De
REGENERATIE,
Dat is,
OVER
DE NIEUWE WEDERGEBOORTE,
Hoe de mens, die de
Zaligheid ernst is, zich door de Geest van Christus, uit het verwarde en
twistige Babylon moet laten uitvoeren, opdat hij in de Geest van Christus
opnieuw geboren wordt, en Hem alleen leeft.
Opgesteld door
JACOB BÖHME van Alt
Seidenburg,
Teutonicus
Philosophus genaamd
VOORREDE
van de
AUTEUR.
1. Hoewel ik hier voldoende over verklaard
heb in mijn andere Schriften, en het vanaf de basis heb uitgewerkt, heeft niet
iedereen deze Schriften in de hand gehad, en is het ook niet voor iedereen
begrijpelijk. Daarom heb ik ten dienste van de eenvoudige kinderen van Christus
een korte verhandeling over de nieuwe Wedergeboorte geschreven.
2. Maar wie de diepe grond, waaruit dit
alles vloeit, begeert te onderzoeken, en de gave tot het begrip heeft, zou de
volgende boeken moeten lezen.
I.
Over de drie Principes van ’t Goddelijk
Wezen
II. Over
het Drievoudig leven van de mensen
III. De 40 Vragen over de oorsprong, Essentie,
wezen, natuur, en eigenschap van de zielen
IV. Over de Menswording en Geboorte van Jesus
Christus de Zoon van God, over zijn lijden, sterven en opstanding.
V. Over de zes punten, namelijk, over de drie
Werelden, hoe deze in elkander staan als één, en evenwel drie Principes vormen,
nl de drie geboortes of beginselen.
VI. Het Mysterium Magnum over Genesis.
Daar vindt hij alles waarover hij zou kunnen
vragen, ja, zo hoog een gemoed des mensen zich verheffen kan.
3. Dit heb ik geschreven voor de ware
Israëlieten (dat is, voor de harten die hongeren en dorsten naar Christus’
Fonteintje), mijn medeleden in de Geest van Christus. Maar voor de [Ismalieten
en] bespotters heb ik niets geschreven, want zij hebben het boek in zich,
waarmee ze de kinderen van Christus onder het Kruis drijven, en moeten (tegen
hun wil) dienaren van de kinderen van Christus zijn, al is het dat ze dit niet
begrijpen.
HET
Ie HOOFDSTUK.
Hoe de
mens zich moet betrachten.
I.
Christus sprak: keert u om, en wordt als kinderen, anders zult gij het Rijk Gods niet
zien. En wederom zei Hij, tot Nicodemus [Joh 3,5-6]: Zo iemand niet opnieuw geboren wordt uit water en Geest, kan hij niet
in het Rijk Gods komen. Wat uit het vlees is geboren is vlees, en wat uit de
Geest is geboren is geest.
De Schrift betuigt duidelijk dat de
vleselijke, natuurlijke mens niets begrijpt van de Geest Gods. Het is hem een
dwaasheid, en hij kan het niet bevatten.
2. Nu wij allen gemaakt zijn uit vlees en
bloed, en daarom sterfelijk zijn, en de Schrift tegelijkertijd zegt dat wij
tempels van de Heilige Geest zijn die in ons woont, en dat het Rijk Gods
inwendig in ons is, en dat Christus gestalte in ons moet krijgen, en dat Hij
ons Zijn vlees tot spijze, en zijn bloed tot drank zal geven, en dat Hij zei,
wie niet het vlees eet van de Zoon des mensen, die heeft geen leven in zich; zo
moeten wij met ernst betrachten en overwegen, wat voor mens er dan in ons is,
die God gelijk en aannemelijk is.
3. Want van het sterfelijke vlees, dat tot
aarde wordt, en in de ijdelheid van deze wereld leeft, en voortdurend het
ongoddelijke begeert, kan niet gezegd worden dat het de Tempel van de Heilige
Geest is! En nog minder kan worden gezegd dat de nieuwe Wedergeboorte in dit
aardse vlees geschiedt wanneer het sterft, en vergaat, en zo een huis der
zonden blijft.
4. Nu blijft het evenwel waar, dat een Ware
Christen uit Christus wordt geboren, en dat de nieuwe Wedergeboorte een Tempel
van de Heilige Geest is, die in ons woont. En dat de nieuwe mens uit Christus
geboren, alleen het vlees en bloed van Christus geniet, daarom is het niet zo
slecht om een Christen te zijn. Maar het Christendom bestaat niet alleen uit
historie, een historie die we alleen maar hoeven leren kennen, om ons
vervolgens die kennis toe te eigenen, zodat we kunnen zeggen; Christus is voor
ons gestorven, en heeft de dood in ons verbroken, en tot Leven gemaakt, Hij
heeft voor ons de schuld betaald, wij hoeven ons hier maar mee te troosten, en
vast te geloven dat het gebeurd is.
5. Want wij ondervinden in ons dat de zonde
in het vlees levend is, begerig en doende, dat het werkzaam is. Daarom moet de
nieuwe Wedergeboorte uit Christus iets anders betekenen, iets dat niet werkt in
het vlees der zonden, iets dat de zonden niet wil.
6. Want de H. Paulus zegt; aan degenen die in Christus zijn, is niets
verdoemelijks, en verder: zouden wij,
wij die Christenen zijn, nog zondaars zijn? Verre van dat, want wij zijn in
Christus de zonden afgestorven. Ook is de mens der zonde geen Tempel van de
H. Geest, en toch is er ook niet één mens die niet zondigt. God heeft alles
onder de zonde besloten, want de Schrift zegt; geen levende is voor u rechtvaardig, wanneer u zonden wilt toerekenen.
De rechtvaardige valt zeven maal daags. En hier moet niet uit begrepen
worden, dat de Rechtvaardige valt en zondigt, maar de sterfelijke en zondige.
7. Want de gerechtigheid van een Christen in
Christus, die kan niet zondigen. Zoals H. Paulus zegt: Onze wandel is in de Hemel, van daar verwachten wij de Heiland Jesus
Christus. Als onze wandel nu in de Hemel is, dan moet de Hemel in ons zijn.
Christus woont in de Hemel, en omdat wij nu Zijn Tempel zijn, moet het zijn dat
deze Hemel in ons is.
8. Maar omdat de zonde in ons ons dan ook
nog aanvecht, waardoor de duivel toegang tot ons en in ons heeft, moet ook de
hel in ons zijn, want de duivel woont in de hel. Hij verblijft voortdurend in
de hel, en kan er niet uitkomen. En al was het dat hij een mens bezat, evenwel
woont hij (in de mens) in de hel, dat is, de toorn Gods.
9. Hierom moeten we nu de mens in juiste
overweging nemen, wat en hoe hij is, en dat een waar Christen niet alleen een
historisch nieuw mens is, dat wil zeggen, dat het niet genoeg is dat wij Christus
erkennen, en geloven dan Hij Gods Zoon is, en voor ons betaald heeft. Want
dergelijke uiterlijke gerechtigheid - dat wij alleen maar geloven dat het aldus
is geschied - baat niets. We zijn gebaat bij een ingeboren, kindse
gerechtigheid. Zoals het vlees moet sterven, zo moeten ook het leven en de wil
de zonde afsterven, en als een kind worden dat niets weet, en alleen maar naar
de moeder verlangt die haar gebaard heeft. Zo moet de wil van een Christen
wederom in de Moeder (dat is, in de Geest van Christus) ingaan, en in de
zelfheid, het eigen willen en vermogen een kind worden, waar de wil en begeerte
alleen maar op de moeder zijn gericht. Hij moet uit de Geest van Christus, tot
een nieuwe wil en gehoorzaamheid, in de gerechtigheid uit de dood opstaan, waarin
het de zonden niet meer wil.
10. Want de wil die de ijdelheid in haar
laat en deze begeert, is niet nieuw geboren. En nu er in de nieuw geborene toch
een wil blijft die naar ijdelheid neigt en zondigt, moeten we betrachten hoe in
het beeld des mensen de nieuwe Wedergeboorte geschiedt. Want het geschiedt niet
in het sterfelijke vlees, maar toch waarachtig wel in ons, in vlees en bloed, in water en geest, zoals de Schrift zegt.
11. Daarom moeten we onderzoeken wat voor
mens in ons is, die Christus’ lidmaat is en een Tempel Gods, en die in de Hemel
woont. En verder, wat het voor mens is die alleen in de uitwendige wereld
woont, en tenslotte wat voor mens het is die door de duivel wordt geregeerd en
gedreven. De Tempel van Christus kent hij niet, daartoe is hem aan het
sterfelijk vlees ook niet veel gelegen. Maar er zijn niet drie mensen in één,
er is slechts één enkele.
12. Als wij nu zulks willen betrachten,
moeten we ook tijd en eeuwigheid overwegen, hoe zij inelkander zijn verweven,
en ook licht en duisternis, goed en kwaad; en voornamelijk ook de oorsprong en
herkomst van de mens.
Dit is nu aldus te betrachten.
13. Wij zien de uitwendige wereld aan, met
de sterren en de vier elementen (waar de mens en alle creaturen in leven), en
welk niet God is [genaamd]. God woont hier wel in, maar het wezen van de
uitwendige wereld begrijpt Hem niet. Ook zien we hoe het Licht in de duisternis
schijnt, en de duisternis begrijpt het Licht niet, hoewel het één in het andere
woont. En zo vinden we hier ook een voorbeeld van in de vier elementen, welk in
hun oorsprong maar één Element zijn, die noch heet noch koud, noch droog noch
nat is, en zich toch verdeelt in zijn beweging in de vier eigenschappen,
namelijk in vuur, lucht, water en aarde.
14. Wie zou willen geloven, dat het vuur het
water baart, en dat de oorsprong van het vuur in het water kon zijn, wanneer we
dit niet met eigen ogen zagen in het onweer, en wanneer we niet in het levende
ondervonden, dat het Essentiële vuur in de lichamen, in het bloed woont, en dat
het bloed zelf moeder is, en het vuur van het bloed vader?
15. En precies als nu God in de Wereld woont
en alles vervult, en toch niets bezit, en het vuur in het water woont, en het
toch niet bezit, en het licht in de duisternis woont, en de duisternis toch
niet bezit, de dag in de nacht, en de nacht in de dag, de tijd in de eeuwigheid
en de eeuwigheid in de tijd; zo ook is nu de mens geschapen. In zijn uitwendige
mensheid is hij de tijd, en is hij in
de tijd, en de tijd is de uitwendige wereld, net als de uitwendige mens. En de
inwendige mens is de Eeuwigheid en de geestelijke Tijd en Wereld, en staat ook
in Licht en duisternis; in Gods Liefde, naar het eeuwige Licht, en in Gods
toorn, naar de eeuwige duisternis, dit alles is openbaar in hem, en hierin woont
zijn geest, in de duisternis of in het Licht. Het is beide in hem, het Licht en
de duisternis, elk woont in zichzelf en het een bezit het ander niet.
16. Maar wanneer het ene het andere ingaat,
en wil bezitten, dan verliest het andere zijn recht en kracht. Het passieve
verliest zijn kracht, want wanneer het Licht in de duisternis openbaar wordt,
dan verliest de duisternis haar duisterheid, en wordt ze niet bekend. Maar
wanneer de duisternis in het Licht openbaar wordt, en de kracht verkrijgt, dan
blust zij het Licht en Zijn Kracht uit.
17. Dit kunnen wij ook op de mens betrekken.
De eeuwige duisternis der ziel is de hel, de kwaal van angst, genaamd Gods
toorn. En het eeuwige Licht in de ziel is het Hemelrijk, waar de vurige
duistere angst in een vreugde wordt veranderd.
18. Want zoals de natuur van de angst in de
duisternis een oorzaak van treurigheid is, zo is hetzelfde in het Licht een
oorzaak van de uitwendige en beweeglijke vreugde. De kwaal in het Licht en de kwaal
in de duisternis zijn dezelfde kwaal, één natuur, net als het vuur en het licht
van één natuur zijn, en toch een geweldig onderscheid vertonen. Het een woont
in het ander, en baart het ander. Maar toch is ’t het ander niet. Het vuur is
pijnlijk en verterend, en het licht geeft vriendelijkheid, kracht en vreugde,
een lieflijke vermakelijkheid.
19. Alzo betrachten wij ook de mens, hij
staat en leeft in drie werelden. De een is de eeuwige duistere wereld, het
centrum van de eeuwige natuur welk het vuur baart, de kwaal van angst. De
tweede is de eeuwige Lichte Wereld, die de eeuwige Vreugde baart, en welk de
Goddelijke Woning is, waar de Geest Gods in woont, waarin de Geest van Christus
een menselijk wezen aanneemt, en de duisternis verdrijft, wat een oorzaak is
voor de vreugde in de Geest van Christus in het Licht. De derde wereld is de
uitwendig zichtbare in de vier elementen, en het zichtbare gesternte. Ieder
element heeft ook zijn eigen specifieke gesternte in zich, waar de
begeerlijkheid en de eigenschap uit ontstaat, zoals ook bij het gemoed.
20. Het vuur in het Licht is dus een
vriendelijk vuur, een begeerte der zachtmoedigheid en vreugde, en het vuur in
de duisternis is een angstelijk vuur, en is pijnlijk, vijandig en in de Essentie wederwaardig. Het vuur des
Lichts is van goede smaak, en de smaak in de Essentie van de duisternis is geheel wederwaardig en vijandig, zo
staan alle gestalten in grote angst tot het vuur.
HET IIe HOOFDSTUK
Hoe de
Mens geschapen is.
1. Dan zullen we hier nu betrachten hoe
de mens is geschapen. Moses zei: God schiep de mens, naar Zijn Beeld. Ja, een Beeld Gods schiep Hij hem. Dit
begrijpen we ook uit de eeuwige en tijdelijke geboorte; de geboorte uit de
inwendige geestelijke wereld, die Hij hem in het geschapen uitwendige beeld
inblies, en dat uit het Wezen van de inwendige Geestelijke Wereld, welk Heilig
is.
2. Want zoals in de uitwendige wereld een
natuur en wezen is, is er ook een natuur en wezen in de inwendige Geestelijke
Wereld, welk geestelijk is, en waaruit de uitwendige wereld uit-gesproken is,
en uit Licht en duisternis geboren, en in een aanvang en tijd geschapen. En uit
het wezen van de inwendige en uitwendige wereld, werd de mens in een gelijkenis
naar de geboorte, en uit de geboorte
van alle wezens geschapen. Het lichaam is een Limbus der aarde, en ook een Limbus
van ’t Hemelse Wezen, want de aarde is uit de duistere en lichte wereld
uitgeblazen, of uitgesproken, en uit het zelfde is de mens (namelijk in het verbo fiat, dat is, in de eeuwige
begeerte) in een beeld gevat en geschapen, uit tijd en eeuwigheid.
3. Ditzelfde beeld was in het inwendige en
geestelijke Element, waar de vier elementen van uitgaan en geboren zijn. In het
ene Element was het Paradijs, want de eigenschappen van de natuur, uit de
duistere-en-lichte Vuur Wereld waren allen tesamen in een gelijke concordantie,
maat en gewicht. Geen was er meer openbaar dan de andere, of breekbaar in
zichzelf. Geen eigenschap was dominant over de andere, er was geen strijd noch
wederwaardigheid tussen de krachten en eigenschappen.
4. In dit geschapen Beeld blies God de Geest
en Adem van het Begrip, uit alle drie de werelden; dit is één ziel, welk in de
inwendige duistere Vuur-Wereld van de eeuwige Geestelijke Natuur is - waarnaar
God zich een sterke naijverige God, en een verterend vuur noemt. -
5. Dit is nu de eeuwige creatuurlijke grote
Ziel, een Magische Vuur-Adem, waarin
het vuur van de oorsprong des levens is, uit de grote macht der verandering. In
deze eigenschap is Gods toorn, alsmede de eeuwige duisternis, waarin het vuur
geen licht geeft.
6. De tweede eigenschap van de Adem Gods, is
de kwaal-geest van het Licht, uit de grote vurige liefhebbende Begeerte, uit de
grote Zachtmoedigheid, waarnaar God zich een liefhebbende barmhartige God
noemt, waarin de Ware Geest van het Begrip en het Leven in de Kracht staat.
7. Want zoals uit ieder vuur een licht
schijnt, en in het licht de kracht van het begrip bekend wordt, zo is aan de
Vuur-Adem Gods de Licht-Adem verbonden en in het Beeld van de mensen
ingeblazen.
8. De derde eigenschap van de Adem Gods is
de uitwendige Lucht met haar Gesternte, waarin het Leven van het uitwendige
Wezen en Lichaam, en het Gesternte was. Deze blies Hij hem in zijn neus, en
zoals de tijd en de eeuwigheid aanelkaar hangen, en de tijd uit de eeuwigheid
geboren is, zo hing ook de inwendige Adem Gods aan de uitwendige, en deze
drievoudige ziel werd in één keer in de mens ingeblazen. Elk Wezen van het
Lichaam nam de Geest aan naar zijn eigenschap, namelijk, het uitwendige vlees
nam de uitwendige lucht met zijn gesternte tot een rationeel en vegetatief
leven, ter openbaring van de wonderen Gods, en het Lichaam van het Licht, of
het Hemelse Wezen nam de Adem des Lichts aan, van de grote Goddelijke Kracht,
de Adem die de Heilige Geest wordt genoemd.
9. Zo doordrong het Licht de Duisternis (de
duistere Vuur-Adem) en ook de uitwendige Lucht-Adem in zijn Gesternte, en
ontnam alle eigenschappen de kracht, zodat de angst van de Vuur-Adem in de
inwendige Eigenschap der Zielen, alsmede de hitte en de koude, en ook alle
andere eigenschappen van het uitwendige Gesternte, niet openbaar konden en
mochten zijn. De eigenschappen van alle drie de Werelden in Ziel en Lichaam,
stonden in gelijke concordantie en gewicht. Het inwendig Heilige heerste door
het uitwendige; door de uitwendige Kracht van het uitwendige Leven, van het
uitwendig Gesternte en van de vier elementen.
10. Dit was het Heilige Paradijs. Zo stond
de Mens {in haar engelen-gestalte} in de Hemel, en ook in de uitwendige Wereld,
en was Heer over alle creaturen in deze Wereld, en niets had hem kunnen
vernietigen.
11. Want de Aarde was ook zo, vóór de vloek
van God. De Heilige Eigenschap van de Geestelijke Wereld groeide en bloeide ook
door de Aarde, en droeg de Heilige Paradijselijke Vrucht. Hiervan kon de Mens
eten op deze Magische Paradijselijke Aarde. Hij behoefde geen tanden noch
darmen in het Lichaam, want net als het licht de duisternis, en het vuur het
water verslindt en er niet vol van wordt, had de Mens ook een zodanig Centrum
in zijn mond, naar de aard der eeuwigheid. En op eenzelfde Magische wijze kon
hij ook zijns gelijken uit hem baren, zonder verscheuring of opening van zijn
Lichaam en Geest, net zoals God de uitwendige Wereld baarde, en Zich niet
verscheurde, maar in Zijn Begeerte (dat is, in het verbo fiat) de Eigenschap vatte, en kwalitatief maakte, en uit het verbo fiat openbaarde, en in een Figuur,
naar de eeuwige Geestelijke Geboorte, invoerde. Zo was ook de Mens een zodanig
Beeld en gelijkenis naar tijd en eeuwigheid, uit tijd en eeuwigheid geschapen,
en toch in een eeuwig onsterfelijk Leven zonder vijandschap en
wederwaardigheid.
12. Maar nu de duivel een vorst en Hierarcha in deze Wereld was geweest,
en vanwege zijn hovaardige wil in de
duistere, angstelijke, pijnlijke en vijandige eigenschap en kwaliteit, nl. in
de toorn Gods was geworpen, gunde hij de Mens de eer niet dat deze in de
plaats, die hij had gehad in de
geestelijke Wereld, geschapen werd. En hij voerde zijn imaginatie in het
geschapen Beeld van de mensen, en maakte deze begerig, opdat de eigenschappen
van de duistere en uitwendige wereld zich verhieven in de mens, en uit de
gelijke concordantie gingen. De ene eigenschap ging de ander overheersen, en zo
werden alle eigenschappen in zichzelf openbaar, en ieder begeerde naar het
gelijke van zichzelf, oftewel, naar hetgeen dat uit de duistere wereld geboren
was, of naar hetgeen dat uit de
Lichte Wereld geboren was. En ieder wilde naar eigen begeerte uit de Limbo der aarde eten.
13. Zo werd Adam in kwaad en goed openbaar.
En toen de honger van de eigenschappen in de aarde, waaruit de eigenschappen
van het lichaam getogen waren, binnen ging, zo baarde het fiat ook een zodanig gewas uit de aarde, waar de eigenschappen in
hun opgewekte ijdelheid van eten konden.
14. Dit was mogelijk; want doordat in Adam
de geest van de sterke en grote magische macht van tijd en eeuwigheid was (uit
welk de aarde met haar eigenschappen was uit-gesproken), baarde het fiat (zijnde de sterke begeerte van de
eeuwige Natuur) de Essentie der
aarde.
15. En zo liet God de boom der kennis van
goed en kwaad opgroeien, naar de opgewekte eigenschappen van Adam, want de
grote macht van ziel en geest had dit veroorzaakt. Hierom moest de mens
beproefd worden, of hij in eigen krachten voor de verzoeker (de duivel) en voor
de grim van de eeuwige natuur wilde bestaan, of in de ziel wilde blijven, in
gelijke concordantie van de eigenschappen in ware Gelatenheid onder Gods Geest,
als een werktuig van de Harmonie Gods, in het spel van het Goddelijk
Vreugden-Rijk, waarin Gods Geest spelen wil. Daartoe was deze boom. En daarbij
kwam het gestrenge Gebod Gods, dat zei; eet daar niet van, want op de dag dat
gij ervan eten zult, zult gij de dood sterven.
16. Maar God zag dat de mens al voortdurend
begeerde, en beelden schiep naar aard van kwaad en goed, en sprak; Het is niet
goed, dat de mens alleen is, Ik zal hem een hulp maken, die bij hem zal zijn.
Want Hij zag dat Adam niet meer zelf magisch kon baren, omdat zijn begeerte in
de ijdelheid was ingegaan.
17. Zo zegt Moses; God liet een diepe slaap over hem vallen, en hij sliep. Omdat hij
niet in de gehoorzaamheid van de Goddelijke Harmonie wilde blijven, en in de
aardse eigenschappen het Werktuig, de Geest Gods stil had doen staan, liet God
hem uit de Goddelijke Harmonie vallen, tot in een eigen harmonie, namelijk in de
opgewekte eigenschappen, in kwaad en goed, daar ging de geest van de ziel
in.
18. Aldaar stierf hij in deze slaap de
wereld der Engelen af, en viel ten prooi aan de kracht van het uitwendige fiat. Nu was het gedaan met het eeuwige
Beeld naar de Baring Gods, hier lag zijn Engelengestalte en –macht te gronde,
en viel het in onmacht. En hier schiep God, door het fiat, de vrouw uit de matrix
van Venus (dat is, uit de eigenschap,
in welk Adam de verwekster in zich had) uit hem, en zo werden twee lichamen uit
één gemaakt, en verdeelde zich de eigenschappen van de substantie, namelijk in
het element van het waterige, en in het element van het vurige gesternte. Niet
in het gehele wezen, maar in de geest, dus in de eigenschappen van de waterige
en in de eigenschappen van de vurige ziel. Terwijl het toch één was, werd de
eigenschap van de substantie verdeeld. De begeerte van de eigen-liefde werd
Adam ontnomen, en tot een Vrouw gevormd, naar zijn gelijkenis. En daarom
begeert nu de man zo hevig naar de matrix
{barings-kracht} van de vrouw, en de vrouw begeert de Limbus van de man, zijnde het vuur-Element, de oorsprong van de
ware ziel, waarmee de substantie van het vuur wordt bedoeld, want deze twee
waren in Adam één, en hierin stond de magische geboorte.
19. Zogauw Eva uit Adam werd gemaakt, in
zijn slaap, werden Adam en Eva in het uitwendige leven geplaatst, alwaar zij
leden kregen om zich dierlijk voort te planten, en ook de aardse maden-zak
waarin zij in de ijdeheid konden verzinken en als dieren konden leven. Hiervoor
schaamt de arme, in ijdelheid gevangen ziel zich nog steeds; dat zij een
monsterlijk dierlijke gestalte in haar Lichaam heeft gekregen. Hier is de
menselijke schaamte voor de leden ontstaan, hiervoor, en ook voor de naakte
gestalte schaamt de mens zich, en dat hij het kleed van de aardse creaturen in
bruikleen moet nemen. Hij heeft zijn Engelen-gestalte verloren en is in een
dier veranderd. Dit kleed toont hem genoegzaam dat hij in deze opgewekte
ijdelheid (waarin hitte en kou op hem valt) met de ziel niet thuis is. Want de
ijdelheid, samen met het valse kleed, moet wederom van de ziel weggenomen
worden en vergaan.
20. Toen Adam nu uit de slaap ontwaakte, zag
hij zijn vrouw, en hij wist dat zij uit hem kwam, want hij had met de mond nog
niet van de ijdelheid gegeten, maar alleen met de imaginatie, van de begeerte
en de lust. En dat was Eva’s eerste begeerte, zij wilde van de boom der
ijdelheid, van kwaad en goed eten, waartoe de duivel in de gestalte van een
slang haar uiteindelijk overhaalde. Haar ogen zouden haar geopend worden, en ze
zou zijn als God zelf.
21. Dit was zowel leugen als waarheid, maar
hij zei haar niet, dat zij daardoor Gods Licht en Kracht zou verliezen! Hij zei
alleen dat de ogen haar opengedaan
zouden worden, dat zij van kwaad en goed zou mogen proeven, uitproberen, en weten, net als hij had gedaan. Hij zei
haar ook niet dat hitte en koude in haar zouden ontwaken, en dat de
eigenschappen van het uitwendige gesternte machtig in vlees en gemoed zouden
heersen.
22. Het was hem om niets anders te doen dan
het Engelen-Beeld (het wezen van de inwendige geestelijke wereld) in hen te
verstarren en verduisteren, opdat zij aan de grove aardsheid en het gesternte
onderworpen zouden zijn. Ook wist hij wel, dat wanneer de uitwendige wereld zou
vergaan, de ziel bij hem in de duisternis zou blijven, want hij wist dat het
lichaam zou sterven, dat had hij vernomen uit Gods waarschuwing. En hij meende
op deze manier, in zijn valse aangenomen gestalte, voor eeuwig Heer over de
zielen te kunnen zijn in deze wereld, daarom bedroog hij de mens.
23. En toen Adam en Eva nu van de vrucht
kwaad en goed in het lichaam aten, ontving de imaginatie van het lichaam de
ijdelheid uit de vrucht, en de ijdelheid ontwaakte in het vlees, en de duistere
wereld kreeg, in de ijdelheid van de aardsheid, de kracht en het bestuur. Van
stonden aan verduisterde het schone Hemelse Beeld uit het wezen van de Hemelse
Goddelijke Wereld. Alhier stierven Adam en Eva aan het Hemelrijk, en ontwaakten
in de uitwendige wereld. Daar was de schone ziel in de Liefde Gods verduisterd,
in haar heilige kracht en eigenschap. Op deze plaats ontwaakte in haar de
grimmige toorn, de duistere vuur-Wereld. In één deel (de inwendige natuur) werd
de ziel een halve duivel, en in het uitwendige deel (de uitwendige wereld) een
dier. Hier is het park des doods, en de poort van de hel, en hierom werd God
mens, opdat Hij de dood mocht verbreken, en de hel wederom in de grote Liefde
zou veranderen, en de ijdelheid des duivels verstoren zou.
24. Gij mensenkinderen, laat het u gezegd
zijn: het is u in de stem der bazuine
gezegd, dat gij direct van de schandelijke ijdelheid moet uitgaan, want haar
vuur brandt.
HET IIIe HOOFDSTUK
Over
de ellendige val, en de verlossing van de Mens
1. Toen Adam en Eva nu in deze ellende
vielen, ontwaakte de grim der natuur in iedere eigenschap, en drukte zijn
begeerte - de ijdelheid van de aardsheid en van de grim Gods - in haar. Zo werd
het vlees grof en wreed, als van elk ander dier, en de edele ziel werd daarmee
in de Essentie gevangen, en zag hoe
ze aan haar lichaam een dier geworden was, ze zag de dierlijke leden tot de
voortplanting, en de duistere maden-zak, waar de begeerte van het vlees, de
walging in zakte. Zo schaamden zij zich voor God, en verscholen zich onder de bomen
in het Hof Eden, en ook viel hitte en koude op hen.
2. Alhier sidderde, vanwege de
gruwelijkheid, de Hemel in de mens, net zoals de aarde in haar grim sidderde,
toen deze toorn aan het Kruis, door de zoete Liefde Gods, werd verbroken. Daar
sidderde de toorn voor de zoete Liefde Gods.
3. En vanwege deze opgewekte ijdelheid in de
mens vervloekte God de aarde, opdat het Heilige Element niet meer uit de vrucht
zou dringen en een Paradijselijke Vrucht zou baren, want er was geen creatuur
die hiervan kon genieten, en ook was de aardse mens haar niet meer waardig. God
wilde de edele Parel niet voor de dieren werpen, en de ongoddelijke mens was in
zijn lichaam niets anders dan een grof vleselijk dier. Al is hij van edele
Essentie, toch is hij gans vergiftigd, en een walging voor God.
4. Toen God zag, dat zijn schone beeld
verdorven was, opende Hij zich voor hen, en ontfermde zich over hen, en
beloofde Zichzelf aan hen tot een eeuwig eigendom, zodat Hij met Zijn grote
Liefde, in de aangenomen mensheid de macht in de eigenschap van de slang (de
ijdelheid in de grim Gods) door Liefde zou verbreken. Hij zou zo het hoofd van
de slang vertreden, en de duistere dood verbreken, en de toorn door de grote
Liefde overweldigen. Hij stelde dit Verbond van Zijn toekomstige Menswording in
het Licht des Levens. Hier waren de Joodse Offeranden op gericht, op een teken,
dat God hen met Zijn Liefde had beloofd. Want het geloof van de Joden ging in
het offer, en Gods Imaginatie ging in het Verbond. En het Offer was een beeld
van de weder-brenging van hetgeen Adam verloren had.
5. Zo verzoende God zijn toorn in de
menselijke eigenschap, door het Offer in het teken des Verbonds. Het Verbond
waarin de aller-heiligste zoete Naam Iesus,
uit de Heilige Naam en grote Kracht Iehovah,
Zich had ingelijfd, omdat Hij Zich wederom in het wezen van de Hemelse Wereld
(in welk Adam verduisterde) wilde bewegen en openbaren, en het Heilige
Goddelijke Leven wederom aan wilde steken.
6. Dit teken des Verbonds werd door Adam en
zijn kinderen, en van mens tot mens doorgegeven, en drong zo via één tot allen
door, net als de zonde en de ontwaakte ijdelheid via één tot allen doordrong.
En het stond uiteindelijk - in de belofte des Verbonds, geworteld in David - in
de Jonkvrouw Maria; zij was in het inwendige rijk van de verborgen mensheid (de
aan het Rijk Gods verduisterde wezendheid) de Dochter van het Verbond Gods, en
in het uitwendige, naar de natuurlijke mensheid, verwekt uit haar lichamelijke
Vader Ioachim en haar Moeder Anna, uit de Essentie en uit het wezen
van hun lichaam en ziel, alle kinderen Adam’s gelijk, een waarachtige Dochter
van Eva.
7. In deze Maria van de Jonkvrouw {Sophia, de Wijsheid Gods}, in het
beloofde teken van het Verbond waar alle profeten van geprofeteerd hebben,
heeft (in de vervulling des tijds) het eeuwig sprekende Woord, (welk alle
dingen geschapen heeft) naar Zijn hoogste en diepste Liefde en Ootmoedigheid,
Zich in de Naam Jesus bewogen, en heeft Het de levendige Goddelijke Hemelse
Wezendheid (die in Adam verduisterde) in de Mensheid van het Hemelse deel (die
hij in het Paradijs afstierf) ingevoerd, in het zaad van Maria. Dat is; in de
lieflijke substantie, zoals aanwezig was in de eigenschap in welk Adam zich op
magische wijze zou voortplanten, namelijk in het Ware Zaad van de Vrouw van de
Hemelse Wezendheid, die in het Paradijs verduisterde. Toen het Goddelijk Licht
in de Hemelse Essentie uitdoofde,
heeft Gods Woord (de Goddelijk Kracht van het Goddelijk Verstand) Hemelse
levendige Wezendheid ingevoerd, en de verduisterde wezendheid in het zaad van
Maria opgewekt en tot leven gebracht.
8. En Gods Wezen, waar God in woont en
werkt, en het verduisterde wezen van de mens, zijn nu één Persoon geworden,
want de heilige Goddelijke Wezendheid zalfde de verduisterde, daarom wordt deze
Persoon, Christus, een gezalfde Gods genoemd.
9. En dit is de verdorde twijg van Aaron,
die opbloeide en amandelen droeg, en dit is ook de Ware Hoge-Priester. Het is
ook de Mensheid waar Christus van zei; [Joh 3,13] Hij is uit de Hemel gekomen en ín de Hemel, en geen mens kan zo in de Hemel komen, als de mensen-Zoon,
die uit de Hemel is gekomen, en ín de
Hemel is. Hij die uit de Hemel is gekomen, is het Hemelse Wezen, de Hemelse
Lichamelijkheid, want de Kracht Gods
behoeft niet te komen, want die is altijd en overal, onmeetbaar en onverdeeld.
Maar het Wezen behoeft te komen, de Kracht hoeft Zich alleen te bewegen en Zich
in het Wezen te openbaren.
10. Dit Wezen is evenwel in het menselijk
wezen ingegaan, en heeft het menselijke aangenomen, en niet alleen het deel van
de Hemelse Wezendheid welk in Adam verduisterde, maar de gehele menselijke
Essentie in de ziel en het vlees, naar alle drie de werelden.
11. Maar de opgewekte en ingedrukte
ijdelheid, welk de duivel door zijn imaginatie in het vlees invoerde (waardoor
het vlees zonden begaat) heeft Hij niet aangenomen. Wel heeft Hij de opgewekte
gestalten des levens aangenomen, die de gelijke concordantie waren uitgegaan,
en elk haar eigen begeerte inging.
12. Hier lagen de ziekte en de dood, die Hij
in het Hemelse Heilige Bloed zou verdrinken. Hier nam Hij al onze zonden en
gebreken, en ook de dood en de hel in de toorn Gods, op Zich, en verbrak zo het
rijk van de duivel in de menselijke eigenschap. De toorn Gods was de hel, waar
de Geest van Christus inging (toen hij het Hemelse Bloed, in ons uitwendig
menselijke bloed had vergoten, en met de Liefde doordrenkt had), en deze Hel
van de menselijke eigenschappen in de Hemel veranderde, en de menselijke
eigenschappen wederom in gelijke concordantie, in de Goddelijke Harmonie
invoerde.
HET IVe HOOFDSTUK
Hoe
wij weer opnieuw geboren worden; en ook weer in Gods toorn vallen
1. Alhier kunnen we tot goed begrip komen
van wat onze nieuwe wedergeboorte is, hoe wij Tempelen Gods kunnen worden en
blijven, nu in deze tijd, naar de uitwendige, zondige en sterfelijke mens.
Christus heeft de deuren van onze innerlijke Hemelse Mensheid, die in Adam
werden gesloten, in de menselijke Essentie
ontsloten en opengemaakt. En het gaat er nu om, de wil van de ziel uit de
ijdelheid van het verdorven vlees te voeren, en door deze open deuren, in de
Geest van Christus binnen te voeren.
2. Het moet een grote, machtige ernst zijn,
niet alleen een leren en weten, maar een honger en grote dorst naar Christus’
Geest. Want weten alleen is geen geloof, maar de honger en dorst naar hetgeen
ik begeer, waardoor ik het me sterk inbeeld, en het met deze inbeelding
vastgrijp en tot me neem, dat is geloven.
3. De wil moet uit de ijdelheid van het
vlees gaan, en zich vrijwillig overgeven in het lijden en in de dood van
Christus, en tevens in alle bespotting der ijdelheid (die hem bespot omdat hij
zijn eigen huis, waar hij in geboren is, uitgaat). Hij moet de ijdelheid niet
meer willen, maar alleen de Liefde Gods in Christus Jesus begeren.
4. En in zodanige honger en begeren ontvangt
hij de Geest van Christus, met zijn Hemelse lichamelijkheid, oftewel, zijn
grote honger en begeerte vat het Lichaam van Christus (zijnde de Hemelse
Wezendheid) tot in zijn verduisterde beeld, waar het Woord van de Kracht Gods
het werkende Leven in is.
5. De honger van de ziel voert zijn begeerte
door de opgewekte eigenschap van haar in Adam verduisterde Mensheid van het
Hemelse deel, welk het zoete lieve vuur in de dood van Christus opende, waarin
de dood van deze Hemelse Mensheid verbroken werd. De honger van de ziel vat
door de begeerte het Heilige Hemelse Wezen, zijnde de Hemelse lichamelijkheid
van Christus, die door de Vader volledig vervuld wordt, waarin de Vader alles
nabij is, en welk Hij volledig doordringt, tot in haar verduisterde
lichamelijkheid. Daardoor staat het verduisterde Hemelse lichaam in de Kracht
Gods, in de zoete Naam Jesus op.
6. Ditzelfde ontwaakte Hemelse Geestelijke
Lichaam is Christus’ lidmaat, en de Tempel van de Heilige Geest, een ware
woning van de Heilige Drievuldigheid, precies wat Christus beloofde toen Hij
zei; Wij zullen tot u komen en woning in
u maken. Deze zelfde Essentie van
hetzelfde leven eet van Christus’ vlees, en drinkt Zijn bloed, want Christus’
Geest (zijnde het Woord welk zich met de Mensheid van Christus, uit en in onze
verduisterde Mensheid [door de
uitwendige mens die uit de substantie van deze wereld is] zichtbaar maakte) eet
van Zijn eigen Heilige Wezen, Zijn Vurige Wezen. Iedere geest eet van zijn
eigen lichaam.
7. Wanneer nu de ziel van deze zoete,
Heilige Hemelse spijze eet, ontsteekt zij zich in de grote Liefde, in de Naam
Jesus. Daar wordt haar angst-vuur tot een grote triomf, en de Ware Zon gaat in
haar op, waarin zij tot een andere wil geboren wordt. En alhier is de Bruiloft
des Lams waarvan wij van harte wensen dat de titulairen en zelfbenoemde
Christenheid die eenmaal mocht ondervinden, opdat zij uit de Historie, en in
het Wezen gaan.
8. Maar de ziel verkrijgt de Parel van de
Heilige Kracht niet tot eigendom,
zolang ze nog in het lichaam is, en ze de eigenschap van het uitwendige
dierlijke vlees nog bezit in de uitwendige mens. De Kracht van Christus, welk
Zich in de Bruiloft des Lams verhuwelijkt, verzinkt tot in het Hemelse Beeld,
namelijk, in het wezen van de Hemelse Mens, die Christus’ Tempel is, maar niet in de vuur-Adem van de ziel, welk
deze hele tijd nog aan het uitwendige rijk, aan de band der ijdelheid, met de
lucht-Adem stevig vastgebonden staat, en in groot gevaar is.
9. Zij geeft wel zeer menigmaal haar Stralen
der Liefde, tot in de ziel, waar de ziel haar licht van ontvangt. Echter aan de
vuur-Adem geeft de Geest van Christus Zich in deze tijd niet, maar alleen aan
de Adem des Lichts, die in Adam uitbluste. Hierin is de Tempel van Christus, want
het is de Ware Heilige Hemel.
10. Laten we dus goed begrijpen wat de
nieuwe Wedergeboorte is en hoe ze geschiedt; De uitwendige aardse sterfelijke
mens wordt in dit proces niet opnieuw geboren, noch het uitwendige vlees, noch
het uitwendige deel van de ziel. Zij blijven in de ijdelheid van hun in Adam
opgewekte wil, zij beminnen hun moeder, in wiens lichaam zij leven, zijnde het
regiment van deze uitwendige wereld, en daarin is de geboorte der zonden
openbaar.
11. De uitwendige mens in ziel en vlees (het
uitwendige deel van de ziel) heeft geen Goddelijke Wil, en begrijpt ook
helemaal niets van God, zoals de Schrift zegt; De natuurlijke mens begrijpt niets van de Geest Gods.
12. Maar de vuur-Adem van de inwendige
wereld (wanneer deze eenmaal verlicht wordt) begrijpt dit. Deze heeft een groot
verlangen, smachten, hongeren en dorsten naar het zoete Fonteintje van
Christus. Die laaft zich, door hongeren en begeren, welk het ware geloof is in
het zoete Fonteintje van Christus, en van zijn nieuwe Lichaam van Hemelse
Wezendheid, als een hongerige twijg aan de Wijnstok van Christus.
13. En dit is de oorzaak, dat de vurige ziel
in deze tijd nog niet tot de volkomenheid kan komen, omdat zij aan de
uitwendige band van de ijdelheid staat aangebonden, waardoor de duivel voortdurend
zijn vergif-stralen op haar schiet, en haar verleidt, opdat zij menigmaal
toehapt, en zich vergiftigt, waardoor klagen en angst ontstaat, en de edele
Sophia zich verbergt in het Fonteintje van Christus, in de Hemelse Mensheid,
want ze zal de ijdelheid niet naderen.
14. Want Zij weet hoe het Haar in Adam
verging, waar Zij Haar Parel verloor, welk uit Genade weer aan de innerlijke
Mensheid geschonken werd, daar is Zij Sophia genaamd, zijnde de Bruid van
Christus.
15. Alhier roept Zij de vurige ziel (Haar
Bruidegom) getrouwelijk, en vermaant hem tot de bekering en aflating, of het
uitgaan van de gruwel der ijdelheid. Daar ontstaat dan de strijd, in de gehele
mens. De uitwendige vleselijke mens keert zich tegen de inwendige geestelijke,
en de geestelijke keert zich tegen de vleselijke, en de mens staat in de strijd
vol van droefheid, kommer, angst en nood.
16. De inwendige spreekt tot de vuur-ziel;
O, mijn Vriend! keer toch om, en ga van de ijdelheid uit, of gij verliest mijn
Liefde, en de edele Parel. Het uitwendige vernuft (zijnde de dierlijke ziel)
antwoordt hierop; gij zijt dwaas, dat ge des werelds spot en gek wilt zijn, gij
hebt de uitwendige wereld tot uw leven van node; schoonheid, macht, en
heerlijkheid is u het beste, daarin kunt gij vreugde hebben, wat zult ge zich
in angst, nood en bespotting invoeren? neem de wellust, die aan het vlees en
gemoed wel doet.
17. Met zodanige drek wordt een oprecht mens
dan menigmaal bezoedeld, dat wil zeggen, de uitwendige mens bezoedelt zichzelf,
als een zwijn in de drek, en verduistert zijn edele Beeld. Want hoe ijdeler de
uitwendige mens wordt, hoe duisterder de inwendige Mens, tot het moment dat
deze geheel uitdooft. Dan is het gedaan met het schone Paradijselijke boompje,
en het zal zwaar vallen deze weer te bekomen.
18. Want wanneer het uitwendige licht
(zijnde de uitwendige ziel) eenmaal wordt verlicht, dat haar het uitwendige
licht des vernufts, door het inwendige Licht wordt aangestoken, dan geeft de
uitwendige ziel graag een schijnheilig wezen uit hem, en acht zich voor
Goddelijk, al is het dat de Parel verdwenen is.
19. Daar blijft het dan bij velen, en zo
verderft menigmaal de Parel-boom in ’t Hofje van Christus. Hierover komt de
Schrift tot een harde knoop; dat diegenen die eenmaal de zoetigheid van de
toekomstige wereld hebben geproefd, en er wederom vanaf vallen, het Rijk Gods
met zwaar gemoed zullen aanschouwen.
20. En hoewel het zo is, dat de poorten der
Genade nog openstaan, dan houdt het schijnlicht van het uitwendige vernuft de
zielen daar vandaan, en ze menen de Parel nog te bezitten, terwijl ze in niets
anders leven dan in de ijdelheid van deze wereld, en zo de duivel achterna
gaan, zoals hij hen voorgaat.
HET Ve
HOOFDSTUK
Wanneer
de Mens zich een Christen mag noemen,
en
wanneer niet.
1. Alhier zal nu een Christen bedenken,
waarom hij zich een Christen noemt, en wel betrachten of hij er ook een is, want dat ik weet, leer, en begrijp
dat ik een zondaar ben, en dat Christus mijn zonden aan het kruis heeft gedood,
en zijn bloed voor mij vergoten, dat maakt van mij lang nog geen Christen. De
erfenis behoort alleen maar de kinderen; een maagd in den huize weet wel wat de
vrouw graag heeft, maar dat maakt haar nog geen erfgenaam in de goederen van de
vrouw. De duivel weet ook dat er een God is, maar dat maakt het niet weer tot
een Engel. Maar wanneer de maagd in den huize zich met de zoon van de vrouw
verhuwelijkt, dan kan ze wel tot de erfenis van de goederen van de vrouw komen.
2. Zo is het ook in ons Christendom te
verstaan. Niet Historie-kinderen zijn erfgenamen van de goederen van Christus,
maar de echte kinderen die uit
Christus’ Geest opnieuw geboren worden. Want God zei tot Abraham, werp uit de zoon van de dienstmaagd, hij zal
niet erven met de Vrije. Want hij was een spotter, en alleen een
historische zoon van het geloof en van de geest van Abraham. En zolang hij dat
was, was hij niet in de juiste erfenis van het geloof van Abraham, hierom
gebood God hem uit te stoten.
3. Dit was een voorbeeld voor de toekomende
Christenheid, want aan Abraham geschiedde de belofte van de Christenheid,
hierover werd ook van stonden aan het voorbeeld voorgesteld in de twee
broeders, Isaak en Ismael, hoe de Christenheid zich zou houden, hoe daar
tweeërlei mensen in zouden zijn, namelijk, ware Christenen en mond-Christenen,
die onder de titulair van Christen spotters zouden zijn. Gelijk Ismael en Esau,
die ook het beeld van de uitwendige Adam waren, en Jacob, die het beeld van
Christus was, en van zijn ware Christenen.
4. Alzo moet eenieder, die zich een waar Christen
noemt, de zoon van de dienstmaagd (dat is, de aardse boze wil) van zich
uitstoten, voortdurend doden en verbreken, en niet in de erfenis zetten. Niet
de Parel aan de dier-mensen geven om te spelen, dat hij zich in het uitwendige
licht, in de lust van het vlees steeds verlustigt, maar met onze Vader Abraham
de Zoon van onze juiste wil aan de Berg van Moria brengen, en in de
gehoorzaamheid aan God op-offeren, gedurig in Christus’ dood, steeds bereid de
zonden gaarne af te sterven, het dier der ijdelheid geen rustplaats in het Rijk
van Christus bieden, en niet losbandig, hovaardig, gierig, afgunstig noch boos
laten worden. Deze eigenschappen zijn al tezamen van Ismael, de zoon van de
maagd, welk Adam in zijn ijdelheid door de losbandige hoer, de valse maagd,
door de duivelse imaginatie uit de aardse eigenschap in vlees en bloed
voortbracht.
5. Deze spotter en titel-Christen is een
onechte zoon en moet uitgestoten worden, want hij zal de erfenis van Christus
in het Rijk Gods niet deelachtig zijn. Hij is niet van nut, maar slechts Babel;
dat is, een verwarring van de ene spraak in vele spraken, hij is maar een
kletser en twister om de erfenis, en wil deze verkrijgen met kletspraat en
twist, met huichelarij van zijn mond en schijnheiligheid. Hij is niet anders
dan een bloeddorstige moordenaar van Abel, zijn broeder, die een ware erfgenaam
is.
6. Daarom zeggen wij, zoals wij het erkend
hebben, dat een mens die zich Christen wil noemen, moet beproeven wat voor
eigenschappen hem drijven en regeren. Of de Geest van Christus hem tot waarheid
en gerechtigheid, en tot naastenliefde drijft; dat hij graag goed wil doen, als
hij maar wist hoe. En als hij dan bevindt dat hij een honger heeft naar
zodanige deugd, dan mag hij gewis denken, dat hij getogen wordt. Dan moet hij
het in werking stellen, en niet alleen willen en ‘t toch niet doen. In het
willen staat de aantrekking des Vaders tot Christus, maar in het doen staat het
juiste leven.
7. Want de juiste geest doet juist. Maar als
de wil om te doen er is, maar het doen er niet op volgt, dan is die mens in de
ijdele lust gevangen, die het doen ophoudt. Dan is hij niet anders dan een
huichelaar, een Ismaeliet, die anders spreekt dan dat hij doet, en ervan
getuigt dat zijn mond een leugenaar is, want hetgeen hij onderwijst, dat doet
hij zelf niet. Zo dient hij alleen de dierlijke mens in de ijdelheid.
8. Iemand kan zeggen, ik heb de wil, en wil
graag goed doen, maar ik heb het aardse vlees dat mij tegenhoudt; nu zal ik toch,
uit Genade, om de verdienste van Christus zalig worden, want ik troost mij toch
in zijn lijden en verdiensten, Hij zal mij uit Genade, zonder mijn verdiensten,
aannemen, en mij de zonden vergeven. Zo doet hij als iemand die een goede
spijze weet voor zijn gezondheid, en het toch niet eet, maar in plaats daarvan
een vergiftige eet waar hij ziek van wordt en sterft.
9. Wat helpt het de ziel dat zij de weg tot
het goede weet, als ze deze niet zal gaan? In plaats hiervan neemt ze een
dwaalweg, en bereikt God niet. Wat helpt het de ziel, dat zij zich met het
kindschap van Christus, zijn lijden en dood vertroost, en haar zelfs veinst? Zo
zal ze de kinderlijke geboorte niet ingaan, en zal er geen waar kind uit
Christus’ Geest, uit zijn lijden, dood en opstanding geboren worden. Wis en
waarachtig, het kittelen en huichelen van Christus’ verdienste, buiten de ware
ingeboren Kindschap, is vals en gelogen, wie het ook moge onderrichten.
10. Dit vertroosten behoort aan de
boetvaardige zondaar, die in de strijd tegen de zonden en Gods toorn is,
wanneer de aanvechtigen komen, dat de duivel de ziel aanvalt, waar de ziel zich
volledig moet wikkelen in het lijden en in de dood van Christus, in Zijn
verdienste.
11. Christus heeft het wel alleen verdient,
maar Hij heeft het niet verdient als een verdienste waar een loon voor wordt
gegeven; het is dus niet dat hij ons het Kindschap, uit Zijn verdienste,
uitwendig schenkt, en ons alzo in het Kindschap inneemt. Nee, Hij is Zelf de
verdienste, Hij is de open deur door de dood, door Hem moeten wij ingaan, maar
hij neemt geen dieren Zijn verdienste in, maar alleen degenen die omkeren en
gelijk worden als kinderen.
12. Deze kinderen die tot Hem komen, zijn
Zijn verdiende loon, Hij heeft ons verdiend. Want Hij sprak; Vader, de mensen waren aan U, en Gij hebt ze
aan mij gegeven, en ik geef hen het eeuwige Leven. Zo wordt aan niemand het
Leven van Christus gegeven, tenzij hij tot Hem komt, in de Geest van Christus,
tot in Zijn Mensheid, lijden en verdienste, en wordt in Zijn verdienste een
waar kind uit de verdienste geboren. Uit Zijn verdienste moeten wij geboren
worden, en de verdienste van Christus in Zijn lijden en dood aantrekken. Niet
uitwendig met mond-huichelarij, niet alleen met vertroosten, en een vreemd kind
van vreemde Essentie blijven. Nee, de vreemde Essentie erft het Kindschap niet,
maar de ingeboren Essentie erft het.
13. Deze ingeboren Essentie is niet van deze
wereld, maar in de Hemel, waar S. Paulus van zei; onze wandel is in de Hemel. De kinderlijke Essentie wandelt in de
Hemel, en de Hemel is in de mens. Maar wanneer de Hemel in de mens niet open
is, en hij alleen voor de Hemel blijft staan huichelen, en zegt, ik ben nog
buiten, maar Christus zal mij uit Genade innemen, Zijn verdienste is ook de
mijne, dan is hij slechts in ijdelheid en zonden, en met de ziel in de hel, dat
is, in Gods toorn.
14. Leer daarom goed begrijpen, wat Christus
ons geleerd en gedaan heeft, Hij is onze Hemel. Hij moet in ons een gestalte
gewinnen, willen wij in de Hemel zijn. Dan is de inwendige ziel-mens, met het
Heilige Lichaam van Christus (dat is, de nieuwe geboorte) in de Hemel, en de
uitwendige sterfelijke is in de wereld. Hiervan zegt Christus; Mijn schaapjes zijn in mijn hand, niemand
kan mij deze ontnemen; de Vader die hen aan mij gegeven heeft, is groter dan
alles.
HET VIe HOOFDSTUK
Over
het juiste en onjuiste te Kerk gaan; het gebruik
der
Sacramenten, en het absolveren.
1. Lieve Broeder, wij willen trouwelijk met
u spreken, niet uit een geveinsde mond om de Anti-Christ tevreden te stellen,
maar uit onze Parel, uit Christelijke Essentie en wetenschap. Niet uit de
schors en Historie, maar uit de kinderlijke geest, uit Christus’ wetenschap,
als een rank aan de Wijnstok van Christus, uit de mate van de geopende
wetenschap in ons, in de raad Gods.
2. Men bindt ons tegenwoordig aan de
Historie, aan de stenen Kerk, welk toch van goede waarde zou zijn, wanneer men
maar de Tempel van Christus erin bracht.
3. Men leert ons dat de absolutie een
vergeving der zonden is, het Avondmaal neemt de zonden weg, de Geest Gods wordt
in het Predik-ambt uitgegoten.
4. Dit alles zou zijn weg hebben, wanneer
het juist werd verklaard, en men niet alleen aan de schors hing. Menigeen gaat
twintig, of dertig jaar in de Kerk horen Prediken, en gebruikt het Sacrament,
laat zich absolveren, en blijft tezelfder tijd een dier des duivels en der
ijdelheid, net als de anderen; een dier gaat naar de Kerk en tot het Avondmaal,
en een dier gaat er weer vandaan. Hoe wil hij eten, die geen mond heeft? Hoe
wil hij horen, die geen gehoor heeft? Kan ook degene wiens mond gesloten is
zulk een spijze genieten? Hoe zal hij drinken, die verre van het water is? Wat
helpt het mij dat ik naar de muur-Kerk ga, en mijn oren vul met een ledige
adem? Of ten Avondmaal ga, en alleen de aardse mond spijzig, die sterfelijk en
vergankelijk is? Die kan ik ook thuis wel een stukje brood geven tot hij genoeg
heeft. Wat helpt het de ziel (die een onsterfelijk leven is) dat de dierlijke
mens de wijze van het gebruik van Christus houdt, wanneer zij niet het kleinood
van het gebruik kan bereiken? Want S. Paulus zei over het Avondmaal; Omdat gij niet het Lichaam van de Heer
onderscheidt, ontvangt gij het tot een oordeel.
5. Het verbond bestaat, het wordt in het
gebruik bewogen. Christus presenteert ons Zijn Geest in het woord, namelijk in
het gepredikte woord, en in de Sacramenten Zijn lichaam en bloed, en in de
broederlijke verzoening Zijn absolutie.
6. Maar wat helpt het dat een dier dit
toehoort, en geen gehoor heeft tot het inwendige levendige woord? En ook geen
vat heeft, waar hij het woord in kan leggen, opdat het vruchten voortbrengt?
Hiervan zegt Christus; de duivel scheurt
het woord van hun harten, opdat ze niet geloven en zalig worden. Waarom?
Omdat het woord dan geen plaats in het gehoor zal vinden, waar het zou kunnen
hechten.
7. Zo ook voor de absolutie; wat helpt het
dat een zodanige tot mij zei; ‘ik verkondig u absolutie van uw zonden,’ terwijl
de ziel toch geheel in de zonde versloten ligt? Degene die zoiets tot de
versloten zondaar zegt, die dwaalt, en wie het aanneemt, zonder Gods stem in
zich, die bedriegt ook zichzelf.
8. Niemand kan zonden vergeven dan God
alleen. De Predikers mond heeft de vergeving niet in eigen macht. De Geest van
Christus heeft de macht in de stem van de mond des Priesters, wel te verstaan,
wanneer hij ook een waar Christen is. Wat helpt het toch degenen, die Christus
op aarde hoorden zeggen; komt allen tot
mij, gij die belast en beladen zijt, ik wil u verkwikken? Wat helpt het
degenen die dit hoorden en niet belast waren? Waar bleef de verkwikking? Zij
hadden dode oren, en hoorden Christus alleen uitwendig (niet het woord van de
Goddelijke Kracht), daarom werden zij niet verkwikt. Zoveel ook helpt de
geveinsde absolutie de dierlijke mens, en zoveel helpen hem de Sacramenten.
9. Het Verbond ligt nu open in de
Sacramenten, en ook in het leer-ambt wordt het Verbond bewogen. Dit wordt
genoten door de ziel, doch naar de eigenschap waarin de mond der ziel verkeert.
Namelijk, het uitwendig dier ontvangt brood en wijn, welk hij ook thuis kan
eten. De vurige ziel ontvangt het Testament naar háár eigenschap, namelijk in
de toorn Gods, zij ontvangt het eeuwige wereldse wezen, naar de eigenschap van
de duistere wereld. Gelijk de mond is, zo is ook de spijze die in de mond behoort.
Hij ontvangt het tot een oordeel, op gelijke wijze als de goddelozen in het
jongste oordeel Christus zullen zien; als een ernstige gestrenge Rechter, maar
de heiligen zullen Hem zien als een lieve Emanuel.
10. Tegen de goddeloze staat Gods toorn open
in zijn Testamenten, en tegen de Heiligen staat de Hemelse Lichamelijkheid
open, en hierin bevindt zich de Kracht van Christus, in de naam Jesus. Maar wat
helpt de goddelozen het heilige, wanneer ze het niet zelf kunnen genieten? Wat
zal hier zijn zonden wegnemen? De zonde wordt bewogen en openbaar.
11. Het is toch in de Heiligen, met de
Sacramenten, geen zonde-weg-nemen, geen vergeven, maar het is als volgt;
wanneer Christus opstaat, dan sterft Adam in de Essentie van de slang. Wanneer
de zon opgaat, dan wordt de nacht in de dag verslonden, en daar is geen nacht
meer, en zo is het met de vergeving der zonden. De Geest van Christus eet van
Zijn heilige Wezen, de inwendige mens is de ontvanger van het heilige Wezen,
hij neemt aan hetgeen de Geest van Christus in hem voert, zijnde de Tempel
Gods, Christus’ vlees en bloed. Wat gaat dit een dier aan? Of wat gaat het de
duivel, of de ziel in Gods toorn aan? Zij eten van hun hemelse lichaam, de hemel waarin ze wonen, dat is, de afgrond.
12. Zo werkt het ook in het Predik-ambt. De
goddeloze hoort hetgeen de uitwendige ziel van de uitwendige wereld spreekt,
dit neemt hij aan als een Historie, maar is er iets van stoppels en stro in de
Predikatie, dan zuigt de ijdelheid zich hiermee vol, en de ziel zuigt zich vol met
het valse gif en het moorden des duivels. Hierin vindt ze bevrediging, dat ze
hoort, hoe ze mensen kan veroordelen. Toch is de Prediker ook een dode; uit
zijn genegenheid zaait hij vergif en smaad, en zo onderricht de duivel, en zo
hoort de duivel. Dit onderricht wordt in de goddeloze harten ontvangen, en
brengt goddeloze vruchten voort. Hieruit is de wereld een moordkuil geworden;
dat zowel de leraar als de toehoorder zich enkel inlaat met spot, laster,
verachting, woorden-twist, en strijd om de schors.
13. Maar in de heilige Leraar onderricht de
Heilige Geest, en in de heilige Toehoorder, hoort de Geest van Christus, door
de ziel en Goddelijke woning van de Goddelijke Klank. De Heilige heeft zijn
Kerk in zich, in welk hij hoort en onderricht. Maar Babel heeft een steenhoop,
waarin zij huichelt en pronkt, zich laat zien in mooie kleren, zich aandachtig
en vroom laat aanzien, de stenen Kerk is haar God waar ze vertrouwen in stelt.
14. Maar de Heilige heeft zijn Kerk overal bij
zich en in zich, want hij staat en hij gaat, hij ligt en zit in zijn Kerk, hij
is in de Ware Christelijke Kerk, in de Tempel van Christus. De Heilige Geest
Predikt hem, uit alle creaturen. Alles wat hij aanziet, daarin ziet hij een
Prediker Gods.
15. Hier zal de spotter zeggen dat ik de
stenen Kerk, waar de Gemeente in samen komt, veracht. Daar zeg ik nee op, ik
wijs slechts op de Babylonische hoeren, die niet anders dan hoererij met de
stenen Kerk bedrijven en zich Christen noemen, terwijl ze geveinsde bedriegers
zijn.
16. Een ware Christen brengt zijn Heilige
Kerk mee in de Gemeente. Zijn hart is de ware Kerk waar de dienst Gods wordt
geoefend. Wanneer ik duizend jaren naar de Kerk ga, en alle weken tot het
Sacrament, en me werkelijk alle dagen laat absolveren, dan heb ik Christus nog
niet in mij; het is vals, een nutteloze fabel, een beeld-werk in Babel, het is
geen vergeving der zonden.
17. De Heilige doet heilige werken, uit de
heilige kracht van zijn gemoed. Het werk is niet de verzoening, maar het gebouw
dat de ware Geest in zijn wezen bouwt, dat is zijn woonhuis. Zo vormen bij de
valse Christen zijn fabelen zijn woonhuis, waarin hij huichelen gaat. Het
uitwendig gehoor gaat in het uitwendige, en werkt in het uitwendige. Het
inwendig gehoor gaat in het inwendige, en werkt in het inwendige.
18. Huichel, schrei, klaag, roep, zing,
predik, onderricht hoe gij wilt; is de inwendige Leraar en Toehoorder niet
open, dan is alles Babel en fabel, een beeld-werk, waar de geest van de
uitwendige wereld een beeldwerk maakt, naar het inwendige, en met zichzelf
pronkt, alsof hij een heilige Gods-dienst deed. In zodanige Godsdienst werkt de
duivel menigmaal machtig in de imaginatie, en kietelt het hart met die dingen
die het vlees gaarne heeft. Dit overkomt ook menigmaal de kinderen Gods,
wanneer ze te weinig opmerkzaam zijn, en zo verleidt de duivel hen.
HET VIIe HOOFDSTUK
Over
de nutteloze mening en letter-twist
1. Een oprecht mens, die in Christus’ Geest
geboren is, die is ook in de eenvoud van Christus. Hij heeft om de Religie met
niemand enige twist. Hij heeft strijd genoeg in zichzelf met zijn dierlijke
boze vlees en bloed. Hij meent voortdurend dat hij een groot zondaar is, en
vreest God, want zijn zonden zijn openbaar, zij staan voor het gerecht, want de
Turba sluit hen in zich, waardoor de
toorn Gods hem onder ogen ziet als een schuldige. Maar de Liefde van Christus
dringt er doorheen, en verdrijft ze, zoals de dag de nacht verslindt.
2. De goddelozen laten hun zonden rusten in
de slaap des doods, zij groeien op in de afgrond, en brengen vruchten voort in
de hel.
3. De Christenheid in Babel twist om de
wetenschap; hoe men God dienen, eren en kennen moet, wat Hij is naar Zijn Wezen
en Willen. En zij leren ons alleen dat wie niet op alle vlakken, in de
wetenschap en mening, het niet met hen eens is, geen Christen is maar een
ketter.
4. Nu zou ik gaarne zien hoe men al haar
sekten tezamen kan brengen in één enkele, die zich de Christelijke Kerk kon
noemen? Zij allen tezamen zijn niet anders dan verachters, daar de een de ander
voortdurend lastert en voor vals uitmaakt.
5. Een Christen heeft nochtans geen sekten.
Hij kan middenin de sekten wonen, en ook in haar Gods-dienst verschijnen, en
toch geen sekte aanhangen. Hij heeft maar één enkele wetenschap, en dat is
Christus in hem. Hij zoekt maar één weg, en dat is de begeerte, dat hij
voortdurend juist wil doen en leven, en al zijn weten en willen tot in het
Leven van Christus stelt. Hij verzucht en wenst voortdurend, dat de Wil Gods
toch in hem mocht geschieden, en Zijn Rijk in hem openbaar mocht worden. Hij
doodt dagelijks en alle uren de zonden in het vlees, want het zaad van de vrouw
(zijnde de inwendige mens in Christus) vertreedt gedurig de kop van de duivel
in de ijdelheid.
6. Zijn geloof is een begeerte tot God, die
heeft hij in de gewisse hoop ingewikkeld. Daarom waagt hij het, op de woorden
der beloften. Hij leeft en sterft hierin, en naar de Ware Mens zal hij nooit
meer sterven. Zoals Christus zei, wie in
mij gelooft, zal nimmermeer sterven, hij is van de dood, tot het leven
doorgedrongen. en ook; daar zullen
stromen van het levende water van hem vlieden, dat zijn goede leringen en
werken.
7. Daarom zeg ik, alles wat met elkaar
strijdt, en om de letter twist, is Babel. De letteren staan allemaal tezamen in
één enkele wortel, dat is de Geest Gods. Zie de vele bloemen allemaal tezamen
in de aarde staan, en allen naast elkander wassen, en geen strijd met elkaar
voeren om kleur, geur en smaak. Zij laten de aarde en de Zon, alsmede regen en
wind, en ook hitte en kou met hen doen wat zij willen, en wassen eenieder in
haar eigen Essentie en eigenschap. Zo is het ook met de kinderen Gods, zij
hebben menigerlei gaven en kennis, doch alle uit een enkele geest. Zij
verheugen zich naast elkaar over de grote wonderen Gods, en danken de Hoogste
in Zijn Wijsheid. Wat zouden ze om Hem twisten, in Wie zij zijn en leven, wiens
Wezen zij zelf zijn?
8. Het is de grootste dwaasheid in Babel,
dat de duivel de wereld twistend om de Religie heeft gemaakt, dat zij om
zelfgemaakte meningen twisten over de letteren. Terwijl het Rijk Gods in
generlei mening staat, maar in Kracht en Liefde. Ook zei Christus tot Zijn
Discipelen, voor Hij hen verliet, dat zij elkander zouden beminnen, zoals Hij
hen bemind had, en daaraan zou men Zijn Discipelen herkennen. Wanneer de mens
zozeer zou trachten naar Liefde en Gerechtigheid, in plaats van naar meningen,
dan zou er geheel geen strijd zijn op aarde. Wij zouden allen tezamen in onze
Vader leven, als kinderen, en behoefden geen wetten noch orders.
9. Want God wordt met generlei wetten
gediend, alleen met gehoorzaamheid. De wetten zijn er voor de boze wil, die de
liefde en gerechtigheid niet begeert. Deze wordt met wetten gedreven en
gedwongen. Wij hebben allen tezamen maar één orde, en dat is dat wij stil
houden in de Heer aller Wezen, en onze wil aan Hem overgeven, en Zijn Geest in
ons laten werken, spelen, en doen wat Hij wil. En wat Hij in ons werkt en
openbaart, geven wij weer aan Hem, dat is Zijn vrucht.
10. Wanneer wij nu niet zouden twisten om de
vele vruchten, gaven en kennis, maar elkaar zouden (h)erkennen, als de kinderen
van de Geest Gods, wat zouden wij dan oordelen? Het Rijk Gods ligt toch niet in
ons weten en menen, maar in de Kracht.
11. Wanneer wij niet half zoveel wisten, en
veel kinderlijker waren, en enige Broederlijke wil onder elkaar hadden, en
leefden als kinderen van een enkele Moeder, als de takken aan een boom, die
allen het sap van de wortel nemen, dan zouden wij veel heiliger zijn.
12. Het weten heeft alleen tot doel dat we
dát leren, omdat we in Adam de Goddelijke Kracht verloren hebben, en nu steeds
tot het boze geneigd zijn. Dat we leren begrijpen hoe we de boze eigenschappen
in ons hebben, en dat het kwaad doen God niet bevalt, en dat wij zo, met het
weten, leren juist te handelen. Maar, indien wij de Kracht Gods in ons hebben,
en uit alle kracht proberen het juiste te doen, en juist te leven, dan is ons
weten niet anders dan ons spel, waarin wij ons verheugen.
13. Want het Ware Weten is de openbaring van
de Geest Gods, door de eeuwige Wijsheid. Hij weet in Zijn Kinderen wat Hij wil.
Hij toont Zijn Wijsheid en Wonderen door Zijn kinderen, zoals de aarde haar
kracht toont door de vele bloemen die zij voortbrengt. Wanneer wij nu in de
Geest van Christus als ootmoedige kinderen naast elkaar woonden, en dat de een
zich verheugde over de gaven en kennis van de andere, wie zou ons dan oordelen?
Wie oordeelt de vogels in het woud, die de Heer aller Wezen loven met velerlei
stemmen, een ieder in zijn Essentie? Straft de Geest Gods hen omdat zij hun
stemmen niet in één harmonie voeren? Hun geluid komt toch al uit Zijn Kracht,
en voor Hem spelen zij.
14. Daarom zijn de mensen, die om de
wetenschap en om het willen Gods twisten, en elkaar daarom verachten, dwazer
dan de vogels in het woud, en de wilde dieren die geen verstand hebben. Zij
zijn nuttelozer voor de Heilige God dan de veldbloemen, die stil staan in de
Geest van God, en Hem de Goddelijke Wijsheid en Kracht door hen laten
openbaren. Ja, ze zijn erger dan de distels en doornen onder de schone bloemen,
die toch ook stil staan in de Geest Gods. Zij zijn als de roofachtige dieren en
vogels in het woud die de andere vogels afschrikken en weerhouden om van God te
zingen en Hem te loven.
15. Kortom, zij zijn van het duivels gewas in
de toorn Gods, en moeten toch door hun pijn de Heer dienen. Want door hun
plagen en vervolgen drijven zij het sap door de Essentie der kinderen Gods uit,
dat zij zich in de Geest Gods bewegen, met bidden en ijverig smeken waarin de
Geest Gods zich in hen beweegt. Want hierdoor wordt de begeerte geoefend, en
groeien de kinderen Gods, en brengen zij vruchten voort. Want volgens de
Schrift worden de kinderen Gods in de verdrukking openbaar.
HET VIIIe HOOFDSTUK
Waarin
de Christelijke Religie bestaat, en hoe
men
God en onze Broeder moet dienen.
1. De gehele Christelijke Religie bestaat
hierin, dat wij ons zelf leren kennen; wat wij zijn, vanwaar wij zijn gekomen,
hoe we uit de Eenheid de afgescheidenheid, boosheid en ongerechtigheid zijn
ingegaan, hoe wij dit in ons verwekt hebben. Ten tweede, waar wij in de Eenheid
zijn geweest, toen wij kinderen Gods waren. Ten derde, hoe wij tegenwoordig in
de afgescheidenheid staan, in de strijd en wederwaardigheid. Ten vierde, waar
wij heen wandelen, uit dit vergankelijke wezen, waar wij met het onsterfelijke
heen willen, en dan ook, met het sterfelijke.
2. In deze vier punten staat onze ganse
Religie, dat is, om uit de afgescheidenheid en ijdelheid te komen, en wederom
een enkele Boom (uit welk wij allen tezamen in Adam gekomen zijn) in te gaan,
dat is, Christus in ons. Wij hoeven nergens om te strijden, wij hebben ook geen
strijd. Dat ieder zich maar leert oefenen hoe hij wederom in de Liefde Gods en
zijns Broeders in kan gaan.
3. De Testamenten van Christus zijn
doorgaans niet anders dan een Broederlijke Verbintenis, dat God in Christus
Zich met ons verbindt, en wij ons in Hem verbinden. Alle onderricht moet daarop
gericht zijn, ook al het willen, leven en doen. Wat ánders leert en doet is
slechts Babel en fabel, en het beeld-werk van de hovaardige, een nutteloos
gericht, een dwaling des werelds, een schijnheiligheid des duivels, waardoor
hij de eenvoud verblindt.
4. Alles wat buiten Gods Geest onderricht,
en geen Goddelijke Kennis heeft, en zich toch opwerpt tot Leraar in het Rijk
Gods, en God met onderricht wil dienen, is vals, en dient alleen zijn
buik-afgod, en zijn stoute en hovaardige zin, dat hij geëerd en heilig genaamd
wil zijn. Hij draagt het ambt, is door de mensenkinderen verkozen, die hem ook
alleen maar huichelen, en voor eigen gunst tot het ambt verordineerd hebben.
Christus sprak, wie niet door de deur (dat
is, door Hem) in de Schapenstal gaat,
maar via een andere weg binnenklimt, is een dief en een moordenaar, en de
Schapen volgen hem niet, want zij kennen niet zijn stem.
5. Hij heeft niet de stem van de Geest Gods,
maar alleen de stem van zijn kunst, zijn eigen lering. Hij geeft onderricht,
niet Gods Geest. Christus spreekt; alle
planten die mijn Hemelse Vader niet geplant heeft, zullen uitgeroeid worden. Hoe
wil dan degene die goddeloos is Hemelse planten planten, terwijl hij in zijn
eigen kracht geen zaad heeft? Christus spreekt ronduit; de Schapen horen zijn stem niet, en volgen hem niet na.
6. Het opgeschreven woord is alleen een
werk-instrument waarmee de Geest leidt. Wie het woord wil onderrichten moet in
het letterlijke woord Levend zijn. De
Geest Gods moet in het letterlijke geluid zijn, anders is niemand een Leraar
Gods, maar slechts een leraar van de letters, een kenner van de historie, en
niet van de Geest Gods in Christus. Alles waarmee men God dienen wil moet in
het Geloof geschieden, dat is, in de Geest, deze maakt het werk volkomen en
aangenaam voor God. Alles wat de mens in het Geloof aanvangt en doet, doet hij
in de Geest Gods, welk met hem in het werk meewerkt. Dit is God aangenaam, want
Hij heeft dit dan Zelf gedaan, het is in Zijn Kracht, het is Heilig.
7. Maar hetgeen in de zelfheid, zonder
geloof wordt gemaakt, is niet anders dan een figuur of schors van een waar
Christelijk werk.
8. Dien uw Broeder alleen uit
schijnheiligheid, en zonder plezier, dan dient gij God niet, want uw geloof
gaat niet uit liefde in de hoop, in uw gave. Gij dient uw Broeder wel, en hij
dankt God, en zegent u ook van zijn zijde, maar gij zegent hem niet, want gij
geeft hem een morrige geest in uw gaven. Deze gave gaat niet tot in Gods Geest,
in de hoop des Geloofs, en zo is uw gave maar half gegeven, en ontvangt ge maar
half loon.
9. Zo is het ook met het nemen; wanneer iemand
in het Geloof geeft, in Goddelijke hoop, dan zegent hij de gave in zijn Geloof.
Maar wanneer iemand dit ondankbaar ontvangt, en in de geest mort, dan vervloekt
hij deze gave, die hij tot zijn voordeel ontvangen had. Zo blijft aan ieder het
zijne; hetgeen gij zaait, oogst gij ook.
10. Zo is het ook in het leer-ambt. Hetgeen
iemand uitzaait, oogst hij ook. Zaait iemand goed zaad uit de Geest van
Christus, dan beklijft zulks in de goede harten, en draagt het goede vrucht.
Maar in de goddelozen die dit niet aannemelijk zijn, wordt de toorn Gods
bewogen. Zaait iemand twist, verachting en kwade uitlegging, dan nemen alle
goddeloze mensen dit in, en beklijft het, en draagt zodanige vruchten dat men
elkander bespot, ont-eert, schendt en kwalijk duidt.
11. Hieruit is de grote Babel geboren en
uitgewassen, waar men om de Historie en rechtvaardiging van de arme zondaars
voor God, uit hovaardigheid twist, en de eenvoudigen dwalend en lasterend
maakt, dat de ene Broeder de andere om Historie en letterknechterij veracht, en
aan de duivel overgeeft.
12. Zodanige laster-tongen dienen God niet,
maar het grote gebouw van de afgescheidenheid. Daar in alle mensen in het
aardse vlees nog een verdorven lust ligt, zo wekken zij in de eenvoudige
kinderen Gods ook de gruwel op, en maken Gods volk, samen met de kinderen der
boosheid, lasterend. Het zijn maar bouwmeesters van de grote Babel, en aan de
wereld van zoveel nut als een vijfde wiel aan de wagen, ze zijn slechts van nut
voor het oprichten van het helse gebouw.
13. Daarom is het voor de kinderen Gods
hoognodig dat zij ernstig bidden, en dit valse gebouw leren kennen, en met hun
gemoederen hieruit gaan, en niet mee helpen met het opbouwen, en zo zelf de
kinderen Gods helpen vervolgen. Want zo houden zij zich weg van het Rijk Gods
en worden ze weggevoerd. Zoals Christus tot de Farizeeën sprak; Wee u, gij Farizeeën, gij reist land en
water rond, om een joden-genoot te maken, en wanneer hij het is geworden, dan
maakt gij uit hem een kind van de Hel, tweevoudig meer dan gij zelf zijt. En
dit geschied tegenwoordig op dezelfde wijze in de groepen en sekten, bij de
roepers en twist-leraren.
14. Hierover wil ik alle kinderen Gods, die
gedenken Christus’ ledematen te zijn, voor zulke gruwelijke twist en
bloedtrommelen, uit de (aan mij door God) geopenbaarde gaven, trouwelijk
gewaarschuwd hebben, om van de Broedertwist uit te gaan, en niet anders dan
naar liefde en gerechtigheid tegen alle mensen te trachten.
15. Want is iemand een goede boom, dan zal
hij ook voor een ieder goede vruchten dragen. Al is het dat hij soms zal moeten
lijden, omdat de zwijnen zijn vruchten opeten, evenwel moet hij toch een goede
boom blijven, en voortdurend begeren met God te werken, en ook zich door geen
kwaad te laten overweldigen. Zo staat hij in Gods akker, en draagt vruchten op
de dis van God, welk hij ook eeuwig zal genieten. Amen. 1622. de 24e Juni beëindigd.
Einde