De

 

REGENERATIE,

 

Dat is,

 

OVER DE NIEUWE WEDERGEBOORTE,

 

 

Hoe de mens, die de Zaligheid ernst is, zich door de Geest van Christus, uit het verwarde en twistige Babylon moet laten uitvoeren, opdat hij in de Geest van Christus opnieuw geboren wordt, en Hem alleen leeft.

 

 

Opgesteld door

 

 

JACOB BÖHME van Alt Seidenburg,

Teutonicus Philosophus genaamd

 

 


VOORREDE

 

van de

 

AUTEUR.

 

1. Hoewel ik hier voldoende over verklaard heb in mijn andere Schriften, en het vanaf de basis heb uitgewerkt, heeft niet iedereen deze Schriften in de hand gehad, en is het ook niet voor iedereen begrijpelijk. Daarom heb ik ten dienste van de eenvoudige kinderen van Christus een korte verhandeling over de nieuwe Wedergeboorte geschreven.

2. Maar wie de diepe grond, waaruit dit alles vloeit, begeert te onderzoeken, en de gave tot het begrip heeft, zou de volgende boeken moeten lezen.

 

         I. Over de drie Principes van ’t Goddelijk Wezen

         II. Over het Drievoudig leven van de mensen

III. De 40 Vragen over de oorsprong, Essentie, wezen, natuur, en eigenschap van de zielen

IV. Over de Menswording en Geboorte van Jesus Christus de Zoon van God, over zijn lijden, sterven en opstanding.

V. Over de zes punten, namelijk, over de drie Werelden, hoe deze in elkander staan als één, en evenwel drie Principes vormen, nl de drie geboortes of beginselen.

VI. Het Mysterium Magnum over Genesis.

 

Daar vindt hij alles waarover hij zou kunnen vragen, ja, zo hoog een gemoed des mensen zich verheffen kan.

3. Dit heb ik geschreven voor de ware Israëlieten (dat is, voor de harten die hongeren en dorsten naar Christus’ Fonteintje), mijn medeleden in de Geest van Christus. Maar voor de [Ismalieten en] bespotters heb ik niets geschreven, want zij hebben het boek in zich, waarmee ze de kinderen van Christus onder het Kruis drijven, en moeten (tegen hun wil) dienaren van de kinderen van Christus zijn, al is het dat ze dit niet begrijpen.

 

 

 


HET  Ie  HOOFDSTUK.

 

Hoe de mens zich moet betrachten.

 

 

I.

 

Christus sprak: keert u om, en wordt als kinderen, anders zult gij het Rijk Gods niet zien. En wederom zei Hij, tot Nicodemus [Joh 3,5-6]: Zo iemand niet opnieuw geboren wordt uit water en Geest, kan hij niet in het Rijk Gods komen. Wat uit het vlees is geboren is vlees, en wat uit de Geest is geboren is geest.

De Schrift betuigt duidelijk dat de vleselijke, natuurlijke mens niets begrijpt van de Geest Gods. Het is hem een dwaasheid, en hij kan het niet bevatten.

2. Nu wij allen gemaakt zijn uit vlees en bloed, en daarom sterfelijk zijn, en de Schrift tegelijkertijd zegt dat wij tempels van de Heilige Geest zijn die in ons woont, en dat het Rijk Gods inwendig in ons is, en dat Christus gestalte in ons moet krijgen, en dat Hij ons Zijn vlees tot spijze, en zijn bloed tot drank zal geven, en dat Hij zei, wie niet het vlees eet van de Zoon des mensen, die heeft geen leven in zich; zo moeten wij met ernst betrachten en overwegen, wat voor mens er dan in ons is, die God gelijk en aannemelijk is.

3. Want van het sterfelijke vlees, dat tot aarde wordt, en in de ijdelheid van deze wereld leeft, en voortdurend het ongoddelijke begeert, kan niet gezegd worden dat het de Tempel van de Heilige Geest is! En nog minder kan worden gezegd dat de nieuwe Wedergeboorte in dit aardse vlees geschiedt wanneer het sterft, en vergaat, en zo een huis der zonden blijft.

4. Nu blijft het evenwel waar, dat een Ware Christen uit Christus wordt geboren, en dat de nieuwe Wedergeboorte een Tempel van de Heilige Geest is, die in ons woont. En dat de nieuwe mens uit Christus geboren, alleen het vlees en bloed van Christus geniet, daarom is het niet zo slecht om een Christen te zijn. Maar het Christendom bestaat niet alleen uit historie, een historie die we alleen maar hoeven leren kennen, om ons vervolgens die kennis toe te eigenen, zodat we kunnen zeggen; Christus is voor ons gestorven, en heeft de dood in ons verbroken, en tot Leven gemaakt, Hij heeft voor ons de schuld betaald, wij hoeven ons hier maar mee te troosten, en vast te geloven dat het gebeurd is.

5. Want wij ondervinden in ons dat de zonde in het vlees levend is, begerig en doende, dat het werkzaam is. Daarom moet de nieuwe Wedergeboorte uit Christus iets anders betekenen, iets dat niet werkt in het vlees der zonden, iets dat de zonden niet wil.

6. Want de H. Paulus zegt; aan degenen die in Christus zijn, is niets verdoemelijks, en verder: zouden wij, wij die Christenen zijn, nog zondaars zijn? Verre van dat, want wij zijn in Christus de zonden afgestorven. Ook is de mens der zonde geen Tempel van de H. Geest, en toch is er ook niet één mens die niet zondigt. God heeft alles onder de zonde besloten, want de Schrift zegt; geen levende is voor u rechtvaardig, wanneer u zonden wilt toerekenen. De rechtvaardige valt zeven maal daags. En hier moet niet uit begrepen worden, dat de Rechtvaardige valt en zondigt, maar de sterfelijke en zondige.

7. Want de gerechtigheid van een Christen in Christus, die kan niet zondigen. Zoals H. Paulus zegt: Onze wandel is in de Hemel, van daar verwachten wij de Heiland Jesus Christus. Als onze wandel nu in de Hemel is, dan moet de Hemel in ons zijn. Christus woont in de Hemel, en omdat wij nu Zijn Tempel zijn, moet het zijn dat deze Hemel in ons is.

8. Maar omdat de zonde in ons ons dan ook nog aanvecht, waardoor de duivel toegang tot ons en in ons heeft, moet ook de hel in ons zijn, want de duivel woont in de hel. Hij verblijft voortdurend in de hel, en kan er niet uitkomen. En al was het dat hij een mens bezat, evenwel woont hij (in de mens) in de hel, dat is, de toorn Gods.

9. Hierom moeten we nu de mens in juiste overweging nemen, wat en hoe hij is, en dat een waar Christen niet alleen een historisch nieuw mens is, dat wil zeggen, dat het niet genoeg is dat wij Christus erkennen, en geloven dan Hij Gods Zoon is, en voor ons betaald heeft. Want dergelijke uiterlijke gerechtigheid - dat wij alleen maar geloven dat het aldus is geschied - baat niets. We zijn gebaat bij een ingeboren, kindse gerechtigheid. Zoals het vlees moet sterven, zo moeten ook het leven en de wil de zonde afsterven, en als een kind worden dat niets weet, en alleen maar naar de moeder verlangt die haar gebaard heeft. Zo moet de wil van een Christen wederom in de Moeder (dat is, in de Geest van Christus) ingaan, en in de zelfheid, het eigen willen en vermogen een kind worden, waar de wil en begeerte alleen maar op de moeder zijn gericht. Hij moet uit de Geest van Christus, tot een nieuwe wil en gehoorzaamheid, in de gerechtigheid uit de dood opstaan, waarin het de zonden niet meer wil.

10. Want de wil die de ijdelheid in haar laat en deze begeert, is niet nieuw geboren. En nu er in de nieuw geborene toch een wil blijft die naar ijdelheid neigt en zondigt, moeten we betrachten hoe in het beeld des mensen de nieuwe Wedergeboorte geschiedt. Want het geschiedt niet in het sterfelijke vlees, maar toch waarachtig wel in ons, in vlees en bloed, in water en geest, zoals de Schrift zegt.

11. Daarom moeten we onderzoeken wat voor mens in ons is, die Christus’ lidmaat is en een Tempel Gods, en die in de Hemel woont. En verder, wat het voor mens is die alleen in de uitwendige wereld woont, en tenslotte wat voor mens het is die door de duivel wordt geregeerd en gedreven. De Tempel van Christus kent hij niet, daartoe is hem aan het sterfelijk vlees ook niet veel gelegen. Maar er zijn niet drie mensen in één, er is slechts één enkele.

12. Als wij nu zulks willen betrachten, moeten we ook tijd en eeuwigheid overwegen, hoe zij inelkander zijn verweven, en ook licht en duisternis, goed en kwaad; en voornamelijk ook de oorsprong en herkomst van de mens.

 

Dit is nu aldus te betrachten.

 

13. Wij zien de uitwendige wereld aan, met de sterren en de vier elementen (waar de mens en alle creaturen in leven), en welk niet God is [genaamd]. God woont hier wel in, maar het wezen van de uitwendige wereld begrijpt Hem niet. Ook zien we hoe het Licht in de duisternis schijnt, en de duisternis begrijpt het Licht niet, hoewel het één in het andere woont. En zo vinden we hier ook een voorbeeld van in de vier elementen, welk in hun oorsprong maar één Element zijn, die noch heet noch koud, noch droog noch nat is, en zich toch verdeelt in zijn beweging in de vier eigenschappen, namelijk in vuur, lucht, water en aarde.

14. Wie zou willen geloven, dat het vuur het water baart, en dat de oorsprong van het vuur in het water kon zijn, wanneer we dit niet met eigen ogen zagen in het onweer, en wanneer we niet in het levende ondervonden, dat het Essentiële vuur in de lichamen, in het bloed woont, en dat het bloed zelf moeder is, en het vuur van het bloed vader?

15. En precies als nu God in de Wereld woont en alles vervult, en toch niets bezit, en het vuur in het water woont, en het toch niet bezit, en het licht in de duisternis woont, en de duisternis toch niet bezit, de dag in de nacht, en de nacht in de dag, de tijd in de eeuwigheid en de eeuwigheid in de tijd; zo ook is nu de mens geschapen. In zijn uitwendige mensheid is hij de tijd, en is hij in de tijd, en de tijd is de uitwendige wereld, net als de uitwendige mens. En de inwendige mens is de Eeuwigheid en de geestelijke Tijd en Wereld, en staat ook in Licht en duisternis; in Gods Liefde, naar het eeuwige Licht, en in Gods toorn, naar de eeuwige duisternis, dit alles is openbaar in hem, en hierin woont zijn geest, in de duisternis of in het Licht. Het is beide in hem, het Licht en de duisternis, elk woont in zichzelf en het een bezit het ander niet.

16. Maar wanneer het ene het andere ingaat, en wil bezitten, dan verliest het andere zijn recht en kracht. Het passieve verliest zijn kracht, want wanneer het Licht in de duisternis openbaar wordt, dan verliest de duisternis haar duisterheid, en wordt ze niet bekend. Maar wanneer de duisternis in het Licht openbaar wordt, en de kracht verkrijgt, dan blust zij het Licht en Zijn Kracht uit.

17. Dit kunnen wij ook op de mens betrekken. De eeuwige duisternis der ziel is de hel, de kwaal van angst, genaamd Gods toorn. En het eeuwige Licht in de ziel is het Hemelrijk, waar de vurige duistere angst in een vreugde wordt veranderd.

18. Want zoals de natuur van de angst in de duisternis een oorzaak van treurigheid is, zo is hetzelfde in het Licht een oorzaak van de uitwendige en beweeglijke vreugde. De kwaal in het Licht en de kwaal in de duisternis zijn dezelfde kwaal, één natuur, net als het vuur en het licht van één natuur zijn, en toch een geweldig onderscheid vertonen. Het een woont in het ander, en baart het ander. Maar toch is ’t het ander niet. Het vuur is pijnlijk en verterend, en het licht geeft vriendelijkheid, kracht en vreugde, een lieflijke vermakelijkheid.

19. Alzo betrachten wij ook de mens, hij staat en leeft in drie werelden. De een is de eeuwige duistere wereld, het centrum van de eeuwige natuur welk het vuur baart, de kwaal van angst. De tweede is de eeuwige Lichte Wereld, die de eeuwige Vreugde baart, en welk de Goddelijke Woning is, waar de Geest Gods in woont, waarin de Geest van Christus een menselijk wezen aanneemt, en de duisternis verdrijft, wat een oorzaak is voor de vreugde in de Geest van Christus in het Licht. De derde wereld is de uitwendig zichtbare in de vier elementen, en het zichtbare gesternte. Ieder element heeft ook zijn eigen specifieke gesternte in zich, waar de begeerlijkheid en de eigenschap uit ontstaat, zoals ook bij het gemoed.

20. Het vuur in het Licht is dus een vriendelijk vuur, een begeerte der zachtmoedigheid en vreugde, en het vuur in de duisternis is een angstelijk vuur, en is pijnlijk, vijandig en in de Essentie wederwaardig. Het vuur des Lichts is van goede smaak, en de smaak in de Essentie van de duisternis is geheel wederwaardig en vijandig, zo staan alle gestalten in grote angst tot het vuur.

 

 

HET  IIe  HOOFDSTUK

 

Hoe de Mens geschapen is.

 

 

1. Dan zullen we hier nu betrachten hoe de  mens is geschapen. Moses zei: God schiep de mens, naar Zijn Beeld. Ja, een Beeld Gods schiep Hij hem. Dit begrijpen we ook uit de eeuwige en tijdelijke geboorte; de geboorte uit de inwendige geestelijke wereld, die Hij hem in het geschapen uitwendige beeld inblies, en dat uit het Wezen van de inwendige Geestelijke Wereld, welk Heilig is.

2. Want zoals in de uitwendige wereld een natuur en wezen is, is er ook een natuur en wezen in de inwendige Geestelijke Wereld, welk geestelijk is, en waaruit de uitwendige wereld uit-gesproken is, en uit Licht en duisternis geboren, en in een aanvang en tijd geschapen. En uit het wezen van de inwendige en uitwendige wereld, werd de mens in een gelijkenis naar de geboorte, en uit de geboorte van alle wezens geschapen. Het lichaam is een Limbus der aarde, en ook een Limbus van ’t Hemelse Wezen, want de aarde is uit de duistere en lichte wereld uitgeblazen, of uitgesproken, en uit het zelfde is de mens (namelijk in het verbo fiat, dat is, in de eeuwige begeerte) in een beeld gevat en geschapen, uit tijd en eeuwigheid.

3. Ditzelfde beeld was in het inwendige en geestelijke Element, waar de vier elementen van uitgaan en geboren zijn. In het ene Element was het Paradijs, want de eigenschappen van de natuur, uit de duistere-en-lichte Vuur Wereld waren allen tesamen in een gelijke concordantie, maat en gewicht. Geen was er meer openbaar dan de andere, of breekbaar in zichzelf. Geen eigenschap was dominant over de andere, er was geen strijd noch wederwaardigheid tussen de krachten en eigenschappen.

4. In dit geschapen Beeld blies God de Geest en Adem van het Begrip, uit alle drie de werelden; dit is één ziel, welk in de inwendige duistere Vuur-Wereld van de eeuwige Geestelijke Natuur is - waarnaar God zich een sterke naijverige God, en een verterend vuur noemt. -

5. Dit is nu de eeuwige creatuurlijke grote Ziel, een Magische Vuur-Adem, waarin het vuur van de oorsprong des levens is, uit de grote macht der verandering. In deze eigenschap is Gods toorn, alsmede de eeuwige duisternis, waarin het vuur geen licht geeft.

6. De tweede eigenschap van de Adem Gods, is de kwaal-geest van het Licht, uit de grote vurige liefhebbende Begeerte, uit de grote Zachtmoedigheid, waarnaar God zich een liefhebbende barmhartige God noemt, waarin de Ware Geest van het Begrip en het Leven in de Kracht staat.

7. Want zoals uit ieder vuur een licht schijnt, en in het licht de kracht van het begrip bekend wordt, zo is aan de Vuur-Adem Gods de Licht-Adem verbonden en in het Beeld van de mensen ingeblazen.

8. De derde eigenschap van de Adem Gods is de uitwendige Lucht met haar Gesternte, waarin het Leven van het uitwendige Wezen en Lichaam, en het Gesternte was. Deze blies Hij hem in zijn neus, en zoals de tijd en de eeuwigheid aanelkaar hangen, en de tijd uit de eeuwigheid geboren is, zo hing ook de inwendige Adem Gods aan de uitwendige, en deze drievoudige ziel werd in één keer in de mens ingeblazen. Elk Wezen van het Lichaam nam de Geest aan naar zijn eigenschap, namelijk, het uitwendige vlees nam de uitwendige lucht met zijn gesternte tot een rationeel en vegetatief leven, ter openbaring van de wonderen Gods, en het Lichaam van het Licht, of het Hemelse Wezen nam de Adem des Lichts aan, van de grote Goddelijke Kracht, de Adem die de Heilige Geest wordt genoemd.

9. Zo doordrong het Licht de Duisternis (de duistere Vuur-Adem) en ook de uitwendige Lucht-Adem in zijn Gesternte, en ontnam alle eigenschappen de kracht, zodat de angst van de Vuur-Adem in de inwendige Eigenschap der Zielen, alsmede de hitte en de koude, en ook alle andere eigenschappen van het uitwendige Gesternte, niet openbaar konden en mochten zijn. De eigenschappen van alle drie de Werelden in Ziel en Lichaam, stonden in gelijke concordantie en gewicht. Het inwendig Heilige heerste door het uitwendige; door de uitwendige Kracht van het uitwendige Leven, van het uitwendig Gesternte en van de vier elementen.

10. Dit was het Heilige Paradijs. Zo stond de Mens {in haar engelen-gestalte} in de Hemel, en ook in de uitwendige Wereld, en was Heer over alle creaturen in deze Wereld, en niets had hem kunnen vernietigen.

11. Want de Aarde was ook zo, vóór de vloek van God. De Heilige Eigenschap van de Geestelijke Wereld groeide en bloeide ook door de Aarde, en droeg de Heilige Paradijselijke Vrucht. Hiervan kon de Mens eten op deze Magische Paradijselijke Aarde. Hij behoefde geen tanden noch darmen in het Lichaam, want net als het licht de duisternis, en het vuur het water verslindt en er niet vol van wordt, had de Mens ook een zodanig Centrum in zijn mond, naar de aard der eeuwigheid. En op eenzelfde Magische wijze kon hij ook zijns gelijken uit hem baren, zonder verscheuring of opening van zijn Lichaam en Geest, net zoals God de uitwendige Wereld baarde, en Zich niet verscheurde, maar in Zijn Begeerte (dat is, in het verbo fiat) de Eigenschap vatte, en kwalitatief maakte, en uit het verbo fiat openbaarde, en in een Figuur, naar de eeuwige Geestelijke Geboorte, invoerde. Zo was ook de Mens een zodanig Beeld en gelijkenis naar tijd en eeuwigheid, uit tijd en eeuwigheid geschapen, en toch in een eeuwig onsterfelijk Leven zonder vijandschap en wederwaardigheid.

12. Maar nu de duivel een vorst en Hierarcha in deze Wereld was geweest, en  vanwege zijn hovaardige wil in de duistere, angstelijke, pijnlijke en vijandige eigenschap en kwaliteit, nl. in de toorn Gods was geworpen, gunde hij de Mens de eer niet dat deze in de plaats, die hij had gehad in de geestelijke Wereld, geschapen werd. En hij voerde zijn imaginatie in het geschapen Beeld van de mensen, en maakte deze begerig, opdat de eigenschappen van de duistere en uitwendige wereld zich verhieven in de mens, en uit de gelijke concordantie gingen. De ene eigenschap ging de ander overheersen, en zo werden alle eigenschappen in zichzelf openbaar, en ieder begeerde naar het gelijke van zichzelf, oftewel, naar hetgeen dat uit de duistere wereld geboren was, of naar hetgeen dat uit de Lichte Wereld geboren was. En ieder wilde naar eigen begeerte uit de Limbo der aarde eten.

13. Zo werd Adam in kwaad en goed openbaar. En toen de honger van de eigenschappen in de aarde, waaruit de eigenschappen van het lichaam getogen waren, binnen ging, zo baarde het fiat ook een zodanig gewas uit de aarde, waar de eigenschappen in hun opgewekte ijdelheid van eten konden.

14. Dit was mogelijk; want doordat in Adam de geest van de sterke en grote magische macht van tijd en eeuwigheid was (uit welk de aarde met haar eigenschappen was uit-gesproken), baarde het fiat (zijnde de sterke begeerte van de eeuwige Natuur) de Essentie der aarde.

15. En zo liet God de boom der kennis van goed en kwaad opgroeien, naar de opgewekte eigenschappen van Adam, want de grote macht van ziel en geest had dit veroorzaakt. Hierom moest de mens beproefd worden, of hij in eigen krachten voor de verzoeker (de duivel) en voor de grim van de eeuwige natuur wilde bestaan, of in de ziel wilde blijven, in gelijke concordantie van de eigenschappen in ware Gelatenheid onder Gods Geest, als een werktuig van de Harmonie Gods, in het spel van het Goddelijk Vreugden-Rijk, waarin Gods Geest spelen wil. Daartoe was deze boom. En daarbij kwam het gestrenge Gebod Gods, dat zei; eet daar niet van, want op de dag dat gij ervan eten zult, zult gij de dood sterven.

16. Maar God zag dat de mens al voortdurend begeerde, en beelden schiep naar aard van kwaad en goed, en sprak; Het is niet goed, dat de mens alleen is, Ik zal hem een hulp maken, die bij hem zal zijn. Want Hij zag dat Adam niet meer zelf magisch kon baren, omdat zijn begeerte in de ijdelheid was ingegaan.

17. Zo zegt Moses; God liet een diepe slaap over hem vallen, en hij sliep. Omdat hij niet in de gehoorzaamheid van de Goddelijke Harmonie wilde blijven, en in de aardse eigenschappen het Werktuig, de Geest Gods stil had doen staan, liet God hem uit de Goddelijke Harmonie vallen, tot in een eigen harmonie, namelijk in de opgewekte eigenschappen, in kwaad en goed, daar ging de geest van de ziel in.     

18. Aldaar stierf hij in deze slaap de wereld der Engelen af, en viel ten prooi aan de kracht van het uitwendige fiat. Nu was het gedaan met het eeuwige Beeld naar de Baring Gods, hier lag zijn Engelengestalte en –macht te gronde, en viel het in onmacht. En hier schiep God, door het fiat, de vrouw uit de matrix van Venus (dat is, uit de eigenschap, in welk Adam de verwekster in zich had) uit hem, en zo werden twee lichamen uit één gemaakt, en verdeelde zich de eigenschappen van de substantie, namelijk in het element van het waterige, en in het element van het vurige gesternte. Niet in het gehele wezen, maar in de geest, dus in de eigenschappen van de waterige en in de eigenschappen van de vurige ziel. Terwijl het toch één was, werd de eigenschap van de substantie verdeeld. De begeerte van de eigen-liefde werd Adam ontnomen, en tot een Vrouw gevormd, naar zijn gelijkenis. En daarom begeert nu de man zo hevig naar de matrix {barings-kracht} van de vrouw, en de vrouw begeert de Limbus van de man, zijnde het vuur-Element, de oorsprong van de ware ziel, waarmee de substantie van het vuur wordt bedoeld, want deze twee waren in Adam één, en hierin stond de magische geboorte.

19. Zogauw Eva uit Adam werd gemaakt, in zijn slaap, werden Adam en Eva in het uitwendige leven geplaatst, alwaar zij leden kregen om zich dierlijk voort te planten, en ook de aardse maden-zak waarin zij in de ijdeheid konden verzinken en als dieren konden leven. Hiervoor schaamt de arme, in ijdelheid gevangen ziel zich nog steeds; dat zij een monsterlijk dierlijke gestalte in haar Lichaam heeft gekregen. Hier is de menselijke schaamte voor de leden ontstaan, hiervoor, en ook voor de naakte gestalte schaamt de mens zich, en dat hij het kleed van de aardse creaturen in bruikleen moet nemen. Hij heeft zijn Engelen-gestalte verloren en is in een dier veranderd. Dit kleed toont hem genoegzaam dat hij in deze opgewekte ijdelheid (waarin hitte en kou op hem valt) met de ziel niet thuis is. Want de ijdelheid, samen met het valse kleed, moet wederom van de ziel weggenomen worden en vergaan.

20. Toen Adam nu uit de slaap ontwaakte, zag hij zijn vrouw, en hij wist dat zij uit hem kwam, want hij had met de mond nog niet van de ijdelheid gegeten, maar alleen met de imaginatie, van de begeerte en de lust. En dat was Eva’s eerste begeerte, zij wilde van de boom der ijdelheid, van kwaad en goed eten, waartoe de duivel in de gestalte van een slang haar uiteindelijk overhaalde. Haar ogen zouden haar geopend worden, en ze zou zijn als God zelf.

21. Dit was zowel leugen als waarheid, maar hij zei haar niet, dat zij daardoor Gods Licht en Kracht zou verliezen! Hij zei alleen dat  de ogen haar opengedaan zouden worden, dat zij van kwaad en goed zou mogen proeven, uitproberen, en weten, net als hij had gedaan. Hij zei haar ook niet dat hitte en koude in haar zouden ontwaken, en dat de eigenschappen van het uitwendige gesternte machtig in vlees en gemoed zouden heersen.

22. Het was hem om niets anders te doen dan het Engelen-Beeld (het wezen van de inwendige geestelijke wereld) in hen te verstarren en verduisteren, opdat zij aan de grove aardsheid en het gesternte onderworpen zouden zijn. Ook wist hij wel, dat wanneer de uitwendige wereld zou vergaan, de ziel bij hem in de duisternis zou blijven, want hij wist dat het lichaam zou sterven, dat had hij vernomen uit Gods waarschuwing. En hij meende op deze manier, in zijn valse aangenomen gestalte, voor eeuwig Heer over de zielen te kunnen zijn in deze wereld, daarom bedroog hij de mens.

23. En toen Adam en Eva nu van de vrucht kwaad en goed in het lichaam aten, ontving de imaginatie van het lichaam de ijdelheid uit de vrucht, en de ijdelheid ontwaakte in het vlees, en de duistere wereld kreeg, in de ijdelheid van de aardsheid, de kracht en het bestuur. Van stonden aan verduisterde het schone Hemelse Beeld uit het wezen van de Hemelse Goddelijke Wereld. Alhier stierven Adam en Eva aan het Hemelrijk, en ontwaakten in de uitwendige wereld. Daar was de schone ziel in de Liefde Gods verduisterd, in haar heilige kracht en eigenschap. Op deze plaats ontwaakte in haar de grimmige toorn, de duistere vuur-Wereld. In één deel (de inwendige natuur) werd de ziel een halve duivel, en in het uitwendige deel (de uitwendige wereld) een dier. Hier is het park des doods, en de poort van de hel, en hierom werd God mens, opdat Hij de dood mocht verbreken, en de hel wederom in de grote Liefde zou veranderen, en de ijdelheid des duivels verstoren zou.

24. Gij mensenkinderen, laat het u gezegd zijn: het is u in de stem der bazuine gezegd, dat gij direct van de schandelijke ijdelheid moet uitgaan, want haar vuur brandt.

 

 

 

HET  IIIe  HOOFDSTUK

 

Over de ellendige val, en de verlossing van de Mens

 

1. Toen Adam en Eva nu in deze ellende vielen, ontwaakte de grim der natuur in iedere eigenschap, en drukte zijn begeerte - de ijdelheid van de aardsheid en van de grim Gods - in haar. Zo werd het vlees grof en wreed, als van elk ander dier, en de edele ziel werd daarmee in de Essentie gevangen, en zag hoe ze aan haar lichaam een dier geworden was, ze zag de dierlijke leden tot de voortplanting, en de duistere maden-zak, waar de begeerte van het vlees, de walging in zakte. Zo schaamden zij zich voor God, en verscholen zich onder de bomen in het Hof Eden, en ook viel hitte en koude op hen.

2. Alhier sidderde, vanwege de gruwelijkheid, de Hemel in de mens, net zoals de aarde in haar grim sidderde, toen deze toorn aan het Kruis, door de zoete Liefde Gods, werd verbroken. Daar sidderde de toorn voor de zoete Liefde Gods.

3. En vanwege deze opgewekte ijdelheid in de mens vervloekte God de aarde, opdat het Heilige Element niet meer uit de vrucht zou dringen en een Paradijselijke Vrucht zou baren, want er was geen creatuur die hiervan kon genieten, en ook was de aardse mens haar niet meer waardig. God wilde de edele Parel niet voor de dieren werpen, en de ongoddelijke mens was in zijn lichaam niets anders dan een grof vleselijk dier. Al is hij van edele Essentie, toch is hij gans vergiftigd, en een walging voor God.

4. Toen God zag, dat zijn schone beeld verdorven was, opende Hij zich voor hen, en ontfermde zich over hen, en beloofde Zichzelf aan hen tot een eeuwig eigendom, zodat Hij met Zijn grote Liefde, in de aangenomen mensheid de macht in de eigenschap van de slang (de ijdelheid in de grim Gods) door Liefde zou verbreken. Hij zou zo het hoofd van de slang vertreden, en de duistere dood verbreken, en de toorn door de grote Liefde overweldigen. Hij stelde dit Verbond van Zijn toekomstige Menswording in het Licht des Levens. Hier waren de Joodse Offeranden op gericht, op een teken, dat God hen met Zijn Liefde had beloofd. Want het geloof van de Joden ging in het offer, en Gods Imaginatie ging in het Verbond. En het Offer was een beeld van de weder-brenging van hetgeen Adam verloren had.

5. Zo verzoende God zijn toorn in de menselijke eigenschap, door het Offer in het teken des Verbonds. Het Verbond waarin de aller-heiligste zoete Naam Iesus, uit de Heilige Naam en grote Kracht Iehovah, Zich had ingelijfd, omdat Hij Zich wederom in het wezen van de Hemelse Wereld (in welk Adam verduisterde) wilde bewegen en openbaren, en het Heilige Goddelijke Leven wederom aan wilde steken.

6. Dit teken des Verbonds werd door Adam en zijn kinderen, en van mens tot mens doorgegeven, en drong zo via één tot allen door, net als de zonde en de ontwaakte ijdelheid via één tot allen doordrong. En het stond uiteindelijk - in de belofte des Verbonds, geworteld in David - in de Jonkvrouw Maria; zij was in het inwendige rijk van de verborgen mensheid (de aan het Rijk Gods verduisterde wezendheid) de Dochter van het Verbond Gods, en in het uitwendige, naar de natuurlijke mensheid, verwekt uit haar lichamelijke Vader Ioachim en haar Moeder Anna, uit de Essentie en uit het wezen van hun lichaam en ziel, alle kinderen Adam’s gelijk, een waarachtige Dochter van Eva.

7. In deze Maria van de Jonkvrouw {Sophia, de Wijsheid Gods}, in het beloofde teken van het Verbond waar alle profeten van geprofeteerd hebben, heeft (in de vervulling des tijds) het eeuwig sprekende Woord, (welk alle dingen geschapen heeft) naar Zijn hoogste en diepste Liefde en Ootmoedigheid, Zich in de Naam Jesus bewogen, en heeft Het de levendige Goddelijke Hemelse Wezendheid (die in Adam verduisterde) in de Mensheid van het Hemelse deel (die hij in het Paradijs afstierf) ingevoerd, in het zaad van Maria. Dat is; in de lieflijke substantie, zoals aanwezig was in de eigenschap in welk Adam zich op magische wijze zou voortplanten, namelijk in het Ware Zaad van de Vrouw van de Hemelse Wezendheid, die in het Paradijs verduisterde. Toen het Goddelijk Licht in de Hemelse Essentie uitdoofde, heeft Gods Woord (de Goddelijk Kracht van het Goddelijk Verstand) Hemelse levendige Wezendheid ingevoerd, en de verduisterde wezendheid in het zaad van Maria opgewekt en tot leven gebracht.

8. En Gods Wezen, waar God in woont en werkt, en het verduisterde wezen van de mens, zijn nu één Persoon geworden, want de heilige Goddelijke Wezendheid zalfde de verduisterde, daarom wordt deze Persoon, Christus, een gezalfde Gods genoemd.

9. En dit is de verdorde twijg van Aaron, die opbloeide en amandelen droeg, en dit is ook de Ware Hoge-Priester. Het is ook de Mensheid waar Christus van zei; [Joh 3,13] Hij is uit de Hemel gekomen en ín de Hemel, en geen mens kan zo in de Hemel komen, als de mensen-Zoon, die uit de Hemel is gekomen, en ín de Hemel is. Hij die uit de Hemel is gekomen, is het Hemelse Wezen, de Hemelse Lichamelijkheid, want de Kracht Gods behoeft niet te komen, want die is altijd en overal, onmeetbaar en onverdeeld. Maar het Wezen behoeft te komen, de Kracht hoeft Zich alleen te bewegen en Zich in het Wezen te openbaren.

10. Dit Wezen is evenwel in het menselijk wezen ingegaan, en heeft het menselijke aangenomen, en niet alleen het deel van de Hemelse Wezendheid welk in Adam verduisterde, maar de gehele menselijke Essentie in de ziel en het vlees, naar alle drie de werelden.

11. Maar de opgewekte en ingedrukte ijdelheid, welk de duivel door zijn imaginatie in het vlees invoerde (waardoor het vlees zonden begaat) heeft Hij niet aangenomen. Wel heeft Hij de opgewekte gestalten des levens aangenomen, die de gelijke concordantie waren uitgegaan, en elk haar eigen begeerte inging.

12. Hier lagen de ziekte en de dood, die Hij in het Hemelse Heilige Bloed zou verdrinken. Hier nam Hij al onze zonden en gebreken, en ook de dood en de hel in de toorn Gods, op Zich, en verbrak zo het rijk van de duivel in de menselijke eigenschap. De toorn Gods was de hel, waar de Geest van Christus inging (toen hij het Hemelse Bloed, in ons uitwendig menselijke bloed had vergoten, en met de Liefde doordrenkt had), en deze Hel van de menselijke eigenschappen in de Hemel veranderde, en de menselijke eigenschappen wederom in gelijke concordantie, in de Goddelijke Harmonie invoerde.

 

 


HET  IVe  HOOFDSTUK

 

Hoe wij weer opnieuw geboren worden; en ook weer in Gods toorn vallen

 

1. Alhier kunnen we tot goed begrip komen van wat onze nieuwe wedergeboorte is, hoe wij Tempelen Gods kunnen worden en blijven, nu in deze tijd, naar de uitwendige, zondige en sterfelijke mens. Christus heeft de deuren van onze innerlijke Hemelse Mensheid, die in Adam werden gesloten, in de menselijke Essentie ontsloten en opengemaakt. En het gaat er nu om, de wil van de ziel uit de ijdelheid van het verdorven vlees te voeren, en door deze open deuren, in de Geest van Christus binnen te voeren.

2. Het moet een grote, machtige ernst zijn, niet alleen een leren en weten, maar een honger en grote dorst naar Christus’ Geest. Want weten alleen is geen geloof, maar de honger en dorst naar hetgeen ik begeer, waardoor ik het me sterk inbeeld, en het met deze inbeelding vastgrijp en tot me neem, dat is geloven.

3. De wil moet uit de ijdelheid van het vlees gaan, en zich vrijwillig overgeven in het lijden en in de dood van Christus, en tevens in alle bespotting der ijdelheid (die hem bespot omdat hij zijn eigen huis, waar hij in geboren is, uitgaat). Hij moet de ijdelheid niet meer willen, maar alleen de Liefde Gods in Christus Jesus begeren.

4. En in zodanige honger en begeren ontvangt hij de Geest van Christus, met zijn Hemelse lichamelijkheid, oftewel, zijn grote honger en begeerte vat het Lichaam van Christus (zijnde de Hemelse Wezendheid) tot in zijn verduisterde beeld, waar het Woord van de Kracht Gods het werkende Leven in is.

5. De honger van de ziel voert zijn begeerte door de opgewekte eigenschap van haar in Adam verduisterde Mensheid van het Hemelse deel, welk het zoete lieve vuur in de dood van Christus opende, waarin de dood van deze Hemelse Mensheid verbroken werd. De honger van de ziel vat door de begeerte het Heilige Hemelse Wezen, zijnde de Hemelse lichamelijkheid van Christus, die door de Vader volledig vervuld wordt, waarin de Vader alles nabij is, en welk Hij volledig doordringt, tot in haar verduisterde lichamelijkheid. Daardoor staat het verduisterde Hemelse lichaam in de Kracht Gods, in de zoete Naam Jesus op.

6. Ditzelfde ontwaakte Hemelse Geestelijke Lichaam is Christus’ lidmaat, en de Tempel van de Heilige Geest, een ware woning van de Heilige Drievuldigheid, precies wat Christus beloofde toen Hij zei; Wij zullen tot u komen en woning in u maken. Deze zelfde Essentie van hetzelfde leven eet van Christus’ vlees, en drinkt Zijn bloed, want Christus’ Geest (zijnde het Woord welk zich met de Mensheid van Christus, uit en in onze verduisterde Mensheid [door de uitwendige mens die uit de substantie van deze wereld is] zichtbaar maakte) eet van Zijn eigen Heilige Wezen, Zijn Vurige Wezen. Iedere geest eet van zijn eigen lichaam.

7. Wanneer nu de ziel van deze zoete, Heilige Hemelse spijze eet, ontsteekt zij zich in de grote Liefde, in de Naam Jesus. Daar wordt haar angst-vuur tot een grote triomf, en de Ware Zon gaat in haar op, waarin zij tot een andere wil geboren wordt. En alhier is de Bruiloft des Lams waarvan wij van harte wensen dat de titulairen en zelfbenoemde Christenheid die eenmaal mocht ondervinden, opdat zij uit de Historie, en in het Wezen gaan.

8. Maar de ziel verkrijgt de Parel van de Heilige Kracht niet tot eigendom, zolang ze nog in het lichaam is, en ze de eigenschap van het uitwendige dierlijke vlees nog bezit in de uitwendige mens. De Kracht van Christus, welk Zich in de Bruiloft des Lams verhuwelijkt, verzinkt tot in het Hemelse Beeld, namelijk, in het wezen van de Hemelse Mens, die Christus’ Tempel is, maar niet in de vuur-Adem van de ziel, welk deze hele tijd nog aan het uitwendige rijk, aan de band der ijdelheid, met de lucht-Adem stevig vastgebonden staat, en in groot gevaar is.

9. Zij geeft wel zeer menigmaal haar Stralen der Liefde, tot in de ziel, waar de ziel haar licht van ontvangt. Echter aan de vuur-Adem geeft de Geest van Christus Zich in deze tijd niet, maar alleen aan de Adem des Lichts, die in Adam uitbluste. Hierin is de Tempel van Christus, want het is de Ware Heilige Hemel.

10. Laten we dus goed begrijpen wat de nieuwe Wedergeboorte is en hoe ze geschiedt; De uitwendige aardse sterfelijke mens wordt in dit proces niet opnieuw geboren, noch het uitwendige vlees, noch het uitwendige deel van de ziel. Zij blijven in de ijdelheid van hun in Adam opgewekte wil, zij beminnen hun moeder, in wiens lichaam zij leven, zijnde het regiment van deze uitwendige wereld, en daarin is de geboorte der zonden openbaar.

11. De uitwendige mens in ziel en vlees (het uitwendige deel van de ziel) heeft geen Goddelijke Wil, en begrijpt ook helemaal niets van God, zoals de Schrift zegt; De natuurlijke mens begrijpt niets van de Geest Gods.

12. Maar de vuur-Adem van de inwendige wereld (wanneer deze eenmaal verlicht wordt) begrijpt dit. Deze heeft een groot verlangen, smachten, hongeren en dorsten naar het zoete Fonteintje van Christus. Die laaft zich, door hongeren en begeren, welk het ware geloof is in het zoete Fonteintje van Christus, en van zijn nieuwe Lichaam van Hemelse Wezendheid, als een hongerige twijg aan de Wijnstok van Christus.

13. En dit is de oorzaak, dat de vurige ziel in deze tijd nog niet tot de volkomenheid kan komen, omdat zij aan de uitwendige band van de ijdelheid staat aangebonden, waardoor de duivel voortdurend zijn vergif-stralen op haar schiet, en haar verleidt, opdat zij menigmaal toehapt, en zich vergiftigt, waardoor klagen en angst ontstaat, en de edele Sophia zich verbergt in het Fonteintje van Christus, in de Hemelse Mensheid, want ze zal de ijdelheid niet naderen.

14. Want Zij weet hoe het Haar in Adam verging, waar Zij Haar Parel verloor, welk uit Genade weer aan de innerlijke Mensheid geschonken werd, daar is Zij Sophia genaamd, zijnde de Bruid van Christus.

15. Alhier roept Zij de vurige ziel (Haar Bruidegom) getrouwelijk, en vermaant hem tot de bekering en aflating, of het uitgaan van de gruwel der ijdelheid. Daar ontstaat dan de strijd, in de gehele mens. De uitwendige vleselijke mens keert zich tegen de inwendige geestelijke, en de geestelijke keert zich tegen de vleselijke, en de mens staat in de strijd vol van droefheid, kommer, angst en nood.

16. De inwendige spreekt tot de vuur-ziel; O, mijn Vriend! keer toch om, en ga van de ijdelheid uit, of gij verliest mijn Liefde, en de edele Parel. Het uitwendige vernuft (zijnde de dierlijke ziel) antwoordt hierop; gij zijt dwaas, dat ge des werelds spot en gek wilt zijn, gij hebt de uitwendige wereld tot uw leven van node; schoonheid, macht, en heerlijkheid is u het beste, daarin kunt gij vreugde hebben, wat zult ge zich in angst, nood en bespotting invoeren? neem de wellust, die aan het vlees en gemoed wel doet.

17. Met zodanige drek wordt een oprecht mens dan menigmaal bezoedeld, dat wil zeggen, de uitwendige mens bezoedelt zichzelf, als een zwijn in de drek, en verduistert zijn edele Beeld. Want hoe ijdeler de uitwendige mens wordt, hoe duisterder de inwendige Mens, tot het moment dat deze geheel uitdooft. Dan is het gedaan met het schone Paradijselijke boompje, en het zal zwaar vallen deze weer te bekomen.

18. Want wanneer het uitwendige licht (zijnde de uitwendige ziel) eenmaal wordt verlicht, dat haar het uitwendige licht des vernufts, door het inwendige Licht wordt aangestoken, dan geeft de uitwendige ziel graag een schijnheilig wezen uit hem, en acht zich voor Goddelijk, al is het dat de Parel verdwenen is.

19. Daar blijft het dan bij velen, en zo verderft menigmaal de Parel-boom in ’t Hofje van Christus. Hierover komt de Schrift tot een harde knoop; dat diegenen die eenmaal de zoetigheid van de toekomstige wereld hebben geproefd, en er wederom vanaf vallen, het Rijk Gods met zwaar gemoed zullen aanschouwen.

20. En hoewel het zo is, dat de poorten der Genade nog openstaan, dan houdt het schijnlicht van het uitwendige vernuft de zielen daar vandaan, en ze menen de Parel nog te bezitten, terwijl ze in niets anders leven dan in de ijdelheid van deze wereld, en zo de duivel achterna gaan, zoals hij hen voorgaat.

 

HET  Ve  HOOFDSTUK

 

Wanneer de Mens zich een Christen mag noemen,

en wanneer niet.

 

 

1. Alhier zal nu een Christen bedenken, waarom hij zich een Christen noemt, en wel betrachten of hij er ook een is, want dat ik weet, leer, en begrijp dat ik een zondaar ben, en dat Christus mijn zonden aan het kruis heeft gedood, en zijn bloed voor mij vergoten, dat maakt van mij lang nog geen Christen. De erfenis behoort alleen maar de kinderen; een maagd in den huize weet wel wat de vrouw graag heeft, maar dat maakt haar nog geen erfgenaam in de goederen van de vrouw. De duivel weet ook dat er een God is, maar dat maakt het niet weer tot een Engel. Maar wanneer de maagd in den huize zich met de zoon van de vrouw verhuwelijkt, dan kan ze wel tot de erfenis van de goederen van de vrouw komen.

2. Zo is het ook in ons Christendom te verstaan. Niet Historie-kinderen zijn erfgenamen van de goederen van Christus, maar de echte kinderen die uit Christus’ Geest opnieuw geboren worden. Want God zei tot Abraham, werp uit de zoon van de dienstmaagd, hij zal niet erven met de Vrije. Want hij was een spotter, en alleen een historische zoon van het geloof en van de geest van Abraham. En zolang hij dat was, was hij niet in de juiste erfenis van het geloof van Abraham, hierom gebood God hem uit te stoten.

3. Dit was een voorbeeld voor de toekomende Christenheid, want aan Abraham geschiedde de belofte van de Christenheid, hierover werd ook van stonden aan het voorbeeld voorgesteld in de twee broeders, Isaak en Ismael, hoe de Christenheid zich zou houden, hoe daar tweeërlei mensen in zouden zijn, namelijk, ware Christenen en mond-Christenen, die onder de titulair van Christen spotters zouden zijn. Gelijk Ismael en Esau, die ook het beeld van de uitwendige Adam waren, en Jacob, die het beeld van Christus was, en van zijn ware Christenen.

4. Alzo moet eenieder, die zich een waar Christen noemt, de zoon van de dienstmaagd (dat is, de aardse boze wil) van zich uitstoten, voortdurend doden en verbreken, en niet in de erfenis zetten. Niet de Parel aan de dier-mensen geven om te spelen, dat hij zich in het uitwendige licht, in de lust van het vlees steeds verlustigt, maar met onze Vader Abraham de Zoon van onze juiste wil aan de Berg van Moria brengen, en in de gehoorzaamheid aan God op-offeren, gedurig in Christus’ dood, steeds bereid de zonden gaarne af te sterven, het dier der ijdelheid geen rustplaats in het Rijk van Christus bieden, en niet losbandig, hovaardig, gierig, afgunstig noch boos laten worden. Deze eigenschappen zijn al tezamen van Ismael, de zoon van de maagd, welk Adam in zijn ijdelheid door de losbandige hoer, de valse maagd, door de duivelse imaginatie uit de aardse eigenschap in vlees en bloed voortbracht.

5. Deze spotter en titel-Christen is een onechte zoon en moet uitgestoten worden, want hij zal de erfenis van Christus in het Rijk Gods niet deelachtig zijn. Hij is niet van nut, maar slechts Babel; dat is, een verwarring van de ene spraak in vele spraken, hij is maar een kletser en twister om de erfenis, en wil deze verkrijgen met kletspraat en twist, met huichelarij van zijn mond en schijnheiligheid. Hij is niet anders dan een bloeddorstige moordenaar van Abel, zijn broeder, die een ware erfgenaam is.

6. Daarom zeggen wij, zoals wij het erkend hebben, dat een mens die zich Christen wil noemen, moet beproeven wat voor eigenschappen hem drijven en regeren. Of de Geest van Christus hem tot waarheid en gerechtigheid, en tot naastenliefde drijft; dat hij graag goed wil doen, als hij maar wist hoe. En als hij dan bevindt dat hij een honger heeft naar zodanige deugd, dan mag hij gewis denken, dat hij getogen wordt. Dan moet hij het in werking stellen, en niet alleen willen en ‘t toch niet doen. In het willen staat de aantrekking des Vaders tot Christus, maar in het doen staat het juiste leven.

7. Want de juiste geest doet juist. Maar als de wil om te doen er is, maar het doen er niet op volgt, dan is die mens in de ijdele lust gevangen, die het doen ophoudt. Dan is hij niet anders dan een huichelaar, een Ismaeliet, die anders spreekt dan dat hij doet, en ervan getuigt dat zijn mond een leugenaar is, want hetgeen hij onderwijst, dat doet hij zelf niet. Zo dient hij alleen de dierlijke mens in de ijdelheid.

8. Iemand kan zeggen, ik heb de wil, en wil graag goed doen, maar ik heb het aardse vlees dat mij tegenhoudt; nu zal ik toch, uit Genade, om de verdienste van Christus zalig worden, want ik troost mij toch in zijn lijden en verdiensten, Hij zal mij uit Genade, zonder mijn verdiensten, aannemen, en mij de zonden vergeven. Zo doet hij als iemand die een goede spijze weet voor zijn gezondheid, en het toch niet eet, maar in plaats daarvan een vergiftige eet waar hij ziek van wordt en sterft.

9. Wat helpt het de ziel dat zij de weg tot het goede weet, als ze deze niet zal gaan? In plaats hiervan neemt ze een dwaalweg, en bereikt God niet. Wat helpt het de ziel, dat zij zich met het kindschap van Christus, zijn lijden en dood vertroost, en haar zelfs veinst? Zo zal ze de kinderlijke geboorte niet ingaan, en zal er geen waar kind uit Christus’ Geest, uit zijn lijden, dood en opstanding geboren worden. Wis en waarachtig, het kittelen en huichelen van Christus’ verdienste, buiten de ware ingeboren Kindschap, is vals en gelogen, wie het ook moge onderrichten.

10. Dit vertroosten behoort aan de boetvaardige zondaar, die in de strijd tegen de zonden en Gods toorn is, wanneer de aanvechtigen komen, dat de duivel de ziel aanvalt, waar de ziel zich volledig moet wikkelen in het lijden en in de dood van Christus, in Zijn verdienste.

11. Christus heeft het wel alleen verdient, maar Hij heeft het niet verdient als een verdienste waar een loon voor wordt gegeven; het is dus niet dat hij ons het Kindschap, uit Zijn verdienste, uitwendig schenkt, en ons alzo in het Kindschap inneemt. Nee, Hij is Zelf de verdienste, Hij is de open deur door de dood, door Hem moeten wij ingaan, maar hij neemt geen dieren Zijn verdienste in, maar alleen degenen die omkeren en gelijk worden als kinderen.

12. Deze kinderen die tot Hem komen, zijn Zijn verdiende loon, Hij heeft ons verdiend. Want Hij sprak; Vader, de mensen waren aan U, en Gij hebt ze aan mij gegeven, en ik geef hen het eeuwige Leven. Zo wordt aan niemand het Leven van Christus gegeven, tenzij hij tot Hem komt, in de Geest van Christus, tot in Zijn Mensheid, lijden en verdienste, en wordt in Zijn verdienste een waar kind uit de verdienste geboren. Uit Zijn verdienste moeten wij geboren worden, en de verdienste van Christus in Zijn lijden en dood aantrekken. Niet uitwendig met mond-huichelarij, niet alleen met vertroosten, en een vreemd kind van vreemde Essentie blijven. Nee, de vreemde Essentie erft het Kindschap niet, maar de ingeboren Essentie erft het.

13. Deze ingeboren Essentie is niet van deze wereld, maar in de Hemel, waar S. Paulus van zei; onze wandel is in de Hemel. De kinderlijke Essentie wandelt in de Hemel, en de Hemel is in de mens. Maar wanneer de Hemel in de mens niet open is, en hij alleen voor de Hemel blijft staan huichelen, en zegt, ik ben nog buiten, maar Christus zal mij uit Genade innemen, Zijn verdienste is ook de mijne, dan is hij slechts in ijdelheid en zonden, en met de ziel in de hel, dat is, in Gods toorn.

14. Leer daarom goed begrijpen, wat Christus ons geleerd en gedaan heeft, Hij is onze Hemel. Hij moet in ons een gestalte gewinnen, willen wij in de Hemel zijn. Dan is de inwendige ziel-mens, met het Heilige Lichaam van Christus (dat is, de nieuwe geboorte) in de Hemel, en de uitwendige sterfelijke is in de wereld. Hiervan zegt Christus; Mijn schaapjes zijn in mijn hand, niemand kan mij deze ontnemen; de Vader die hen aan mij gegeven heeft, is groter dan alles.   

 

 

HET  VIe  HOOFDSTUK

 

Over het juiste en onjuiste te Kerk gaan; het gebruik

der Sacramenten, en het absolveren.

 

 

1. Lieve Broeder, wij willen trouwelijk met u spreken, niet uit een geveinsde mond om de Anti-Christ tevreden te stellen, maar uit onze Parel, uit Christelijke Essentie en wetenschap. Niet uit de schors en Historie, maar uit de kinderlijke geest, uit Christus’ wetenschap, als een rank aan de Wijnstok van Christus, uit de mate van de geopende wetenschap in ons, in de raad Gods.

2. Men bindt ons tegenwoordig aan de Historie, aan de stenen Kerk, welk toch van goede waarde zou zijn, wanneer men maar de Tempel van Christus erin bracht.

3. Men leert ons dat de absolutie een vergeving der zonden is, het Avondmaal neemt de zonden weg, de Geest Gods wordt in het Predik-ambt uitgegoten.

4. Dit alles zou zijn weg hebben, wanneer het juist werd verklaard, en men niet alleen aan de schors hing. Menigeen gaat twintig, of dertig jaar in de Kerk horen Prediken, en gebruikt het Sacrament, laat zich absolveren, en blijft tezelfder tijd een dier des duivels en der ijdelheid, net als de anderen; een dier gaat naar de Kerk en tot het Avondmaal, en een dier gaat er weer vandaan. Hoe wil hij eten, die geen mond heeft? Hoe wil hij horen, die geen gehoor heeft? Kan ook degene wiens mond gesloten is zulk een spijze genieten? Hoe zal hij drinken, die verre van het water is? Wat helpt het mij dat ik naar de muur-Kerk ga, en mijn oren vul met een ledige adem? Of ten Avondmaal ga, en alleen de aardse mond spijzig, die sterfelijk en vergankelijk is? Die kan ik ook thuis wel een stukje brood geven tot hij genoeg heeft. Wat helpt het de ziel (die een onsterfelijk leven is) dat de dierlijke mens de wijze van het gebruik van Christus houdt, wanneer zij niet het kleinood van het gebruik kan bereiken? Want S. Paulus zei over het Avondmaal; Omdat gij niet het Lichaam van de Heer onderscheidt, ontvangt gij het tot een oordeel.

5. Het verbond bestaat, het wordt in het gebruik bewogen. Christus presenteert ons Zijn Geest in het woord, namelijk in het gepredikte woord, en in de Sacramenten Zijn lichaam en bloed, en in de broederlijke verzoening Zijn absolutie.

6. Maar wat helpt het dat een dier dit toehoort, en geen gehoor heeft tot het inwendige levendige woord? En ook geen vat heeft, waar hij het woord in kan leggen, opdat het vruchten voortbrengt? Hiervan zegt Christus; de duivel scheurt het woord van hun harten, opdat ze niet geloven en zalig worden. Waarom? Omdat het woord dan geen plaats in het gehoor zal vinden, waar het zou kunnen hechten.

7. Zo ook voor de absolutie; wat helpt het dat een zodanige tot mij zei; ‘ik verkondig u absolutie van uw zonden,’ terwijl de ziel toch geheel in de zonde versloten ligt? Degene die zoiets tot de versloten zondaar zegt, die dwaalt, en wie het aanneemt, zonder Gods stem in zich, die bedriegt ook zichzelf.

8. Niemand kan zonden vergeven dan God alleen. De Predikers mond heeft de vergeving niet in eigen macht. De Geest van Christus heeft de macht in de stem van de mond des Priesters, wel te verstaan, wanneer hij ook een waar Christen is. Wat helpt het toch degenen, die Christus op aarde hoorden zeggen; komt allen tot mij, gij die belast en beladen zijt, ik wil u verkwikken? Wat helpt het degenen die dit hoorden en niet belast waren? Waar bleef de verkwikking? Zij hadden dode oren, en hoorden Christus alleen uitwendig (niet het woord van de Goddelijke Kracht), daarom werden zij niet verkwikt. Zoveel ook helpt de geveinsde absolutie de dierlijke mens, en zoveel helpen hem de Sacramenten.

9. Het Verbond ligt nu open in de Sacramenten, en ook in het leer-ambt wordt het Verbond bewogen. Dit wordt genoten door de ziel, doch naar de eigenschap waarin de mond der ziel verkeert. Namelijk, het uitwendig dier ontvangt brood en wijn, welk hij ook thuis kan eten. De vurige ziel ontvangt het Testament naar háár eigenschap, namelijk in de toorn Gods, zij ontvangt het eeuwige wereldse wezen, naar de eigenschap van de duistere wereld. Gelijk de mond is, zo is ook de spijze die in de mond behoort. Hij ontvangt het tot een oordeel, op gelijke wijze als de goddelozen in het jongste oordeel Christus zullen zien; als een ernstige gestrenge Rechter, maar de heiligen zullen Hem zien als een lieve Emanuel.

10. Tegen de goddeloze staat Gods toorn open in zijn Testamenten, en tegen de Heiligen staat de Hemelse Lichamelijkheid open, en hierin bevindt zich de Kracht van Christus, in de naam Jesus. Maar wat helpt de goddelozen het heilige, wanneer ze het niet zelf kunnen genieten? Wat zal hier zijn zonden wegnemen? De zonde wordt bewogen en openbaar.

11. Het is toch in de Heiligen, met de Sacramenten, geen zonde-weg-nemen, geen vergeven, maar het is als volgt; wanneer Christus opstaat, dan sterft Adam in de Essentie van de slang. Wanneer de zon opgaat, dan wordt de nacht in de dag verslonden, en daar is geen nacht meer, en zo is het met de vergeving der zonden. De Geest van Christus eet van Zijn heilige Wezen, de inwendige mens is de ontvanger van het heilige Wezen, hij neemt aan hetgeen de Geest van Christus in hem voert, zijnde de Tempel Gods, Christus’ vlees en bloed. Wat gaat dit een dier aan? Of wat gaat het de duivel, of de ziel in Gods toorn aan? Zij eten van hun hemelse lichaam, de hemel waarin ze wonen, dat is, de afgrond.

12. Zo werkt het ook in het Predik-ambt. De goddeloze hoort hetgeen de uitwendige ziel van de uitwendige wereld spreekt, dit neemt hij aan als een Historie, maar is er iets van stoppels en stro in de Predikatie, dan zuigt de ijdelheid zich hiermee vol, en de ziel zuigt zich vol met het valse gif en het moorden des duivels. Hierin vindt ze bevrediging, dat ze hoort, hoe ze mensen kan veroordelen. Toch is de Prediker ook een dode; uit zijn genegenheid zaait hij vergif en smaad, en zo onderricht de duivel, en zo hoort de duivel. Dit onderricht wordt in de goddeloze harten ontvangen, en brengt goddeloze vruchten voort. Hieruit is de wereld een moordkuil geworden; dat zowel de leraar als de toehoorder zich enkel inlaat met spot, laster, verachting, woorden-twist, en strijd om de schors.

13. Maar in de heilige Leraar onderricht de Heilige Geest, en in de heilige Toehoorder, hoort de Geest van Christus, door de ziel en Goddelijke woning van de Goddelijke Klank. De Heilige heeft zijn Kerk in zich, in welk hij hoort en onderricht. Maar Babel heeft een steenhoop, waarin zij huichelt en pronkt, zich laat zien in mooie kleren, zich aandachtig en vroom laat aanzien, de stenen Kerk is haar God waar ze vertrouwen in stelt.

14. Maar de Heilige heeft zijn Kerk overal bij zich en in zich, want hij staat en hij gaat, hij ligt en zit in zijn Kerk, hij is in de Ware Christelijke Kerk, in de Tempel van Christus. De Heilige Geest Predikt hem, uit alle creaturen. Alles wat hij aanziet, daarin ziet hij een Prediker Gods.

15. Hier zal de spotter zeggen dat ik de stenen Kerk, waar de Gemeente in samen komt, veracht. Daar zeg ik nee op, ik wijs slechts op de Babylonische hoeren, die niet anders dan hoererij met de stenen Kerk bedrijven en zich Christen noemen, terwijl ze geveinsde bedriegers zijn.

16. Een ware Christen brengt zijn Heilige Kerk mee in de Gemeente. Zijn hart is de ware Kerk waar de dienst Gods wordt geoefend. Wanneer ik duizend jaren naar de Kerk ga, en alle weken tot het Sacrament, en me werkelijk alle dagen laat absolveren, dan heb ik Christus nog niet in mij; het is vals, een nutteloze fabel, een beeld-werk in Babel, het is geen vergeving der zonden. 

17. De Heilige doet heilige werken, uit de heilige kracht van zijn gemoed. Het werk is niet de verzoening, maar het gebouw dat de ware Geest in zijn wezen bouwt, dat is zijn woonhuis. Zo vormen bij de valse Christen zijn fabelen zijn woonhuis, waarin hij huichelen gaat. Het uitwendig gehoor gaat in het uitwendige, en werkt in het uitwendige. Het inwendig gehoor gaat in het inwendige, en werkt in het inwendige.

18. Huichel, schrei, klaag, roep, zing, predik, onderricht hoe gij wilt; is de inwendige Leraar en Toehoorder niet open, dan is alles Babel en fabel, een beeld-werk, waar de geest van de uitwendige wereld een beeldwerk maakt, naar het inwendige, en met zichzelf pronkt, alsof hij een heilige Gods-dienst deed. In zodanige Godsdienst werkt de duivel menigmaal machtig in de imaginatie, en kietelt het hart met die dingen die het vlees gaarne heeft. Dit overkomt ook menigmaal de kinderen Gods, wanneer ze te weinig opmerkzaam zijn, en zo verleidt de duivel hen.

 

 

 

HET  VIIe  HOOFDSTUK

 

Over de nutteloze mening en letter-twist

 

 

1. Een oprecht mens, die in Christus’ Geest geboren is, die is ook in de eenvoud van Christus. Hij heeft om de Religie met niemand enige twist. Hij heeft strijd genoeg in zichzelf met zijn dierlijke boze vlees en bloed. Hij meent voortdurend dat hij een groot zondaar is, en vreest God, want zijn zonden zijn openbaar, zij staan voor het gerecht, want de Turba sluit hen in zich, waardoor de toorn Gods hem onder ogen ziet als een schuldige. Maar de Liefde van Christus dringt er doorheen, en verdrijft ze, zoals de dag de nacht verslindt.

2. De goddelozen laten hun zonden rusten in de slaap des doods, zij groeien op in de afgrond, en brengen vruchten voort in de hel.

3. De Christenheid in Babel twist om de wetenschap; hoe men God dienen, eren en kennen moet, wat Hij is naar Zijn Wezen en Willen. En zij leren ons alleen dat wie niet op alle vlakken, in de wetenschap en mening, het niet met hen eens is, geen Christen is maar een ketter.

4. Nu zou ik gaarne zien hoe men al haar sekten tezamen kan brengen in één enkele, die zich de Christelijke Kerk kon noemen? Zij allen tezamen zijn niet anders dan verachters, daar de een de ander voortdurend lastert en voor vals uitmaakt.

5. Een Christen heeft nochtans geen sekten. Hij kan middenin de sekten wonen, en ook in haar Gods-dienst verschijnen, en toch geen sekte aanhangen. Hij heeft maar één enkele wetenschap, en dat is Christus in hem. Hij zoekt maar één weg, en dat is de begeerte, dat hij voortdurend juist wil doen en leven, en al zijn weten en willen tot in het Leven van Christus stelt. Hij verzucht en wenst voortdurend, dat de Wil Gods toch in hem mocht geschieden, en Zijn Rijk in hem openbaar mocht worden. Hij doodt dagelijks en alle uren de zonden in het vlees, want het zaad van de vrouw (zijnde de inwendige mens in Christus) vertreedt gedurig de kop van de duivel in de ijdelheid.

6. Zijn geloof is een begeerte tot God, die heeft hij in de gewisse hoop ingewikkeld. Daarom waagt hij het, op de woorden der beloften. Hij leeft en sterft hierin, en naar de Ware Mens zal hij nooit meer sterven. Zoals Christus zei, wie in mij gelooft, zal nimmermeer sterven, hij is van de dood, tot het leven doorgedrongen. en ook; daar zullen stromen van het levende water van hem vlieden, dat zijn goede leringen en werken.

7. Daarom zeg ik, alles wat met elkaar strijdt, en om de letter twist, is Babel. De letteren staan allemaal tezamen in één enkele wortel, dat is de Geest Gods. Zie de vele bloemen allemaal tezamen in de aarde staan, en allen naast elkander wassen, en geen strijd met elkaar voeren om kleur, geur en smaak. Zij laten de aarde en de Zon, alsmede regen en wind, en ook hitte en kou met hen doen wat zij willen, en wassen eenieder in haar eigen Essentie en eigenschap. Zo is het ook met de kinderen Gods, zij hebben menigerlei gaven en kennis, doch alle uit een enkele geest. Zij verheugen zich naast elkaar over de grote wonderen Gods, en danken de Hoogste in Zijn Wijsheid. Wat zouden ze om Hem twisten, in Wie zij zijn en leven, wiens Wezen zij zelf zijn?

8. Het is de grootste dwaasheid in Babel, dat de duivel de wereld twistend om de Religie heeft gemaakt, dat zij om zelfgemaakte meningen twisten over de letteren. Terwijl het Rijk Gods in generlei mening staat, maar in Kracht en Liefde. Ook zei Christus tot Zijn Discipelen, voor Hij hen verliet, dat zij elkander zouden beminnen, zoals Hij hen bemind had, en daaraan zou men Zijn Discipelen herkennen. Wanneer de mens zozeer zou trachten naar Liefde en Gerechtigheid, in plaats van naar meningen, dan zou er geheel geen strijd zijn op aarde. Wij zouden allen tezamen in onze Vader leven, als kinderen, en behoefden geen wetten noch orders.

9. Want God wordt met generlei wetten gediend, alleen met gehoorzaamheid. De wetten zijn er voor de boze wil, die de liefde en gerechtigheid niet begeert. Deze wordt met wetten gedreven en gedwongen. Wij hebben allen tezamen maar één orde, en dat is dat wij stil houden in de Heer aller Wezen, en onze wil aan Hem overgeven, en Zijn Geest in ons laten werken, spelen, en doen wat Hij wil. En wat Hij in ons werkt en openbaart, geven wij weer aan Hem, dat is Zijn vrucht.

10. Wanneer wij nu niet zouden twisten om de vele vruchten, gaven en kennis, maar elkaar zouden (h)erkennen, als de kinderen van de Geest Gods, wat zouden wij dan oordelen? Het Rijk Gods ligt toch niet in ons weten en menen, maar in de Kracht.

11. Wanneer wij niet half zoveel wisten, en veel kinderlijker waren, en enige Broederlijke wil onder elkaar hadden, en leefden als kinderen van een enkele Moeder, als de takken aan een boom, die allen het sap van de wortel nemen, dan zouden wij veel heiliger zijn.

12. Het weten heeft alleen tot doel dat we dát leren, omdat we in Adam de Goddelijke Kracht verloren hebben, en nu steeds tot het boze geneigd zijn. Dat we leren begrijpen hoe we de boze eigenschappen in ons hebben, en dat het kwaad doen God niet bevalt, en dat wij zo, met het weten, leren juist te handelen. Maar, indien wij de Kracht Gods in ons hebben, en uit alle kracht proberen het juiste te doen, en juist te leven, dan is ons weten niet anders dan ons spel, waarin wij ons verheugen.

13. Want het Ware Weten is de openbaring van de Geest Gods, door de eeuwige Wijsheid. Hij weet in Zijn Kinderen wat Hij wil. Hij toont Zijn Wijsheid en Wonderen door Zijn kinderen, zoals de aarde haar kracht toont door de vele bloemen die zij voortbrengt. Wanneer wij nu in de Geest van Christus als ootmoedige kinderen naast elkaar woonden, en dat de een zich verheugde over de gaven en kennis van de andere, wie zou ons dan oordelen? Wie oordeelt de vogels in het woud, die de Heer aller Wezen loven met velerlei stemmen, een ieder in zijn Essentie? Straft de Geest Gods hen omdat zij hun stemmen niet in één harmonie voeren? Hun geluid komt toch al uit Zijn Kracht, en voor Hem spelen zij.

14. Daarom zijn de mensen, die om de wetenschap en om het willen Gods twisten, en elkaar daarom verachten, dwazer dan de vogels in het woud, en de wilde dieren die geen verstand hebben. Zij zijn nuttelozer voor de Heilige God dan de veldbloemen, die stil staan in de Geest van God, en Hem de Goddelijke Wijsheid en Kracht door hen laten openbaren. Ja, ze zijn erger dan de distels en doornen onder de schone bloemen, die toch ook stil staan in de Geest Gods. Zij zijn als de roofachtige dieren en vogels in het woud die de andere vogels afschrikken en weerhouden om van God te zingen en Hem te loven.

15. Kortom, zij zijn van het duivels gewas in de toorn Gods, en moeten toch door hun pijn de Heer dienen. Want door hun plagen en vervolgen drijven zij het sap door de Essentie der kinderen Gods uit, dat zij zich in de Geest Gods bewegen, met bidden en ijverig smeken waarin de Geest Gods zich in hen beweegt. Want hierdoor wordt de begeerte geoefend, en groeien de kinderen Gods, en brengen zij vruchten voort. Want volgens de Schrift worden de kinderen Gods in de verdrukking openbaar.

 


HET  VIIIe  HOOFDSTUK

 

Waarin de Christelijke Religie bestaat, en hoe

men God en onze Broeder moet dienen.

 

 

1. De gehele Christelijke Religie bestaat hierin, dat wij ons zelf leren kennen; wat wij zijn, vanwaar wij zijn gekomen, hoe we uit de Eenheid de afgescheidenheid, boosheid en ongerechtigheid zijn ingegaan, hoe wij dit in ons verwekt hebben. Ten tweede, waar wij in de Eenheid zijn geweest, toen wij kinderen Gods waren. Ten derde, hoe wij tegenwoordig in de afgescheidenheid staan, in de strijd en wederwaardigheid. Ten vierde, waar wij heen wandelen, uit dit vergankelijke wezen, waar wij met het onsterfelijke heen willen, en dan ook, met het sterfelijke.

2. In deze vier punten staat onze ganse Religie, dat is, om uit de afgescheidenheid en ijdelheid te komen, en wederom een enkele Boom (uit welk wij allen tezamen in Adam gekomen zijn) in te gaan, dat is, Christus in ons. Wij hoeven nergens om te strijden, wij hebben ook geen strijd. Dat ieder zich maar leert oefenen hoe hij wederom in de Liefde Gods en zijns Broeders in kan gaan.

3. De Testamenten van Christus zijn doorgaans niet anders dan een Broederlijke Verbintenis, dat God in Christus Zich met ons verbindt, en wij ons in Hem verbinden. Alle onderricht moet daarop gericht zijn, ook al het willen, leven en doen. Wat ánders leert en doet is slechts Babel en fabel, en het beeld-werk van de hovaardige, een nutteloos gericht, een dwaling des werelds, een schijnheiligheid des duivels, waardoor hij de eenvoud verblindt.

4. Alles wat buiten Gods Geest onderricht, en geen Goddelijke Kennis heeft, en zich toch opwerpt tot Leraar in het Rijk Gods, en God met onderricht wil dienen, is vals, en dient alleen zijn buik-afgod, en zijn stoute en hovaardige zin, dat hij geëerd en heilig genaamd wil zijn. Hij draagt het ambt, is door de mensenkinderen verkozen, die hem ook alleen maar huichelen, en voor eigen gunst tot het ambt verordineerd hebben. Christus sprak, wie niet door de deur (dat is, door Hem) in de Schapenstal gaat, maar via een andere weg binnenklimt, is een dief en een moordenaar, en de Schapen volgen hem niet, want zij kennen niet zijn stem.

5. Hij heeft niet de stem van de Geest Gods, maar alleen de stem van zijn kunst, zijn eigen lering. Hij geeft onderricht, niet Gods Geest. Christus spreekt; alle planten die mijn Hemelse Vader niet geplant heeft, zullen uitgeroeid worden. Hoe wil dan degene die goddeloos is Hemelse planten planten, terwijl hij in zijn eigen kracht geen zaad heeft? Christus spreekt ronduit; de Schapen horen zijn stem niet, en volgen hem niet na.

6. Het opgeschreven woord is alleen een werk-instrument waarmee de Geest leidt. Wie het woord wil onderrichten moet in het letterlijke  woord Levend zijn. De Geest Gods moet in het letterlijke geluid zijn, anders is niemand een Leraar Gods, maar slechts een leraar van de letters, een kenner van de historie, en niet van de Geest Gods in Christus. Alles waarmee men God dienen wil moet in het Geloof geschieden, dat is, in de Geest, deze maakt het werk volkomen en aangenaam voor God. Alles wat de mens in het Geloof aanvangt en doet, doet hij in de Geest Gods, welk met hem in het werk meewerkt. Dit is God aangenaam, want Hij heeft dit dan Zelf gedaan, het is in Zijn Kracht, het is Heilig.

7. Maar hetgeen in de zelfheid, zonder geloof wordt gemaakt, is niet anders dan een figuur of schors van een waar Christelijk werk.  

8. Dien uw Broeder alleen uit schijnheiligheid, en zonder plezier, dan dient gij God niet, want uw geloof gaat niet uit liefde in de hoop, in uw gave. Gij dient uw Broeder wel, en hij dankt God, en zegent u ook van zijn zijde, maar gij zegent hem niet, want gij geeft hem een morrige geest in uw gaven. Deze gave gaat niet tot in Gods Geest, in de hoop des Geloofs, en zo is uw gave maar half gegeven, en ontvangt ge maar half loon.

9. Zo is het ook met het nemen; wanneer iemand in het Geloof geeft, in Goddelijke hoop, dan zegent hij de gave in zijn Geloof. Maar wanneer iemand dit ondankbaar ontvangt, en in de geest mort, dan vervloekt hij deze gave, die hij tot zijn voordeel ontvangen had. Zo blijft aan ieder het zijne; hetgeen gij zaait, oogst gij ook.

10. Zo is het ook in het leer-ambt. Hetgeen iemand uitzaait, oogst hij ook. Zaait iemand goed zaad uit de Geest van Christus, dan beklijft zulks in de goede harten, en draagt het goede vrucht. Maar in de goddelozen die dit niet aannemelijk zijn, wordt de toorn Gods bewogen. Zaait iemand twist, verachting en kwade uitlegging, dan nemen alle goddeloze mensen dit in, en beklijft het, en draagt zodanige vruchten dat men elkander bespot, ont-eert, schendt en kwalijk duidt.

11. Hieruit is de grote Babel geboren en uitgewassen, waar men om de Historie en rechtvaardiging van de arme zondaars voor God, uit hovaardigheid twist, en de eenvoudigen dwalend en lasterend maakt, dat de ene Broeder de andere om Historie en letterknechterij veracht, en aan de duivel overgeeft.

12. Zodanige laster-tongen dienen God niet, maar het grote gebouw van de afgescheidenheid. Daar in alle mensen in het aardse vlees nog een verdorven lust ligt, zo wekken zij in de eenvoudige kinderen Gods ook de gruwel op, en maken Gods volk, samen met de kinderen der boosheid, lasterend. Het zijn maar bouwmeesters van de grote Babel, en aan de wereld van zoveel nut als een vijfde wiel aan de wagen, ze zijn slechts van nut voor het oprichten van het helse gebouw.

13. Daarom is het voor de kinderen Gods hoognodig dat zij ernstig bidden, en dit valse gebouw leren kennen, en met hun gemoederen hieruit gaan, en niet mee helpen met het opbouwen, en zo zelf de kinderen Gods helpen vervolgen. Want zo houden zij zich weg van het Rijk Gods en worden ze weggevoerd. Zoals Christus tot de Farizeeën sprak; Wee u, gij Farizeeën, gij reist land en water rond, om een joden-genoot te maken, en wanneer hij het is geworden, dan maakt gij uit hem een kind van de Hel, tweevoudig meer dan gij zelf zijt. En dit geschied tegenwoordig op dezelfde wijze in de groepen en sekten, bij de roepers en twist-leraren.

14. Hierover wil ik alle kinderen Gods, die gedenken Christus’ ledematen te zijn, voor zulke gruwelijke twist en bloedtrommelen, uit de (aan mij door God) geopenbaarde gaven, trouwelijk gewaarschuwd hebben, om van de Broedertwist uit te gaan, en niet anders dan naar liefde en gerechtigheid tegen alle mensen te trachten.   

15. Want is iemand een goede boom, dan zal hij ook voor een ieder goede vruchten dragen. Al is het dat hij soms zal moeten lijden, omdat de zwijnen zijn vruchten opeten, evenwel moet hij toch een goede boom blijven, en voortdurend begeren met God te werken, en ook zich door geen kwaad te laten overweldigen. Zo staat hij in Gods akker, en draagt vruchten op de dis van God, welk hij ook eeuwig zal genieten. Amen.               1622.    de 24e Juni beëindigd.

 

 

Einde

 

 

 

 

 

ß Terug

 

 

HOME