’s werelds goederen van zijn naasten met list probeert te verkrijgen, tot verderf van zijn naasten) wordt door de toorn Gods ingenomen, en behoort tot het jongste oordeel, alwaar alles openbaar zal worden, en iedereen zal allerlei krachten en wezens (in het mysterium van de openbaring) in het goede en het kwade onder ogen treden. Alle kwade werken (uit een voorgenomen wil) behoren tot het oordeel Gods.

5. Maar degene die zich omkeert, die gaat hiervan uit, en zijn werk behoort aan het vuur. Aan het einde moet alles openbaar worden, want daarom heeft God Zijn werkende Kracht in een wezen ingevoerd, opdat hem de Liefde en toorn Gods openbaar wordt, en een spel zij ter ere en ten wonderdaden Gods.

6. En ieder creatuur moet weten dat zij verblijven moet in hetgeen God haar geschapen heeft, anders loopt zij in een strijdende wil en in vijandschap met de Wil Gods, en zij voert zichzelf tot in de pijn [of smart], want een schepsel, welk in de duisternis is geschapen, die heeft geen pijn van de duisternis, gelijk een giftige worm geen pijn van het eigen vergif heeft, het vergif is zijn leven. Maar wanneer hij het venijn verlaten zou, en er iets goeds in hem ingevoerd zou worden en in zijn essentie openbaar gemaakt, dan zou dat zijn pijn en sterven zijn.

7. De mens is in het Paradijs, in de Liefde Gods geschapen, en zo hij zich in de toorn (namelijk in de giftige eigenschap) en in de dood voert, zo is hem het leven er een van pijn [of smart].

8. Wanneer de duivel uit de grimmige matrix in de Hel was geschapen, maar geen Goddelijke Ens had gehad, dan zou hij in de hel geen pijn hebben. Maar daar hij in de Hemel is geschapen, en de eigenschap van de duisternis in zichzelf bewogen [of wakker gemaakt] heeft, en zichzelf zo volledig in de duisternis heeft ingevoerd, zo is hem nu het licht een pijn, het is hem een eeuwige vertwijfeling aan de Genade Gods, en een gestadige vijandschap, daar God hem niet in Zich gedogen kon, en hem heeft uitgespuugd. Zo heeft hij zich tegen zijn eigen Moeder (uit wiens essentie en wezen hij ontstaan is) gekeerd, te weten de eeuwige natuur, die hem nu in haar loco [of plaats] gevangen houdt, en zich met hem vermaakt naar de eigenschap des toorns en gestrengheid. Nu hij niet begeert het vreugde-spel Gods op te helpen voeren, moet hij het tegendeel en een vijand van het goede zijn.

9. Want uit God en in Hem is alles, duisternis en licht, liefde en toorn, vuur en licht. Hij noemt zich echter alleen God naar het Licht van Zijn Liefde.

10. Daar is de eeuwige tegenstelling, tussen duisternis en licht; het een begrijpt het ander niet, en het een is ook niet het ander, en toch is het één Wezen, in de eigenschappen en met de wil gescheiden, en tóch geen verdeeld wezen. Alleen een principium scheidt het; dat het één in het ander als een niets is, en toch is, maar niet openbaar naar de eigenschap waar het in is.

11.  Want de duivel is in zijn heerschappij gebleven, doch niet in dezelfde waarin God hem schiep, maar in de angstige geboorte van de eeuwigheid in het centrum der natuur, in gestrengheid, ter baring van de eigenschap van duisternis, angst en gebrek. Hij is wel een vorst in de loco [of plaats] van deze wereld, maar slechts in het eerste principium, in het rijk van de duisternis, in de afgrond. Niet in het rijk van de zon, sterren en elementen, daar is hij geen vorst noch heer, slechts in het deel van de gestrengheid (namelijk in de wortel der boosheid van alle wezens), daar heeft hij echter geen macht om ermee te doen zoals hij begeert.

12. Want in alle dingen is ook een goed, welk het kwade in zich gevangen en opgesloten houdt. Zo kan hij slechts in het boze varen en regeren. Zo wie zichzelf in de kwade begeerte beweegt, en zijn begeerte in het boze invoert, wat de onbezielde creaturen niet kunnen doen, maar wel de mens, dóór de onbezielde creaturen, door het centrum van zijn wil met de begeerte uit het eeuwige centrum daarin te voeren, wat incantatie en valse magia is. Hier, waar de mens de begeerte van zijn ziel (die uit het eeuwige is) in boosheden (als met een valse wil) invoert, daar kan ook de wil des duivels gaan.

13. Want de oorsprong van de zielen en Engelen (uit het eeuwige) is dezelfde. Maar van [of in] de tijd en het wezen van deze wereld heeft de duivel anders geen macht dan alleen in turbam magnam [of in de grote vloek en ontsteking van de gestrenge toorn Gods], dus waar hij zich in de eeuwige en natuurlijke gestrengheid aansteekt, daar is hij medeplichtig in krijg en oorlog, en werkt hij ook in groot onweer zonder water; in het vuur vaart hij zover als de turba gaat, verder kan hij niet, in de donderslag (als in de vloek [der natuur]) gaat hij ook, maar hij kan er geen voerman van zijn, want hij is daarvan geen heer maar knecht.

14. Alzo verwekt het schepsel met de begeerte het kwade en het goede, leven en dood. De menselijke en de Engelen-begeerte staan in het centrum van de eeuwige on-aanvankelijke natuur. Afhankelijk van waar deze zich in ontsteekt (hetzij in het kwade, hetzij in het goede), volbrengt zij haar werking.

15. Zo heeft God ieder ding geschapen in hetgeen het zou moeten zijn, (namelijk de Engelen in de Hemel en de mensen in het Paradijs) en nu de begeerte van het schepsel uit haar eigen Moeder uitgaat, gaat zij tot in de tegen-wil en vijandschap, en daarin wordt zij met de strijdige wil gekwalificeerd, en aldaar ontstaat een valse wil in een goede, daardoor gaat de goede wil wederom in zijn niets (als aan het einde der natuur en creatuur), en verlaat hij de creatuur in haar eigen boosheid. Dit is te zien bij Lucifer en ook bij Adam, en als de lieve Wil Gods hem niet tegemoet was gegaan, en uit genade wederom in de Mensheid was ingegaan, dan zou er nog steeds geen goede wil in de mensen zijn.

16. Daarom is allerlei spitsvondig onderzoeken van de Wil Gods, zonder omwending van het gemoed, een nietig ding. Wanneer het gemoed in eigen zelf-begeren van het aardse leven gevangen staat, dan kan het de Wil Gods niet begrijpen, het loopt maar in de zelfheid van de ene weg in de andere, en vindt geen rust, want de eigen begeerte voert toch voortdurend onrust in het gemoed.

17. Maar wanneer het zich volledig in de Ontferming Gods verzinkt, en zijn zelf-begeren afsterft, en de Wil Gods tot een leidsman van het verstand begeert, en dat het zich voor een niets bekent en houdt, dat niets wil dan alleen ’t geen God wil, als dan de begeerte des toorns (in het aardse vlees) met de imaginatie des duivels voor de dag komt, en de wil van de ziel aanraakt, dan schreidt de begeerte van de Gelatenheid tot God; Abba lieve Vader, verlos mij van het kwaad. Zo werkt het dan (mocht het gebeuren dat de aardse wil in de gestrengheid Gods door de macht des duivels te sterk wordt) in hem, zoals S. Paulus zei: Wanneer ik nu zondig, ben ik het niet, maar de zonde die in mijn vlees woont. En; Zo dien ik nu met het gemoed de Wet Gods, en met het vlees de wet der zonden.

18. Paulus bedoelt niet dat het gemoed in de wil van het vlees zal toestemmen. Maar de zonden in het vlees (namelijk de opgewekte toorn Gods in de zelfheid) die is zo sterk, dat hij menigmaal met geweld (hetzij door een valse bejegening door Goddeloze mensen, of door het aanzien van wereldse lichtvaardigheid) in de lust wordt ingevoerd, zodat hij [te weten, de opgewekte toorn Gods] de wil van de Gelatenheid geheel overstolpt, en met geweld overheerst.

19. En als dan de zonde in het vlees volbracht is, dan begeert de toorn zich daarmee te vermaken, en grijpt ook naar de wil van de Gelatenheid. Zo schreidt dan de wil van de Gelatenheid tot God om verlossing van het kwade, of God de zonde toch van hem weg wil nemen, en haar in het centrum (als in de dood) wil invoeren, opdat zij sterft.

20. En S. Paulus spreekt verder: Zo is er niets verdoemelijks aan degenen die in Christus Iesus zijn, die volgens Gods Plan geroepen zijn. Dat is; die in het Plan Gods (waar God de oorspronkelijke Mens in riep) wederom tot hetzelfde geroepen zijn, dat zij zo wederom in het Voornemen Gods staan, waar Hij de mens in Zijn Gelijkenis (in een beeld naar Hem) schiep. Zolang als de eigen wil in de zelfheid staat, zo is hij niet in het Voornemen en Roepen Gods, want hij is Zijn loco [plaats] uitgegaan.

21. Maar wanneer het gemoed zich wederom in het Roepen (namelijk in de Gelatenheid) omwendt, dan is de wil in het Roepen Gods als in de plaats waar God hem schiep. Dan heeft hij macht een kind Gods te worden, gelijk geschreven staat; Hij heeft ons macht gegeven kinderen Gods te worden. De macht die Hij ons gegeven heeft, dat is zijn Voornemen, waarin Hij de mens in Zijn beeld schiep. Die zelfde macht is door God in Christus wederom in de Mensheid ingevoerd, en het is deze macht gegeven de zonden in het vlees (te weten de wil en de begeerte van de slang) de kop te vertreden. Oftewel, de wil der Gelatenheid in Christus vertreedt de zondige wil der slang, de kop van zijn begeerte, en doodt de bedreven zonden wederom. Zo wordt de gegeven macht de dood ten dood, en het leven een macht ten Leven.

22. Daarom heeft niemand enige verontschuldiging, alsof hij niet zou kunnen willen. Ja, zolang hij vastzit in de zelfheid, in de eigen begeerte, en alleen de wet der zonden in het vlees dient, dan kan hij het niet, want dan wordt hij tegengehouden, en is hij knecht der zonden. Maar wanneer hij het centrum van het gemoed omkeert, en in de gehoorzaamheid en in de Wil Gods keert, dan kan hij het.

23. Nu het centrum van het gemoed uit de eeuwigheid, uit de Almachtigheid Gods is, mag het zichzelf overal, waar het maar wil, invoeren. Want wat uit het eeuwige is, dat kent geen wet dat hij God moet gehoorzamen. Maar de wil heeft wel een wet, dat hij God moet gehoorzamen, de wil is uit het gemoed geboren, en moet zich niet afscheiden van hetgeen waar God hem in geschapen heeft.

24. Zo schiep God de wil des gemoeds in het Paradijs (tot een spel van het Goddelijke Vreugden-Rijk), en hieruit moest hij zich niet afscheiden. Maar nu hij zich toch heeft afgescheiden, heeft God Zijn Wil wederom in het vlees ingevoerd, en Hij heeft ons (in deze nieuw ingevoerde Wil) macht gegeven om onze wil daar in te voeren, en een nieuw licht daarin aan te steken, en wederom zijn kinderen te worden.

25. God verstokt niemand, maar de eigen wil die in het vlees der zonden volhard, die verstokt het gemoed, want hij voert de ijdelheid van deze wereld in het gemoed, opdat het gemoed gesloten blijft.

26. God kan niets kwaads willen, want er is maar één Wil in God, en dat is eeuwige Liefde, een begeerte naar wat Hem gelijk is, zoals Kracht, Schoonheid en Deugd.

27. God begeert niets anders dan alleen hetgeen aan Zijn Begeerte gelijkvormig is, Zijn Begeerte ontvangt niets anders dan hetgeen wat als Hem Zelf is.

28. God neemt geen zondaar aan in Zijn Kracht, tenzij de zondaar van zijn zonden uitgaat, en (met de begeerte) in Hem gaat. En wie tot Hem komt, zal Hij niet verstoten. Hij heeft de wil een open deur gegeven (in Christus) en spreekt: Komt allen tot mij, gij die met zonden beladen zijt, ik zal u verkwikken, neem mijn Juk op u. Dit [Juk] is het Kruis van de vijandschap in het vlees, welk het Juk van Christus was, die dit voor de zonden van alle mensen moest dragen. De wil van de Gelatenheid (die in het boze, aardse, zondige vlees gevangen ligt) moet dit [Juk] op zich nemen, en in lijdzaamheid (op hoop van verlossing) en navolging van Christus dragen. En met de gelaten wil van de ziel (in de Wil en Geest van Christus) de slang voortdurend de kop vertreden, en de aardse wil in de toorn Gods doden en verbreken, hem niet laten rusten door, wanneer de zonde bedreven is, hem in een zacht bedje te leggen en te denken; ik zal daarvoor nog wel eens boete doen [als het mij wel gelegen komt.]

29. Nee, nee! In dit zachte bed wordt de aardse wil alleen maar sterk, vet en tegenstrijdig. Maar zo gauw als de Adem Gods Zich in u beweegt, en u de zonden aanwijst, zal de wil van de ziel zich in het lijden en de dood van Christus verzinken, en zich daarmee stevig inwikkelen, en het lijden van Christus tot een eigendom in zich nemen, en met de dood van Christus over de dood der zonden heersen, en deze in de dood van Christus verbreken en doden.

30. En wil hij [de wil der zonden] niet [sterven], hij zal wel moeten: Wees vijandig tegenover het wellustige aardse vlees, en geef het niet wat het begeert, laat het vasten en honger lijden totdat de moedwilligheid ophoudt. Houdt de wil van het vlees voor uw vijand, en geef hem niet hetgeen de begeerte in het vlees wil, zo zult gij de dood in het vlees in het sterven voeren. Sla geen acht op de bespotting van de wereld, bedenk dat zij niets anders dan uw vijand bespotten, dat hij hun dwaas is geworden. Houdt gij hem zelf ook voor een dwaas, die Adam in u verwekt heeft en tot valse erfgenaam heeft nagelaten. Werp de zoon van de dienstmaagd uit het huis (namelijk de vreemde zoon, die God u in het begin in Adam in het huis des levens niet heeft gegeven) want de zoon van de dienstmaagd zal niet erven met de zoon van de Vrije.

31. De aardse wil is niet anders dan de zoon van de dienstmaagd, want de vier elementen [die in de aardse wil het opperste bewind hebben] die zouden knecht van de mensen zijn, maar Adam heeft ze tot het kindschap gebracht, zo sprak God nu tot Abraham: (toen Hij het Verbond der Beloften in hem opende) werp uit de zoon van de dienstmaagd, want hij zal niet erven met de Vrije, dat is Christus, die God ons uit Genade wederom in het vlees invoerde, als een nieuw gemoed, alwaar de wil (de eeuwige wil der ziel) het Water des Levens mag scheppen en drinken, waarvan Christus ons zei: wie dit water zal drinken, dat Hij ons geven zal, die zal worden tot een Fontein, springende tot in het eeuwige leven. De vloeiende Fontein is een vernieuwing van het gemoed der ziel, als een eeuwig gesternte van de eeuwige natuur (namelijk de eigenschap van ’t schepsel der ziel)

32. Daarom zeg ik, allerlei verdichtsels [om] tot God [te kunnen komen], wat voor namen ze ook mogen hebben, waarin de mens probeert Gods Wegen te beschrijven, zijn onnodig en vergeefs zonder het nieuwe gemoed.

33. Er is geen andere weg tot God dan een nieuw gemoed, dat zich van het boze afwendt, en in berouw van zijn bedreven zonden gaat, uit de boosaardigheid uittreedt en dit niet meer begeert, maar zijn wil in de dood van Christus indringt, en de zonden van de ziel in de dood van Christus met ernst afsterft, opdat het gemoed van de ziel de zonde niet meer wil. Al gebeurt het dat alle duivelen achter hem aan gaan, en met hun begeerten in het vlees komen, dan moet de wil van de ziel in de dood van Christus stil blijven staan, zich verbergen, en niet anders begeren dan alleen de ontferming Gods.

34. Daar helpt geen veinzen, wanneer men de schalk der zonden in het vlees met het lijden van Christus wil toedekken en in de zelfheid wil blijven steken. Christus spreekt, wanneer ge niet wilt omkeren en wordt als kinderen, zo zult ge het Rijk Gods niet zien. Zo moet een nieuw gemoed zeer eenvoudig en nederig worden, als een kind welk van geen zonden weet. Verder spreekt Christus, gij moet opnieuw geboren worden, anders zult gij het Rijk Gods niet zien. Daar moet een geheel nieuwe wil (in de dood van Christus) opstaan, ja, uit Christus’ ingaan [incarnatie] in de mensheid moet hij opnieuw geboren worden, en in de opstanding van Christus moet hij opstaan.  

35. Wanneer nu zulks zal geschieden moet de wil van de ziel van te voren in de dood van Christus sterven, want hij heeft in Adam de zoon van de dienstmaagd (namelijk de zonde) ingenomen, die moet hij eerst uit de wil verstoten, en de arme gevangen ziel moet zich (met alles wat zij is) met ernst in het sterven van Christus indringen, dat zij op deze manier de zoon van de dienstmaagd (de zonde in haar) in de dood van Christus afsterft. Ja, de zonde moet in de wil van de ziel sterven, anders kan er geen beschouwen Gods zijn. Want niet de aardse wil in de zonde en toorn Gods zal God zien, maar Christus die in het vlees kwam. De ziel moet de Geest en het Vlees van Christus aantrekken, want in deze aardse tabernakel kan zij het Rijk Gods niet beërven, het rijk der zonden hangt er aan (hetwelk in de aarde zal verrotten en in een nieuwe kracht op zal staan.)

36. Het is noch met geveinsdheid, noch met louter woorden te doen. Wij moeten geen van de uitwendig aangenomen kinderen zijn, maar inwendig uit God geboren kinderen, in een nieuwe mens, die in God gelaten is, [die met David zei: Heer, ik wil U laten doen, Gij zult het wel maken.]

37. Allerlei geveinsdheid, waardoor we zeggen, Christus heeft betaald en voor onze zonden voldaan, Hij is voor onze zonden gestorven, is vals en een nietig krachteloos vertroosten, waarmee wij niet de zonden in Hem afsterven en niet Zijn verdienste in een nieuwe gehoorzaamheid aantrekken en daarin leven.

38. Hij die een vijand van de zonden wordt, die de zonden niet graag ziet, hoort noch smaakt, die haar tegenstander is, die steeds juist en goed begeert te doen, als hij maar wist wat hij doen moest, die heeft zich met het lijden van Christus te vertroosten, die heeft de Geest en de Wil van Christus aangetrokken. Maar de uitwendige geveinsdheid, het van buiten aangenomen kindschap, die is vals en nietig.

39. Het werk dat alleen in het uitwendige vlees geschiedt, dat maakt het kindschap niet. Maar het werken van Christus in de Geest (welk in het inwendig werken zeer krachtig is, en als een nieuw licht schijnt, en het kindschap in de uitwendige werken van het vlees openbaart) dat is, en maakt het kindschap.

 40. Want wanneer het oog van de ziel licht is, is het gehele lichaam licht, in alle leden. Bij iemand die zich op het kindschap beroept, terwijl hij het lichaam in de zonden laat branden, die is het kindschap nog niet aannemelijk, of hij ligt nog in de banden des duivels, in een zware duisternis gevangen. En wanneer hij ook de ernstige wil (tot de weldadigheid in de Liefde) niet in zich heeft branden, dan is zijn voorwendsel niet anders dan een verzinsel van het vernuft uit de zelfheid, welk God niet kan aanschouwen, tot het opnieuw geboren wordt en zich in kindschap vertoont. Want er is geen vuur zonder licht, en wanneer nu het Vuur Gods in het gemoed is, zal het ook wel naar buiten schijnen, en doen hetgeen God hebben wil.

41. Zo zegt gij, ik heb de wil daartoe, ik wil het gaarne doen, maar ik wordt tegengehouden, en kan het niet.

42. Ja lief vernuft, God trekt u tot het kindschap, maar gij wilt niet, uw zachte kussen in het boze, dat hebt gij liever. Gij stelt de aardse vreugde der boosheid boven de vreugde Gods. Gij steekt nog geheel in de zelfheid, en leeft nog in de wet der zonden, wat u vasthoudt. Gij hebt geen lust om de vleselijke wellustigheid af te sterven, daarom zijt gij ook niet in het kindschap, en God trekt u daartoe, maar gij wilt zelf niet. Ai! Hoe fijn toch het Adam zijn, wanneer men hem maar met deze wil [van vleselijke wellustigheid] in de Hemel had willen nemen, en men het boze kind vol valsheid in de Troon Gods had gezet. Lucifer wilde het ook zo hebben, maar hij werd uitgespuugd.

43. De boze wil af te sterven doet pijn, niemand wil daar aan. Wij waren al te zamen graag kinderen, wanneer men ons maar met deze rok der ijdelheid wilde nemen. Maar het mag niet zo zijn. Deze wereld vergaat, en zo moet ook het uitwendige leven sterven, wat baat mij dan een kindschap in een sterfelijk lichaam?

44. Dus wie het kindschap begeert te beërven, die moet een nieuw mens aantrekken die het kindschap erven kan, die de Godheid gelijk is. God wil in de Hemel geen zondaar hebben, maar niets anders dan nieuw geboren kinderen, die de Hemel hebben aangetrokken.

45. Daarom is het niet zo eenvoudig om kinderen Gods te worden of te zijn, zoals men zich graag inbeeldt. Het is waar, het is wel eenvoudig voor degene die het kindschap heeft aangetrokken. Wiens licht schijnende is, die heeft daar vermaak in. Maar het gemoed om te keren, en de zelfheid te verbreken, dat moet een strenge onophoudelijke ernst zijn, en een dusdanig voornemen (al zouden lichaam en ziel daardoor van elkaar scheuren) dat de wil evenwel begeert standvastig te blijven, en niet wederom in de zelfheid [begeert] in te gaan.

46. Men moet worstelen totdat het duistere, harde, gesloten centrum openspringt, en dat de vonken in het centrum zich wortelen, waaruit van stonden aan de edele Leliëntak (als uit een Goddelijk mosterd-zaadje) uitwast. Het moet ernstig bidden, met grote ootmoedigheid zijn, en een tijd lang met het eigen vernuft een dwaas zijn, zich hierin zelfs onverstandig achten, totdat Christus een gestalte in deze nieuwe menswording krijgt.

47. En dan (wanneer Christus geboren wordt) komt Herodes om het kindeke te doden, en het uitwendig te bezoeken met vervolgingen, en inwendig met verzoekingen, om te zien of deze Leliëntak sterk genoeg zal zijn om de duivel zijn rijk (welk in het vlees openbaar is) te verbreken.

48. Deze slangen-treder wordt tot in de woestijn gevoerd, nadat hij tevoren met de Heilige Geest gedoopt is. Hij wordt verzocht, om te zien of hij (in de Gelatenheid) in de Wil Gods zal blijven. Hij moet zo vast staan dat hij al het aardse, ja ook het uitwendige leven om het kindschap begeert te verlaten.

49. Men moet geen tijdelijke eer boven de kindschap stellen, maar men moet met de wil dit alles verlaten, en niets als eigen beschouwen, en zich zelf maar voor dienaar houden, die zijn Heer gehoorzaam dient. Hij moet alle wereldse eigendom verlaten, niet dat hij het weg moet doen, maar zijn hart moet het verlaten, en hij moet zijn eigen wil er niet in voeren, en het niet als van hem beschouwen. Zodoende heeft hij ook geen macht de nooddruftigen daarmee te dienen.

50. De zelfheid dient slechts het tijdelijke wezen, maar de Gelatenheid heerst over alles wat onder haar is. De zelfheid moet doen wat de duivel (in de wellustigheid van het vlees en in het hovaardige leven) verlangt, maar de Gelatenheid treed datgene met de voeten des gemoeds. De zelfheid veracht hetgeen dat slecht [of eenvoudig] is, maar de Gelatenheid schaart zich bij de eenvoudigen in het stof, en wil, met David, nog kleiner worden in de ogen van de Heer, zij zegt; ik wil slecht zijn en niets begrijpen, opdat mijn verstand zich niet verheft en zondigt. Ik wil in de voorhoven  mijn God aan de voeten liggen, met Maria, opdat ik mijn Heer mag dienen, waartoe Hij mij hebben wil. Ik wil niets weten, opdat de geboden van mijn Heer mij leiden en sturen, en dat ik slechts doe wat God door mij doet en hebben wil. Ik wil in mijn zelfheid slapen totdat de Heer mij met Zijn Geest wekt, en wanneer hij dat niet doen zal, dan zal ik eeuwig (in Hem) in de stilte rusten, en Zijn Gebod afwachten.

51. Lieve broeder, men heeft tegenwoordig de mond vol van het geloof, maar waar is het geloof? Het tegenwoordige geloof is historie. Waar is het kind dat vol is van het kindschap, en gelooft dat Jesus geboren is? Als het daar was, en geloofde dat Jesus geboren is, dan zou het zich toch tot het kindeke Jesus naderen, het zelf aannemen en opvoeden. Ach! Het is niets anders dan een historisch geloof, en een louter spitsvondige wetenschap, en veel meer een kieteling van het geweten dan een waar geloof. Dat de Joden Hem gedood hebben, dat Hij van deze wereld is weggevaren, dat Hij geen Koning op aarde is in de dierlijke mens, dat de mens mag doen wat hij wil, dat hij niet de zonden en boze lusten hoeft af te sterven, daar verheugt zich de zelfheid in, dat boze kind, dat zij in het vet mag leven, en de duivel hiermee vet mag mesten.

52. Het blijkt dat het geloof sinds de tijden van Christus nooit zo ziek is geweest als tegenwoordig, terwijl de wereld luid roept, wij hebben het ware geloof gevonden! en twisten om een kind dat sinds er mensen op aarde zijn nooit bozer is geweest.

53. Wanneer gij Zion zijt, het nieuwgeboren en wedergevonden kind, bewijs dan uw kracht en deugd, en breng uit u het kindeke Jesus voor de dag, dat men kan zien dat gij de voedster zijt. Zo niet, dan zeggen de kinderen van Christus, dat gij niet anders dan een historie (namelijk de wieg van het kind) hebt gevonden.

54. Waar hebt gij het kindeke Jesus, gij afvallige, met de historiën en het valse schijngeloof? Hoe zal het kindeke Jesus (in des Vaders eigenschap) in uw eigen turba (die gij gemest hebt) u moeten bezoeken? Het roept u in Liefde, maar gij wilt niet horen, want uw oren zijn met gierigheid en wellust stevig gesloten: Daarom zal het geluid van de Bazuin met een harde Donderslag (uw turba) u eenmaal verscheuren en opwekken, of gij nog eenmaal het kindeke Jesus zoeken en vinden wilt.

55. Lieve broeder, het is een tijd van zoeken en vinden, en een tijd van ernst. Zo wie het raakt, die raakt het, en wie daar waakt, die zal het horen en zien, maar wie in de zonden slaapt, en in de vette dagen van zijn buik spreekt; “het is alles vrede en stilte, wij horen geen geluid van de Heer,” die zal blind zijn. Maar de Stem des Heren heeft geklonken tot aan het einde van de aarde, en gaat op in een rook, een grote helderheid van een glans, Amen. [De rook is de grote vloek waarin de aarde is gehuld, en de helderheid is het Goddelijk Licht in Zijn kinderen.]

 

Halle lu-jah, Amen.

 

Juich voor de Heer in Zion, want alle bergen en heuvelen zijn vol van Zijn Heerlijkheid. Hij schiet op als een gewas, wie zal het weren.

 

Ha le lu-jah.

 

 

Einde

 

 

 

 

 

ß Terug

 

 

HOME