EPISTOLA

OF

ZENDBRIEF

 

Aan een ziel, hongerig en dorstig naar

de Fontein van zoete Liefde van

 

JESUS CHRISTUS

 

Hoe een verlichte Ziel de andere zal zoeken, haar zal vertroosten en op de Pelgrimsweg van Christus brengt, en haar de doornige weg dezer wereld (waar de afgeweken ziel wandelt, en welk tot de afgrond leidt) getrouwelijk tot een spiegel voor ogen zal stellen.

 

opgesteld door een ziel die de kinderen van Jesus Christus liefheeft, onder het kruis van onze Heer Jesus Christus

 

HET ACHSTE BOEK

 

 

Een

 

SAMENSPRAAK

 

Tussen een

 

VERLICHTE en ONVERLICHTE ZIEL

 

.

 

1.Daar was eens een arme ziel uit het Paradijs gewandeld, en zij kwam in het Rijk van deze wereld. Aldaar ontmoette haar de duivel die sprak, "Waar wilt gij heen, gij halfblinde ziel?"

2. Ziel. Ik wil de Creaturen van de Wereld (die de Schepper gemaakt heeft) gaan bezien.

3. Duivel. Hoe kunt gij ze gaan bezien, terwijl gij niet kunt weten van welke essentie en eigenschappen zij zijn? Gij ziet ze slechts als een gemaakt beeld, en kunt ze niet werkelijk leren kennen.

4. Ziel. Hoe zou ik haar in eigenschap en wezen kunnen leren kennen?

5. Duivel. Wanneer gij eet van hetgeen, waar de Creaturen goed en kwaad van geworden zijn, dan worden uw ogen geopend, en gij zult zijn als God, en ondervinden wat de Schepper is.

6. Ziel. Ik ben edel en heilig, ik zou daarvan kunnen sterven, zoals de Schepper heeft gezegd.

7. Duivel. Gij zult op generlei wijze sterven, maar uw ogen zullen geopend worden, en gij zult zijn als God Zelf, en zult kwaad en goed kennen. Zo zult gij machtig, geweldig en groot worden, zoals ik ben. Alle kennis der Creaturen zal u openbaar zijn.

8. Ziel. Wanneer ik de kennis over de natuur en van de Creaturen had, dan zou ik over de Wereld kunnen heersen.

9. Duivel. De grond tot zulke kennis ligt in uzelf. Wendt uw wil van God af, en richt het op Natuur en Creatuur, dan zal in u een heerlijke lust ontstaan, die u van de boom der kennis van goed en kwaad doet eten, en dan zult gij alles kennen.

10. Ziel. Ik wil eten van de kennis van goed en kwaad, opdat ik in eigen macht heers over alle dingen, en dat ik Heer op aarde ben, en doe wat ik wil, als God zelf.

11. Duivel. Ik ben de Vorst des Werelds, wanneer gij op aarde wilt heersen, dan moet ge uw lust in mijn gelijkenis binnenvoeren, opdat gij de kennis van mijn beeld verkrijgt.

En hij toonde haar het vuur-rad der Essentie [of des wezens] in de gedaante van een slang.

12. Toen de Ziel dit zag sprak zij; Zie daar! Dat is de macht van alle dingen, hoe kan ik ook zo worden?

13. Duivel. Gij zijt ook een zodanige genegenheid, en wanneer ge uw wil van God verbreekt, en uw begeerte in deze Kunst invoert dan zal uw verborgen grond in u openbaar worden, en zult ook gij zo kunnen werken, maar ge moet van de vrucht eten, waarin de vier Elementen (ieder één in zichzelf) over elkander regeren. Zoals zij in tweedracht en strijd zijn, zoals de hitte tegen de kou en de koude tegen de hitte, waar alle eigenschappen in de natuur in bevindelijkheid werken, zo zult gij ook zijn, gelijk het vuur-rad, en ge zult alle dingen in eigen geweld {kracht} brengen, en tot eigendom bezitten.

14. Nu de Ziel haar wil van God verbrak, en haar begeerte in het vuur-rad voerde, ontstond in haar direct de lust om van de kennis van goed en kwaad te eten, en ze greep deze vrucht aan en at ervan.

15. Toen dit geschiedde ontstak Vulcanus het Vuur-rad der Essentie [of des wezens], en zo ontwaakten alle eigenschappen der natuur in de Ziel, en voerde haar in eigen lust en begeerte. Ten eerste onstond er een lust tot hovaardigheid, om groot, machtig en geweldig te zijn, alles onder haar te dwingen, en met geweld hierover te heersen;  de lust eigen Heer te zijn, die geen gelijke kent.

16. Ten tweede ontstond er een lust tot begeerte der aannemelijkheid, dat is, de gierigheid. Deze wilde alles naar zich toe trekken en bezitten, want doordat de afgekeerde lust der hovaardigheid haar wil van God afwendde, kon het leven niet meer op God vertrouwen en moest het voor zichzelf zorgen. Zo voerde zijn begeerte in de Creaturen, in de aarde, in metaal en bomen.

17. Dat aangestoken vuur-leven werd zo gierig en hongerig nadat het van de Eenheid, Liefde en Zachtmoedigheid Gods gescheiden was, dat het de vier Elementen (en hun wezen) aantrok, en zichzelf in een volledig dierlijke aard voerde. Hier werd het leven geheel donker, rouw en grimmig, van de Hemelse krachten en kleuren verstoken.

18. Ten derde waakte in het vurige leven een stekende vijandige lust op, de nijdigheid {afgunst}; dit is het helse vergif, de kwaal [of eigenschap] van alle duivelen, waardoor het leven  een vijand van God en alle Creaturen werd. Deze nijdigheid woedde en tobde in de begeerte van de gierigheid, als een vergif in het lichaam. Wat de gierigheid niet naar zich toe kon trekken, dat zou de nijdigheid vermoorden. Hierdoor ging de edele liefde van deze ziel geheel te gronde.

19. Ten vierde waakte in dit vurige leven een kwaal [of eigenschap] op die was als vuur, en dat was de toorn. Die wilde alles wat niet aan de hovaardigheid onderworpen wou zijn vermoorden en doden.

20. Aldus werd het helse fundament (de Toorn Gods genaamd) geheel in de ziel openbaar, en ze verloor hierdoor God, Paradijs, en het Rijk der Hemelen, en werd een worm, als een vurige slang, naar het beeld van de duivel. Ze begon op aarde te regeren, en deed alles naar de wil des duivels; leefde enkel in hovaardigheid, gierigheid, nijdigheid en toorn, en had geen ware liefde meer tot God. In plaats daarvan was de dierlijke liefde ontstaan, naar ontucht en ijdelheid. Er was in het geheel geen reinheid meer in het hart, want ze had het Paradijs verlaten, en de aarde in bezit genomen. Haar zinnen waren nu gericht op de kunsten, wetenschap, hoogheid en veelheid der natuurlijke dingen, en in haar verbleef geen gerechtigheid noch deugdzaamheid. De valsheid die zij doorgaans bedreef dekte zij met list toe, en ze noemde het ‘recht’.

21. Terwijl dit zo geschiedde, naderde de duivel haar, en voerde haar van de ene laster in de andere, want hij had haar in haar Essentie [of wezen] gevangen, en daarin stelde hij haar voor vreugde en wellust, en sprak tot haar; Zie, gij zijt nu tegenwoordig geweldig, machtig en edel, zie dat ge nog groter en geweldiger wordt, gebruik uw kunst en wijsheid opdat ieder u ontziet, dan kunt ge een aanzien en een grote naam in de wereld hebben.

22. De ziel deed naar des duivels raad, hoewel ze hem niet herkende als de duivel.  Ze meende dat het haar eigen wijsheid en verstand was, en dat ze er juist en goed aan deed hiernaar te handelen.

23. Terwijl ze aldus liep in zodanige wandel, ontmoette haar op een keer onze lieve Here Jesus Christus met de Liefde en de toorn Gods, die in de wereld was gekomen om alle werken des duivels te vernietigen, en over alle werken der goddeloosheid een oordeel te vellen. Hij sprak (met een geweldige kracht) met zijn lijden, sterven en dood, inwendig in haar, en vermorzelde aldaar de werken des duivels, en opende haar de weg tot Zijn Genade, en aanschouwde haar met Zijn Barmhartigheid, riep haar op om terug te keren, dat ze zich zou omkeren en boete zou doen.  Zo wilde Hij haar van de mismaakte beeltenis verlossen, en weer in het Paradijs invoeren.

24. Nu in haar het vonkje van de Liefde Gods openbaar werd, bezag zij zichzelf, en al haar werken en willen, en ze werd gewaar dat ze in de hel (in de toorn Gods) stond. Ze bekende dat ze een mismaakt monster was (voor God en het Rijk der Hemelen), waarvoor zij zeer verschrikte, en in haar de grote angst ontwaakte, want in haar werd het oordeel Gods openbaar.

25. Toen dit geschiedde sprak de Here Christus met Zijn Stem der Genade in haar; doet boete en bekeer u, verlaat de ijdelheid, dan komt ge in mijn Genade.

26. De ziel (in haar mismaakte beeld) trad (met de bevlekte rok der ijdelheid) voor God, en bad om genade, of God haar zonden wilde vergeven. Zij verbeelde zichzelf vast in de genoegdoening en de verzoening van onze Here Jesus Christus.

27. Maar de boze eigenschappen (van de afgebeelde slang in de astrale geest) wilden de wil van de ziel niet voor God laten komen, maar legden hun eigen lust en begeerte daarin, want ze [de boze eigenschappen] wilden hun eigen lust niet afsterven, noch de wereld verlaten, want zij waren tenslotte uit de wereld {ontstaan}. Ook vreesden zij de spot van de wereld wanneer ze de wereldse eer en heerlijkheid zouden verlaten. Maar de arme ziel wendde haar aangezicht tot God, begeerde van God Genade, dat God haar Zijn Liefde wilde geven.

28. Nu de duivel zag dat de ziel tot God bad, en in bekering wilde gaan, trad hij tot de ziel, en voerde de genegenheden (van de aardse eigenschappen) in het gebed, en verwarde de goede gedachten die tot God drongen, en trok haar terug tot de aardse dingen, opdat ze niet tot God zou komen. De wil van de ziel reikte naar God, maar de uitgaande gedachten (die tot God zouden doordringen) werden verstrooid, en vermochten de Kracht Gods niet bereiken.

29. Hierover verschrikte de arme ziel nog veel meer, omdat zij haar begeren niet in God kon brengen, en ze begon nog heviger te bidden. Maar de duivel greep (met zijn begeren) in het ontstoken vuur-rad des levens, en wekte de boze eigenschappen op, zodat de valse genegenheden opklommen en in hetgeen waar zij zich tevoren in vermaakt en verlustigd hadden binnengingen.

30. De arme ziel wilde met haar wil tot God komen, en beangstigde zich zeer, maar de gedachten vlogen alle van God weg in aardse dingen, en wilde niet tot God ingaan. De ziel reikte en smeekte tot God, maar het was alsof ze gans en geheel van het aangezicht Gods verstoten was. Ze kon geen glimpje van de Genade bereiken, en stond in enkel angst, in grote vrees, en meende voortdurend dat de toorn en het gestrenge oordeel Gods in haar openbaar zouden worden, en dat de duivel haar zou grijpen. Zo viel zij in grote treurigheid en ellende, waardoor ze alle vreugden en wellust van tijdelijke (tevoren gepleegde) dingen moe werd.

31. De aardse natuurlijke wil, die begeerde deze vreugden en wellust wel, maar de ziel wilde deze geheel verlaten, en begeerde alle tijdelijke lust en vreugde af te sterven, en stelde haar verlangen naar haar eerste Vaderland, waar ze oorspronkelijk vandaan was gekomen. Maar ze vond zichzelf daar ver vandaan, en in grote verlatenheid en ellende, en wist niet wat ze doen moest. Ze nam zich voor in zichzelf te gaan, en zichzelf nog meer op te wekken, en heftiger te bidden. Maar de duivel wederstond haar, zodat ze niet in groter beweging en bekering kon ingaan.

32. De duivel verwekte de aardse lust in het hart, opdat die genegenheden hun valse natuur behielden, en zich teweer stelden tegen de wil en het begeren van de ziel, want zij [de genegenheden] wilden hun eigen wil en lust niet afsterven, maar hun tijdelijke wellusten behouden. Ze hielden de arme ziel (in hun valse begeren) gevangen, opdat zij zichzelf niet op kon wekken, hoe heftig zij ook steeds naar de Genade Gods reikte en smachtte.

33. Dus wanneer de ziel tot God drong en bad, dan greep de vleselijke lust de uitgaande stralen (van de ziel) in zich, en voerde deze de aardse gedachten in, en van God af, zodat de ziel geen goddelijke Kracht kon bekomen. En zo zag de ziel zichzelf aan, alsof ze door God verstoten was, en ze wist niet dat God haar naar Zich toetrok, en dat Hij haar zo nabij was.

34. Zo trad ook de duivel tot haar in het vuur-rad des levens, en vermengde zijn begeerten in de vleselijke aardse lust, en hij spotte met de arme ziel, en sprak in de aardse gedachten tot haar; waarom bid gij toch? meent ge echt dat God u hoort en begeert? ziet toch uzelf aan, wat zijn dat voor gedachten die gij voor Hem hebt, zij zijn toch al tezamen boos, gij hebt geen geloof aan God, hoe zal Hij u dan verhoren? Hij hoort u niet, laat maar af, het is niet goed, ge wordt nog van uw zinnen beroofd.

35. Wat kwelt gij uzelf? Ziet toch de wereld aan hoe zij in vreugde leeft, zij zal evenwel zalig worden, Christus heeft toch voor alle mensen betaald en genoeg gedaan. Gij behoeft u daar maar mee te troosten, dat het geschied is; zo wordt gij zalig. Gij kunt alhier in deze wereld niet tot de ondervinding Gods komen, laat maar af, en gebruik des lichaams en tijdelijke heerlijkheid.

36. Wat meent gij toch dat uit u zal worden? Als gij zo melancholisch en zinneloos wordt, dan zult gij voor ieder een gek zijn, en in treurigheid leven, wat noch God, noch de natuur zal behagen. Ziet toch de schone wereld, waar God u in geschapen heeft, en tot een heer over alle Creaturen heeft gemaakt, om over hen te heersen. Verzamel eerst het tijdelijk goed, opdat gij de wereld niet meer van node hebt, en wanneer dan uw ouderdom komt en het einde nadert, dan kunt u boete doen, en God zal u evenwel zalig maken, en in de Hemel nemen. Het is niet nodig zodanig klagen en strengheid te verwekken, zoals gij doet.

37. In deze en dergelijke gedachten werd de ziel door de duivel in de vleselijke wil en de aardse lust gevat, als met grote ketenen aangebonden, en ze wist niet wat te doen. Haar gedachten waren een weinig terug in de wereld en in haar wellust, maar toch bevond zich ook een honger naar de Genade Gods in haar, en wilde ze steeds graag de boete ingaan, en tot de Genade Gods komen, want de hand Gods had haar aangeraakt, en ontroerd, daarom kon zij nergens rusten, maar neigde voortdurend (in zichzelf) naar leedwezen over haar bedreven zonden, en wilde ze hiervan verlost zijn. Ze kon evenwel niet tot een juist berouw komen, en veel minder nog tot kennis van de zonden, en toch stond ze in zodanige honger en begeerte naar leedwezen en boete.

38. Terwijl ze nu in zulke treurigheid stond, en nergens raad noch rust kon vinden, overdacht ze waar ze dan tóch een plaats zou kunnen vinden waar ze werkelijk boete kon doen, en ze van de belemmeringen des werelds en haar eigen manieren vrij zou zijn. Ook overdacht ze op welke wijze ze bij God in genade zou komen. Derhalve nam zij zich voor om zich naar een eenzame plaats te begeven, en zich van alle tijdelijkheid af te wenden. Ook nam zij voor aan de armen veel goeds te doen, opdat God haar genadig zou zijn, en ze zocht allerhande manieren om tot rust, en tot de Liefde en Genade te komen.

39. Maar dit alles wilde haar nog geen vastigheid geven, want al haar aardse manieren (in de lust van het vlees) volgden haar na, en ze was zowel het ene als het andere moment in het net des duivels gevangen, en kon niet tot rust komen. En al was het dat ze zich soms een korte tijd met aardse dingen vermaakte, terstonds kwamen de droefheid en ellende weer, want ze voelde de opgewaakte strengheid Gods in haar, en ze wist niet hoe ze het had, of wat haar was overkomen. Menigmaal overvielen aanvechtingen en grote vrees haar, waardoor zij troosteloos, en ziek van angst werd.

40. Zo machtig bewoog zich de straal van de eerste aangrijping en beweging der genade; maar zij wist niet dat Christus in haar hel (in de toorn en strenge gerechtigheid Gods) stond, en met de ingewortelde Satan streed. En dat haar honger en begeren (tot boete en bekering), waar ze zo door werd aangetrokken, van Christus zelf kwam. Ook wist ze niet wat haar nog ontbrak, waardoor ze niet tot de Goddelijke ondervinding kon geraken. Ze wist niet dat ze een monster was, en het beeld van de slang aan haar droeg, waarin de duivel zodanige macht en toegang in haar had, waarin hij al haar goede gedachten had verward en van God afgevoerd. Hierover sprak Christus; De duivel scheurt hen het Woord uit het hart, opdat ze niet geloven en zalig worden.

41. Door de besturing Gods ontmoette haar nu een van God verlichte en nieuwgeboren Ziel, en sprak:

 

Verlichte Ziel.

 

Wat schort u, gij bedroefde ziel, dat gij zo onrustig zijt, en in dusdanige bekommernis staat?

 

Bedroefde ziel.

 

42. De Schepper heeft Zijn aangezicht voor mij verborgen, zodat ik niet tot Zijn Rust kan komen. Daarom ben ik zo droevig, en weet ik niet wat ik moet doen om Zijn goedertierendheid te mogen genieten. Want er liggen grote bergen en spelonken tussen mij en Zijn Genade, waardoor ik niet tot Hem kan komen, hoe zeer ik ook naar Hem verlang, zo wordt ik toch tegengehouden, zodat ik Zijn Kracht niet bereiken kan, al is het dat ik me hierom bekommer, en met hartelijk verlangen op Hem wacht.

 

Verlichte Ziel.

 

43. Gij draagt aan u een mom-aanzichts des duivels, dat eruit ziet als een slang, en gij zijt daarmee bedekt, en daarin heeft de duivel een toegang tot u, als tot zijn eigenschap, en hij houdt uw wil daarin op, opdat die niet tot God kan indringen, want wanneer het geschiedt dat uw wil tot God mocht indringen, dan zoud gij gezalfd worden met de hoogste kracht Gods, in de opstanding onzes Heren Jesus Christus, en dan zou deze zalving dat monster in u verbreken, en uw oorspronkelijke Paradijs-Beeld zou wederom in u openbaar worden. De duivel zou zijn macht aan u verliezen, en gij zoudt weer een Engel worden. Omdat de duivel u zulks niet gunt, houdt hij u in zijn begeren (in de lust van het  vlees) gevangen, en wanneer gij daar niet los van wordt, blijft ge afgescheiden van God, en kunt ge nimmer in ons gezelschap komen.

 

44. Van deze rede schrok de arme bedroefde ziel zozeer, dat zij er geen woord over kon spreken; omdat zij hoorde dat zij het beeld van de slang aan haar droeg, welk haar van God afscheidde, en ook omdat de duivel haar zo na (in dit beeld) bijwoonde, en haar wil in valse gedachten vermengde, en dat hij over haar zoveel macht had, dat zij ook zo dichtbij de verdoemenis was, en in de afgrond van de hel, in de toorn Gods, gevangen stond. Daarenboven zou ze nog vertwijfeld raken over de genade Gods.

45. Maar de kracht van haar beweging hield haar voor dat ze niet moest vertwijfelen, en worstelde in haar, in hoop en twijfel, opdat de hoop verder werd opgebouwd en de twijfel verbroken, en zo stond zij in voortdurende onrust waarin ten laatste de wereld (met haar schone glans) haar een walging werd, en ze wilde generlei wereldse vreugde meer plegen. Desondanks kon ze niet tot rust komen.

46. Na een tijdje kwam de Verlichte Ziel weer tot haar, en vond ze in dusdanige bekommering, en sprak tot haar;

 

Verlichte Ziel.

 

Wat doet gij? Wilt ge uzelf om hals helpen in uw bekommering? Waarom kwelt gij u in uw eigen vermogen en wil? Daar gij toch een worm zijt, en uw ellende daardoor alleen groter wordt? Ja, al was het dat ge in het diepste van de zee daalde, of kon vliegen tot waar de dageraad opgaat, en u boven de sterren kon verheffen, dan zoudt gij nochtans niet los worden. Want hoe meer gij vreest [of bekommert] hoe groter en pijnlijker uw natuur wordt, en zo kunt ge niet tot gerustheid komen. Want uw krachten zijn alle verloren, gelijk een verdorde kool-struik (uit eigen vermogen) niet weder kan groeien, noch sap verkrijgt, om zich alzo wederom met de bomen te verheugen. Alzo kunt gij ook (uit eigen vermogen) de plaats Gods niet bereiken, en u veranderen in uw eerste Engelen-Gestalte die gij gehad hebt, want gij zijt aan God verstorven, gelijk een verdorde koolstruik aan krachten en sap, en zijt maar een bekommerlijke en verdroogde honger, uw eigenschappen zijn als de hitte en de kou, die in strijd staan, en nimmermeer verenigd kunnen worden.

 

Bedroefde ziel.

 

47.Wat zal ik dan doen, opdat ik wederom mag groenen, en dat ik ’t Leven (dat ik eerst heb gehad, in welk de rust stond, voor ik een beeld werd) weer mag verkrijgen?

 

Verlichte Ziel.

 

48. Gij zult niet anders doen dan alleen uw eigen wil, en zelf-aannemelijkheid [of ikheid en zelfheid] verlaten. Zo zullen de kwade eigenschappen allen tezamen zwak worden, en zich in de dood overgeven. Zo verzinkt ge wederom in dat (Ene) waaruit gij in den beginne gekomen zijt; want gij ligt tegenwoordig in de Creaturen gevangen. Wanneer nu uw wil deze {Creaturen} verlaat, dan sterven ze in u (zij die u nu ophouden, opdat ge niet tot God kunt komen) met hun kwade genegenheden.

49. En wanneer ge dit nu doet, dan zal God u met Zijn hoogste Liefde, die Hij in de menswording van Christus Jesus geopenbaard heeft, u tegemoet komen. Hij zal u weer sap en leven geven, opdat ge weer zult groeien, en u weer in de levendige God zult verheugen. Ook zult gij dat Beeld Gods weer bekomen, en van ’t beeld der slang verlost worden, en dan komt gij tot onze schare der Engelen, en wordt ge mijn broeder.

 

Bedroefde ziel.

 

50. Hoe kan ik mijn wil verlaten, opdat de Creaturen daarin sterven? Ik moet toch in de wereld leven, en heb ook de wereld van node?

 

Verlichte Ziel.

 

51. Nu houdt gij tijdelijke eer en goed voor uw eigendom, en hiernaast ook de wellustigheid van het vlees, en wat gij daarin doet, of hoe gij dit aantrekt, dat acht gij weinig. En al ziet gij de ellendige (die toch uw broeder is) gebrek lijden, toch helpt gij hem niet, maar gij trekt hem aan uw banden, en kwelt hem door zijn arbeid en moeite naar uzelf toe te trekken, en u daarin te vermaken. Zo zijt gij daarin hoogmoedig, en verheft u tegen hem, en acht hem gering tegenover uzelf.

52. Zo staat de ellendige, en zucht hij voor God, dat hem zijn arbeid ontnomen wordt, en dat hij onder u in ellende moet leven. Zo verwekt hij (met zijn zuchten) de toorn Gods in u, die uw vlammen [of onverzadigbare begeerte] en onrust doorgaans groter maakt.

53. Het zijn uw Creaturen die ge bemint, en ter wille van de Creaturen hebt ge u van God afgebroken, en uw liefde in hen gevoerd. Zo leven zij in uw liefde, en gij onderhoudt hen met uw begeerten en de gedurige aannemelijkheid (wanneer gij uw levenslust in hen voert). Zij zijn maar onreine boze dieren, welke zich (in  uw aannemelijkheid in uw lust) met u hebben ingebeeld.

54. En dat zelfde beeld is een dier met vier boze genegenheden. Het eerste is hovaardigheid, het tweede is gierigheid, het derde is nijdigheid {afgunst}, en het vierde toorn. En in deze vier eigenschappen staat het fundament van de hel, en dit beeld draagt gij in en aan u, en daarin zijt gij geheel gevangen. Want deze eigenschappen leven in uw eigen leven, en daarmee zijt gij van God afgescheiden, en kunt ge niet tot God komen, tenzij dat ge deze boze Creaturen verlaat en zij in u sterven.

55. Aangaande dat gij van mij begeert te weten, op welke wijze ge uw eigen (boze Creatuurlijke) wil zult verlaten, opdat zodanige Creaturen mochten sterven, en evenwel toch bij hen in deze wereld mocht leven, zeg ik u dat (om daar toe te geraken) er maar één weg is, die eng en smal is. Daar op te wandelen zal u in het begin zeer zwaar vallen, maar daarna zult gij daar met vreugde op gaan.

56. Gij moet goed betrachten en overwegen, op welke wijze gij (in dusdanige wandel in de wereld) in de toorn Gods en in ’t fundament der hel wandelt, en dat het uw ware Vaderland niet is, en dat een Christen in Christus zal moeten leven, wandelen, en hem waarlijk moet navolgen. En dat hij anders geen waar Christen kan zijn, maar slechts dan wanneer Christus’ Geest en Kracht in hem leven, en hij zich gans aan Hem overgeeft.

57. Het Rijk van Christus is niet van deze wereld, maar in de Hemel. Derhalve moet gij in een gestadige Hemel-vaart staan wanneer gij Christus wilt navolgen, al is het dat gij (naar het lichaam) bij de Creaturen wandelt, en deze gebruiken moet.

58. De smalle weg tot zodanige gestadige Hemel-vaart en navolging van Christus is deze; gij moet van al uw eigen kunnen en vermogen afstand doen (want in eigen kracht kunt gij de poort Gods niet bereiken), en gij moet u vastelijk voornemen, dat gij uzelf gans en geheel wilt overgeven aan de Barmhartigheid Gods. Gij beeld u vastelijk het lijden en sterven van onze Heer Jesus Christus in, en verzinkt uzelf (met al uw zinnen en vernuft) daarin, voortdurend hierin volhardend, en begerend al uw Creaturen daarin af te sterven.

59. Daarnaast zult gij u heel vast voornemen, uw lust en gemoed van alle valse aannemelijkheid af te wenden, en u (door tijdelijk eergevoel en goed) niet vast te laten houden, en ook alle ongerechtigheid, en al wat u zou mogen beletten, van u weg te doen. Uw wil moet geheel rein en in zodanig voornemen gesteld zijn, dat gij nimmermeer wilt terugkeren in uw valse Creaturen, maar dat gij hen van stonden aan wilt verlaten, en uw gemoed van hen wilt afzonderen, en ook dat gij ter zelfde ure op de weg der zuivere waarheid wilt treden, en de Leer van Christus na wilt volgen.

60.  En zoals gij nu voorneemt uw vijanden (van uw eigen natuur) te verlaten, zo moet gij ook al uw uiterlijke vijanden vergeven, en u voornemen hen met liefde te ontmoeten, opdat niet ergens een Creatuur zij, welke zich in uw wil zou mogen vatten, en u ophouden, maar dat uw wil gereinigd wordt van alle Creaturen.

61. Ook zult gij om Christus wille al uw tijdelijke eer en goed (wanneer dit nodig is) gewillig verlaten, en geen bekommering (door het beminnen van aardse dingen) en begeerte hebben, maar in uw staat (in tijdelijke eer en goed) u achten voor een dienaar Gods, en uw even-Christen als een huis-Vader in het Ambt des Heren.  De hoge ogen van eigenliefde moeten gebroken en verootmoedigd worden, opdat daar geen Creaturen in blijven, die de zinnen in beelden zouden kunnen invoeren.

62. Daarbij zult gij u vastelijk inbeelden, dat gij de beloofde genade in de verdienste van Jesus Christus (als Zijn uitvloeiende Liefde) zult ontvangen, die u van uw Creaturen zal verlossen, en uw wil verlichten, en met de vlammen der Liefde ontsteken, waardoor gij een overwinnaar des duivels zult worden.

63. Niet dat gij zelf iets doen of willen kunt; maar gij zult uzelf het lijden en de verrijzenis van Christus inbeelden, en tot een eigendom in u vatten, en daarmee zal de duivel zijn rijk in u verbreken, bestormen, en uw Creaturen zullen gedood worden. U zult uzelf voornemen op dit uur daar in te treden, en in de eeuwigheid daar niet van te willen wijken, maar begerend zijn uw wil (in alles wat gij aanvangt of doet) aan God over te geven, opdat Hij met u werkt en doet wat Hij wil.

64. Wanneer nu uw wil en voornemen alzo bereid zullen zijn, dan is hij door uw Creaturen doorgebroken, en staat rein voor God, met de verdienste van Jesus Christus omvangen. Dan mag Hij met de verloren Zoon tot de Vader gaan, en voor Zijn aangezicht voor Hem neervallen, zijn belijdenis voor Hem uitstorten, en al zijn vermogen in ‘t werk stellen, om zijn zonde en ongehoorzaamheid (tezamen met zijn afkering) voor God te belijden. Niet met blote woorden, maar met alle kracht (wat toch maar slechts een voornemen is, want:) De ziel vermag zelf niets.

65. Wanneer gij nu aldus bereid zijt, dat de eeuwige Vader uw aankomst zal zien, dat gij in zodanige bekering, in ootmoedigheid tot Hem komt, dan zal Hij inwendig in u spreken en zeggen: Ziet, dat is mijn Zoon die ik verloren had, hij was dood, en is weer levend geworden, en Hij zal u met Genade, en Liefde van Jesus Christus tegemoet komen, en u met de straal der Liefde omhelzen, en u met Zijn Geest des Krachts kussen. Aldaar zult gij kracht bekomen om uw belijdenis voor Hem uit te storten, en krachtig te bidden.

66. En alhier is nu de juiste plaats waar gij in zodanige verlichting Gods mocht worstelen; wanneer gij alhier volstandig blijft, en niet afwijkt, dan zult gij een groot wonder zien en ondervinden: Want gij zult in u bevinden, hoe Christus de hel in u bestormt, en uw dieren verbreken wil, ook wat voor oproer en gejammer er in u zal ontstaan, en hoe dan eerst nog uw onbekende zonden zullen ontwaken, die u van uw God zullen willen scheiden, en terughouden, en ge zult goed ondervinden, hoe dood en leven tegen elkander strijden, ook zult gij ondervinden wat Hemel en hel is.

67. Aan dit alles zult gij u niet stoten [of ergeren] maar ge zult vast staan, en niet afwijken. Zo zullen uw boze dieren mak en zwak worden, en zich in de dood overgeven. Zo wordt uw wil krachtiger, om de boze genegenheden te onderdrukken, en zo zullen uw wil en gemoed dagelijks ten Hemel varen, en uw Creaturen zullen dagelijks sterven. Ge zult een geheel nieuw gemoed bekomen, en aanvangen een nieuwe Creatuur (in het Beeld Gods veranderd) te worden, en ge zult van het mismaakte dierlijke beeld ontbonden worden. Zo komt gij dan weer tot rust, en wordt ge van deze benauwdheid verlost.

68. Nu deze arme ziel dusdanige weg en oefening, met zodanige ernst aanving, zo meende zij van stonden aan te overwinnen. Maar de deur des Hemels werd in haar kracht en vermogen toegesloten, alsof ze van God verstoten was, en ze ontving geen aanblik der Genade. Toen dacht ze bij zichzelf, gij zijt niet gans en geheel aan God overgegeven, gij zult niets van God bidden noch begeren, maar u in Zijn Oordeel overgeven, opdat Hij uw boze genegenheden doodt. Gij zult u slechts te gronde (buiten alle natuur en Creatuur) in Hem verzinken, en uzelf aan Hem overgeven, Hij doet met U wat Hij wil, want Gij zijt niet waardig dat ge Hem aanspreekt. En zo gaf zij zichzelf over, om te verzinken in Hem, en zo haar eigen wil geheel te verlaten.

69. En toen zij dit deed, kwam de allergrootste berouw over haar bedreven zonden, en beweende ze haar mismaaktheid zeer bitterlijk, omdat Creaturen in haar woonden, en zij kon van rouw voor God geen woord meer spreken. Ze bekende in zodanige rouw het bittere lijden en sterven van Jesus Christus, hoe Hij om harentwil een zo grote benauwdheid en marteling had geleden, om haar uit zodanige benauwdheid te verlossen, en weer in het Beeld Gods te veranderen. Hierin verzonk zij gans en geheel, en deed niets dan klagen over haar onverstand en nalatigheid, dat zij Hem [haar Verlosser] niet dankbaar was geweest, en zodanige grote liefde niet eens had bemerkt, en ze haar tijd zo kwalijk had doorgebracht, en niet had waargenomen op welke wijze zij zodanige genade deelachtig had kunnen worden. Maar dat zij zich ondertussen met de ijdele lust des werelds (in aardse dingen) had ingebeeld, waarvan ze zodanige dierlijke genegenheden had ontvangen, en nu in de ellende gevangen moest zitten en haar ogen (vanwege de schande) niet voor God durfde op te heffen, Die de Kracht Zijns Aanschijns voor haar verborg, en haar niet wilde aanzien.

70. En nu zij in dusdanig verlangen en wenen stond, werd ze in de afgrond en gruwelijkheid getrokken, alsof ze voor de poort van de hel stond, en aldaar vergaan zou. Het was alsof ze van haar zinnen beroofd, en gans verlaten was. Daarbij vergat ze zichzelf en al haar doen, alsof ze zich in de dood overgegeven zou hebben, en geen schepsel meer zou zijn. Zij wilde niet anders dan ook in de dood van haar Verlosser Jesus Christus (Die zoveel smarten voor haar geleden had en voor haar gestorven was) sterven en vergaan. In dit vergaan hief zij aan (in zichzelf, gans inwendig) tot de Barmhartigheid Gods te verzuchten en smeken, en zich in de allerlouterendste Barmhartigheid Gods te verzinken.

71. Terwijl dit zo geschiedde, verscheen haar dat vriendelijk aangezicht der Liefde Gods, dat haar doordrong als een groot licht. Hiervan jubelde zij, en werd ze bovenmatig verheugd, ze begon te bidden en de Allerhoogste (voor deze Genade) te danken. Ze verheugde zich geheel inwendig, dat ze van de dood en angst der hel verlost was.

72. En aldaar proefde zij de Goddelijke zoetigheid en Zijn beloofde Waarheid, en terstonds moesten alle boze geesten welke haar tevoren hadden geplaagd en van de Genade Gods hadden opgehouden, van haar wijken. En aldaar werd de Hoogtijd, de Bruiloft van het Lam gehouden, en de edele Sophia werd met de ziel verhuwelijkt, en haar werd de zegel-ring van de overwinning van Christus in haar Essentie ingedrukt, en wederom tot een kind en erfgenaam Gods aangenomen.

73. Nu dit geschiedde, werd de ziel vol van vreugde, en hief aan in deze kracht te werken, en de wonderen Gods te prijzen, en zij meende voor altijd in dusdanige kracht en vreugde te mogen wandelen. Maar uitwendig overviel haar bespotting en versmading des werelds, en inwendig zware aanvechtingen, waardoor zij begon te twijfelen of haar grond ook uit God mocht zijn, en of ze werkelijk wel de Genade Gods had ontvangen.

74. Want de lasteraar [of Satan] trad tot haar, en wilde haar van deze weg afwijzen, en in twijfel voeren. Hij sprak inwendig in haar; Het is niet van God, het zijn maar uw inbeeldingen geweest.

75. Ook week dat Goddelijk Licht van haar weg, en gloeide slechts in de inwendige grond als een duister vuur-rad [dat is, gelijk de hitte in een uitgedoofd kooltje, waar nog wel warmte in is] zodat het vernuft zich zelf gans dwaas en verlaten aanzag, en niet wist wat haar geschiedde, of het zeker waar was of niet, dat zij het licht van de Genade Gods geproefd had. Toch kon zij hier ook niet van aflaten.

76. Want de brandende liefde was in haar gezaaid, hierdoor ontstond in haar een grote honger en dorst naar de Goddelijke zoetigheid. Ze hief ware gebeden aan, en verootmoedigde zich voor God haar boze genegenheden en gedachten te beproeven en te verwerpen.

77. Daardoor werd de wil van ’t vernuft gebroken, en de boze aangeboren genegenheden meer en meer gedood. Dit deed de natuur des lichaams zeer verdriet, die raakte in onvermogen, als in een ernstige ziekte. Het was echter geen natuurlijke ziekte, maar alleen een melancholie (van de aardse natuur des lichaams), omdat zijn valse lust gebroken werd.

78. Nu dit aardse vernuft zich zo verlaten vond, en de arme ziel zag dat zij uitwendig met de bespotting des werelds veracht werd omdat zij op de weg der goddelozen niet meer wilde wandelen, en ook dat zij inwendig door de lasteraar [of Satan] werd aangegrepen, die haar ook bespotte, en haar voortdurend de schoonheid, rijkdom en heerlijkheid van de wereld voorschilderde, en haar daartegen voor dwaas achtte, dacht zij; O eeuwige God, wat zal ik toch doen, om tot rust te komen?

79. In dusdanige overpeinzing ontmoette haar wederom de Verlichte Ziel, zeggende;

 

Verlichte Ziel.

 

Wat schort u mijn Broeder, dat gij zo bedroefd zijt?

 

bedroefde ziel.

 

80. Ik heb uw raad gevolgd, en daardoor de glans van de goddelijke zoetigheid ontvangen, maar zij is weer van mij geweken, en ik sta tegenwoordig verlaten, uitwendig in zeer zware aanvechtingen van de wereld, want al mijn goede vrienden verlaten mij, en zo wordt ik ook inwendig met angst en twijfel aangevochten, en ik weet niet wat ik doen zal.

 

Verlichte ziel.

 

81. Nu behaagt gij me wel, want tegenwoordig wandelt onze Lieve Here Jesus Christus met en in u Zijn Pelgrims-straten op aarde, net als Hij hier op deze wereld heeft gedaan, alwaar Hij ook voortdurend werd tegengesproken, en ook hier niets eigens had. Nu draagt Hij Zijn littekens, laat u dat niet verwonderen, want zo moet het zijn, opdat gij beproefd en gelouterd wordt.

82. Want in zodanige bedroefdheid zult gij oorzaak hebben menigmaal te bidden, en naar de verlossing te hongeren, en in zulke honger en dorst trekt gij van binnen en van buiten Genade in u.

83. Want gij moet (van boven en van beneden) weer in het Beeld van God wassen, als een jonge boom door de wind bewogen wordt, en in hitte en kou moet staan, alwaar hij van boven en beneden kracht in hem trekt, en menige stormwind moet uitstaan, waarin hij in groot gevaar staat, aleer hij een boom wordt, en vruchten draagt. Want in zodanige beweging wordt de kracht van de zon in hem beweeglijk, waardoor de wilde eigenschappen van de boom, door de kracht der zon doordrongen en getincteerd worden, waardoor de eigenschappen wassen.

84. Nu zult gij eerst de Ridderlijke strijd (in de Geest van Christus) bewijzen en zelf meewerken, want nu baart de Eeuwige Vader (door Zijn vurige Macht) Zijn Zoon in u, welk des Vaders vuur [of toorn] in een Vlam der Liefde verandert, zodat uit vuur en licht [dat is, uit toorn en Liefde] één Wezen wordt, welk de ware Tempel Gods is.

85. Nu zult gij in de Wijnberg van Jesus Christus (aan de Wijnstok van Christus) groenen, en met leer en leven vrucht dragen, en uw liefde (als een goede boom) vruchtbaar bewijzen, want op zodanige wijze moet het Paradijs in uzelf (door de toorn Gods) weer uitgroenen, en de hel in u in de Hemel veranderen.

86. Laat u daarom door de aanvechtingen des duivels niet verleiden, want hij strijdt om zijn rijk dat hij in u gehad heeft. Wanneer hij nu de strijd verliest, staat hij in schande, en moet van u vlieden. Daarom bedekt hij u (uitwendig) met de bespotting des werelds, opdat zijn schande niet bekend wordt, en gij voor de wereld verborgen blijft.

87. Want gij staat (met uw nieuwe wedergeboorte) in Goddelijke Harmonie in de Hemel, daarom, wees geduldig, en wacht op de Heer. Wat u ook moge wedervaren, bedenk dat het (om u te beteren) door de Heer geschied. En zo scheidde de Verlichte Ziel van haar.

88. De bedroefde ziel ving nu haar loop aan onder de lijdzaamheid van Christus, en trad (in Goddelijk vertrouwen) in de hoop, en werd van dag tot dag machtiger en krachtiger, en haar boze genegenheden stierven meer en meer in haar, totdat zij in een groot rijk der genade werd gesteld, en haar poort van de Goddelijke Openbaring, en het Rijk der Hemelen in haar openbaar werd.

89. Zo kwam zij (in het Geloof) weer in de ware rust, en werd weer een kind Gods, daartoe helpt ons allen God, Amen.

 

 

 

 

Einde van het achtste Boek