DK over Groepswerk

citaten uit Discipelschap in het Nieuwe Tijdperk

Laat men steeds onthouden dat het nieuwe discipelschap in de eerste plaats een experiment is in groepswerk, en dat het hoofddoel niet is discipelen in de groep individueel te vervolmaken. Deze verklaring beschouw ik als fundamenteel en essentieel. Het is de bedoeling dat de enkelingen elkaar aanvullen en door samenvoeging van hun eigenschappen uiteindelijk een groep vormen, in staat nuttige, geestelijke dingen tot uitdrukking te brengen; een groep waardoor geestelijke energie kan stromen om de mensheid verder te helpen. Het te verrichten werk geschiedt op verstandelijk gebied. De werkkringen waar discipelen individueel dienen, blijven dezelfde als weleer, maar aan de diverse terreinen van hun individueel streven worden groepsactiviteiten en leven toegevoegd, die duidelijk merkbaar zullen worden met het voortschrijden van de tijd. Het eerste oogmerk is dus de groep tot een eenheid samen te smeden, zodat elke deelnemer in nauw verstandelijk contact en geestelijke samenwerking met de anderen zijn werk kan verrichten. Dit vergt onvermijdelijk tijd, en het slagen van deze nieuwe poging van de zijde der Hiërarchie zal afhangen van een nietcritische houding en een geest van liefde uitgaande van elk lid in de groep. Voor sommige discipelen zal dit tamelijk makkelijk zijn te bereiken, voor anderen zeer moeilijk. Zoveel hoogstaande mensen hebben tegenwoordig een te sterk ontwikkeld analytisch denkvermogen. Mettertijd echter, en als er ernstig naar gestreefd wordt, zal dat samensmedingsproces veel sneller verlopen. Dit is dus ons eerste streven, zo ook dat van de groep van elke Meester; het is ook hetgeen de Hiërarchie zelf heeft bereikt, namelijk groepseenheid.

* * * * * * *

Mag ik nog eens herhalen, dat in zekere zin uw persoonlijkheden voor mij van geen belang of gewicht zijn, behalve in zover U de vibratie der groep versnelt of vertraagt. Als persoonlijkheden betekent U voor ons, leraren aan de innerlijke zijde, niets. Als zielen bent U van vitaal belang. Elke discipel in de groep van een Meester kan vele zwakheden en begrenzingen hebben. Deze werken als belemmeringen op anderen in de groep. Als zielen evenwel, zijn zulke discipelen tot enig ontwaken en leven gekomen en hebben ze een zekere mate van gelijkgerichtheid bereikt. Zo is het met U allen in mijn groep. Als zielen heb ik U lief en zoek ik U te helpen en op te heffen, te verruimen en te verlichten. Hier, bij de beschouwing van het individu in de groep en zijn groepsverhoudingen, zou ik graag op een punt de nadruk willen leggen. Waak zorgvuldig over Uw gedachten jegens elkander, roei onmiddellijk alle achterdocht, alle kritiek uit, en tracht elkander zonder ophouden te zien in het licht van liefde. U hebt geen idee van de kracht die van zulk een poging uitgaat, of van het vermogen daarvan om elkaar van banden te bevrijden en de groep op te heffen naar zeer grote hoogten. Door het zuivere licht van liefde tot elkander kunt U nader komen tot mij en tot de Leraren aan de subjectieve zijde van het leven, en sneller komen tot de Poort, die toegang verleent tot de verlichte Weg. U hebt de gelegenheid elkander de wetenschappelijke waarde en macht aan te tonen van de liefde als een natuurkracht. Laat het Uw streven zijn dit te demonstreren.

* * * * * * *

Discipelen moeten zich nu opmaken voor een georganiseerde vastberaden vereende krachtsinspanning. Deze moet de vorm aannemen van een nauwere samenwerking tussen alle groepen, een dichtere aaneensluiting ter versteviging van elkaars handen en, zo mogelijk, bijeenvoeging van elkaars hulpbronnen tot gezamenlijk gebruik. Die poging moet ook uitlopen op een gezamenlijke voorwaartse stoot aan alle geestelijke en occulte bemiddelingsorganen en leiden tot het uitdragen van de waarheid langs alle mogelijke kanalen overal onder de mensen.

* * * * * * *

Op het ogenblik wordt verandering gebracht in deze verhouding van discipelen onderling. Een poging wordt ondernomen om te zien of groepsactiviteit en onderling groepsverkeer in het leven kunnen worden geroepen op het stoffelijk gebied, wat als gevolg het gebruik van etherisch lichaam en brein met zich brengt. De moeilijkheden die zich aan U voordoen zijn dus groot, en ik ben er op gesteld dat U dit goed zult beseffen. U gelieve bijvoorbeeld te bedenken, dat alle meningsverschillen, die zich in de verhoudingen van deze groep discipelen zouden kunnen voordoen, veroorzaakt zullen worden door astrale-brein reacties, die dus van generlei belang moeten worden geacht. Ze moeten onmiddellijk worden uitgeschakeld en uit denkvermogen en geheugen worden weggewist en worden gerangschikt onder beperkingen die uitsluitend de persoonlijkheid betreffen en niet waard om de samenhang van de groep te verstoren. Dit experiment, ondernomen door een groep in mijn ashram, is een experiment in mentale verhouding en in zielecontact, met speciaal hierop gerichte nadruk en aandacht. De astraal-stoffelijke breinreacties moeten worden beschouwd als niet bestaand en als zinsbegoocheling. Ze moeten kunnen terugvallen beneden de drempel van het groepsbewustzijn en daar teniet gaan uit gebrek aan aandacht. Dit soort groepswerk is een nieuwe en gewaagde onderneming en tenzij iets beslist nieuws als resultaat van dit experiment tevoorschijn komt, zijn de tijd en moeite er aan besteed niet verantwoord. U moet zich niet verbeelden dat het speciale werk, waarmee U zich bezig kunt houden, de factor van het grootste belang is. Het is niet in de eerste plaats de ontplooiing van de intuïtie die van belang is of de macht van genezen of telepathische vermogens. Wat bij de Hiërarchie telt bij het functioneren der ashrams is het subjectief vestigen van zulk een krachtig onderling groepsverkeer en groepsverband, dat een wereldeenheid in embryo te zien komt. Het vermogen om, als groep, telepatisch te zijn of, eveneens als groep, intuïtief de waarheid te herkennen, is van waarde en betrekkelijk nieuw. Het nieuwe ervan bestaat in het functioneren als groepen, die in staat zijn als eenheid te werken, die dezelfde idealen hebben, wier persoonlijkheden opgaan in een enkele beweging voorwaarts, wier ritme één is en wier eenheid zo stevig gevestigd is dat niets vermag in de groep de puur menselijke kenmerken van afgescheidenheid, persoonlijke afzondering en zelfzuchtig zoeken te voorschijn te roepen. Onzelfzuchtige mensen zijn niet zeldzaam. Onzelfzuchtige groepen zijn zeer zeldzaam. Zuivere ongehechte toewijding in een menselijk wezen is niet zeldzaam, maar die in een groep aan te treffen is het zeer zeker. Het opgeven van persoonlijke belangen in het welzijn van familie of andere mensen ziet men dikwijls; immers door de eeuwen heen heeft zich de schoonheid van het menselijk hart geopenbaard. Zulk een houding aan te treffen in een hele groep mensen, zulk een opvatting te zien gehandhaafd in ononderbroken ritme, op spontane en natuurlijke wijze geopenbaard, dit zal de glorie zijn van de nieuwe tijd.

* * * * * * *

Maar onthoud dit: niet verworvenheid of graad ligt ten grondslag aan de Loge. Het is hechte onderlinge verbondenheid, eenheid van gedachte, naast verscheidenheid van methode, van streven en van werkwijze. De eigenschap bij uitnemendheid dier Loge is vriendschap in haar zuiverste betekenis. De broederschap is een gemeenschap van zielen, die worden gedreven door het verlangen om te dienen, aangespoord door een spontane drang tot liefhebben, verlicht door één enkel zuiver licht; zielen vol toewijding, tot groepen geworden van dienende geesten en tot energie gedreven door één Leven. Haar leden vormen een organisatie tot uitvoering van het plan, waarmee ze bewust in verbinding staan en weloverwogen samenwerken.

* * * * * * *

Een paar van de meer algemene waanbegrippen wil ik U noemen en laat het dan aan U over de nodige toepassing en uitbreiding van de idee aan te brengen vanaf de enkeling naar de mensheid in haar geheel. Hier volgen de benamingen van enige dezer begoochelingen:

1. De begoocheling omtrent ‘s mensen lot. Dit is een waan die degeen, die er door beheerst wordt, voorspiegelt dat hij een belangrijke taak te vervullen heeft en dat hij moet spreken en werken zoals voorbeschikt is. Dit wekt hoogmoed in de hand die niet gegrond is op werkelijkheid.

2. De begoocheling van aspiratie. Zij die zo zijn aangelegd zijn volmaakt tevreden en vervuld met hun streven naar het licht en vergenoegen zich met het feit dat ze aspiranten zijn. Zulke mensen moeten verder gaan en het pad van discipelschap gaan betreden en hun zorg en zelfvoldoening over hun geestelijke ambities en oogmerken laten varen.

3. De begoocheling van zelfverzekerdheid, of wat men ook wel de astrale grondbeginselen van de discipel zou kunnen noemen. Dit is, in gewone taal uitgedrukt, het geloof dat de discipel zijn gezichtspunt als absoluut juist beschouwt. Dit voedt weer hoogmoed en draagt ertoe bij, dat de discipel zichzelf voor een autoriteit houdt en meent onfeilbaar te zijn. Het is de achtergrond van de theoloog.

4. De begoocheling van plicht. Dit leidt tot overdrijving van verantwoordelijkheidsbesef, wat verlies van energie meebrengt en te grote nadruk legt op het niet essentiële.

5. De begoocheling omtrent de beïnvloeding door de omgeving, hetgeen vaak leidt tot een gevoel van tegenwerking, van nutteloosheid of ook wel van belangrijkheid.

6. De begoocheling omtrent het denkvermogen, als zou dit in staat en competent zijn om alle problemen, van welke aard ook, te kunnen uitdenken. Dit leidt onvermijdelijk tot afzondering en eenzaamheid.

7. De begoocheling van toewijding, welke leidt tot overmatige stimulering van het astrale lichaam. De man of vrouw, door deze begoocheling misleid, ziet slechts één idee, één persoon, één autoriteit en één aspect van de waarheid. Dit voedt fanatisme en geestelijke hoogmoed.

8. De begoocheling van begeerte met zijn terugwerking op het stoffelijk lichaam. Dit leidt tot een toestand van voortdurende strijd en verwarring. Het maakt alle vrede en vruchtbaar werk onmogelijk en er moet te eniger tijd een einde aan worden gemaakt.

9. De begoocheling van persoonlijke eerzucht.

Er zijn nog vele andere soorten van begoocheling, zowel individuele als wereldomvattende, maar de hierboven genoemde zijn voldoende om een algemene strekking aan te duiden.

Zij die in voorbereiding zijn tot inwijding, moeten leren om bewust met begoocheling om te gaan; ze moeten doeltreffend werken met de waarheid zoals die hun wordt geboden zonder te achten op pijn of lijden ofwel mentale twijfel die voortvloeit uit opstandigheid en begrenzing der persoonlijkheid. Ze moeten die “goddelijke ongehechtheid” ten opzichte van persoonlijke overwegingen aankweken die het overwegende waarmerk is van de getrainde ingewijde.

* * * * * * *

Het is van essentieel belang, dat leden dezer groepen een ruimere visie hebben dan nu het geval is. Hun lid zijn in de een of andere groep is in feite een daad van dienst, bewezen aan het werk dat ik en andere leden van de Hiërarchie volgens het Plan ten uitvoer brengen. De individuele discipel moet zijn werk niet beschouwen als een buitengewone kans om zelf geestelijk vooruit te komen. Alle ware discipelen onderscheiden zich gelijkelijk door het vaste voornemen om de groepen te doen slagen en is het hun aller begeren zoveel van het groepswerk te maken als maar mogelijk is. Allen zijn oprecht bezield met hun verlangen om te dienen, maar ook door een algemene ingenomenheid met de belangrijkheid en de gelegenheid die het groepswerk biedt. Naast deze geheel normale en juiste reacties wordt ook veel onwetendheid aangetroffen omtrent de ware betekenis van het werk, een grote mate van zelfzuchtig genoegen en ook wel eerzucht. Dit is natuurlijk, want volmaaktheid kan bij discipelen nog niet worden verwacht.

* * * * * * *

Wat waren de vereisten, waarnaar we moesten uitkijken en wat moest de techniek zijn die voor het nieuwe tijdperk moest worden toegepast ter verhoging van het menselijk bewustzijn? We kwamen tot de conclusie dat het in de allereerste plaats vier punten moesten zijn, die het te verrichten groepswerk zouden onderscheiden en de voor training uitgekozen discipelen zouden kenmerken en wel: gevoeligheid, onpersoonlijkheid, psychische gaven en mentale gerichtheid. Van aspiratie, onzelfzuchtigheid of het verlangen om te dienen gewaag ik niet. Dit zijn grondslagen en fundamentele hoofdzaken en waar die niet aanwezig zijn is het nutteloos om dat soort hulp aan te bieden welke wij trachten te geven.

Bij een terugblik over de geestelijke geschiedenis van het mensenras gedurende de laatste tweeduizend jaren (voor ons doel lang genoeg) zult U opmerken, dat achtereenvolgens de onderstaande methoden zijn toegepast om het denkvermogen der mensen geestelijk te bereiken:

1. De methode om bij de enkeling het bewustzijn te verhogen zodat hij een Wetende werd. Individuele verlossing en het optreden van hoogstaande figuren aan wie geestelijk bewustzijn, visie en verworvenheid werden toegeschreven, kenmerkten de geschiedenis der mystiek in het verleden. Enige hunner traden op de voorgrond langs de weg van het hart, de mystieke weg. Shri Krishna was zo iemand en Franciscus van Assisi en al die Wetenden wier weg die der Liefde was. Tot hen kan men ook rekenen Milarepa uit Tibet en Lao Tze uit China en zovelen der Westerse Kerkheiligen. De Bhagavad Gita was het boek dat deze weg wel op de meest voortreffelijke wijze heeft weergegeven.

Anderen traden op de voorgrond langs de weg van het denkvermogen en waren de intellectuele Wetenden. Hun weg is de meer occulte en dit werd in toenemende mate de weg van onze hedendaagse aspiranten. De reden hiervan is dat de polarisatie van het ras zich steeds meer naar het mentale gebied verlegt. Enige figuren op deze weg van het denkvermogen waren Sankaracharya, de apostel Paulus en Meester Eckhart. In deze tijd zijn er velen die langs deze weg, die der wetenschap, naar voren treden. Dan waren er die boven alles uitrijzende figuren zoals de Christus en de Boeddha, Die gelijktijdig beide wegen in volmaaktheid aflegden en Die op de hoogte van Hun verworvenheid boven Hun medemensen uitreikten. Zij gaven richting aan eeuwen en hemisferen, terwijl de minderen onder de zonen Gods hele landen, bepaalde typen van denkvermogen en minder belangrijke tijdsperioden beïnvloedden.

2. De tweede methode, om tot verhoging van het rasbewustzijn te komen, maakte gebruik van groepen rondom een leraar geschaard die (in meer of mindere mate) een brandpunt was van energie, hetzij a. krachtens de macht van zijn zielecontact, of b. krachtens dat contact en tevens door het fungeren als een verbindingskanaal waardoor leden der Hiërarchie konden werken. Door het voorbeeld dezer leraren, door hun lering, door hun successen en mislukkingen konden degenen die zij om zich heen verzamelden onderricht worden, kon hun trilling worden versterkt en hun bewustzijn worden verruimd. De groep kon een gemagnetiseerd centrum worden van kracht, van doelgerichtheid en van geestelijk licht, waarvan de mate afhankelijk was van de zuiverheid van de aangeslagen toon en de zelfloosheid in hun leven betracht. Het mentale gehalte der groep was ook van invloed, want de gemiddelde trilling en gerichtheid stellen de toon vast voor de groep als geheel.

Op het ogenblik wordt er een proef genomen om het brandpunt der groepen naar binnen te verplaatsen en toch tegelijkertijd hun potentie te vergroten door aan geen individuele leider te veroorloven zich in het groepscentrum op het stoffelijke gebied te bevinden. Allen in de groep moeten worden tezamengebracht als vrije zielen. Samen zullen ze leren; samen in onpersoonlijkheid standhouden; samen dienst betonen aan de wereld.

* * * * * * *

Tijdens het integratieproces van de groep komen aanleg en fundamentele neigingen der samengevoegde groepseigenschappen aan het licht en kunnen worden bestudeerd; in zwakheden kan worden voorzien en juiste richtlijnen kunnen worden aangemoedigd...

* * * * * * *

Ik heb gezegd dat de eerste vereiste gevoeligheid is. Wat is dat precies? Het betekent niet in de eerste plaats, dat U een “gevoelige ziel” bent, waarmee gewoonlijk wordt bedoeld dat U overgevoelig bent, egocentrisch en altijd uit op zelfverweer! Ik doel veeleer op het vermogen dat U in staat stelt om Uw bewustzijn te verruimen, zodat U steeds wijdere gebieden van contact gewaar wordt. Ik doel op het vermogen om ontvankelijk te zijn en prompt in het herkennen van verhoudingen, vlug in het tegemoetkomen aan behoefte, mentaal, emotioneel en stoffelijk aandacht te hebben voor het leven en daarbij snel de gave te ontwikkelen om waar te nemen op alle drie gebieden in de drie werelden tegelijk. Ik stel geen belang in Uw persoonlijke verhoudingen, waar die Uw verkeerde persoonlijke gevoeligheid betreffen ten aanzien van neerslachtigheid, zelfbeklag, zelfverweer, Uw zogenaamde gevoeligheid voor geringschatting en misverstanden, Uw tegenzin voor de toestanden om U heen, Uw gekwetste trots en dergelijke eigenschappen.


Al die dingen brengen U in verwarring en openen in U de sluizen van medelijden met Uzelf. Maar U hebt mij niet nodig om daartegen in te gaan. U bent zich er wel van bewust en kunt ze meester worden indien U dit verkiest. Deze euvelen zijn alleen van belang voor zover ze het leven van Uw groep beïnvloeden. U moet ze tegengaan met zorgvuldigheid en een open oog dat het gevaar al in de verte ziet naderen en tracht te vermijden. De gevoeligheid die ik ontwikkeld zou willen zien is een vatbaarheid voor zielecontact, ontvankelijkheid voor de “stem van de Leraar”, een openstaan voor nieuwe ideeën en de subtiliteit van intuïtieve weerklank. Dit is alleen waarlijk mogelijk wanneer U leert werken door de centra boven het middenrif en leert de werking van de zonnevlecht (die bij de gemiddelde mens zo overheersend is) te transmuteren, zodat die wordt omgezet in werkzaamheid van het hart en dienst aan Uw medemensen. Onpersoonlijkheid is, vooral voor mensen in een vergevorderd stadium van integratie, speciaal moeilijk te bereiken. Er bestaat een nauw verband tussen onpersoonlijkheid en ongehechtheid. Bestudeer dit. Veel gekoesterde denkbeelden, veel met moeite veroverde eigenschappen, veel zorgvuldig aangekweekte rechtschapenheid en veel scherp geformuleerde opvattingen verzetten zich tegen onpersoonlijkheid. Het valt een discipel gedurende het begin van zijn training moeilijk om trouw te blijven vasthouden aan zijn eigen idealen en zijn eigen geestelijke integratie krachtdadig door te zetten en toch onpersoonlijk te blijven ingesteld ten opzichte van andere mensen. Hij vraagt om erkenning van zijn strijd en zijn bereiken. Hij zou zielsgraag het door hem ontstoken licht door anderen opgevangen en weerkaatst zien. Hij zou als discipel willen worden beschouwd en hunkert ernaar om zijn macht te tonen en zijn hoogontwikkelde liefdeaard zodat hij bewondering moge opwekken of tenminste iets uitlokken. Maar er gebeurt niets. Hij wordt niet geacht beter te zijn dan al zijn andere broeders. Het leven schenkt hem dus geen voldoening.

Deze waarheden, die naar voren komen bij zelfonderzoek, worden zelden door iemand onder U zo nadrukkelijk onder het oog gezien of onder woorden gebracht. Daarom (omdat ik probeer U te helpen) formuleer ik ze voor U en houd ik ze U voor ogen. Het valt intelligente mannen en vrouwen moeilijk om aan te zien hoe anderen, met wie ze nauw zijn verbonden, het leven met zijn problemen uit een geheel verschillende gezichtshoek bezien en opvatten en dat ze (van het standpunt van de discipel) weinig verstandig handelen en ogenschijnlijk ernstige fouten maken in hun beoordeling of werkwijze. Echter, broeder van oudsher, waarom bent U er zo zeker van dat U het aan het rechte einde hebt en dat Uw zienswijze per sé juist is ? Het zou wel eens kunnen zijn dat Uw kijk op het leven en Uw interpretatie van de een of andere situatie rechtzetting behoeft en dat Uw drijfveren en Uw houding wel eens nobeler konden zijn of zuiverder. En zelfs al zijn die - voor U - de hoogste en beste die U op een gegeven tijdstip kunt bereiken, zelfs dan nog, vervolg Uw weg en laat Uw broeder de zijne gaan. “Beter iemands eigen dharma dan het dharma van een ander”. Zo drukt de Bhagavad Gita deze waarheid uit en maant op deze wijze de discipel om zich bij zijn eigen zaken te houden. Deze houding van niet willen inmengen en het weigeren om kritiek uit te oefenen vormen generlei beletsel voor wederzijds dienstbetoon of constructieve groepsverhoudingen. Het sluit liefdebetoon of vreugevolle groepssamenwerking niet uit. Er blijft gelegenheid te over tot betrachting van onpersoonlijkheid in alle groepsverhoudingen. In elke groep is wel één lid (misschien zelfs wel meerdere) die een probleem vormt voor zichzelf en U zijn broeders in de groep. Mogelijk bent U er zelf zo een zonder het te weten. Misschien weet U wie onder Uw mededienaren een beproeving is voor zijn medeleden. Misschien kunt U duidelijk zien waar de zwakke plek is in de groep en wie het is die de groep terughoudt van hoger werk. Dat is goed en wel, mits U doorgaat met liefhebben en dienen en U zich onthoudt van kritiek. Het is een verkeerde gedragswijze om steeds maar te proberen Uw broeder in het rechte spoor te brengen, hem te berispen of hem Uw wil of zienswijze op te leggen, maar wel is het geoorloofd ideeën te opperen en suggesties aan de hand te doen. Groepen van discipelen zijn groepen van vrije en onafhankelijke zielen, die hun persoonlijke belangen ten achter stellen bij dienst, die innerlijke samenhang nastreven, waardoor de groep zal worden aaneengesmeed tot een instrument ten dienste van de mensheid en de Hiërarchie. Werk voort aan Uw eigen zieletucht en laat Uw broeders hun eigen gang gaan.

* * * * * * *

Terwijl U met dit werk vordert en probeert de groepsproblemen te begrijpen, zal het U steeds duidelijker worden wat het Plan in werkelijkheid is. Het is even moeilijk voor mij om aan U uit te leggen wat aan dit groepswerk ten grondslag ligt als het zou zijn om een kind van zeven jaar de tiendelige breuken bij te brengen, al was het nog zo bij de hand. Maar als U het vereiste geduld hebt, de bereidheid om onpersoonlijk te werken en vol liefde verder te gaan, als U Uw persoonlijkheden wilt doen opgaan in het groepsleven, dan zult U weten, dan zult U waarnemen en het licht zal doorbreken; de macht om te werken zal tot U komen. Dan zullen we stralende brandpunten of lichtdragers hebben en kanalen voor de geplande krachtspreiding, iets wat nog nimmer is geweest op een schaal zoals we het ons nu voorstellen.

* * * * * * *

U bent volwassen mannen en vrouwen en kent de Weg. Voor de practische toepassing van de Oude Regels bent U persoonlijk verantwoordelijk. Wat U doet is Uw eigen zaak. U bent tot rijpheid gekomen en behoort gereed te zijn voor de volgende stap. Die stap zal worden genomen wanneer U kennis en theorie hebt omgezet in wijsheid, practijk en uitdrukking. Slechts in een geest van wezenlijke onthechting komt het beste werk van de discipel tot stand. De discipel gaat inzien dat hij, op grond van deze onthechting (en voor de rest van zijn leven) alleen maar een werker is, één van een groot leger hiërarchische werkers, van wie verondersteld wordt dat hij geen voorkeuren, doeleinden of wensen der persoonlijkheid heeft. Voor hem bestaat er niets dan onafgebroken omgang met andere mensen. Hij kan van nature een eenzelvig persoon zijn, met een diep verlangen naar eenzaamheid, maar dat doet er niet toe. Het is de losprijs die hij moet betalen voor de hem geboden kans om de nood van het ogenblik te helpen lenigen.

* * * * * * *

Een klein, naar verhouding zelfs zeer klein aantal discipelen en intuïtief ingestelde mensen staan in de hedendaagse wereld tezamen in een tweevoudige activiteit. De ene is het aanvoelen en aanroeren met groter nauwkeurigheid van het zich gestadig ontvouwende subjectieve plan. De andere is het spreken en onderrichten met groter klaarheid en het kiezen met wijzer nauwkeurigheid van de juiste geschreven en gesproken woorden om de waarheid uit te drukken. Daardoor zal de wijze, waarop de aangevoelde werkelijkheden worden voorgesteld, die mensen in de wereld die nadenken ertoe brengen hun tegenwoordige manier van denken prijs te geven en vollediger en vrijer samen te werken ter verlichting van de wereld. Ik gebruik het woord “verlichting” in zijn occulte betekenis. De volle mate van wat kan worden gedaan hangt (voor zover het de individuele discipel betreft) af van zijn innerlijk vermogen om elke dag als ziel te leven, vrij van vrees, vrij van zelfbewustzijn en vrij van die reacties die het astrale of emotionele lichaam drijven tot georganiseerde werkzaamheid, gebaseerd op oude gewoonten. Voor de discipel, en voor het welslagen van zijn werk is een tot verstilling en tot aanvaarding gekomen astraal lichaam, gevoelig voor indrukken van de Ziel, en de visie weergevend in een zo zuiver mogelijke omlijning, het doel.

* * * * * * *

De discipel in het verleden trachtte harmonische verhoudingen met zijn omgeving tot stand te brengen, daar harmonie immers een der bevrijdende krachten is die vooraf moeten gaan aan de vrijmaking van energie, die na inwijding zal worden gebruikt. Hij beoefende geduld en verdraagzaamheid, hulpvaardigheid en dienstbetoon en dit geschiedde langs de weg van correct uiterlijk gedrag, op een basis van innerlijke correcte oriëntatie en geesteshouding. Maar onder het nieuwe systeem (dat noodzakelijk was geworden door de bereikte vorderingen van het ras) moet dit proces van uiterlijk juiste aanpassingen in het nieuwe tijdperk gelijke tred houden met correcte innerlijke verhoudingen, bewust tot stand gebracht en bewust vastgehouden en erkend voor wat ze zijn, door middel van het bewuste denkvermogen en brein van de discipel. Dit houdt dus in waarachtige kennis van het innerlijke groepsverband van de discipel, geestelijk dóórdringen tot het innerlijk leven van een broeder-discipel en de daaruit volgende, gelijktijdige fusie in het hart-denkvermogen-brein van de discipel van alles wat op de uiterlijke zowel als op de innerlijke gebieden bekend is.

* * * * * * *

Er zijn drie punten van groot belang en waarvoor U individuele verantwoordelijkheid draagt:

1. Gemakkelijkheid in de omgang. Als lid van mijn groep is het van overwegend belang dat U twee aspecten aankweekt van de “kunst van gemeenzaamheid”, die immer berust op liefderijke aantrekkingskracht.

a. Gemeenschap of contact met de ziel door middel van aangekweekte gelijkrichting of eenlijnigheid en juiste meditatie.

b. Gemeenschap of contact met Uw groepsbroeders; dit legt de grondslag voor constructieve, gezamenlijke arbeid.

2. Onpersoonlijkheid. Is er nog iets dat ik over dit onderwerp kan zeggen? U moet leren om datgene wat door een groepsbroeder wordt gezegd of geopperd te bezien met volledige en zorgvuldig ontwikkelde goddelijke onbewogenheid. Let op het gebruik van het woord “goddelijk”, want dit bevat de sleutel tot de vereiste geesteshouding. Het is iets anders als de onverschilligheid van “er-niet-om-te-geven”, of de onverschilligheid van een psychologisch ontwikkelde “vlucht” uit datgene wat niet aangenaam is; evenmin is het de onverschilligheid van een meerderwaardigheidsgevoel. Het is de onbewogenheid die alles aanneemt wat geboden wordt, gebruikt wat dienst kan doen, leert wat geleerd kan worden en zich niet laat weerhouden door reacties van de persoonlijkheid. Het is de normale houding van de ziel of het zelf tot het niet-zelf. Het is de uitschakeling van vooroordeel, van alle bekrompen vooropgezette meningen, van alle traditie, -invloed of achtergrond der persoonlijkheid. Het is het proces van onthechting van “de wereld, het vlees en de duivel”, waar het Nieuwe Testament van spreekt.

3. Liefde. Liefde is dat alomvattende, niet critische, magnetische begrip, die levenshouding welke, in groepswerk, de ongereptheid van de groep bewaart, het groepsritme gaande houdt en niet duldt dat bijkomstige voorvallen of levenshoudingen der persoonlijkheid het groepswerk schaden.

Contact, onpersoonlijkheid en liefde. Dit zijn de drie op zichzelf staande doeleinden die ik U allen voor ogen houd. De groepsvereisten waaraan de groep als zodanig moet voldoen en moet vasthouden zijn de volgende:

1. Integriteit van de groep. Deze ontstaat wanneer er een goede integratie is en doelt op het gevoelige evenwicht dat bewaard moet blijven tussen de groepsleden onderling. Ze is van zodanige aard, dat uiteindelijk in de groep als zodanig een bestendigheid en een vrijdom van “geslingerdheid” te voorschijn komen, die ononderbroken groepswerk en wisselwerking mogelijk maken. Dit zal gebeuren als elk der groepsleden zich enkel met zijn eigen zaken bemoeit en zijn groepsbroeders vrij laat om hun eigen taken te behartigen. Dit zal gebeuren als U Uw persoonlijke zaken, Uw persoonlijke belangen en moeilijkheden buiten het groepsleven houdt. Het zal gebeuren als U nalaat over elkaar en elkaars zaken en levenshoudingen te praten. Dit is in dit stadium van het groepswerk van het allerhoogste belang. Indien U hierin kunt slagen, zal dat betekenen, dat U in staat zult zijn Uw denkvermogen onvertroebeld te houden van alle kleinere belangen die het leven der persoonlijkheid raken. En dit betekent dan dat daardoor Uw denkvermogen vrij zal komen voor groepswerk.

2. Fusie. Hiermee bedoel ik het vermogen van de groep om te werken als een eenheid. Dit is afhankelijk van het bereiken van een juiste individuele levenshouding en (al werkende) het verwerven van de bedrevenheid om alles uit het oog te verliezen behalve het werk dat moet worden gedaan en een diepgevoelde liefde tot Uw broeders.

3. Begrip. Ik gebruik dit woord in verband met Uw begrip van het werk dat U gaat ondernemen […]

* * * * * * *

U moet dus in gedachte houden, dat het de taak is van de moderne discipel om in het nieuwe tijdperk de idee uit te dragen, om begoocheling en de grote illusie in het licht te plaatsen. In het licht zullen ze verdwijnen.

* * * * * * *

Een groep is niet machtiger dan zijn zwakste schakel en als een groep lijdt ze esoterisch en als geheel en wordt haar macht besnoeid wanneer één lid faalt in het voldoende benutten van zijn kansen of terugvalt in de begoochelingen van de persoonlijkheid. Dit hebt U zien gebeuren. Als enkelingen tracht ik U te helpen, maar alleen met het oog op Uw groepsintegratie, op Uw groepsinvloed en -begrip en op Uw groepsliefde, vermeerderd met de sterkte die elk Uwer aan het geheel kan bijdragen.

Ik doe hierbij dus een beroep op U als groep om Uw groepsliefde, -doel en -dienst te intensiveren, opdat innerlijke subjectieve integratie snel voortgang moge vinden.

* * * * * * *

In dit verband, mijn broeders, wil ik U een blik gunnen in een fragment persoonlijke geschiedenis, zoals dit in het leven van een discipel zou kunnen gebeuren. Het kan zijn nut hebben als les en als waarschuwing. Meerdere levens geleden zag mijn Meester in mij een zwakheid. Het was er een waarvan ik me totaal onbewust was. Feitelijk was het een eigenschap die ik als een sterkte beschouwde en die ik koesterde als een deugd. Ik was toen een jonge man die er naar verlangde mijn Meester en de mensheid te helpen, maar in de grond van mijn wezen was ik zeer met mezelf als een aspirant ingenomen en hulde intussen steeds weer deze zelfvoldaanheid in een kleed van nederigheid. De Meester liet Zijn kracht en energie in mij stromen en vuurde me zo aan dat wat ik meende dat een deugd was en wat ik had ontkend als een ondeugd mijn ondergang werd. Symbolisch gesproken stortte ik op aarde neer door het gewicht zelf van mijn zwakheid. U zult zeker vragen wat deze zwakheid was? Het was mijn liefde voor mijn Meester die mijn ondergang werd. Na mijn falen maakte Hij mij duidelijk, dat mijn liefde voor Hem in werkelijkheid gegrond was op hoogmoed en diepe zelfvoldoening als aspirant en discipel. Dit ontkende ik heftig en ik was gegriefd dat Hij me zo verkeerd begreep. Maar tenslotte bewees ik toch dat Hij uiteindelijk gelijk had door een leven van mislukking en de diepte van mijn zelfvervuldheid. Ik heb door die mislukking geleerd, maar veel tijd verloren, bezien van het standpunt van nuttig dienstbetoon. Ik heb bevonden, dat ik in waarheid mijzelf diende en niet de mensheid. Voor dergelijke fouten tracht ik U te behoeden, want tijd speelt een grote rol in dienstbetoon. Voor de mensheid in het algemeen is tijd niet van zeer groot belang, maar voor de dienaren van het ras is die van grote betekenis. Verlies daarom geen tijd in onnodig zelfonderzoek, onnodige zelfonderschatting en zelfverdediging. Gaat voort met onderscheidingsvermogen waar het Uw ontwikkeling betreft en met liefde en begrip waar het Uw groep geldt.

* * * * * * *

Er zijn vier dingen die dikwijls een groep discipelen terughouden van het bereiken van hun doel en van bevredigende arbeid:

1. Gebrek aan visie, als gevolg van gebrek aan mentale scherpzinnigheid.

2. Persoonlijke begoocheling. Dit omvat het astrale gebied.

3. Individuele problemen, welke een uitgesproken bezigheid op het stoffelijk gebied met zich meebrengen niet zijn bijzondere omstandigheden en moeilijkheden, in deze moeilijkste aller werelden.

4. Inertia of trage reactie op de meegedeelde lering en de geboden kans.

Diepe overdenking over de drang der tijden en meevoelende erkenning van de weinig gelukkige staat waarin het mensdom verkeert is voor vele discipelen en aspiranten in de huidige wereld hard nodig, vooral voor hen die het wereldgebeuren niet van vlakbij maar op een afstand gadeslaan. Het is zo eenvoudig om vluchtig uiting te geven aan zijn medegevoel, maar tegelijkertijd een te groot energieverbruik aan dienstbetoon en een te intense inspanning tot hulpverlening te vermijden. Het waarmerk van de door gelofte gebonden discipel en een eigenschap die in toenemende mate zijn leven hoort te beheersen is het vermogen om zich te vereenzelvigen, hetzij met een deel of met het geheel, al naar op een gegeven tijdstip geboden lijkt. Zulk een levenshouding brengt mee een golf van begrijpende liefde en deze voert tot alomvattendheid en tot de gelofte om levenslang dienstvaardigheid te betrachten jegens het grootste aantal en de meest behoevenden. Als mij zou worden gevraagd de meest in het oog vallende fout aan te wijzen van de meerderheid der discipelgroepen in deze tijd zou ik zeggen, dat ze een verkeerd soort onverschilligheid tot uitdrukking brengen, wat tot bijna onwrikbaar vervuld zijn van hun persoonlijke denkbeelden en bezigheden leidt. Deze zijn in strijd met groepsintegratie en dreigen het werk te beletten.

* * * * * * *

In het verleden en tot aan de laatste paar jaren is dienst de grondtoon geweest, omdat deze (mits onzelfzuchtig verricht) een techniek belichaamde, die automatisch het hartcentrum in werking stelde. Liefde tot de mensheid, dit is de grootste lacune in het karakter van vele hedendaagse discipelen. Ze hebben diegenen lief met wie ze wellicht gemeenschappelijke banden hebben of ze hebben het werk lief dat samenhangt met groepsstreven, of ze hebben hun vaderland lief. Ze kunnen een ideeële of theoretische veronderstelling liefhebben, maar de mensheid in haar geheel hebben ze niet wezenlijk lief. Er zijn grenzen aan hun vermogen tot liefhebben en wat op het ogenblik hun voornaamste probleem vormt is het doorbreken van die grenzen. Ze moeten leren dat het de mensheid is die vraagt om hun verknochtheid, hun trouw en hun dienstbereidheid. Ik zou U allen willen vragen om diep na te denken over bovengenoemde uitspraken.

* * * * * * *

Ik zou U er ook aan willen herinneren, dat het leven van een discipel steeds een leven is van wagen en van gevaar lopen, dat hij vrijwillig en weloverwogen op zich neemt voor de zaak van geestelijke ontplooiing en dienstbetoon aan de mensheid. Maar ik zou aan elk van U willen vragen om op Uw emotionele leven en reacties toe te zien met grotere zorgvuldigheid. Ik zou U willen vragen speciaal te waken voor het geringste opkomen van begoocheling. Ik zou Uw aandacht willen vestigen op het feit, dat het zich voordoen van emotionele toestanden of van begoocheling in Uw levensuitdrukking niet op mislukking hoeven te duiden. Er is alleen mislukking als er vereenzelviging is met deze astrale toestanden en een terugvallen in oude ritmen.

* * * * * * *