1. ARJUNA’S  DILEMMA   2

2. TRANSCENDENTALE KENNIS   5

3. HET PAD DER DIENSTBAARHEID   11

4. HET PAD DER ZELFVERLOOCHENING DOOR KENNIS   15

5. HET PAD DER VERZAKING   19

6. HET PAD DER MEDITATIE   22

7. ZELFKENNIS EN VERLICHTING   26

8. DE EEUWIGE GEEST   29

9. DE VERHEVENE KENNIS EN HET GROTE GEHEIM   31

10. DE MANIFESTATIE DER ABSOLUTE   35

11. HET VISIOEN DER KOSMISCHE VORM   38

12. HET PAD DER DEVOTIE   43

13. DE SCHEPPING EN DE SCHEPPER   45

14. DE DRIEVOUDIGE AARD DER MATERIËLE NATUUR   48

15. DE VERHEVENE (ABSOLUTE) WEZEN   50

16. DE GODDELIJKE EN DE DEMONISCHE AARD   52

17. HET DRIEVOUDIG GELOOF  54

18. VERLOSSING DOOR VERZAKING   57

EPILOOG   64

 

 

 

 

terug naar menu

 

 

 

 

~~~~

 

 

 

 

 


1. ARJUNA’S  DILEMMA

 

 

1. Dhrtarästra zei: O Samjaya, nadat mijn zoons en de zoons van Pändu, verlangend naar de strijd, zich op het bedevaartsveld Kuruksetra hadden verzameld, - wat deden ze?

2. Samjaya zei: O Koning, nadat Koning Duryodhana het leger dat door de zoons van Pändu was opgesteld in ogenschouw had genomen, ging hij naar zijn leraar en richtte als volgt het woord tot hem:

3. O mijn meester, zie het machtige leger van de zoons van Pändu en hoe vakkundig het is opgesteld door uw schrandere leerling, de zoon van Drupada.

4. Er zijn in dit leger veel heldhaftige boogschutters, die niet onderdoen voor Bhïma en Arjuna; en er zijn ook grote krijgslieden, zoals Yuyudhäna, Viräta en Drupada.

5. Er zijn ook grote, heldhaftige, machtige krijgers zoals Dhrstaketu, Cekiäna, Käsïräja, Purujit, Kuntibhoja en Saibya.

6. Daar zijn de geweldenaar Yudhämanyu, de stoere Uttamaujä, de zoon van Subhadrä, en de zoons van Draupadï. Al deze krijgers zijn grote strijdwagenvechters.

INLEIDING VAN HET LEGER COMMANDO

7. O beste der brähmana’s, laat me u zeggen, zodat u op de hoogte bent, welke aanvoerders het bekwaamst zijn om mijn troepenmacht te leiden .

8. Er zijn mannen onder als uzelf, Bhïsma, Karna, Krpa, Asvatthämä, Vikarna, en de zoon van Somadatta, Bhuriśravä, die altijd zegevieren in de strijd.

9. En er zijn nog vele andere helden die hun leven voor mij willen offeren. Ze zijn allen goed uitgerust met allerlei wapens en ze zijn allen bedreven in de krijgskunst.

10. Onze sterkte is onmetelijk en we worden door Grootvader Bhïsma volmaakt beschermd, terwijl de sterkte van de Pändava’s, onder de zorgzame hoede van Bhïma, beperkt is.

11. Jullie moeten nu allen Grootvader Bhïsma ondersteunen, ieder vanaf zijn eigen strategische plaats in de gevechtslinie.


DE OORLOG BEGINT MET HET BLAZEN VAN DE SCHELPHOORNS

12. Toen blies Bhïsma, de grote, wakkere stamvader van de Kuru-dynastie, de grootvader van de krijgers, zeer luid, als brulde er een leeuw, op zijn schelphoorn, tot vreugde van Duryodhana.

13. Toen klonken plotseling alle schelphoorns, signaalhoorns, trompetten, trommen en hoorns tegelijk, dat het daverde.

14. Heer Krsna en Arjuna, die op een grote, met witte paarden bespannen strijdwagen stonden, lieten van hun kant hun bovenzinnelijke schelphoorns weerklinken.

15. Hrsïkeśa (Krsna) liet Zijn schelphoorn, Päncajanya, schallen, Dhanajaya (Arjuna) blies op de zijne, Devadatta; en Bhïma, de onverzadigbare eter en geduchte held, blies op zijn schrikwekkende schelphoorn Paundram.

16. Koning Yudhisthira, de zoon van Kuntï, blies op zijn schelphoorn Anantavijaya, en Nakula en Sahadeva bliezen op de Sughosa en de Manipuspaka.

17. Die grote boogschutter de Koning van Käsï, de grote strijder Sikhandï, Dhstadyumna, Viräta en de onoverwinnelijke Sätyaki,

18. Drupada, de zoons van Draupadî en de anderen, O Koning, zoals de zoon van Subhadrâ, in volledige wapenrusting, bliezen allen op hun schelphoorn.

19. Het schallen van al deze schelphoorns werd stormachtig - en trillend zoveel in de lucht als in de aardbodem, verscheurde het de harten van de zoons van Dhrtarästra.


ARJUNA WENST HET LEGER TE INSPECTEREN WAARTEGEN HIJ MOET VECHTEN

20. O Koning, toen nam Arjuna, de zoon van Pändu, die op zijn strijdwagen stond en Hanumäm in zijn vaandel voerde, zijn boog op en maakte zich gereed, zijn pijlen af te schieten, zijn blik gericht op de zoons van Dhrtarästra. O Koning, toen sprak Arjuna tot Hrsïkeśa (Krsna) de volgende woorden:

21-22. Arjuna zei: O onfeilbare, rijd mijn wagen tussen de twee legers in, zodat ik kan zien wie er zijn, wie ernaar verlangen te vechten en met wie ik me in deze grote slag moet meten.

23. Laat me zien wie er voor de strijd zijn aangetreden om de boosaardige zoon van Dhrtarästra te behagen.

24. Sanjaya zei: O telg van Bharata (Dhrtarästra), toen Hrsïkeśa (Krsna) aldus door Gudäkeśa (Arjuna) was aangesproken, mende Hij de prachtige strijdwagen naar het middenveld tussen de beide legers.

25. In tegenwoordigheid van Bhïsma, Drona en alle leiders van de wereld zei Hrsïkeśa, de Heer: O Pärtha, kijk toch naar alle Kuru’s, die hier verzameld zijn.

26. Toen kon Arjuna vanwaar hij tussen de beide legers stond zijn vaders, grootvaders, leraren, ooms van moederskant, broers, zoons, kleinzoons, vrienden en ook zijn schoonvader en goede bekenden zien – die allen daar aanwezig waren.


ARJUNA’s DILEMMA

27. Toen de zoon van Kuntï, Arjuna, al deze verschillende vrienden en familieleden zag, werd hij door hevig mededogen overweldigd en sprak:

28. Arjuna zei: O Krsna, nu ik mijn vrienden en bloedverwanten in zo’n strijdlustige stemming voor me zie, voel ik dat mijn ledematen beginnen te beven en mijn mond droog wordt.

29. Mijn hele lichaam trilt en mijn haar staat overeind. Mijn boog Gändiva glijdt me uit de handen en mijn huid gloeit.

30. Ik kan hier niet langer blijven. Ik ken mezelf niet meer, mijn geest wankelt. Ik voorzie alleen maar onheil, O vernietiger van de demon Keśï.

31. Ik voorzie niets goeds, O Krsna, in het doden van mijn eigen bloedverwanten in deze strijd en ik verlang geenszins naar de overwinning, het koninkrijk of het geluk dat ik als gevolg daarvan verwerf.

32-35. O Govinda , wat baten onze koninkrijken, geluk of het leven zelf, wanneer degenen voor wie we dit alles verlangen nu tegen ons opgesteld staan op dit slagveld? O Madhusüdana, wanneer leraren, vaders, zoons, grootvaders, ooms van moederkant, schoonvaders, kleinzoons, zwagers en alle familieleden, bereid hun leven en goed te offeren, tegenover me staan, waarom zou ik ze willen doden, ook al behoud ik het leven? O Janärdana, instandhouder van alle wezens, ik ben niet bereid met ze te vechten, zelfs niet in ruil voor de drie werelden, laat staan voor deze aarde.

36. Er zal zonde over ons komen als we deze aanvallers doden. Daarom is het niet goed als we de zoons van Dhrtarästra en onze vrienden van het leven beroven. O Mädhava, hoe zouden we gelukkig kunnen zijn als we onze eigen familieleden zouden doden?

37-38. O Janärdana, ook al zien deze mannen, overweldigd als ze zijn door begeerte, er geen kwaad in hun bloedverwanten te doden of met vrienden te twisten, daarom hoeven wij, die de zonde ervan beseffen, hier toch niet aan mee te doen?

39. Wanneer de dynastie wordt vernietigd, raakt de eeuwige familie-traditie verbroken – en wie er dan nog over zijn, vervallen tot goddeloosheid;


ARJUNA VERHAALT DE GRUWELEN VAN DE OORLOG

40. Wanneer er goddeloosheid heerst in een familie, O Krsna, raken de vrouwen verdorven en op de verlaging der vrouwen, O telg van Vrsni, volgt ongewenst nageslacht.

41. Wanneer het ongewenste bevolkingsdeel aanwast, ontstaat er een helse toestand zowel voor de familie als voor degenen die de familie-traditie vernietigen. In zulke verdorven families wordt er aan de voorouders geen voedsel en water meer geofferd.

42. Door de wandaden van degenen die de familie-tradities verbreken worden allerlei gemeenschappelijke ondernemingen en activiteiten ten dienste van het welzijn van de familie te gronde gericht.

43. O Krsna, die de mensen in stand houdt, via de erfopvolging der geestelijke leraren heb ik vernomen dat degenen die de familie-traditie vernietigen altijd in de hel verblijven.

44. Ach, hoe vreemd is het dat we alleen maar uit begeerte naar koninklijk geluk bereid zijn grote zonden op ons te laden.

45. Ik had liever dat de zoons van Dhrtarästra me doodden zonder dat ik het wapen tegen ze ophief of me verzette, dan dat ik de strijd met ze aanging.

46. Sanjaya zei: nadat Arjuna deze woorden gesproken had op het slagveld, wierp hij boog en pijlen naast zich op de strijdwagen neer en ging zitten, overweldigd door verdriet.

 

 

2. TRANSCENDENTALE KENNIS

1. Sanjaya zei: toen Hij Arjuna, vol medelijden en met tranen van verdriet in de ogen, zo zag zitten, sprak Madhusüdana, Krsna, de volgende woorden:

2. De Allerhoogste Persoon (Bhagavän) zei: hoe kom je zo onzuiver, Arjuna? Dat past niet bij iemand die de hogere waarden des levens kent. Het voert je niet naar hogere gewesten, maar naar schande.

3. O zoon van Prthä, zwicht niet voor deze vernederende zwakheid. Dat past je niet. Laat je kleinzieligheid varen en sta op, o bedwinger van de vijand.


ARJUNA VOLHARDT IN ZIJN REDENERINGEN TEGEN DE OORLOG

4. Arjuna zei: O doder van Madhu (Krsna), hoe kan ik de aanval in de strijd beantwoorden door pijlen af te schieten op mannen als Bhïsma en Drona, aan wie ik de hoogste eerbied verschuldigd ben?

5. Men kan in deze wereld beter leven als bedelaar dan ten koste van het leven van de grote zielen die mijn leraren zijn. Ook al worden ze door hebzucht gedreven, het blijven mijn leraren. Als ze gedood worden, is onze zege bezoedeld met bloed.

6. Ook weten we niet wat beter is – de zoon van Dhrtarästra overwinnen of door hen overwonnen worden. Doden we ze, dan kunnen we het beter niet overleven. Nu staan ze voor ons op het slagveld.

7. Ik weet niet meer wat mijn plicht is en ik ben uit zwakheid volkomen uit mijn doen. In deze toestand verzoek ik Je me duidelijk te maken wat het beste voor me is. Ik ben nu Je leerling, Je toegedaan met hart en ziel. Onderricht me.

8. Ik weet niets te bedenken waarmee ik dit verdriet, dat me van mijn zinnen berooft, verdrijven kan. Ik zal het niet kunnen uitbannen, ook al win ik een onbetwist koninkrijk op aarde of de heerschappij van een halfgod in de hemel.

9. Sanjaya zei: na deze woorden zei Arjuna, de vijanden-bedwinger, tot Krsna: ‘Govinda, ik zal niet vechten’, en zweeg.

10. O telg van Bharata, daarop sprak Krsna midden tussen beide legers glimlachend de volgende woorden tot de terneergeslagen Arjuna:


DE LERINGEN VAN DE GITA BEGINNEN MET DE WARE KENNIS VAN DE GEEST EN HET MENSELIJK LICHAAM

11. De Allerhoogste zei: je spreekt geleerde woorden, maar treurt om iets wat het verdriet niet waard is. Zij die wijs zijn weeklagen noch om de levenden, noch om de doden.

12. Nimmer was er een tijd waarin Ik niet bestond, noch jij, noch al deze vorsten; noch zal in de toekomst ook maar één van ons ophouden te bestaan.

13. Zoals de belichaamde ziel in dit lichaam geleidelijk van kinderjaren overgaat naar jeugd en ouderdom, zo gaat ze bij de dood naar een ander lichaam over. Een zelfverwerkelijkte ziel raakt door zo’n verandering niet uit haar evenwicht. (Zie ook 15.08)

14. O zoon van Kuntï, het afwisselend komen en gaan van geluk en verdriet is als het komen en gaan van zomer en winter. Geluk en verdriet ontstaan uit zintuiglijke gewaarwording, O telg van Bharata, en men moet ze onbewogen leren verdragen.

15. O beste onder de mensen (Arjuna), wie zich door geluk noch verdriet uit zijn doen laat brengen en altijd evenwichtig blijft, kan voorzeker zijn bevrijding bereiken.


DE GEEST IS EEUWIG, HET LICHAAM IS VERGANKELIJK

16. De wijzen, die de waarheid zien, erkennen dat de onzichtbare Geest (Atma, Atman) eeuwig is, en het zichtbare fysisch lichaam vergankelijk. Ze kwamen tot deze conclusies na onderzoek van het wezen van beide .

17. Weet dat hetgeen waarvan het hele lichaam doordrongen is onvernietigbaar is. Niemand is in staat de onvergankelijke ziel te vernietigen.

18. Allen het stoffelijk lichaam van het onvernietigbare, onmeetbare en eeuwige levende wezen is aan vernietiging onderhevig: daarom – vecht O telg van Bharata.

19. Wie denkt dat het levend wezen kan doden of kan worden gedood, verkeerd in onwetendheid. Wie werkelijk kennis bezit, weet dat het zelf noch doodt, noch wordt gedood.

20. De ziel kent geboorte noch dood. En eenmaal zijnde, houdt ze nimmer op te zijn. Ze is ongeboren, eeuwig, immer-zijnd, onsterfelijk en oorspronkelijk. Ze wordt niet gedood wanneer het lichaam wordt gedood.

21. O Partha , hoe kan iemand die weet dat de ziel onvernietigbaar, ongeboren, eeuwig en onveranderlijk is, iemand doden of iemand tot doden aanzetten.


DE DOOD EN DE TRANSMIGRATIE VAN DE ZIEL

22. Zoals iemand zijn oude, versleten kleren wegdoet en zich in nieuwe steekt, laat de ziel het oude, nutteloze lichaam achter en hult zich in een nieuw.

23. Geen wapen kan de ziel ooit in stukken snijden, noch kan ze door vuur worden verbrand, door water verdronken of door de wind verdroogd.

24. Deze individuele ziel kan breken noch oplossen, verbranden noch verdrogen. Ze is eeuwig, alomtegenwoordig, onveranderlijk, onbeweeglijk en immer eender.

25. Er is gezegd dat de ziel onzichtbaar, onvoorstelbaar en onveranderlijk is. Nu je dit weet, mag je niet meer om het lichaam treuren.

26. Denk je echter dat de ziel voortdurend geboren wordt en telkens sterft, dan bestaat er nog steeds geen reden tot weeklagen, O sterk-gearmde.

27. Wie geboren is, gaat een gewisse dood tegemoet; en wie dood is, wordt zéker weer geboren. Daarom behoor je bij het onvermijdelijk vervullen van je plicht geen klacht te uiten.

28. Alle geschapen wezens zijn niet-geopenbaard in hun begin, openbaar in hun tussen-toestand en wederom niet-openbaar wanneer ze worden vernietigd. Wat valt er dus te treuren?


DE ONVERGANKELIJKE GEEST TREEDT GEMOED EN SPRAAK BINNEN

29. Sommigen zien de ziel als verbazingwekkend, sommigen beschrijven haar als verbazingwekkend en sommigen horen over haar als verbazingwekkend, terwijl anderen, ook al hebben ze over haar gehoord, helemaal niets van haar begrijpen. (Zie ook KaU 2.07)

30. O telg van Bharata, de ziel in het lichaam is eeuwig en kan nimmer worden gedood. Daarom hoef je om geen enkel schepsel te treuren.


DE HEER KRISHNA BRENGT ARJUNA ZIJN PLICHT AS KRIJGER TOT HERINNERING

31. Ten aanzien van je bijzondere plicht als ksatriya behoor je te weten dat er voor jou geen betere taak bestaat dan strijden volgens religieuze beginselen – het is dus onnodig dat je nog aarzelt.

32. O Partha , gelukkig de ksatriya’s die buiten hun toedoen zo’n gelegenheid krijgen om te strijden, waardoor de toegang tot de hemelse gewesten zich voor hen opent.

33. Als je deze religieuze oorlog echter niet strijdt, zul je wegens plichtverzuim zonden op je laden en zo je naam als held verliezen.

34. De mensen zullen altijd schande van je blijven spreken – en voor mensen die eer hebben genoten is eerloosheid erger dan de dood.

35. De grote veldheren, die een hoge dunk hadden van je naam en eer, zullen denken dat je louter uit angst het slagveld hebt verlaten en je daarom een lafaard vinden.

36. Je vijanden zullen vele onvriendelijke woorden over je spreken en de draak steken met je heldhaftigheid. Wat zou er pijnlijker voor je kunnen zijn?

37. O zoon van Kuntï, óf je zult op het slagveld worden gedood en de hemelse gewesten bereiken, óf je zult de strijd winnen en van je aardse koninkrijk genieten. Daarom – sta op en strijd vastberaden.

38. Strijd om der wille van de strijd, zonder te denken aan geluk of verdriet, verlies of winst, zege of nederlaag – als je zo handelt, blijf je altijd van zonden vrij.


DE BELANGRIJKHEID VAN KARMA-YOGA, DE ONBAATZUCHTIGE DIENSTVERLENING

39. Tot dus ver heb Ik je de analytische kennis van de sankhya-filosofie uitéén gezet. Luister nu naar wat Ik te zeggen heb over de yoga, waarbij men werkt zonder dat men daardoor aan zijn handelen gebonden raakt. O zoon van Partha , als je je deze kennis eigen maakt, kun je jezelf bevrijden van de terugslagen van je doen en laten.

40. Wie dit nastreeft lijdt verlies noch achteruitgang – en een kleine vooruitgang op deze weg kan een mens voor het ernstigste gevaar behoeden.

41. Degenen die deze weg begaan, zijn vastberaden en kennen slechts één doel. Maar de besluitelozen, O geliefd kind van de Kuru’s, worden geleid door een verstand dat zich op vele dwaalplaatsen begeeft.


DE VEDA’s BEHANDELEN BEIDE MATERIËLE EN GEESTELIJKE ASPECTEN VAN HET LEVEN

42-43. Mensen met weinig kennis voelen zich bijzonder aangetrokken door de bloemrijke taal der Veda’s, die hun verschillende vormen van baatzuchtig streven aanbevelen in geval ze willen worden verheven naar de hemelse gewesten, waar hen een goede geboorte, macht en hemelse vreugde wachten. Begerig naar zingenot en een leven in weelde, zeggen ze dat dit alles te boven gaat.

44. Degenen die te zeer aan zingenot en aardse weelde hangen en hierdoor verward van geest zijn, komen niet tot het vaste besluit de Allerhoogste toegewijd te dienen.

45. De Veda’s handelen hoofdzakelijk over de drieërlei aard der stoffelijke natuur. Rijs boven deze geaardheden uit, O Arjuna. Wees aan alle ontstegen. Wees vrij van alle dualisme en alle bezorgdheid om veiligheid en winst en wees hecht verankerd in het zelf.

46. Alle doeleinden die een kleine bron geleidelijk dient, kunnen ineens worden gediend door meren en zeeën. Evenzo kunnen alle doeleinden van de Veda’s worden gediend door degene die weet wat hun ene doel is.


DE THEORIE EN PRAKTIJK VAN KARMA-YOGA

47. Je hebt het recht je voorgeschreven plicht te vervullen, maar de vruchten ervan komen je niet toe. Zie jezelf nooit als oorzaak van het resultaat van je bezigheden en tracht nooit je plicht te verzaken.

48. Wees standvastig in yoga, Arjuna. Doe je plicht en laat alle gehechtheid aan slagen en falen varen. Zo’n evenwichtigheid van geest wordt yoga genoemd.

49. O Dhananjaya , bevrijd jezelf van alle baatzuchtig werk door toegewijde dienst en geef je aan dat bewustzijn volkomen over. Zij die de vruchten van hun werk willen plukken zijn schapers.

50. Wie toegewijde dienst verricht, bevrijdt zich nog tijdens dit leven van de terugslagen zowel van goede als van slechte daden, Arjuna. Tracht dus te handelen in Karma-yoga of Seva – de kunst van alle arbeid.

51. De wijzen, die toegewijde dienst verrichten, zoeken hun heil in de Heer en bevrijden zich uit de kringloop van geboorte en dood door van de vruchten van hun arbeid in de stoffelijke wereld af te zien. Zo kunnen ze daar komen, waar men van alle ellende vrij is .
52. Wanneer je verstand uit het dichte woud der begoocheling te voorschijn komt, zul je onverschillig zijn jegens alles wat er gehoord is en alles wat er nog gehoord zal worden.

53. Is je geest niet meer in beweging te brengen door de bloemrijke taal der Veda’s en verkeert hij onwankelbaar in de verheven rust der zelfverwerkelijking, dan ben je het goddelijk bewustzijn deelachtig geworden.

54. Arjuna zei: waaraan herkent men iemand wiens bewustzijn aldus opgaat in het Bovenzinnelijke? Hoe spreekt hij en wat zijn zijn woorden? Hoe zit hij en hoe loopt hij?


DE KENMERKEN VAN EEN ZELF- GEREALISEERDE PERSOON.

55. De Allerhoogste zei: O Partha, wanneer men alle zinnelijk verlangen dat uit het dwalen van de gedachten voortkomt laat varen en wanneer men de geest alleen in de zelfbevrediging laat vinden, heet men in zuiver bovenzinnelijk bewustzijn te verkeren.

56. Wie zich niet van streek laat brengen door het drievoudig leed, wie in gelukkige omstandigheden niet opgetogen is en wie vrij is van gebondenheid, vrees en woede, wordt een wijze van standvastige geest genoemd.

57. Wie zonder bindingen is, wie zich niet verheugt wanneer hem iets goeds overkomt, noch treurt wanneer er iets kwaads geschiedt, is echt verankerd in volmaakte kennis.

58. Wie – zoals een schildpad zijn ledematen intrekt onder zijn schild – in staat is zijn zinnen af te wenden van wat ze prikkelt, wordt geacht zich waarlijk in staat van kennis te bevinden.

59. De belichaamde ziel kan weliswaar van zingenot weerhouden worden, hoewel ze haar smaak voor het zinneprikkelende behoudt. Maar wanneer ze zich er niet meer om bekommert, doordat ze een hogere smaak ervaart, is ze echt in bovenzinnelijk bewustzijn verankerd.


HET GEVAAR VAN ONBETEUGELDE ZINTUIGEN

60. De zinnen zijn zo sterk en onstuimig, O Arjuna, dat ze zelfs de geest meeslepen van een mens die onderscheidsvermogen bezit en juist zijn zinnen tracht te beheersen.

61. Wie zijn zinnen beheerst en zijn bewustzijn op Mij richt, is een evenwichtig en verstandig mens.

62. Wanneer men datgene beschouwt wat de zinnen bekoort, begint men zich eraan te hechten en uit deze gehechtheid ontwikkelt zich lust en uit lust ontstaat woede.

63. Uit woede komt begoocheling voort en uit begoocheling geheugen-verwarring. Wanneer het geheugen verward is, verdwijnt het verstand en wanneer het verstand verdwenen is, valt men terug in het stoffelijk moeras.


HET BEREIKEN VAN VREDE EN GELUK DOOR DE BEHEERSING VAN DE ZINNEN EN KENNIS

64. Wie zijn zinnen weet te beheersen door zich te houden aan de regels van vrijheid in gebondenheid, kan zich de volkomen genade van de Heer verwerven en zo verlost worden van alle voorkeur en afkeer.

65. Voor iemand die aldus in het goddelijk bewustzijn verkeert, bestaat het drievoudig leed van de stoffelijke wereld niet meer; in zo’n gelukkige toestand komt het verstand spoedig in evenwicht.

66. Wie niet in bovenzinnelijke bewustzijn verkeert, kan noch een beheerste geest, noch een evenwichtig verstand hebben, zonder welke men geen vrede kan vinden. En hoe kan er zonder vrede geluk bestaan?

67. Zoals de storm een schip over het water weg kan blazen, zo kan alleen al één van de zinnen, waarop de geest zich richt, iemands verstand op hol laten staan.

68. Daarom, O sterk-gearmde , beschikt iemand die de neigingen van zijn zinnen beteugelt beschikt over een evenwichtig verstand.

69. De welbeteugelde waakt in datgene wat iederéén als nacht beschouwt; en datgene wat iederéén in waakt is nacht voor de schouwende wijze .

70. Alleen hij die zich niet laat verwarren door de ononderbroken stroom van begeerten – welke als rivieren uitmonden in de oceaan, die aldoor gevuld wordt, maar altijd kalm is - alleen hij kan vrede vinden, en degenen die zulke begeerten tracht te bevredigen niet .
71. Wie elke neiging tot zinsbevrediging heeft opgegeven en een leven vrij van begeerten leidt, wie elke gedachte dat hij enig-iets bezit heeft laten varen en er geen vals ego op nahoudt – alleen die mens kan werkelijk vrede vinden.

72. Dit is de weg van het geestelijk en goddelijk leven en wie hem heeft gevonden kent geen verbijstering meer. Wie in deze wezensstaat verkeert, al is het eerst in het uur van zijn dood, bereikt de Weidsheid der rust .

 

 

 

3. HET PAD DER DIENSTBAARHEID

1. Arjuna zei: O Janärdana, O Keśava, waarom dwing Je me aan deze gruwelijke strijd deel te nemen, als Je denkt dat verstandig zijn beter is dan handelen terwille van het resultaat.

2. Mijn verstand is door Je dubbelzinnige aanwijzingen van streek. Zeg me daarom ondubbelzinnig wat het heilzaamst voor me is.

3. De Allerhoogste zei: O zondeloze Arjuna, Ik heb al uitgelegd dat er twee soorten mensen zijn die het Zelf trachten te verwerkelijken. Sommigen zijn geneigd Het proefondervindelijk en wijsgerig bespiegelend te benaderen, anderen zoeken Het door toegewijde arbeid.

4. Louter door zich van werken te onthouden kan men zich niet vrijwaren van de terugslagen ervan, noch kan men louter door verzaking tot volmaaktheid komen.

5. Alle mensen zijn gedwongen hulpeloos te handelen overeenkomstig de drangen die voortkomen uit de geaardheden der stoffelijke natuur; daarom kan niemand zich ervan weerhouden iets te doen, zelfs geen ogenblik.

6. Wie de zinnen en de handelende lichaamsdelen beheerst, maar intussen mijmert over zingenoegens, misleidt zichzelf en wordt een huichelaar genoemd.


WAAROM ANDEREN DIENEN?

7. Wie daarentegen de zinnen beteugelt met de geest, en zijn handelende lichaamsdelen inschakelt in toegewijde arbeid, zonder zich eraan te hechten, stijgt hier verre bovenuit.

8. Doe je voorgeschreven plicht, want werken is beter dan niets doen. Een mens kan niet eens zijn lichaam onderhouden zonder te werken .

9. Werk als offer aan Visnu opgedragen, moet worden verricht, anders bindt werk ons aan de stoffelijke wereld. Vervul daarom je voorgeschreven plicht om Zijnentwil, O zoon van Kuntï, en aldus zul je altijd onthecht en vrij van gebondenheid blijven.


ELKAAR HELPEN IS HET EERSTE GEBOD VAN DE SCHEPPER

10. In het begin van de schepping zond de Heer aller schepselen geslachten van mensen en halfgoden uit met offers aan Visnu en zegende ze, zeggende: “Weest gelukkig door deze yajna (offer), want hij zal jullie alles schenken wat je begeert.”

11. De halfgoden, door de offers tevredengesteld, zullen jou tevreden stellen; en door deze wisselwerking zal er voor allen algehele voorspoed heersen.

12. De halfgoden, wier taak is in de verschillende levensbehoeften te voorzien, geven de mens, wanneer hij hun met yajna tevreden stelt, alles wat hij nodig heeft. Wie echter van deze gaven geniet zonder ze aan de halfgoden te offeren is voorzeker een dief.

13. De toegewijden van de Heer worden van alle zonden verlost, omdat ze voedsel nuttigen dat eerst geofferd is. Anderen, die voedsel bereiden voor eigen zingenot, eten waarlijk louter zonde.

14. Alle bestaande lichamen leven van voedsel, dat slechts kan groeien wanneer er regen valt. Regen volgt op het brengen van yajna (offers), waarvan de mens zich kwijt door zijn voorgeschreven plichten te vervullen.

15. De Veda’s, die rechtstreeks door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zijn geopenbaard, schrijven aan regels gebonden handelen voor. Dienovereenkomstig is het alomtegenwoordige bovenzinnelijke eeuwig in offer-handelingen aanwezig.

16. Mijn dierbare Arjuna, wie zich niet richt naar het Vedische voorschrift om stelselmatig te offeren, leidt een zondig leven, want wie slechts vreugde beleeft aan zijn zinnen, leeft tevergeefs.

17. Maar wie behagen schept in het zelf, wie verlichting geniet in het zelf, wie blij en tevreden is met het zelf alleen, en daarin verzadigd – die kent geen plicht.

18. Een zelfverwerkelijkt persoon heeft bij het vervullen van zijn voorgeschreven plicht geen bepaalde oogmerken, noch heeft hij enige reden om zulk werk niet te verrichten. Evenmin heeft hij ook maar de geringste behoefte zich van een ander levend wezen afhankelijk te stellen.


LEIDERS MOETEN HET VOORBEELD GEVEN

19. Daarom dient men, zonder zich aan de vruchten van zijn daden te hechten, louter uit plichtsbetrachting te handelen; want wanneer men belangeloos werkt, bereikt men het Allerhoogste.

20. Zelfs vorsten als Janaka en anderen bereikten het peil der volmaaktheid door hun voorgeschreven plichten te vervullen. Daarom dien je, juist om de mensen een voorbeeld te stellen, je taak verrichten.

21. Hoe een groot man ook handelt, de gewone mensen volgen altijd zijn voorbeeld. En de maatstaf die hij door zijn voorbeeldig handelen aanlegt, wordt door de hele wereld aangehouden.

22. O zoon van Partha, in alle drie van de gewesten-stelsels is er geen enkel werk dat Me is voorgeschreven. Het ontbreekt Me aan niets, noch hoef Ik iets te hebben – en toch houd Ik Me met werken bezig .

23. Want als Ik geen werk verrichte, O Partha, zouden alle mensen beslist Mijn voorbeeld volgen.

24. Als Ik met werken ophield, zouden al deze werelden ten gronde gaan. Ook zou Ik dan de oorzaak zijn van ongewenste bevolking en daarmee de vrede van alle levende wezens verstoren.


WAT ZOU DE WIJZE TEGENOVER DE ONWETENDE MOETEN DOEN

25. Zoals de onwetenden hun plicht vervullen ter wille van de vruchten van dien, zo kunnen ook wijzen handelen, maar dan belangloos, om de mensen voor te gaan op het goede pad.

26. Laten de wijzen de geest der onwetenden, die gehecht zijn aan baatzuchtig werk, niet in de war brengen. Ze moeten niet worden aangemoedigd met werken op te houden, maar over te gaan tot werken in toegewijde dienst. (Zie ook 3.29)

27. De geestelijke ziel, die door de invloed van de drieërlei aard der stoffelijke natuur geheel in de war is, denkt dat ze zélf van alles doet, wat in werkelijkheid door de natuur wordt gedaan. (Zie ook 5.09, 13.29, and 14.19)


AL DE WERKEN ZIJN DE WERKEN VAN DE NATUUR

28. Wie geworteld is in de kennis der Absolute Waarheid, O sterk-gearmde, houdt zich niet bezig met de zinnen en derzelver bevrediging, want hij kent het verschil tussen toegewijde dienst en zelfzuchtige activiteit.

29. Begoocheld door de geaardheden der stoffelijke natuur, werpen de onwetenden zich op stoffelijke bezigheden en raken eraan gehecht. Maar al houden ze zich uit gebrek aan kennis op met laagstaand werk, dan mag dit voor de wijzen geen reden zijn hen te verontrusten. (Zie ook 3.26)

30. Doe daarom, O Arjuna, alles wat je doet voor Mij, met je geest op Mij gericht en werp je – zonder te willen winnen, belangloos en wakker – in de strijd.

31. Wie zijn plicht doet volgens Mijn voorschriften en zich trouw en zonder afgunst houdt aan hetgeen Ik hier onderwijs, wordt bevrijd uit de gevangenschap waarin hij zich door zijn baatzuchtig streven bevindt.

32. Maar wie uit afgunst deze aanwijzingen veronachtzaamt en ze niet geregeld naleeft, dient beschouwd te worden als verstoken van alle kennis, verdwaasd en gedoemd tot onwetendheid en gevangenschap.

33. Zelfs iemand wiens leven in kennis wortelt, handelt naar zijn eigen aard, want iedereen gedraagt zich naar zijn aard. Wat zou men dan met onderdrukking kunnen bereiken?


TWEE STRUIKELBLOKKEN OP HET PAD VAN DE VOLMAAKTHEID

34. Van alles wat op de zinnen inwerkt ondergaan de belichaamde wezens de aantrekking en de afstoting, maar men moet zich niet door de zinnen en hetgeen op ze inwerkt laten leiden, want het zijn struikelblokken op de weg naar zelfverwerkelijking.

35. Het is veel beter zijn eigen voorgeschreven plicht te doen dan die van een ander. Want als men tijdens zijn eigen plichtvervulling fouten maakt of zelfs gedood wordt, is dit beter dan andermans plicht op zich te nemen, want het is gevaarlijk de weg van een ander te volgen. (Zie ook 18.47)


LUST IS DE OORSPRONG VAN DE ZONDE

36. Arjuna zei: O nakomeling van Vrsni, waardoor wordt iemand tot zondige daden gebracht, zelfs tegen zijn wil, alsof hij ertoe gedwongen wordt?

37. De Allerhoogste sprak: het is louter lust, Arjuna, die ontstaat uit aanraking met de stoffelijke geaardheid hartstocht en later verandert in toorn: zij is de alles-verslindende vijand van deze wereld en de oorzaak der zonde.

38. Zoals vuur verhuld wordt door rook, een spiegel door stof of de vruchtkiem door de moederschoot, zo wordt het levend wezen verhuld door verschillende graden van deze lust.

39. Zo wordt het zuiver bewustzijn van het levend wezen verhuld door zijn eeuwige vijand in de vorm van lust, die nooit bevredigd kan worden en brandt als vuur.

40. Zinnen, geest en verstand zijn de zetels van deze wellust, die de werkelijke kennis van het levend wezen versluiert en het van streek brengt.

41. Bedwing daarom reeds in het begin, O Arjuna, beste der Bharata’s, dit grote symbool der zonde (de lust) door de zinnen te beteugelen – en dood deze vernietiger van kennis en zelfverwerkelijking.


HOE DE LUST BEHEERSEN

42. De zinnen zijn boven de levenloze stof verheven; hoger dan de zinnen is de geest; nog hoger dan de geest is het verstand; en hoger nog dan het verstand is zij (de ziel) .

43. Wanneer men aldus weet dat men boven de stoffelijke zinnen, de geest en het verstand verheven is, dient men het lagere door het hogere zelf te beteugelen en zo – door bovenzinnelijke kracht – deze onverzadelijke vijand, bekend als lust, te overwinnen .

 

 

 

4. HET PAD DER ZELFVERLOOCHENING DOOR KENNIS

KARMA-YOGA IS EEN OUDE VERGETEN GEBOD

1. De Heer Krishna zei: Ik onderwees deze onvergankelijke yoga-wetenschap aan Vivasvän, de zonnegod, en Vivasvän onderwees haar aan Manu, de vader der mensheid, en Manu onderwees haar op zijn beurt aan Iksväku.

2. Zo werd deze allerhoogste wetenschap van geestelijk leraar op leraar ontvangen en zo ontvingen de heilige vorsten haar. Maar in de loop der tijd raakte de geestelijke erfopvolging verbroken en hierdoor lijkt de wetenschap-zoals-ze-is verloren te zijn.

3. Deze zeer oude wetenschap betreffende de verhouding met de Allerhoogste zet Ik thans uiteen aan jou, omdat je zowel Mijn toegewijde als Mijn vriend bent; dáádoor kun je het bovennatuurlijke mysterie van deze wetenschap doorgronden .


HET DOEL VAN GOD’s INCARNATIE

4. Arjuna zei: De zonnegod Vivasvän is ouder van geboorte dan Jij. Hoe kan ik hiermee Je verklaringen rijmen, dat Je hem deze wetenschap in het begin hebt onderwezen?

5. De Heer Krishna zei: Vele, vele geboorten hebben zowel jij als Ik beleefd. Ik kan Me ze allemaal herinneren, maar jij niet, O bedwinger van de vijand!

6. Hoewel Ik ongeboren ben en Mijn bovenzinnelijk lichaam nooit vergaat en hoewel Ik de Heer van alle geboren wezens ben, verschijn Ik in ieder tijdvak in Mijn oorspronkelijke bovennatuurlijke kracht (Maya) . (Zie ook 10.14)

7. Waar en wanneer ook maar de dienst van God in verval raakt, O telg van Bharata, en goddeloosheid de overhand neemt – daar en te dien tijde daal Ik Zelf neer.

8. Om de toegewijden te bevrijden en de goddelozen te verdelgen en om de beginselen der godsdienst te herstellen, verschijn Ik Zelf in tijdperk na tijdperk.

9. Wie de bovenzinnelijke aard van Mijn verschijnen en handelen kent, wordt na het verlaten van zijn lichaam niet wedergeboren in de stoffelijke wereld, maar bereikt Mijn eeuwige woning, O Arjuna.

10. Vrij van gebondenheid, angst en woede, geheel in Me opgaand en Me als hun toeverlaat beschouwend, werden er in het verleden zeer velen gelouterd door kennis aangaande Mij – en zo vatten ze allen bovennatuurlijke liefde voor Me op .


HET PAD VAN AANBIDDING EN GEBED

11. Allen volgen hoe dan ook Mijn weg, O zoon van Prthä, en naar gelang een ieder zich aan Mij overgeeft, beloon Ik hem.

12. De mensen van deze wereld wensen te slagen in hun baatzuchtig streven en aanbidden daarom de halfgoden. Baatzuchtige arbeid in deze wereld werpt natuurlijk snel vruchten af.


WERKVERDELING NAARGELANG DE VAARDIGHEID VAN DE MENSEN

13. Overeenkomstig de drieërlei aard der stoffelijke natuur en de werkzaamheid daaraan toebedeeld, werden de vier geledingen der menselijke samenleving door Mij geschapen. En hoewel Ik de schepper van dit stelsel ben, dien je te weten dat Ik er niet aan gebonden ben, want Ik ben onveranderlijk. (Zie ook 18.41)

14. Er is geen enkele vorm van werk die invloed op Me heeft, noch houd Ik Me op met baatzuchtig streven. Wie deze waarheid aangaande Mij begrijpt, raakt evenmin als Ik verwart in de terugslagen van baatzuchtig werk.

15. Alle bevrijde zielen van vroeger handelden vanuit dit inzicht en verkregen zo hun bevrijding. Doe daarom zoals de ouden en vervul je plicht in dit goddelijk bewustzijn .


GEBONDEN, ONTBONDEN, EN VERBODEN DADEN

16. Zelfs de schranderen weten in het geheel niet wat handelen en wat niet-handelen is. Ik zal je nu uitleggen wat handelen is en weet je het eenmaal, dan zul je bevrijd zijn van alle zonden.

17. Handelen is zoiets ingewikkelds, dat het zeer moeilijk te begrijpen valt. Daarom dient men nauwkeurig te weten wat handelen, wat verboden handelen en wat niet-handelen is.

EEN KARMA-YOGI IS NIET ONDERWORPEN AAN DE KARMISCHE WETTEN

18. Wie niet-handelen in handelen ziet, en handelen in niet-handelen, is een wijze persoon. Een dergelijke persoon is een yogi en heeft alles volbracht . (Zie ook 3.05, 3.27, 5.08 en 13.29)

19. Wie bij geen enkel handelen verlangt naar zinsbevrediging, wordt geacht volledige kennis te bezitten. De wijzen noemen zo iemand een werker wiens baatzuchtig streven is opgebrand in het vuur der volmaakte kennis.

20. Alle gehechtheid aan de vruchten van zijn arbeid opgevend, voortdurend tevreden en onafhankelijk, laat hij elk baatzuchtig streven varen, ook al is hij met allerlei zaken in de weer.

21. Wie dit inzicht bezit gaat te werk met volmaakte beheersing van geest en verstand, laat alle eigendomsgevoel over zijn bezittingen varen en handelt slechts om in zijn allernoodzakelijkste levensbehoeften te voorzien. Zo wordt hij niet getroffen door de terugslagen van zondig doen en laten.

22. Wie tevreden is met wat hij vanzelf ontvangt, wie met één maat meet, vrij is van afgunst en evenwichtig in voor- en tegenspoed, raakt nimmer gebonden, hoe hij ook handelt.

23. Het doen en laten van iemand die niet gebonden is aan de geaardheden der stoffelijke natuur en geheel in bovenzinnelijke kennis verwijlt, gaat volkomen in het bovenzinnelijke op.

24. De Geest zal bij hem worden verwezenlijkt die alles als een manifestatie beschouwd, of een handelen van de Geest . (Zie ook 9.16)


VERSCHILLENDE TYPEN VAN GEESTELIJKE PRAKTIJKEN OF OFFERDADEN

25. Sommige yogi’s vereren de halfgoden met volmaakt gebrachte offers; andere offeren in het vuur van het Allerhoogste Brahman.

26. Sommigen offeren het luisteren en de zinnen in het vuur van de beheerste geest; andere offeren datgene wat de zinnen beroert, zoals geluid, in het offervuur.

27. Degenen die naar zelfverwerkelijking streven door geest en zinnen te beheersen, offeren zowel de werking van alle zinnen als de levenskracht (adem) in het vuur van de beteugelde geest.

28. Er zijn anderen, door het offeren van hun have en goed in barre onthouding verlicht, die zich aan strenge geloften houden en de achtvoudige yoga beoefenen; weer anderen verdiepen zich in de Veda’s om te groeien in bovennatuurlijke kennis .

29. Anderen weer offeren de uitademing (prana) in de inademing (apana); en de inademing in de uitademing; zij regelen en beheersen de stroom van de uitademing (prana) en de inademing (apana), volledig verzonken in adembeheersing (pranayama) .

30. Al deze yogi’s, die weten wat offeren betekent, worden verschoond van de terugslagen van hun zonden en nadat ze de nectar hebben geproefd van wat er van de offergaven overblijft, gaan ze binnen in de allerhoogste, eeuwige sferen .

31. Zij, die de levengevende nectar van het offer nuttigen, gaan in tot het onveranderlijke, eeuwige Brahman . Deze wereld is niet voor degene die niet offert; de andere wereld nog veel minder, O Arjuna. (Zie ook 4.38, en 5.06).

32. Al deze verschillende vormen van offeren worden aanbevolen in de Veda’s en alle worden ze geboren uit verschillende vormen van werk. Weet je dit, dan zul je worden verlost. (Zie ook 3.14)


HET BEREIKEN VAN TRANSCENDENTALE WIJSHEID IS EEN SUPERIEURE GEESTELIJKE PRAKTIJK

33. O tuchtiger van de vijand, het offeren van kennis is hoger dan het offeren van aardse goederen. O zoon van Prthâ, uiteindelijk stijgt het offeren van werk ten top in bovennatuurlijke kennis.

34. Tracht de waarheid te vernemen door je tot een geestelijk leraar te wenden. Stel hem in alle bescheidenheid vragen en wees hem dienstbaar. Een zelfverwerkelijkte ziel kan je de kennis overdragen, omdat ze de waarheid heeft doorschouwd.

35. Hebt ge u wijsheid eigen gemaakt, dan zult ge nooit meer in verwarring geraken, O Arjuna; door wijsheid zult ge alle schepselen zonder uitzondering in het Zelf zien en aldus in Mij. (Zie ook 6.29, 6.30, 11.07, 11.13)

36. Ook al wordt men als de zondigste der zondaars beschouwd, toch zal men, eenmaal aan boord van het schip der bovennatuurlijke kennis, de oceaan der ellende volledig oversteken.

37. Zoals laaiend vuur brandhout in as verandert, verbrandt ook het vuur der kennis alle terugslagen van het stoffelijk doen en laten tot as.


TRANSCENDENTALE KENNIS IS AAN DE KARMA-YOGI AUTOMATISCH GEOPENBAARD

38. Er is in deze wereld niets zo verheven en zuiver als bovennatuurlijke kennis. Deze kennis is de rijpe vrucht van alle mystiek. En wie haar verworven heeft, zal spoedig in zichzelf de vreugde van het zelf ervaren. (Zie ook 4.31, and 5.06, 18.78).

39. Een gelovig mens, die in bovennatuurlijke kennis verankerd is en zijn zinnen in bedwang heeft, verkrijgt snel geestelijke rust of bevrijding.

40. Maar onwetende en ongelovige lieden, die de geopenbaarde Schriften in twijfel trekken, komen niet tot God-bewustzijn. De twijfelde ziel vindt noch in deze, noch in de volgende wereld, geluk.


TRANSCENDENTALE KENNIS EN KARMA-YOGA ZIJN BEIDE VOOR NIRVANA NODIG

41. Hij, die door yoga alle handelingen heeft opgegeven, die door kennis en inzicht alle twijfel heeft uitgebannen, die beheerst wordt door het Zelf, wordt niet door handeling gebonden, O Arjuna .

42. Daarom moet de twijfel, die uit onwetendheid je hart bekropen heeft, worden vernietigd met het wapen der kennis. O Bharata , wapen je met yoga en sta op en strijd .

 

 

 

5. HET PAD DER VERZAKING

1. Arjuna zei: O Krishna, eerst vraag Je me alle werk te verzaken en nu raad Je me aan toegewijd werk te doen. Wil Je me nu ondubbelzinnig duidelijk maken welke van beide wegen het heilzaamst is? (Zie ook 5.05)

2. De Heer Krishna sprak: Zowel het verzaken van werk als werk in toewijding leidt tot bevrijding. Maar van deze twee is werk in toewijding beter dan het verzaken van werk.

3. Wie de vruchten van zijn bezigheden haat noch begeert, wordt gekend als immer onthecht. Zo iemand, die bevrijd is van dualiteit, overwint gemakkelijk zijn gebondenheid aan de stof en raakt volkomen verlost, O sterkgearmde Arjuna.


BEIDE PADEN LEIDEN TOT DE VERHEVENE

4. Alleen een onwetende zegt dat karma-yoga en toegewijde dienst verschillen van het ontledend onderzoek van de stoffelijke wereld. Degenen echter die werkelijk verstand van zaken hebben zeggen dat wie zich toelegt op één van beide, beider vruchten plukt.

5. Wie weet dat wat door onthechting wordt bereikt eveneens kan worden bereikt door toegewijde dienst, en dus ziet dat de wegen van activiteit en onthechting één zijn, ziet de dingen zoals ze zijn. (Zie ook 6.01 en 6.02)

6. Tenzij men in toegewijde dienst is van de Heer, kan louter verzaken van activiteit iemand niet gelukkig maken. De wijzen echter, die gelouterd zijn door toegewijde werken, bereiken onverwijld Nirvana. (Zie ook 4.31, en 4.38)

7. Wie toegewijde dienst verricht, een zuivere ziel is en zijn geest en zinnen beteugelt, is iedereen dierbaar, terwijl iedereen hem dierbaar is. Zo iemand raakt, hoewel hij altijd bezig is, nimmer verstrikt.


EEN TRANSCENDENTALE BESCHOUWT ZICHZELF ALS IEMAND DIE NIETS DOET

8-9. Iemand in goddelijk bewustzijn weet innerlijk voortdurend, ook al houdt hij zich bezig met kijken, luisteren, aanraken, ruiken, eten, rondbewegen, slapen en ademhalen, dat hij in feite volstrekt niets doet. Want terwijl hij spreekt, aanneemt of verwerpt, zich ontlast, zijn ogen opent of sluit, weet hij voortdurend dat slechts de stoffelijke zinnen hun bezigheden verrichten en dat hij er niet door wordt beroerd. (Zie ook 3.27, 13.29, en 14.19)


EEN KARMA-YOGI WERKT VOOR GOD

10. Wie zijn taak doet zonder eraan gehecht te zijn en de baten hiervan overdraagt aan de Allerhoogste, is niet onderhevig aan de terugslag van zondig doen en laten, zoals een lotusbloem niet aangeraakt wordt door het water.

11. De yogi’s, die alle gehechtheid laten varen, handelen met lichaam, geest, verstand en zelfs met de zinnen, uitsluitend om gelouterd te worden.

12. De voortdurend toegewijde ziel verkrijgt volmaakte vrede, omdat ze de voortbrengselen van al haar handelen aan Mij offert; terwijl iemand die niet in overeenstemming met het goddelijk is en de vruchten van zijn arbeid begeert, verstrikt raakt.


HET PAD VAN DE KENNIS

13. Wanneer het belichaamd levend wezen zijn lagere natuur beheerst en in zijn denken alle actie laat varen, woont het gelukkig in de stad der Negen Poorten , zonder te werken of te doen werken.

14. De belichaamde ziel, die de stad van haar lichaam bestuurt, veroorzaakt geen activiteiten, noch brengt ze personen tot handelen, noch laat ze activiteiten vrucht dragen. Het is de drieërlei aard der natuur die dit alles teweegbrengt.

15. De Allerhoogste kan Zich nimmer verantwoordelijk stellen voor de zondige of vrome activiteiten van wie dan ook. De belichaamde wezens zijn in de war, omdat hun wezenlijke kennis verhuld wordt door onwetendheid.

16. Wanneer men echter verlicht wordt door de kennis die de onwetendheid vernietigt, onthult deze kennis alles, zoals de zon overdag alles verlicht.

17. Mensen, met verstand en gemoed volledig op het Allerhoogste gericht, in Hem verankerd, die God als hun uiterste doel en enige toevlucht bezitten, en al de onzuiverheden door de kennis van het Zelf vernietigd hebben, worden niet meer herboren .

 

BIJKOMENDE KENMERKEN VAN EEN VERLICHTE PERSOON

18. Door zijn werkelijke kennis ziet de nederige wijze met gelijkgezinde blik: een geleerde en zachtmoedige brahmaan, een koe, een olifant, een hond en een hondenvleeseter (paria) . (Zie ook 6.29)

19. Degenen wier geest verankerd is in gelijkgezindheid en gelijkmoedigheid hebben de banden van geboorte en dood al overwonnen. Ze zijn even onberispelijk als Brahmaan en daarom bevinden ze zich al in Brahmaan . (Zie ook 18.55)

20. Wie zich niet verblijdt wanneer er iets aangenaam plaatsvindt, noch treurt wanneer hem iets onaangenaam overkomt, wie zijn verstand van binnenuit ontvangt, niet door verbijstering bevangen is en de wetenschap Gods kent, dient beschouwd te worden als reeds in het bovennatuurlijke zijnde . (Zie ook 18.55)

21. Zo’n bevrijd persoon wordt niet aangetrokken door stoffelijk zingenot of uiterlijke zaken, maar is altijd verheven en verheugt zich innerlijk. Op deze wijze geniet de zelfverwerkelijkte een geluk zonder einde, want hij is verankerd in het Allerhoogste.

22. De schrandere geeft zich nimmer over aan zingenot. O zoon van Kuntï, zinnelijke vreugde kent zowel begin als einde, en derhalve schept de wijze er geen behagen in. (Zie ook 18.38)

23. Als men, alvorens het huidige lichaam prijs te geven, reeds de drangen van de stoffelijke zinnen kan weerstaan en de drangen van begeerte en woede weet te beteugelen, is men een yogi en leeft men gelukkig in deze wereld.

24. Wie innerlijk gelukkig is, innerlijk werkzaam, innerlijk verheugd en innerlijk stralend, is in feite de volmaakte yogi. Bevrijd als hij is, bereikt hij uiteindelijk het Allerhoogste.

25. Wie boven dualiteit en twijfel verheven is en wiens geest innerlijk werkzaam is, wie altijd ijvert voor het welzijn van alle levende wezens en wie vrij is van alle zonden, verwerft zich bevrijding in het Allerhoogste.

26. Wie vrij van woede en alle stoffelijke begeerte is, wie zelfverwerkelijkt is, zich weet te beheersen en voortdurend naar het volmaakte streeft, kan er zeker van zijn dat hij in de zeer nabije toekomst zal worden bevrijd in het Allerhoogste.


HET DERDE PAD – HET PAD VAN DEVOTIONELE MEDITATIE EN CONTEMPLATIE

27-28. Wanneer hij zich voor alle uiterlijke zaken afsluit, zijn ogen en innerlijke blik gericht houdt op het punt tussen de beide wenkbrauwen, de in- en uitgaande adem tegelijk zwevende houdt in de neusgaten, en op deze wijze geest, zinnen en verstand beteugelt, raakt degene die het bovennatuurlijke nastreeft bevrijd van begeerte, angst en woede. Wie zich altijd in deze staat bevindt, is beslist verlost .

29. De wijzen, die Mij kennen als het uiteindelijke doel van alle offers en boetedoeningen, als de Opperheer van het gehele universum en halfgoden en de weldoener en begunstiger van alle levende wezens, zullen vrede vinden van de pijn der stoffelijke ellende.

 

 

 

6. HET PAD DER MEDITATIE

EEN KARMA-YOGI IS EEN VERZAKER

1. De Heer Krishna sprak: Wie niet gehecht is aan de vruchten van zijn arbeid en werkt volgens zijn plicht, bevindt zich op het peil van iemand die de wereld verzaakt heeft en is de ware yogi: in tegenstelling tot hem die geen vuur maakt en geen werk verricht.

2. O Arjuna, verzaking (Samnyasa) is hetzelfde als Karma-yoga, want niemand kan een Karma-yogi worden indien hij tegenover een volbrachte werk zich niet heeft ontdaan van zelfzuchtige motieven. (Zie ook 5.01, 5.05, 6.01, en 18.02)


EEN DEFINITIE VAN YOGA

3. Voor de nieuweling in het achtvoudig yoga-systeem heet werken de weg te zijn; en voor iemand die al tot yoga gekomen is, heet het staken van alle stoffelijke activiteiten de weg te zijn.

4. Iemand heet tot yoga gekomen te zijn wanneer hij, na alle stoffelijke verlangens te hebben verzaakt, noch handelt om zijn zinnen te bevredigen, noch zich ophoudt met baatzuchtig streven.


HET GEMOED IS DE BESTE ZOWEL ALS DE SLECHTSTE VRIEND

5. Men dient zich te verheffen door zijn eigen geest en zich niet te verlagen. De geest is zowel de vriend als de vijand van de gebonden ziel.

6. Voor wie zijn geest heeft overwonnen, is de geest zijn beste vriend; maar voor wie daar niet in is geslaagd, is juist de geest zijn ergste vijand.

7. Voor wie de geest heeft overwonnen, is het hoger Zelf reeds bereikt, want hij is tot rust gekomen. Voor zo iemand zijn geluk en verdriet, hitte en kou, eer en schande een en hetzelfde.

8. Een persoon wordt een yogi genoemd die tegelijkertijd Zelfkennis en Zelf-realisatie bezit, die gelijkmoedig is, die zijn gemoed en zinnen kan beheersen, en voor wie een aardekluit, een steen, en goud hetzelfde is .

9. Een persoon wordt als superieur beschouwd die onpartijdig is tegenover metgezellen, vrienden, vijanden, neutralen, arbiters, haters, bloedverwanten, heiligen en zondaren .


MEDITATIE TECHNIEKEN

10. Wie naar het bovenzinnelijke streeft, dient altijd te trachten zich op het Allerhoogste Zelf te richten; hij behoort zich af te zonderen op een eenzame plaats en steeds aandachtig zijn geest te beteugelen; hij dient vrij te zijn van alle begeerte en elk bezitsgevoel ( en ).

11. Op een reine plek gezeten, op een eigen vaste zitplaats, noch te hoog noch te laag, vervaardigd van een laken, de huid van een zwarte antilope en kushagras, boven elkaar gelegd;

12. Laat hem daar, als hij het denken eenpuntig gemaakt heeft, zijn gedachten en de werkingen der zinnen heeft beteugeld en roerloos gezeten is, meditatie praktiseren om het zelf te reinigen .

13. Laat hem, terwijl hij lichaam, hals en hoofd rechtop houdt, onbeweeglijk en bedaart, met gesloten ogen de blik gericht op de punt van de neus .

14. Kalm, onbevreesd, onwrikbaar in zijn gelofte van Brahmachari , zijn denken beheersend, zijn gedachten gericht op Mij, harmonisch strevend naar Mij als Allerhoogste. (Zie ook 4.29, 5.27, 8.10, en 8.12)

15. De yogi, die aldus steeds gericht is op het Zelf, wiens denken beheerst is, komt tot vrede; komt tot het allerhoogste Nirvana dat in Mij is.

16. Waarlijk, yoga is niet voor hem die te veel eet, ook niet voor hem die overmatig vast, en evenmin voor hem die te veel slaapt of die te veel waakt, O Arjuna.

17. Yoga verdrijft alle pijn voor hem, die matig is in eten en ontspanning, matig in zijn gedragingen, matig in slapen en waken.

18. Als zijn beheerste denken gevestigd is op het Zelf, vrij van verlangen naar alle begerenswaardige dingen, dan zegt men: hij is evenwichtig .

19. Als een lamp die, tegen de wind beschut, niet flikkert, hiermee vergelijkt men de yogi, die zijn denken beheersend, verzonken is in de yoga van het Zelf.

20. Dat, waarin het denken tot rust komt, verstild door yoga beoefening; dat waarin men, het Zelf schouwend door het Zelf, tevreden is in het Zelf;

21. Iemand’s oneindige zegen is enkel door het intellect, buiten het bereik van de zintuigen, waargenomen. Na de Absolute Realiteit gerealiseerd te hebben, kan iemand er nooit van afgeweken worden .

22. Dat waarvan men, als het eenmaal is verkregen, beseft dat er niets hogers is te verwerven en waar men, eenmaal erin gegrondvest, zelfs door felle smart niet geschokt wordt:

23. Dat moet men kennen als yoga, dit loskoppelen van de identiteit met pijn. Deze yoga moet men aanhangen met onwrikbare overtuiging en onverdroten geest.

24. Men dient zich vastberaden en vol vertrouwen aan yoga te wijden. Men moet zich zonder uitzondering ontdoen van alle stoffelijke begeerten, die voortkomen uit het vals ego, en zo met de geest alle zinnen geheel beheersen.

25. Geleidelijk, en met ferme beheersing moet men tot rust en kalmte komen; en eenmaal de aandacht op het Zelf gevestigd, laat men dan aan niets anders denken.

26. Laat de yogi, zo vaak de wankelde aandacht afdwaalt, deze ontomen en onder beheersing van het Zelf brengen.


WIE IS EEN YOGI

27. De yogi wiens gemoed op Mij gericht is verwerft zich voorzeker het hoogst geluk. Dankzij zijn eenheid met Brahman wordt hij verlost; zijn geest heeft vrede, zijn drangen zijn tot rust gekomen en hij is vrij van zonden.

28. Standvastig in het Zelf, van alle stoffelijke smetten vrij, bereikt de yogi de hoogste volmaaktheid des geluks in voortdurende verbinding met het Allerhoogste Bewustzijn.

29. Een ware yogi aanschouwt Me in alle wezens en ziet ook elk wezen in Mij. De zelfverwerkelijkte ziet Me werkelijk overal. (Zie ook 4.35, 5.18)

30. Voor wie Mij overal ziet en alles in Mij ziet, ben Ik nimmer verloren, noch is hij ooit verloren voor Mij.

31. Die yogi, die in eenheid gegrondvest, Mij in alle schepselen verblijvend, aanbidt, leeft in Mij, hoe zijn leefwijze ook mag zijn.

32. De volmaakte yogi, O Arjuna, is hij die door vergelijking met zichzelf de ware gelijkheid van alle wezens ziet, zowel in geluk als in verdriet.


TWEE METHODEN OM HET RUSTELOOS GEMOED TE BEDWINGEN

33. Arjuna zei: O Krishna, het yoga-systeem dat Je me beschreven hebt lijkt me onuitvoerbaar en niet vol te houden, want de geest is rusteloos en onevenwichtig.

34. Want de geest is rusteloos, woelig, koppig en zeer sterk, O Krishna, en hem bedwingen lijkt me moeilijker dan het bedwingen van de wind.

35. De Heer Krishna zei: Het is ongetwijfeld waar, O Arjuna, dat het denken moeilijk te beteugelen en rusteloos is; maar door constante en harde oefening – zoals meditatie – in volharding en ongehechtheid kan men het bedwingen.

36. Yoga is, naar mijn mening, moeilijk te bereiken door een onbeheerst zelf; maar door degene, die door het Zelf beheerst wordt, is het te bereiken met behulp van juist gerichte energie.


HET LOT VAN EEN ONBEKWAME YOGI

37. Arjuna zei: Wat is de bestemming van de gelovige die niet volhardt op het pad van de meditatie, die een begin maakt met zijn streven naar zelfverwerkelijkheid, maar er later als gevolg van wereldsgezindheid van afziet, en zo niet tot mystieke volmaaktheid komt?

38. Zal hij niet vergaan zoals een gescheurde wolk, O Krishna, daar hij aan beide werelden is ontvallen, en het pad ontloopt, dat voert tot het eeuwige Brahman?

39. O Krishna, wil toch mijn twijfel volledig verdrijven; want niemand dan gij kan deze twijfel wegnemen. (Zie ook 15.15)

40. Krishna zei: O Arjuna, noch in deze wereld, noch in het hiernamaals wacht hem de ondergang; nooit zal iemand, die het goede betracht, het pad van smart betreden, geliefde vriend .

41. Na vele, vele jaren van genieten op de werelden der rechtvaardigen wordt de yogi die het niet gehaald heeft, geboren in een familie van rechtvaardig levende mensen of in een familie van rijke adel.

42. Of hij wordt geboren in een familie van personen die naar het bovennatuurlijke streven en zeer grote wijsheid bezitten. Zo’n geboorte is waarlijk zeldzaam in deze wereld.

43. Daar herkrijgt hij de kenmerken, die tot zijn vorig lichaam behoorden en hiermee werkt hij opnieuw, om tot volmaaktheid te komen.

44. Door zijn yogabeoefening in vorige levens wordt hij onweerstaanbaar voortgezweept. En aangezien hij yoga verlangt te kennen, stijgt hij uit boven het Woord , tot realisatie van het eeuwige Brahman.

45. Maar wanneer de yogi, van alle smetten vrij, oprecht naar verdere vooruitgang streeft, bereikt hij uiteindelijk, na vele, vele levens van oefenen, het allerhoogste doel.


WIE IS DE BESTE YOGI

46. De yogi is hoger dan de asceten ; men vindt hem zelfs hoger dan de wijzen ; de yogi is hoger dan de mens van handeling ; wordt gij daarom een yogi, O Arjuna.

47. En van alle yogi’s wordt hij, die Mij vol vertrouwen aanbidt, die met zijn innerlijke Zelf in Mij verblijft, die Mij vereert, door Mij als de volkomen evenwichtige beschouwt. (Zie ook 12.02 en 18.66)

 

 

 

7. ZELFKENNIS EN VERLICHTING

1. De Heer Krishna zei: Hoor nu, O Arjuna, hoe je door yoga te oefenen in vol bewustzijn van Mij en met je geest op Mij gericht, Me geheel kunt kennen zonder een spoor van twijfelen.


METAFYSISCHE KENNIS IS DE UITERSTE KENNIS

2. Ik zal u deze wijsheid en kennis volledig openbaren en wanneer ge u die hebt eigen gemaakt, blijft er verder niets over te weten.


DE ZOEKERS ZIJN BEPERKT

3. Onder vele duizenden mensen streeft er misschien één naar volmaaktheid , en van duizenden strevenden is er ternauwernood één, die Mij in wezen kent.


DEFINITIES VAN DE MATERIE, BEWUSTZIJN, EN GEEST

4. Aarde, water, vuur, lucht, ether , geest , verstand en het ikbesef tezamen omvatten deze achtvoudige indeling Mijn afgescheiden, stoffelijke energieën. (Zie ook 13.05)

5. Behalve deze lagere natuur, O Arjuna, heb Ik een hogere natuur, welke bestaat uit alle levende wezens , die met de stoffelijke natuur worstelen en het universum schragen.


DE VERHEVENE GEEST IS DE GRONDVEST VAN MATERIE, BEWUSTZIJN EN GEEST

6. Wees ervan overtuigd dat van al wat stoffelijk en geestelijk is in deze wereld, Ik zowel de oorsprong als de ontbinding ben . (Zie ook 13.26)

7. Er is niets, dat hoger is dan Ik, O Arjuna. Alles houdt verband met Mij, als parels, aan een draad geregen.


DE VERHEVENE GEEST IS DE BASIS VAN ALLES

8. O Arjuna, Ik ben de smaak in de wateren; het stralende in de maan en de zon, de heilige syllabe OM in al de Vedas; geluid in ether en kracht in het menselijk wezen.

9. Ik ben de oorspronkelijke geur van de aarde en Ik ben de hitte in het vuur. Ik ben het leven van al wat leeft en Ik ben de strenge eenvoud van de asceten.

10. O Arjuna, weet dat Ik het oorspronkelijk zaad ben van al wat is, het verstand van de verstandigen en de moed van alle dapperen . (Zie ook 9.18 en 10.39).

11. Ik ben de begeerte in de menselijke wezens, ontdaan van sensuele bevrediging in overeenstemming met de dharma (voor het sacrale doel van procreatie na het huwelijk), O Arjuna .

12. Alle zijnstoestanden – in goedheid, hartstocht of onwetendheid – worden geopenbaard door Mijn vermogen. Ik ben in zekere zin alles, maar Ik ben onafhankelijk. Ik word niet beïnvloed door de drieërlei aard der stoffelijke natuur. (Zie ook 9.04 en 9.05)

13. Begoocheld door de drieërlei aard der stoffelijke natuur (goedheid, hartstocht, onwetendheid), is de gehele wereld onbekend met Mij, die boven de geaardheden ben en onuitputtelijk?


HOE DE GODDELIJKE ILLUSOIRE KRACHT (MAYA) OVERWINNEN

14. Deze Mijn goddelijke energie, bestaande uit de drieërlei aard der stoffelijke natuur, is moeilijk te overwinnen. Maar degenen die zich aan Mij overgeven, komen haar gemakkelijk te boven. (Zie ook 14.26, 15.19, en 18.66)


WIE ZOEKEN GOD

15. De boosdoeners, de dwazen, de nietswaardigen, diens verstand door de begoocheling is versluierd, die de geaardheid van demonen bezitten, zoeken hun toevlucht niet tot Mij.

16. O Arjuna, vier soorten vrome lieden bewijzen me toegewijde dienst – de verdrietige, hij die rijkdom begeert , de nieuwsgierige en hij die naar kennis van het Absolute zoekt.

17. Van deze is de wijze, die immer in harmonie de Ene aanbidt, de uitnemendste; Ik ben de wijze dierbaar bovenal, en hij is Mij dierbaar.

18. Al deze toegewijden zijn ongetwijfeld grootmoedige zielen, maar degene die zich in kennis bevindt aangaande Mij, verblijft waarlijk in Mij. Werkzaam in Mijn bovennatuurlijke dienst, bereikt hij Mij . (Zie ook 9.29)

19. Na vele geboorten komt de verlichte, die vervuld is van wijsheid tot Mij (of Verhevene Wezen). Zo een grote ziel is uiterst zeldzaam .

20. Zij, wier denken verscheurd is door begeerten, gaan tot andere godheden , en zoeken hun toevlucht tot verschillende rituele gebruiken, al naar hun aard.


DE AANBIDDING VAN EEN GODHEID IS OOK GOD AANBIDDEN

21. Hoe een toegewijde, vol geloof en vertrouwen Mij ook zoekt te aanbidden, Ik maak dat geloof en vertrouwen van die mens standvastig.

22. Vervuld van geloof en vertrouwen, zoekt hij zo’n halfgod te aanbidden, en van hem verkrijgt hij de vervulling van zijn begeerten; Ik echter bepaal de gunsten.

23. Mensen met weinig verstand aanbidden de halfgoden en wat ze ontvangen is beperkt en tijdelijk. Degenen die de halfgoden aanbidden gaan naar de hemelse gewesten van de halfgoden, maar mijn devoters komen zeker tot Mij .


GOD KAN IN EEN BEELD VAN EENDER GEWENSTE VORM VAN AANBIDDING GEZIEN WORDEN

24. Onverstandige lieden, die Mij niet kennen, denken dat Ik deze gedaante en persoonlijkheid heb aangenomen. Als gevolg van hun geringe kennis, weten ze niets van Mijn hogere natuur, die onveranderlijk en hoog verheven is.

25. Ik ben nimmer herkenbaar voor de dwazen en onverstandigen. Ik ben door Mijn eeuwige scheppende kracht voor hen verhuld; zo word Ik, die ongeboren en onfeilbaar ben door de begoochelde wereld niet gekend.

26. Ik ken de schepselen van verleden, heden en toekomst, O Arjuna, maar Mij kent niemand.

27. Door het illusoire van de paren van tegenstellingen, die ontsproten zijn aan toeneiging en afstoting, O Arjuna, worden alle schepselen geboren in volslagen begoocheling.

28. Maar de mensen, die zuiver en deugdzaam leven, in wie geen zonde meer is; zij, die bevrijd zijn van de begoochelende paren van tegenstellingen, aanbidden Mij, standvastig in hun geloften.

29. Zij die, hun toevlucht zoekend in Mij, streven naar bevrijding van geboorte en dood, kennen het Eeuwige Brahman , zij hebben algehele kennis van het Zelf en van de totaliteit van handeling.

30. De standvastige personen, die Mij alleen kennen als het grondbeginsel van alles – de sterfelijke wezens, de Tijdelijke Wezens, en de Eeuwige Wezen – zelfs op het uur van de dood, bereiken ze Me . (Zie ook 8.04)

8. DE EEUWIGE GEEST

1. Arjuna vroeg: O mijn Heer, O Allerhoogste, wat is Brahman ? Wat is het zelf ? Wat zijn vruchtdragende activiteiten? Wat is deze stoffelijke openbaring? En wat zijn de halfgoden ? Wees zo goed me dit uit te leggen.

2. Wat is de kennis van het offer in dit lichaam, en hoe, O Madhusudhana ? En hoe zult Gij in de ure des doods gekend worden door hen, die zich aan het Zelf hebben onderworpen.


DEFINITIE VAN DE VERHEVENE GEEST, GEEST, INDIVIDUELE ZIEL, EN KARMA

3. De Heer Krishna zei: het onvergankelijke , het allerhoogste, het Absolute is het Eeuwige Wezen; Zijn wezenlijke aard noemt men kennis van het Zelf; de emanatie, die de geboorte van de schepselen veroorzaakt, wordt handeling genoemd.

4. De kennis der elementen betreft de vergankelijke natuur: kennis omtrent de halfgoden betreft de leven-gevende energie ; de kennis omtrent het offer spreekt over Mij als wonend in het lichaam als de innerlijke Getuige, O gij beste onder de levende schepselen .

DE THEORIE VAN REINCARNATIE EN KARMA

5. En alwie in het uur des doods zijn lichaam verlatend aan Mij denkt, komt onmiddellijk tot Mij. Daar is geen twijfel aan.

6. De zijnstoestand die men zich bij het verlaten van het lichaam herinnert, zal men voorzeker weer bereiken.


EEN EENVOUDIGE METHODE VAN DE GOD-REALISATIE.

7. Denk daarom voortdurend aan Mij alleen, en strijd. Als uw verstand en uw vrede vast op Mij gevestigd zijn, zult ge tot Mij komen, daar is geen twijfel aan .

8. Door Mij met een onwankelbaar gemoed te beschouwen , gedisciplineerd in het praktiseren van de meditatie, gaat men de Verhevene Wezen bereiken, O Arjuna en .

9. Men dient te mediteren op de Verhevene Wezen als degeen die alles weet, die de oudste is, die de bestuurder is, die kleiner is dan het kleinste, die alles in stand houdt, die Zich aan elke stoffelijke benadering onttrekt, die men zich niet kan voorstellen en die altijd een persoon is. Hij straalt als de zon en bevindt Zich, van onvoorstelbare gestalte, buiten deze stoffelijke natuur .

10. Wie in het uur van zijn dood zijn levenskracht op het punt tussen zijn wenkbrauwen richt en zich in volledige toewijding de Opperheer voor ogen houdt, zal voorzeker tot de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods komen . (Zie ook de verzen 4.29, 5.27, 6.13)

11. Wat de Vedakenners het Onvergankelijke noemen en wat asceten, vrij van gehechtheid, bereiken waartoe ze het celibaat dienen te beoefenen, die staat wil ik u beknopt uiteenzetten.


BEREIKT VERLOSSING DOOR OP HET UUR VAN DE DOOD OP GOD TE MEDITEREN

12. Hij, die alle poorten sluit, het bewustzijn in het hart besloten houdt, de levensadem vasthoudt in het hoofd, in meditatie verzonken;

13. (Hij die) de heilige syllabe Aum reciteert, nimmer van Mij aflaat, terwijl hij voortgaat , zal bij het verlaten van het lichaam het hoogste pad betreden en .

14. Wanneer die grote zielen, de toegewijde yogi’s, Mij hebben bereikt, zullen ze nimmer terugkeren naar deze tijdelijke wereld, die vol ellende is, omdat ze zich de hoogste volmaaktheid hebben verworven .

15. Hebben zij Mij eenmaal bereikt, dan keren deze verheven zielen niet terug tot geboorte in de wereld van smart, het vergankelijke; zij hebben de hoogste volmaaktheid bereikt.

16. De werelden, te beginnen met de wereld van Brahma, die komen en gaan, O Arjuna; maar wie Mij bereikt wordt niet wederom geboren. (Zie ook 9.25)


ALLES IN DE SCHEPPING IS CYCLISCH

17. Zij, die weten dat de dag van Brahma duizend yugas (een kalpa, dit is 432.000.000 jaar) duurt en dat de nacht van Brahma ook duizend yugas omvat, zij kennen de dag en de nacht .

18. Bij het aanbreken van de dag emaneert al het geopenbaarde uit het ongeopenbaarde; bij het vallen van de nacht lost het weer op in dat wat het ongeopenbaarde genoemd wordt.

19. Dezelfde menigte schepselen, komen bij het aanbreken van een creatieve cyclus steeds terug in het bestaan; en is onvermijdelijk vernietigd bij het aanbreken van de afbrekende cyclus .

20. Maar hoger dan dat ongeopenbaarde is een ander ongeopenbaarde, eeuwige , dat wanneer alle schepselen worden vernietigd, zelf niet tenietgaat.

21. Die allerhoogste woonplaats wordt genoemd onvergankelijk en niet-geopenbaard, en ze is ieders hoogste doel. Wie daarheen gaat keert nimmer terug. Dat is Mijn allerhoogste woning.


TWEE FUNDAMENTELE VERTREKPADEN UIT DE WERELD

22. Het Allerhoogste Woonst, O Arjuna, kan bereikt worden door onwankelbare toewijding aan Mij alleen, in Wie alle wezens verblijven; door Wie het gehele universum wordt doordrongen . (Zie ook 9.04 en 11.55)

23. O Arjuna, Ik zal u nu uitleggen, waarin men als yogi na het overgaan niet wederkeert, en ook van de tijd waarin men, als yogi na het overgaan wel terugkeert.

24. Vuur, licht, dag, de heldere veertien dagen van de maan, de zes maanden van het noordelijke solstitium van de zon, de yogi’s die dan overgaan van het pad dezer hemelse controleurs en die de eeuwige Geest kennen, bereiken de Verhevene .

25. Rook, nacht, de donkere veertien dagen, de zes maanden van het zuidelijk pad; als hij dan overgaat, verkrijgt de yogi het licht van de maan en keert terug.

26. Licht en duisternis worden geacht de eeuwigdurende paden van de wereld te zijn; langs het ene pad gaat hij die niet terugkeert; langs het andere pad hij die terugkeert en .


TRANSCENDENTALE KENNIS LEIDT TOT VERLOSSING

27. Daar hij deze twee paden kent, O Arjuna, is de yogi nooit in verwarring. Wees daarom vastberaden in het halen van de verlossing - ten alle tijde het doelpunt van de menselijke geboorte.

28. De yogi, die deze kennis verworven heeft, gaat voorbij aan de vruchten van verdienstelijke daden, welke in de Vedas gehecht worden aan offers, aan verzaking, en ook aan het geven van aalmoezen; en hij gaat tot de allerhoogste staat van het oerbegin.

 

 

 

9. DE VERHEVENE KENNIS EN HET GROTE GEHEIM

1. De Heer Krishna zei: Aan u, die vol goede wil zijt om te begrijpen, zal ik dit allerdiepste geheim, wijsheid en gedetailleerde kennis meedelen en verklaren en als ge dit weet, zult gij bevrijd zijn van wereldse ellende.


KENNIS RONDOM DE NATUUR VAN DE VERHEVENE IS HET GROOTSTE GEHEIM

2. Zelfkennis is de koning van alle kennissen, het grootste geheim, is zeer heilig, het kan door het instinct worden waargenomen, overeenkomstig met rechtvaardigheid (Dharma), is gemakkelijk te beoefenen, en is tijdloos .

3. Degenen die de weg der toegewijde dienst niet getrouw volgen kunnen Me niet bereiken, O overwinnaar der vijanden, maar keren terug in de kringloop van geboorte en dood in deze wereld.

4. Dit gehele universum is van Mij doordrongen in Mijn ongeopenbaarde vorm. Alle wezens zijn in Mij, maar Ik ben niet in hen. (Zie ook 7.12)

5. Aanschouwt de kracht van Mijn goddelijke geheim; in werkelijkheid, Ik – de instandhouder van alle levende wezens – ben van hen niet afhankelijk, en zij niet afhankelijk van Mij. (In feite, is de gouden keten niet van het goud afhankelijk; de gouden keten is niets anders dan goud. Ook, zijn de materie en energie verschillend en tevens niet verschillend).

6. Weet dat alle schepselen in Mij geworteld zijn, zoals de machtige lucht, die overal in beweging is, in de ether stoelt.

7. Alle schepselen keren terug tot Mijn oorspronkelijke materieel Natuur aan het einde van een cyclus meer dan 311 triljoen zonnestelsel jaren, O Arjuna, en Ik schep hen opnieuw aan het begin van een nieuwe cyclus . (Zie ook 8.17)

8. De gehele kosmische orde bevindt zich onder Mij. Door Mijn wil wordt ze telkens weer geopenbaard en door Mijn wil wordt ze, wanneer het eind er is, vernietigd.

9. Deze werken binden Mij echter niet, O Arjuna, daar Ik onberoerd erboven troon, ongehecht aan handelingen.

10. Onder Mijn toezicht brengt de natuur het beweeglijke en het onbeweeglijke voort; en hierdoor, O Arjuna, draait de wereld. (Zie ook 14.03)


DE PADEN VAN DE WIJZE EN VAN DE ONWETENDE ZIJN VERSCHILLEND

11. Dwazen bespotten Mij wanneer Ik neerdaal in Mijn menselijke gedaante. Ze weten niet dat Mijn wezen bovennatuurlijk is, noch dat Ik heers over al wat leeft.

12. Degenen die aldus verdwaasd zijn, voelen zich aangetrokken tot demonische en goddeloze opvattingen . In hun begoochelde staat blijft er van hun hoop op verlossing, hun baatzuchtige activiteit en hun kennis-ontwikkeling niets over.

13. De verheven zielen (zie 16.01-03), O Arjuna, die deel hebben aan Mijn goddelijk wezen, aanbidden Mij met niet aflatende aandacht, daar zij Mij kennen als de onvergankelijke oerbron der schepselen.

14. Steeds Mij verheerlijkend, ijverig, standvastig in hun geloften, werpen zij zich deemoedig voor Mij neer en vereren Mij vol toewijding , immer harmonisch .

15. Anderen, die het offer brengen van wijsheid, vereren Mij als de Ene en de Veelheid, alom aanwezig.


ALLES IS DE MANIFESTATIE VAN DE ABSOLUUT

16. Ik ben het ritueel, het offer, de offergave aan de voorvaders, het geneeskruid, de mantra . Ik ben de boter, het vuur en de offerande. (Zie ook 4.24).

17. Ik ben de vader van dit universum, de moeder, de instandhouder en de grootvader. Ik ben het doel der kennis, de alles-reinigde, en de lettergreep OM. En Ik ben ook de Rig-, de Sâma en de Yagur-veda .

18. Ik ben het doel, de instandhouder, de meester, de getuige, de woning, de toevlucht en de hartsvriend. Ik ben de schepping en de vernietiging, de grond van alles, de rustplaats en het eeuwig zaad. (Zie ook 7.10 en 10.39)

19. Ik geef hitte, Ik houd de regen terug en zend hem neer; onsterfelijkheid en ook de dood, zijn en niet-zijn ben Ik, O Arjuna. (De Verhevene Wezen is alles geworden, zie ook 13.12. )


VERLOSSING BEREIKT DOOR DEVOTIONELE LIEFDE

20. De kenners van de rituelen in de Veda’s voorgeschreven, de drinkers van de nectar van devotie, zij die van zonden gereinigd zijn, aanbidden Mij om door goede werken de hemel te bereiken. Als resultaat voor hun verdiende daden gaan ze naar de hemel waar ze goddelijke geneugten zullen smaken .

21. Wanneer ze op deze wijze hemels zingenot hebben gesmaakt , keren ze weer terug naar de wereld der stervelingen. Zo komen ze door de Vedische beginselen te volgen slecht tot voorbijgaand geluk. (Zie ook 8.25)

22. Maar wie Mij toegewijd aanbidden en op Mijn bovennatuurlijke gedaante mediteren, schenk Ik wat ze missen en laat Ik behouden wat ze hebben.

23. Zelfs zij, die vol vertrouwen andere goden aanbidden, aanbidden en vereren Mij, O Arjuna, zij het in strijd met de aloude wet .

24. Ik ben de enige genieter en het enige doel van alle offers. Zij die Mijn werkelijke, bovennatuurlijke aard niet doorgronden vallen terug in de kringloop van de geboorte en dood.

25. Degenen die de hemelse heersers aanbidden zullen onder de hemelse heersers verblijven; degenen die de voorouders vereren gaan naar de voorouders , degenen die spoken en geesten vereren worden onder dergelijke wezens geboren, maar Mijn devoters komen tot Mij, en worden niet herboren . (Zie ook 8.16)


DE HEER AANVAARDT EN EET HET OFFER VAN LIEFDE EN DEVOTIE

26. Als men Mij met liefde en toewijding een blad, een bloem, fruit of water offert, zal Ik het aanvaarden .

27. O Arjuna, wat ge ook doet, wat ge ook eet, wat ge ook offert, wat ge ook schenkt als gift, wat ge u ook ontzegt, doet dat als een offer aan Mij. (Zie ook 12.10, 18.46)

28. Zo zult ge bevrijd worden van boeien van handeling, die goede en boze vruchten afwerpt; en zelf tot harmonie gebracht door de yoga van verzaking , zult ge, wanneer ge bevrijd zijt, tot Mij komen.

29. Ik ken afgunst noch partijdigheid jegens wie dan ook. Ik ben allen gelijkgezind. Maar wie Mij toegewijd dient leeft in Mij; hij is Mij tot vriend, en Ik ben ook hem tot vriend. (Zie ook 7.18)


ER IS GEEN ZONDAAR DIE NIET VERGEVEN KAN WORDEN

30. Wie zich in toegewijde dienst bevindt, behoort, ook al begaat hij een afschuwelijke daad, als heilig te worden beschouwd, omdat hij op de goede weg is.

31. Spoedig wordt hij plichtsgetrouw en gaat hij in tot de eeuwige vrede; O Arjuna, weet en verkondig aan allen, dat wie Mij aanbidt, nimmer zal tenietgaan.

 

HET PAD VAN DEVOTIONELE LIEFDE IS GEMAKKELIJKER

32. Wie hun toevlucht nemen tot Mij, O Arjuna, al waren zij uit de schoot der zonde geboren, vrouwen, Vaishyas, ja zelfs Sudras, ook zij betreden het hoogste pad . (Zie ook 18.66)

33. Hoeveel te meer dan voor de Brahmanen, de rechtvaardigen, de toegewijden en de heilige vorsten, die zuiver zijn en toegewijd. Gij, die deze vergankelijke, vreugdeloze wereld hebt verkregen, aanbidt Mij met devotionele liefde.

34. Denk onafgebroken aan Mij, bewijs Mij eer en aanbid Mij. Als gij volkomen in Mij opgaat, zult gij zeker tot Mij komen.

 

 

 

 

 


10. DE MANIFESTATIE DER ABSOLUTE

1. De Heer Krishna zei: O Arjuna, luister wederom naar Mijn verheven woord. Uw welzijn beogend, wil Ik het u verkondigen, daar gij Mij lief zijt.


GOD IS HET BEGIN VAN ALLES

2. Noch de hemelse heersers, noch de grote wijzen kennen Mijn oorsprong, want Ik ben de oorsprong van de hemelse heersers en de grote wijzen overal .

3. Hij die Mij kent als de Ongeborene, zonder begin, de grote Heer der wereld, hij is reeds als sterveling zonder begoocheling, hij is bevrijd van de slavernij der Karma.

4-5. Verstand, kennis, vrijheid van twijfel en begoocheling, vergevingsgezindheid, waarheid, zelfbeheersing en kalmte, blijdschap en pijn, geboorte, dood, vrees, onbevreesdheid, geweldloosheid, gelijkmoedigheid, tevredenheid, soberheid, barmhartigheid, eer en schande worden geschapen door Mij alleen.

6. De grote heiligen, wijzen, en al de schepselen van de wereld werden door Mijn potentiële energie geboren .

7. Wie deze Mijn macht en heerlijkheid waarlijk kent, begeeft zich in zuivere toegewijde dienst; dit lijdt geen twijfel.

8. Ik ben de oorsprong van allen; alles komt uit Mij voort; dit begrijpend, in aanbidding verzonken, aanschouwen de wijzen Mij (het Zelf).

9. Met hun gedachten op Mij gericht, hun leven geheel in Mij geworteld, elkander verlichtend, steeds over Mij sprekend, zijn zij tevreden en blijmoedig.


DE HEER GEEFT ZIJN DEVOTEN KENNIS

10. Zij die Mij voortdurend zijn toegewijd en Mij liefdevol aanbidden, schenk Ik het verstand waardoor ze tot Mij kunnen komen.

11. Omdat Ik in hun innerlijke psyche als bewustzijn verblijf, om door de stralende lamp van transcendentale kennis de duisternis uit onwetendheid geboren te vernietigen, en dit uit een louter medelijdende handeling jegens hen. .

12. Arjuna zei: Gij zijt de allerhoogste Eeuwige, het allerhoogste toevluchtsoord, de allerhoogste Reiniger; de eeuwige goddelijke mens , de Godheid der Goden, de Ongeborene, de alomtegenwoordige Heer.

13. Alle heiligen en wijzen hebben van U getuigd, en nu verklaar Gij het me Zelf .


NIEMAND KENT DE WERKELIJKE NATUUR VAN DE REALITEIT

14. O Krishna: Al wat Gij mij gezegd hebt aanvaard ik volkomen voor waar. Noch de goden , noch demonen , O Heer, kennen Uw persoonlijkheid. (Zie ook 4.06)

15. Waarlijk, Gijzelf kent Uzelf, Soevereine Heer , O Gij oorsprong van alle wezens, Heer der Schepselen, God der goden, Heerser der wereld.

16. Wil mij toch gans Uw eigen goddelijke heerlijkheid verkondigen, waarin Gij verblijft, terwijl Gij deze werelden met Uw leven doordringt.

17. Hoe moet ik op U mediteren, O Soevereine Yogi? In welke verschillende gedaanten dien ik U in gedachten te houden, O Heer?

18. O Heer, vertel me uitvoerig over Uw geweldige vermogens en heerlijkheid, want ik kan nooit genoeg ontvangen van uw levengevende woorden.


ALLES IS EEN MANIFESTATIE DER ABSOLUTE

19. De Heer Krishna zei: Ja, Ik zal U van Mijn goddelijke heerlijkheid vertellen, maar alleen het voornaamste, O Arjuna, want Mijn volheid kent geen grenzen.

20. O Arjuna, Ik ben de Verhevene Geest (of Superziel), verblijvend in de innerlijke psyche van alle wezens. Ik ben tevens de schepper, de onderhouder, en de vernietiger – of het begin, het midden, en het einde – van alle wezens .

21. Ik ben de ondersteuner, Ik ben de stralende zon tussen de lichten , Ik ben de beheerser van de wind, Ik ben de maan tussen de sterren .

22. Ik ben de Veda’s, Ik ben de hemelse heerschappij, Ik ben het gemoed tussen de zinnen, Ik ben het bewustzijn in de levende wezens .

23. Ik ben de Heer Siva, Ik ben de god der rijkdom, Ik ben de vuurgod, en de bergen .

24. Ik ben de priester, en de legergeneraal der hemelse heersers, O Arjuna. En van alle watervlakten ben Ik de oceaan .

25. Ik ben de kosmische monosyllabe geluid, OM , van tussen de woorden; Ik ben het zingen van mantra’s onder de spirituele disciplines; en Ik ben de Himalaya tussen de bergen .


EEN KORTE BESCHRIJVING VAN DE GODDELIJKE MANIFESTATIES

26. Ik ben de heilige vijgenboom tussen de bomen, Narada onder de wijzen, en Ik ben al de andere hemelse bestuurders .

27. Weet dat Ik van alle paarden Uccaihsrava ben, die oprees uit de oceaan, geboren uit het elixer der onsterfelijkheid; van de vorstelijke olifanten ben Ik Airavata en onder de mensen ben Ik de koning.

28. Van alle wapens ben Ik de bliksemschicht; onder koeien ben Ik de surabhi’s, die overvloedig melk geven. Van de verwekkers ben Ik Kandarpa, de liefdesgod, en van alle slangen ben Ik Vasuki, de belangrijkste.

29. Van de hemelse Naga-slangen ben Ik Ananta; van de goden der waterwezens ben Ik Varuna. Van de overleden voorouders ben Ik Aryama en onder hen die de wet uitvoeren ben Ik Yama, de heer des doods.

30. Onder de Daitya-demonen ben Ik de toegewijde Prahlada; van de onderwerpers ben Ik de tijd; van de dieren ben Ik de leeuw en van de vogels ben Ik Garuda, de gevleugelde drager van Visnu.

31. Van al wat reinigt ben Ik de wind; van degenen die wapens hanteren ben Ik Rama; van de vissen ben Ik de haai en van de stromende rivieren ben Ik de Ganges.

32. Van al het geschapene ben Ik het begin, het eind en ook het midden, O Arjuna. Van alle wetenschappen ben Ik de geestelijke wetenschap aangaande het Zelf, en onder logici ben Ik de uiteindelijke waarheid.

33. Van de letters ben Ik de A en onder de samenstellingen ben Ik het tweevoudig woord. Ook ben Ik de onuitputtelijke tijd en van de scheppers ben Ik Brahman, wiens menigvuldige gezichten naar alle kanten kijken.

34. De alverslindende Dood ben Ik en de oorsprong van al wat komen zal; en van de vrouwelijke hoedanigheden en eigenschappen ben Ik de roem, de welvaart, de spraak, het geheugen, de intelligentie, de kloekheid en de vergevingsgezindheid.

35. Van de gewijde zangen ben Ik de Brihatsaman, aangeheven door Heer Indra, en van de poëzie ben Ik de Gayatri-mantra , die dagelijks door brahmana’s wordt gezongen. Van de maanden ben Ik november en december en van de jaargetijden ben Ik de bloeiende lente.

36. Ik ben het dobbelen van de bedrieger; de stralende pracht der prachtige dingen ben Ik; Ik ben de zegen; Ik ben de vastberadenheid; en de waarheid der waarachtigen, het goede der goeden ben Ik.

37-38

Ik ben Krishna, Vyasa, Arjuna, en de kracht van de bestuurders, de staatsmanbeleid van de zoekers naar overwinning. Ik ben de stilte onder de geheimen, en de Zelfkennis onder de denkers .

39. Voorts, O Arjuna, ben Ik het zaad dat alle vormen van bestaan verwekt. Er is geen wezen – of het nu bewegen kan of niet – dat bestaan kan zonder Mij. (Zie ook 7.10 en 9.18)

DE GEMANIFESTEERDE SCHEPPING IS MAAR EEN HEEL KLEINE FRACTIE VAN DE ABSOLUTE

40. Er is geen eind aan Mijn goddelijke heerlijkheid, O Arjuna. Wat u is verkondigd, is slechts een aanduiding van Mijn oneindige majesteit.

41. Weet dat alle schone, heerlijke en machtige scheppingen voortkomen uit slechts één glimp van Mijn stralende luister.

42. Maar wat heeft het voor zin, O Arjuna, dit alles in bijzonderheden te weten? Met slechts één deeltje van Mijzelf doordringt en draag Ik dit gehele universum.

 

 

 

11. HET VISIOEN DER KOSMISCHE VORM

1. Arjuna zei: Deze woorden over het verheven geheim aangaande het Zelf die Gij uit mededogen jegens mij gesproken hebt, hebben de begoocheling van mij doen wijken.

2. O Krishna, het ontstaan en het tenietgaan der schepselen heb ik tot in bijzonderheden van U vernomen, o gij met Uw lotusogen, en eveneens Uw onvergankelijke majesteit.


GOD’s VISIOEN IS HET UITERSTE DOEL VAN DE ZOEKER

3. O Heer , zoals Gij Uzelf beschrijft, zo is het, O Soevereine Wezen; mocht ik U toch in Uw onvergankelijke almacht zien.

4. O Heer, indien Gij meent, dat deze door mij geschouwd kan worden. Heer van yoga, openbaar Uzelf dan als Uw onvergankelijk Zelf.

5. De Heer Krishna zei: Aanschouw, O Arjuna, mijn vormen, honderdvoudig, duizendvoudig, verschillend van aard, goddelijk, van velerlei kleur en gestalte.

6. Aanschouw de Adityas, de Rudras, de twee Asvins, en ook Maruts; aanschouw vele nimmer tevoren geschouwde wonderen, O Arjuna.

7. Aanschouw nu hier het ganse heelal, het beweeglijke en het onbeweeglijke als één in Mijn lichaam, O Arjuna, en al wat ge verder verlangt te zien.

8. Maar ge kunt Mij niet zien met de ogen die u hebt. Daarom geef Ik u het goddelijk oog , waarmee u Mijn mystieke volheid kunt aanschouwen.



DE HEER TOONT DE KOSMISCHE VORM AAN ARJUNA

9. Sanjaya zei: O Koning, met deze woorden openbaarde de Allerhoogste, de Heer van alle mystieke kracht, de Persoonlijkheid Gods, Zijn universele gedaante aan Arjuna.

10-11. Arjuna ontwaarde in die universele gedaante ontelbare monden en ontelbare ogen. Alles was even prachtig. De gedaante was getooid met goddelijke, oogverblindende sieraden en gehuld in tal van gewaden. Ze was rijkelijk met bloemenslingers omhangen en haar huid was ingewreven met verschillende reukzalven. Alles was even schitterend, allesomvattend, onbegrensd. Dit was hetgeen Arjuna aanschouwde.

12. Als honderdduizenden zonnen tegelijk zouden oprijzen in de hemel, zou dat op de stralengloed lijken van de Allerhoogste Persoon in die universele gedaante.

13. Daar aanschouwde Arjuna het ganse universum in al zijn veelvuldigheid als één geheel in het lichaam van de God der goden. (Zie ook 13.16, en 18.20)


EEN PERSOON ZOU NOG NIET BEREIDT OF GEKWALIFICEERD ZIJN DE HEER TE ZIEN

14. Overweldigd en verbijsterd boog Arjuna, wiens haren te berge rezen, het hoofd diep voor de Heer en met de handpalmen tegen elkander, sprak hij:

15. Arjuna zei: In Uw gestalte, O Heer, zie ik al de goden en scharen van velerlei wezens; de Heer, op zijn lotustroon gezeten, en al de rishis en de goddelijke slangen .

16. Met velerlei monden, ogen, armen, buiken, aanschouw ik U allerwegen, onbegrensd; ik zie begin, noch midden, noch einde van U, O Heer; ook niet Uw oorsprong, O Gij wiens vorm het oneindig Al is.

17. Uw gedaante, getooid met verschillende soorten kronen, knotsen en werpschijven, is moeilijk te zien vanwege haar stralende gloed, welke vurig en onmetelijk is als de zon.

18. Als het onvergankelijk, het allerhoogste moet men U leren doorgronden; het verhevene, rijk aan schatten zijt Gij; inwonend in al het geschapene; Gij de onsterfelijke bewaarder van de eeuwige Wet (dharma); als de eeuwige Godmens zie ik U.

19. Begin, noch midden, noch einde; oneindige kracht; ontelbare armen; Uw ogen, de zon en de maan. Ik aanschouw Uw gelaat, laaiend als het offervuur, dat dit ganse heelal doorgloeit met zijn stralende pracht.

20. Door U, de Unieke, worden hemel en aarde vervuld en ook de gebieden ertussen; de drie werelden sidderen, O Verheven Zelf als zij Uw ontzagwekkende, gemanifesteerde gestalte aanschouwen.

21. De heerscharen der goden geven zich in groepen aan U over en gaan in U binnen. Ze zijn uiterst bevreesd en met gevouwen handen zingen ze de Vedische gezangen, U ter eer.

22. Rudras, Vasus, Sadhyas, Adityas, Vishvas, de twee Ashvins, de Maruts, Usmapas, Gandharvas, Yakshas, Siddhas en Asuras houden vol ontzag de blik op U gericht.

23. Al de werelden zijn evenals ik ontzet, daar zij Uw geweldige vorm aanschouwen, met vele monden en ogen, O Machtigarmige, met dijen en voeten zonder tal, met vele lijven en schrikwekkende tanden.


ARJUNA IS BEVREESD OM DE KOSMISCHE VORM TE ZIEN

24. Fel lichtend beroert Gij de hemelen in regenboogtinten, Uw mond wijd geopend, Uw ogen groot glanzend. Tot in het diepst van mijn ziel ben ik ontroerd, daar ik U heb gezien, O Vishnu, mijn kracht begeeft me, en mijn rust en vrede.

25. O Heer der heren, O toevlucht der werelden, wil mij genadig zijn. Ik kan mijn gemoedrust niet bewaren nu ik Uw laaiende, doodse gezichten en afschuwelijke tanden zie. Ik ben volkomen van streek.

26-27. Al mijn neven broeders en met hen de scharen van al deze vorsten der aarde, Bhishma, Drona, Karna en al onze soldaten, storten zich onstuimig in Uw opengesperde muilen met de ontzettende slagtanden, angstwekkend om te zien; sommigen ziet men tussen Uw tanden gevangen, het hoofd verpletterd en tot stof vergruisd.

28. Zoals de rivieren in de oceaan stromen, storten al deze grote krijgers zich in Uw laaiende monden en vergaan.

29. Ik zie alle mensen zich met volle vaart in Uw monden werpen, zoals muggen een laaiend vuur invliegen.

30. O Visnu, ik zie U alle mensen in Uw vlammende monden verslinden en het universum vervullen met Uw onmetelijke stralengloed. U openbaart Zich in de verzenging der werelden.

31. Openbaar mij Uw Zelf; Wie zijt Gij, wiens vorm zo schrikwekkend is? Nederig breng ik U mijn eerbiedige groet. Wees mij genadig, O Vooraanstaande Heer. Ik zou U willen kennen, O Gij die waart van den beginne, want ik ken Uw werking niet.


DE HEER BESCHRIJFT ZIJN KRACHTEN

32. De Heer Krishna zei: Ik ben de tijd, de vernietiger der werelden, en Ik ben gekomen om alle mensen in de strijd te brengen. Met uitzondering van jullie (de Pandava’s) zullen alle hier aanwezige soldaten van beide partijen worden gedood.

33. En daarom, rijs op, win roem en eer voor uzelf; overwin uw vijanden; verkrijg een welvarend rijk. Door Mij zijn zij reeds overwonnen. Wees gij slechts de uiterlijke oorzaak, gij, wiens gewoonte het is met de linkerhand aan te leggen .

34. Dood al deze krijgers die door Mij reeds zijn gedood. Vrees niet. U zult zeker de vijand in de strijd overwinnen; daarom, vecht!


ARJUNA’s GEBEDEN TOT DE KOSMISCHE VORM

35. Samjaya zei: Nadat hij deze woorden van Kesava had gehoord, sprak Arjuna, de drager van de kroon, zijn handen eerbiedig tegen elkaar, met bevende stem wederom tot Krishna, stamelend van schrik en steeds weer diep buigend.

36. O Krishna, de wereld verblijdt zich wanneer ze Uw naam verneemt en zo raakt een ieder aan U gehecht. Degenen die de volmaaktheid hebben bereikt betuigen U eerbiedig alle eer, maar de demonen worden bang en vluchten alle kanten uit. En zo is het goed.

37. Hoe zouden zij ook anders – O grote ziel – tot U buigen, Gij schepper der beginne die zelf groter is dan de schepper van de materiële werelden? O Oneindige Heer, O God van alle hemelse heersers, O Woonst van het universum, U bent Eeuwig en Tijdelijk, en de Verhevene Wezen die boven Eeuwigheid en Tijd staat . (Zie ook 9.19, en 13.12 voor uitleg)

38. Gij zijt de eerste der goden, de oorspronkelijke Persoonlijkheid, God. Allerhoogste toevlucht der wereld. Gij zijt de Kenner, dat wat gekend wordt en de verheven woonst. Door U wordt dit heelal doordrongen, O Gij van vormen zonder tal.

39. Gij zijt lucht, vuur, water en Gij zijt de maan! Gij zijt de allerhoogste bestuurder en de voorvader. Duizend maal breng ik U eerbiedig mijn eerbetuiging keer op keer.

40. Ik breng U mijn groeten vóór, achter en aan alle kanten! O onbegrensde macht, U bent de meester van alle grenzeloos vermogen! U bent alomtegenwoordig en daarom bent U alles!

41. Indien ik, U slechts houdend voor een vriend, mij aan U opdrong, ‘Krishna en O Yadava of O vriend!’ zei, daar ik Uw verheven majesteit niet kende en achteloos was in mijn genegenheid voor U.

42. Als ik mij gekscherend betoonde of oneerbiedig bij het spel, of in de rustpoos, aan de maaltijd aangezeten, met U alleen Onwankelbare, of tezamen met mijn vrienden, wil toch mijn dwaling mij vergeven, O Gij, met geen maat te meten.

43. Vader der werelden, van het beweeglijke en onbeweeglijke, de eerbiedwaardigste, de grootste aller Gurus, niemand is U gelijk, niemand, die U overtreft, of Uw macht benadert in de drie werelden.

44. U bent de Opperheer, die door elk levend wezen aanbeden moet worden. Zo werp ik me ter aarde om U mijn eerbetuigingen aan te bieden en U genade af te smeken. Vergeef me het kwaad dat ik U misschien heb aangedaan en wees geduldig met me zoals een vader met zijn zoon, of een vriend met zijn vriend, of een minnaar met zijn lief.

45. Nu ik deze universele gedaante heb gezien, die ik nimmer tevoren heb aanschouwd, ben ik verblijd, maar tegelijk is mijn geest angstig en verward. Wil me daarom Uw genade bewijzen en openbaar me wederom Uw gedaante als Persoonlijkheid Gods, O Heer der heren, O toevlucht van het universum.

 

MEN KAN GOD IN EENDER VORM OF NAAR KEUZE ZIEN

46. De kroon op het hoofd, de scepter en discus als tevoren in de hand, zo zou ik U wederom willen zien: neem Uw vierarmige gestalte weer aan, O Heer, O duizendarmige, O Gij van vormen zonder tal.

47. Arjuna, door Mijn goedgunstigheid hebt gij deze allerverhevenste vorm aanschouwd, aan u geopenbaard door Atma-yoga , stralend gemaakt, aldoordringend, zonder einde, wat was van den beginne, wat niemand dan gij ooit gezien heeft.

48. O Arjuna, noch door kennis der Veda’s, door offerande, studie, het bedelen van aalmoezen, riten en ceremoniën, noch door strenge onthouding kan iemand Mij in deze wereld in deze gestalte aanschouwen, dan alleen gij.

 

DE HEER TOONT ARJUNA ZIJN VIERARMIGE EN MENSELIJKE VORM

49. Wees niet geschokt, wees niet verbijsterd, dat ge deze ontzagwekkende vorm hebt aanschouwd; werp uw vrees van u, laat uw hart zich verblijden; aanschouw wederom Mijn u zo vertrouwde gestalte.

50. Sanjaya zei: Nadat Krishna aldus tot Arjuna had gesproken, toonde Hij weer zijn eigen vorm; de verheven Heer vertroostte de ontstelde en hernam zijn zachtmoedig voorkomen.

51. Arjuna zei:Nu ik wederom Uw zachtmoedige, menselijke vorm aanschouw, O Krishna, kom ik tot bedaren en ben ik mijzelf weer meester.

 

DE HEER KAN IN LIEFDEVOLLE DEVOTIE GEZIEN WORDEN

52. De Heer Krishna zei: Mijn beste Arjuna, de gedaante welke u nu ziet is zeer moeilijk te aanschouwen. Zelfs de hemelse heersers zijn er altijd op uit een kans te krijgen deze gedaante te zien, die zo dierbaar is.

53. Noch door bestudering der Veda’s, noch door ascese, noch door liefdadigheid, noch door het brengen van offers, kan men Mij zien, zoals gij Mij hebt gezien.

54. Slechts door toewijding aan Mij kan men Mij dus aanschouwen, wezenlijk kennen en zien, en in Mij opgaan, O Arjuna.

55. Mijn dierbare Arjuna, hij die handelingen verricht om Mijnentwil, hij voor wie Ik het hoogste heil ben, hij die Mij is toegewijd, bevrijd van alle gehechtheid, zonder haat jegens welke mens dan ook, hij zal tot Mij komen. (Zie ook 8.22)

12. HET PAD DER DEVOTIE

ZOU MEN EEN PERSOONLIJKE OF EEN ONPERSOONLIJKE GOD MOETEN AANBIDDEN

1. Arjuna vroeg: wie worden er beschouwd als méér volmaakt: degenen die zich op de juiste wijze verbonden hebben in toegewijde dienst aan U, of degenen die het onpersoonlijk Absolute, het ongeopenbaarde, aanbidden?

2. De Heer Krishna zei: Degene wiens geest gericht is op Mijn persoonlijke gedaante en die altijd bezig is Mij met groot en verheven geloof te aanbidden, die beschouw Ik als de meest volmaakte.

3-4. Maar degenen die door zinsbeteugeling en gelijkgezindheid jegens iedereen opgaan in aanbidding van het ongeopenbaarde, van datgene wat buiten waarnemingsbereik van de zinnen ligt, het alomtegenwoordige, onvoorstelbare, hechte en onbeweeglijke – het onpersoonlijke beeld van de Absolute Waarheid – diegenen komen, omdat ze zich met aller welzijn bezig houden, uiteindelijk ook tot Mij.


REDENEN WAAROM EEN PERSOONLIJKE VORM VAN GOD TE AANBIDDEN

5. Zelfrealisatie is moeilijker voor hen die hun gemoed op een onpersoonlijke, ongemanifesteerde, en vormloos Absolute vestigen; daar het ongemanifesteerde moeilijk te begrijpen is voor hen die in een lichaam leven .

6-7. Voor degene die Mij aanbidt, die al zijn bezigheden aan Mij wijdt en Me onveranderlijk trouw is, die verbonden is in toegewijde dienst en altijd op Me mediteert, die zijn geest op Mij gericht houdt, O Arjuna, - voor hem ben Ik de snelle redding uit de oceaan van geboorte en dood.


VIER PADEN TOT GOD

8. Daarom, vestig uw gemoed op Mij, en laat uw intellect op Mij alleen vertoeven door meditatie en contemplatie. Hierna zult gij zeker in Mij verblijven .

9. Maar als ge niet in staat zijt uw aandacht vast op Mij gericht te houden, probeer dan tot Mij te komen door de yoga van oefening , O Arjuna.

10. Zo gij ook niet opgewassen zijt tegen voortdurend oefenen, houd u dan ijverig bezig met dienst aan Mij; door handeling te verrichten om Mijnentwil, zult ge volmaaktheid bereiken.

11. Zo gij zelfs hiertoe de kracht niet hebt, neem dan uw toevlucht tot eenwording met Mij; geef alle vruchten van handeling op en bewerkt zelfbeheersing .

KARMA-YOGA IS HET BESTE OM ERMEE TE BEGINNEN

12. Kennis is beter dan gedurende beoefening van concentratie ; meditatie is beter dan kennis; beter dan meditatie is verzaking van de vruchten van handeling; op verzaking van de vruchten van handeling volgt onmiddellijk vrede . (Zie meer over het onderwerp ‘verzaking’ in 18.02, 18.09)


DE ATTRIBUTEN VAN EEN DEVOOT

13-14. Wie niet afgunstig is, maar een goede vriend van alle levende wezens, wie niet denkt dat hij enig-iets bezit, wie vrij is van eigendunk en gelijkmoedig in geluk en verdriet, wie altijd voldaan is en onwankelbaar in zijn verrichting van toegewijde dienst en wiens geest en verstand op Mij zijn afgestemd – die is Mij zeer dierbaar.

15. Wie niemand in moeilijkheden brengt, zich niet door angst laat verontrusten en evenwichtig is in geluk en verdriet, is Mij zeer dierbaar.

16. Wie geen begeerten koestert, zuiver, waardig in handeling, onbekommerd en door niets verontrust is, wie alle initiatief heeft opgegeven en Mij vereert, die is Mij dierbaar.

17. Wie zich niets aantrekt van vreugde of verdriet, wie klachten noch begeerten koesteren en wie zich noch met gunstige, noch met ongunstige zaken inlaat, is Mij zeer dierbaar.

18-19. Wie vriend en vijand gelijkgezind is, wie evenwichtig blijft in eer en schande, hitte en kou, geluk en verdriet, roem en smaad, wie altijd rein is, altijd zwijgzaam en met alles tevreden, wie zich niet bekommert om zijn onderdak, wie in kennis verankerd is en verbonden in toegewijde dienst, is Mij zeer dierbaar.


MEN ZOU IN ALLE OPRECHTHEID MOETEN PROBEREN GODDELIJKE KWALITEITEN TE ONTWIKKELEN

20. Maar de trouwe devoten, die Mij als hun verhevene bestemming hebben genomen en volgen – of die gewoon in oprechtheid proberen te ontwikkelen – de hogerop aangehaalde nectar van morele waarden, zijn Mij heel dierbaar .


13. DE SCHEPPING EN DE SCHEPPER

DE SCHEPPINGSTHEORIE

1. De Heer Krishna zei: O Arjuna, dit lichaam wordt het veld genoemd, en degene die dit lichaam kent wordt de kenner van het veld genoemd .

2. O Arjuna, weet dat in ieder lichaam ook Ik de kenner ben, en dat begrijpen wat dit lichaam en wie de kenner is, kennis wordt genoemd. Dat is wat Ik ervan zeg.

3. Verneem in het kort van Mij wat het veld is en van welke aard, hoe het gewijzigd wordt, vanwaar het stamt, en wie Hij is, de Kenner van het veld en wat Hij vermag.

4. Deze kennis van het veld der activiteiten en van de kenner der activiteiten is door verschillende wijzen in menige Vedische geschriften beschreven – met name in de Vedanta-sutra – met volledige behandeling van oorzaak en gevolg .

5-6. De grote elementen, individualiteit, rede, en ook het ongemanifesteerde, de tien zinnen en de één (het denken), en de vijf objecten der zinnen; begeerte, afgunst, vreugde, smart, het gehele organisme (het lichaam), intelligentie en vastberadenheid, vormen in het kort het veld en zijn transformaties. (Zie ook 7.04)


DE VIERVOUDIGE EDELE WAARHEID ALS MIDDEL TOT NIRVANA

7-8. Nederigheid, bescheidenheid, geweldloosheid, verdraagzaamheid, eenvoud, dienstbaarheid tegenover een leraar , zuiverheid, standvastigheid, zelfbeheersing. Ongehechtheid jegens de objecten der zinnen, onzelfzuchtigheid en ook inzicht in het euvel van geboorte, dood, ouderdom en ziekte ,

9-11. Ongehechtheid met kinderen, echtgenote, tehuis; voortdurende evenwichtigheid in gewenste en ongewenste omstandigheden. Onwankelbare toewijding aan Mij door yoga zonder enig ander doel, verblijf op eenzame plaatsen, ongehechtheid van alle mensen in het algemeen; volhardend zich verdiepen in de kennis omtrent het Zelf , besef van het doel der kennis omtrent de essentie; dat is wat men wijsheid noemt; alles wat hiertegen ingaat is onwetendheid .


GOD KAN DOOR PARABELEN WORDEN BESCHREVEN, EN OP GEEN ENKEL ANDERE MANIER

12. Ik zal nu verklaren wat men hoort te weten en wat, als men het weet, de onsterfelijkheid doet ervaren, het Allerhoogste, Eeuwige, Verhevene Wezen, het Absolute, zonder begin, dat men noch zijn, noch niet-zijn kan noemen. (Zie ook 9.19, 11.37, en 15.18)

13. Zijn handen en benen, Zijn ogen en gezichten zijn overal, en Hij hoort alles. Zo is de Superziel alomtegenwoordig.

14. De Superziel is de oorsprong van de zinnen van alle levende wezens, maar Zelf heeft Hij geen zinnen. Hij is aan niets gehecht, en toch houdt Hij alles in stand. Hij is ontstegen aan de geaardheden der materiële natuur, en tegelijk is Hij meester der hoedanigheden.

15. De Verhevene Waarheid bestaat zowel binnen als buiten, zowel in het bewegende als in het niet bewegende. Hij kan niet worden waargenomen of doorgrond met behulp van de stoffelijke zinnen. Hoewel Hij ver, ver weg is, is Hij overal erbij.

16. Hoewel de Superziel verdeeld lijkt, is Hij nimmer verdeeld. Hij is één. Hoewel Hij de instandhouder van alle levende wezens is, dient ge te weten dat Hij het ook is, die ze alle verslindt en ze alle tot ontwikkeling laat komen. (Zie ook 11.13, en 18.20)

17. Hij is de lichtbron van al wat licht geeft. Hij verwijlt buiten de duisternis der stof en is daarin ongeopenbaard. Hij is kennis, Hij is het kenbare en Hij is het doel der kennis. Hij bevindt Zich in ieders hart.

18. Aldus luidt in het kort Mijn beschrijving van het veld der activiteiten (het lichaam), kennis en het kenbare. Enkel degenen die Mij toegewijd zijn, kunnen deze zaken begrijpen en zo tot Mijn wezen doordringen.


EEN BESCHRIJVING VAN DE VERHEVENE GEEST, GEEST, MATERIËLE NATUUR, EN DE INDIVIDUELE ZIELEN

19-20. Weet, dat materie en geest beide zonder begin zijn; weet eveneens dat de transformaties en de hoedanigheden alle uit de materie voortspruiten. Materie , natuur, wordt de oorzaak genoemd van het voortbrengen van oorzaken en gevolgen; de geest wordt de oorzaak genoemd van der ervaring van vreugde en smart.

21. De geest, in de materie verblijvend, geniet de hoedanigheden uit de materie voortgekomen; gehechtheid aan de hoedanigheden is de oorzaak van zijn geboorte uit een goede of kwade moederschoot.

22. Maar er is in het lichaam nog een andere – bovennatuurlijke – genieter. Het is de Heer, de hoogste bezitter, die toeziet en toestaat, en die de Superziel wordt genoemd.

23. Wie deze kennis aangaande de materiële natuur, het levend wezen en de wisselwerking van de geaardheden der natuur begrijpt, zal zeker worden verlost. Ongeacht zijn huidige toestand, zal hij hier niet worden wedergeboren.

24. Sommigen aanschouwen de Superziel door meditatie, anderen door hun metafysische kennis te verdiepen, en weer anderen door onbaatzuchtige arbeid.


GELOOF ALLEEN KAN TOT NIRVANA LEIDEN

25. Ook zijn er, die onwetend hieromtrent Mij aanbidden en vereren, na er van anderen gehoord te hebben; ook deze zullen naar de andere zijde komen, uitstijgend boven de dood, daar zij zich houden aan wat zij hebben gehoord.

26. Weet, O Arjuna, dat elk schepsel, dat geboren wordt, hetzij beweeglijk of onbeweeglijk, voortkomt uit de vereniging tussen het veld en de Kenner van het veld. (Zie ook 7.06)

27. Hij die dezelfde eeuwige Verhevene Heer ziet als het onvergankelijke in het vergankelijke, gelijkelijk verblijvend in alle schepselen, ziet de dingen zoals ze zijn.

28. Wie de Superziel overal in elk levend wezen in dezelfde gedaante ziet, laat zich niet meer door zijn geest naar het lagere meeslepen. En zo nadert hij zijn Verhevene Woonst.

29. Wie zien kan dat alle activiteiten worden verricht door het lichaam, dat de materiële natuur geschapen is, en ziet dat het zelf niets doet, ziet de dingen zoals ze zijn. (Zie ook 3.27, 5.09, en 14.19)

30. Wanneer men niet langer op grond van de verscheidenheid der materiële lichamen aanneemt dat alles van elkaar verschilt, maar dat alles in de Ene geworteld is, bereikt men de Verhevene Geest .


DE ATTRIBUTEN VAN DE GEEST (BRAHM)

31. Degenen die begiftigd zijn met de blik der eeuwigheid kunnen zien dat de ziel bovennatuurlijk, eeuwig en vrij van de geaardheden der natuur is. In weerwil van haar contact met het stoffelijk lichaam, O Arjuna, verricht de ziel geen handelingen, noch is ze verstrikt.

32. Vanwege zijn fijnheid mengt de ruimte zich nergens mee, hoewel hij alles doordringend is. Evenzo mengt de ziel zich niet met het lichaam, alhoewel ze zich in het lichaam bevindt.

33. Zoals de ene zon deze hele wereld verlicht, zo verlicht de Heer van het veld het ganse veld, O Arjuna.

34. Zij, die met het oog van wijsheid dit verschil zien tussen het veld en de Kenner van het veld , en ook de bevrijding van de schepselen uit de materiële gevangenschap, gaan in tot het Verhevene Woonst.


14. DE DRIEVOUDIGE AARD DER MATERIËLE NATUUR

1. De Heer Krishna zei: Wederom zal Ik je deze verhevene wijsheid uiteenzetten, de meest verheven kennis, waardoor de wijzen, die haar bevatten, tot de hoogste volmaaktheid kwamen.

2. Daar zij hun toevlucht tot deze wijsheid hebben genomen en in Mijn wezen zijn opgegaan, worden zij niet wederom geboren, zelfs niet bij de schepping van een heelal, en evenmin zullen zij lijden als het uiteenvalt.


ALLE WEZENS ZIJN DOOR DE VERENIGING VAN GEEST EN MATERIE GEBOREN

3. Mijn materiële Natuur is de moederschoot van de schepping, waarin Ik de kiem der Bewustzijn breng; hieruit spruiten alle schepselen voort, O Arjuna . (Zie ook 9.10)

4. Men dient te begrijpen, O Arjuna, dat uit welke moeder de stervelingen ook geboren worden, de materiële Natuur is hun moederschoot, en de Geest of Bewustzijn, is de leven-gevende Vader .


HOE DE DRIEVOUDIGE MATERIËLE NATUUR DE GEEST ZIEL AAN HET LICHAAM BINDT

5. De materiële natuur bestaat uit de drie geaardheden – goedheid, hartstocht en inertie. Wanneer het onvergankelijk levend wezen met de natuur in aanraking komt, O Arjuna, raakt het door deze geaardheden geconditioneerd .

6. O zondeloze Arjuna, de geaardheid goedheid, die zuiverder is dan de beide andere, verlicht het levend wezen en bevrijdt het van de terugslagen van zijn zondig doen en laten. Degenen die zich in deze geaardheid bevinden ontwikkelen kennis, maar raken gebonden door het geluksgevoel waarmee goedheid gepaard gaat .

7. O Arjuna, de geaardheid hartstocht bestaat uit ongebreidelde verlangens en hunkeringen, en hierdoor raakt men gebonden aan materiële activiteiten en de vruchten van dien.

8. Weet, O Arjuna, dat de geaardheid onwetendheid brengt alle levende wezens in illusie. Onwetendheid leidt tot waanzin, luiheid en slaap, waardoor de ziel gebonden raakt.

9. Harmonie hecht de mens aan zaligheid; beweeglijkheid aan handeling, O Arjuna. Inertie die de wijsheid versluiert, echt de mens daarentegen aan nalatigheid, achteloosheid .



KARAKTERISTIEKEN VAN HET DRIEVOUD DER NATUUR

10. Soms heeft de harmonie de overhand, wanneer ze beweeglijkheid en traagheid heeft bedwongen, O Arjuna; soms beweeglijkheid, als deze harmonie en traagheid heeft overwonnen; en soms traagheid als ze harmonie en beweeglijkheid heeft overmeesterd.

11. Wanneer door alle poorten van het lichaam het licht der Zelfkennis binnendringt, kan men ervan verzekerd zijn dat de geaardheid goedheid zich openbaart .

12. O Arjuna, wanneer de geaardheid hartstocht zich laat gelden, ontwikkelen er zich symptomen van grote gehechtheid, onbedwingbare begeerte, verlangen en hevig streven.

13. O Arjuna, duisternis, stilstand, achteloosheid en ook de waan, deze spruiten voort uit de toename van inertie.


DE DRIEVOUDIGE AARDEN ZIJN OOK DE VOERTUIGEN VOOR DE TRANSMIGRATIE VAN DE INDIVIDUELE ZIEL

14. Sterft men tijdens de overhand van goedheid dan bereikt men de hemel – de zuivere wereld van de kenners der Verhevene .

15. Sterft men in de geaardheid hartstocht, dan wordt men geboren onder hen die zich bezighouden met baatzuchtige streven; en sterft men in de geaardheid onwetendheid, dan wordt men onder de lagere wezen geboren.

16. Door te handelen in de geaardheid goedheid raakt men gelouterd. Werk dat men doet in de geaardheid hartstocht leidt tot verdriet, en activiteiten in de geaardheid onwetendheid leiden tot dwaasheid.

17. Uit de geaardheid goedheid ontwikkelt zich werkelijke kennis; uit de geaardheid hartstocht ontwikkelt zich verdriet; en uit de geaardheid onwetendheid ontwikkelen zich dwaasheid, waanzin en begoocheling.

18. Zij die zich in de geaardheid goedheid bevinden stijgen geleidelijk op naar de hogere gewesten; zij die in de geaardheid hartstocht leven op aarde; en zij die in de geaardheid onwetendheid verkeren dalen af naar de lagere gewesten der hel .


HET BEREIKEN VAN NIRVANA NA DE DRIEVOUDIGE AARD DER MATERIËLE AARD TE HEBBEN OVERTROFFEN

19. Als de ziener ziet dat er niets anders is wat handelt dan de leibanden en weet wat er boven de leibanden uitgaat, gaat hij in Mij op . (Zie ook 3.27, 5.09, en 13.29)

20. Wanneer de ziel ontstijgt aan deze drie geaardheden (gunas) , waaraan het lichaam is ontsproten, is ze vrij van geboorte, dood, ziekte en ouderdom en bereikt ze onsterfelijkheid.

HET VERLOOP OM BOVEN DE DRIE AARDEN TE KOMEN

21. Wat zijn de kenmerken van hem, die aan de drie geaardheden (gunas) is ontstegen, O Heer Krishna? Hoe gedraagt hij zich? En hoe transcendeert hij deze drie geaardheden (gunas)?

22. De Heer Krishna zei: Hij die geen afkeer heeft van verlichting, gehechtheid en begoocheling , wanneer deze zich voordoen, en er ook niet naar verlangt, als ze er niet zijn.

23. Hij die als het ware terzijde zit, en onberoerd blijft door de geaardheden (gunas); die met de woorden: ‘de gunas weren zich’, onbeweeglijk terzijde staat;

24. Hij die evenwichtig is in wel en wee; vol zelfvertrouwen; voor wie een kluit aarde, een kei en een klomp goud gelijk zijn; die gelijkmatig is jegens degenen die hij liefheeft en die hij niet mag, standvastig, gelijkmoedig onder lof en blaam;

25. Hij die gelijkmoedig is in eer en schande, onpartijdig tegenover vriend en vijand, die zich niet identificeert met wat hij ook onderneemt, hij is boven de gunas uitgestegen.


DE BANDEN DER DRIE AARDEN KUNNEN DOOR DEVOTIONELE LIEFDE WORDEN AFGEDAAN

26. Wie zich volledig verbindt in toegewijde dienst en in geen enkele omstandigheid ten val komt, ontstijgt terstond aan de geaardheden der materiële natuur en bereikt Nirvana of verlossing. (Zie ook 7.14 en 15.19)

27. Want ‘Ik Ben’ de eeuwige Geest en de overgankelijke nectar der onsterfelijkheid, de eeuwige gerechtigheid (Dharma), de onvergankelijk en eeuwige rust in Mij .

 

 

 

15. DE VERHEVENE (ABSOLUTE) WEZEN

DE SCHEPPING IS ZOALS EEN BOOM DOOR DE KRACHTEN VAN MAYA GESCHAPEN

1. De Heer Krishna zei: Het universum (of menselijk lichaam) kan met een eeuwige boom vergeleken worden die met zijn afkomst (of wortels) in de Verhevene Wezen omhoog verblijft en met zijn takken omlaag in de kosmos. De Vedische gezangen zijn de bladeren van deze boom. Hij, die dit weet, is een Veda-kenner .

2. De takken van deze eeuwige boom zijn over de gehele kosmos verspreidt . De boom is door de drievoudige geaardheid der materiële Natuur gevoed; haar twijgen zijn de zinsgenoegens; en haar wortels het ego en begeerte verspreidt omlaag in de menselijke samenleving en in de boeien van Karmische gebondenheid .

HOE ZICH VAN HET BOOM DER GEHECHTHEID ONTTREKKEN EN VERLOSSING BEREIKEN DOOR GOD’S TOEVLUCHT TE ZOEKEN

3-4. De werkelijke gedaante van deze boom kan door niemand worden waargenomen in deze wereld. Niemand kan zien waar hij eindigt, begint of staat . Maar vastberaden moet men deze sterk gewortelde boom omhakken met de bijl der onthechting, op zoek naar het oord vanwaar men, wanneer men het eenmaal heeft bereikt, nimmer terugkeert, en zich daar overgeven aan de Verhevene Persoonlijkheid Gods, bij wie alles begonnen is en in wie alles sinds onheugelijke tijden verwijlt .

5. Wie vrij is van begoocheling, valse trots en verkeerd gezelschap, wie het eeuwige begrijpt, wie afgedaan heeft met aardse lust en verlost is van de dualiteit van geluk en verdriet en weet hoe zich over te geven aan de Verhevene Wezen, die bereikt de Verhevene Oord.

6. Mijn Verhevene Woonst wordt door zon noch maan verlicht, noch door vuur. En ieder die haar bereikt keert nimmer terug in deze materiële wereld.


DE BELICHAAMDE ZIEL IS DE GENIETER

7. Een onsterfelijke eeuwig deeltje van Mijn Zelf, in de wereld der levenden neergetransformeerd als een levende geest , omhult zich met de vijf zinnen en als zesde het bewustzijn , versluierd in materie.

8. Als de Heer een lichaam aanneemt en als Hij het verlaat, grijpt Hij deze dingen, namelijk de vijf zinnen en manas en neemt ze mee, zoals de wind de frisse geuren uit hun schuilhoeken meedraagt. (Zie ook 2.13)

9. Verborgen in het oor, het oog, de huid, de tong, de neus en ook in het bewustzijn , geniet Hij van de objecten der zinnen.

10. Zij, die bewogen door de drie materiële geaardheden in de begoocheling leven, worden Hem niet gewaar, als Hij heengaat of verblijft, of geniet; zij die zien met de ogen van wijsheid, worden Hem gewaar.

11. Ook yogi’s, in hun streven naar eenheid, worden Hem gewaar, gegrondvest in het Zelf; maar al zouden de niet-intelligenten ernaar streven, zij zouden Hem niet gewaar worden, daar hun zelf ongeoefend is.


DE GEEST IS DE ESSENTIE VAN ALLES

12. Het stralende licht van de zon, dat het duister van de gehele wereld verdrijft, komt van Mij. En het stralende licht van de maan en het stralende licht van het vuur zijn eveneens van Mij afkomstig. (Zie ook 13.17 en 15.06)

13. De aarde met Mijn levenskracht doordringend, houd Ik de schepselen in stand; en door het verrukkelijke Soma-sap te worden , voed ik alle planten.

14. Ik ben het spijsverteringsvuur in ieder levend lichaam en Ik ben de levensadem, zowel de uitgaande als de ingaande, en zo verteer ik de vier soorten voedsel.

15. Ik woon in ieders hart en van Mij komen geheugen, kennis en vergetelheid. De bedoeling van alle Veda’s is dat men Mij leert kennen. Ik ben voorwaar de schrijver van de Vedanta en degene die de Veda’s doorgrondt. (Zie ook 6.39)


WIE ZIJN DE VERHEVENE GEEST, GEEST EN DE INDIVIDUELE ZIEL

16. Er zijn tweeërlei entiteiten in de kosmos: de veranderlijke Tijdelijke Wezens, en de onvergankelijke Eeuwige Wezen (Geest). Al de geschapen wezens zijn aan verandering onderhevig, maar de Geest blijft onveranderd .

17. De Verhevene Geest staat boven beide – de Tijdelijke Wezens en de Eeuwige Wezen. Hij wordt ook de Absolute Realiteit genoemd die beide het Tijdelijke en het Eeuwige in alles tot stand houdt .

18. Daar de Verhevene Wezen boven beide het Tijdelijke en het Eeuwige verblijft; staat Hij in de wereld en de geschriften als de Verhevene Wezen (Absolute realiteit, Waarheid, Superziel) bekend .

19. Hij, die vrij van begoocheling, Mij aldus kent als de Verhevene Wezen , aanbidt Mij met zijn hele wezen, O Arjuna. (Zie ook 7.14, 14.26, en 18.66)

20. En zo heb Ik dan de geheime transcendentale wetenschap der Absolute uitgelegd. Moge hij, die dit vernomen heeft, als zijn taak vervuld is, de verlichting ontvangen, O Arjuna .

 

 

 

16. DE GODDELIJKE EN DE DEMONISCHE AARD


1-3. De Heer Krishna zei: Onbevreesdheid, levensloutering, ontwikkeling van geestelijke kennis, barmhartigheid, zelfbeheersing, het brengen van offers, het bestuderen van de Veda’s, soberheid en eenvoud; geweldloosheid, waarheidlievendheid, vrijheid van woede; verzaking, rust, afkeer van vitten, onwankelbare vastberadenheid; energie, vergevingsgezindheid, kracht, reinheid, vrijheid van afgunst en van het verlangen naar eer – deze bovennatuurlijke eigenschappen, O Arjuna, treft men aan bij lieden die begiftigd zijn met een goddelijke karakter.



4. Hoogmoed, trost, woede, verwaandheid, hardheid en onwetendheid zijn eigenschappen van degenen die demonisch van aard zijn, O Arjuna.

5. De goddelijke eigenschappen leiden tot verlossing, terwijl de demonische eigenschappen tot gevangenschap leiden. Vrees niet, O Arjuna, want gij zijt geboren met de goddelijke eigenschappen.


ER ZIJN MAAR TWEE SOORTEN MENSELIJKE WEZENS – DE WIJZE EN DE ONWETENDE

6. Er zijn in deze wereld twee soorten wezens (of casten), O Arjuna, de goddelijke of de wijze, en de demonische of de onwetende. Ik heb u reeds omstandig uiteengezet wat de goddelijke eigenschappen zijn. Luister nu naar wat Ik over de demonische te zeggen heb.

7. Degenen die demonisch zijn weten niet hoe het wel en niet hoort. Men vindt bij hen reinheid, noch wellevendheid, noch waarheidlievendheid.

8. Ze beweren dat deze wereld onwerkelijk is en nergens op berust en dat er geen God is die alles bestuurd; ze komt voort uit seksueel verlangen en kent geen andere oorzaak dan lust.

9. Van deze opvattingen uitgaande wijden de demonische wezens, die verloren zijn voor zichzelf en geen verstand bezitten, zich aan heilloze, gruwelijke werken, die tot bedoeling hebben de wereld te vernietigen.

10. De demonische wezens, die zich overgeven aan ijdelheid, trots en onverzadelijke wellust, vallen ten prooi aan begoocheling. Geboeid door het tijdelijke, wijden ze zich aan onreine praktijken.

11. Zichzelf overgevend aan mateloze zucht naar wereldse dingen, hetgeen alleen op de dood uitloopt; de bevrediging van hun lusten als het hoogste beschouwend; verzekerd dat dit alles is.

12. In verslaving gehouden door het leven uit de verwachting, overgegeven aan lusten en toorn, trachten zij langs slinkse wegen grote rijkdom te vergaren voor hun zinnelijke genietingen.

13. ‘Dit heb ik vandaag gewonnen; dat doel zal ik bereiken; dit heb ik reeds en dat zal ik binnenkort ook nog bezitten.’

14. ‘Deze vijand heb ik gedood en anderen zal ik nog doden. Ik heers, ik geniet, ik ben volmaakt, ik heb macht, ik ben gelukkig.

15. ‘Ik ben rijk, van aanzienlijke geboorte, wie kan mij evenaren? Ik wil offers brengen, ik wil aalmoezen geven, ik wil genieten.’ Zo worden dergelijke personen door onwetendheid begoocheld.

16. Aldus verward door allerlei zorgen en verstrikt in een netwerk van begoocheling, raken de demonische personen te zeer gehecht aan zingenot en vallen in de hel.

17. Verwaand als ze zijn en altijd onbeschaamd, begoocheld door rijkdom en ijdelheid, brengen ze soms offers om een goede indruk te maken, zonder zich ook maar aan één regel of bepaling te houden.

18. Overgeleverd aan zelfzucht, heerszucht, onbeschaamdheid, wellust, wraakgierigheid, boosaardig en vol haat jegens Mij in hun eigen lichaam en in dat van anderen.


HET LIJDEN IS DE BESTEMMING VAN DE ONWETENDE

19. De afgunstigen en kwaadaardigen, die de laagsten onder de mensen zijn, werp Ik in de oceaan der materiële ellende in de verschillende demonische levensvormen.

20. Telkens wedergeboren onder de demonische moederschoot, begoocheld in de ene geboorte na de andere, nimmer Mij bereikend, O Arjuna, zinken ze neer tot de diepste diepten .

LUST, WOEDE, EN HEBZUCHT ZIJN DE DRIE POORTEN DER HEL

21. Er zijn drie poorten die toegang geven tot deze hel – lust, woede en hebzucht. Ieder verstandig mens dient zich hiervan af te wenden, want ze leiden de ziel omlaag.

22. De mens, die bevrijd is van deze drie poorten der duisternis, O Arjuna, bewerkt zijn eigen welzijn en bereikt aldus het hoogste doel.


MEN MOET DE SCHRIFTELIJKE BEVELEN VOLGEN

23. Maar hij die de geboden der Schriften verwerpt en zich gedraagt zoals het hem uitkomt, bereikt noch volmaaktheid, noch geluk, nog het hoogste doel.

24. Laat u daarom leiden door het gezag der Schrift bij het bepalen van wat wel en wat niet gedaan moet worden. Kent men deze regels en bepalingen, dan dient men ernaar te handelen, zodat men geleidelijk verheven kan worden.

 

 

 

17. HET DRIEVOUDIG GELOOF

1. Arjuna zei: O Krishna, iemand die zich niet aan de beginselen der Schrift houdt, maar op eigen wijze aanbidt, waar bevindt hij zich? Is hij in goedheid , in hartstocht of in onwetendheid ?

DE DRIE TYPEN VAN GELOOF

2. De Heer Krishna zei: Naar gelang de geaardheden der natuur waarin de belichaamde ziel zich bevindt, kunnen er drie vormen van geloof voorkomen – in goedheid, hartstocht of onwetendheid. Hoor nu hieromtrent.

3. O Arjuna: Naar gelang men beïnvloed wordt door de verschillende geaardheden der natuur, ontwikkelt men een bepaalde vorm van geloof. Het levend wezen wordt geacht een vorm van geloof aan te hangen die overeenkomt met de mate waarin het door geaardheden is beïnvloed .

4. Personen in de geaardheid goedheid aanbidden de hemelse heersers; personen in de geaardheid hartstocht aanbidden demonen; en personen in de geaardheid onwetendheid aanbidden de schimmen der afgestorvenen en troepen van elementalen .

5-6. Degenen die ernstige onthoudingen naleven en boete doen welke niet in de Schriften worden aanbevolen en zulks uit trots, geldingsdrang, lust en gehechtheid, die door hartstocht gedreven worden en zowel hun lichaamsorganen als de Superziel die in ze woont martelen, dienen beschouwd te worden als demonen.


DE DRIE TYPEN VAN VOEDSEL

7. Zelfs het voedsel dat iedereen nuttigt is van drievoudige aard, overeenkomstig de drie geaardheden der materiële natuur. Hetzelfde geldt voor offers, boetedoening en barmhartigheid. Hoor nu het onderscheid.

8. Het voedsel, dat vitaliteit, energie, kracht, gezondheid, blijmoedigheid en opgewektheid ten goede komt, dat heerlijk en aangenaam smaakt, voedzaam en lekker is, dat hebben de mensen graag die de geaardheid goedheid naleven.

9. Mensen in de geaardheid hartstocht verlangen voedsel, dat bitter, zuur, zout, zeer heet, pikant, droog en brandend scherp is en dat pijn, leed en ziekte veroorzaakt.

10. Wat oudbakken, verschaald, rottend en bedorven is, overschoten restjes en onrein voedsel is wat onwetende mensen graag eten .


DE DRIE TYPEN VAN OFFERS

11. Van alle offers dat plichtsgetrouw en volgens schriftuurlijke bepalingen gebracht wordt, zonder dat men er beloning voor verwacht, behoort tot de geaardheid goedheid.

12. Weet dat het offer, dat gebracht wordt met het oog op de vruchten van handeling en ook inderdaad ter wille van eigen glorie, tot de geaardheid hartstocht behoort, O Arjuna.

13. Het offer dat tegen de Schriften ingaat en waarbij geen geestelijk voedsel wordt verdeeld, geen gezangen worden gezongen en geen giften geschonken aan de priesters, en dat zonder geloof wordt gebracht – dat offer behoort tot de geaardheid onwetendheid .


ASCESE IN GEDACHTE, WOORD, EN DAAD

14. Eerbetoon aan hemelse heersers, de priesters, de goeroe en de wijze; alsook zuiverheid, oprechtheid, celibaat, en geweldloosheid; noemt men de ascese van het lichaam .

15. Het gesproken woord, dat geen ergernis wekt, dat waar, aangenaam en weldadig is, en de gewoonte de schriften te bestuderen, noemt men de ascese van de spraak.

16. Rust, eenvoud, ernst, zelfbeheersing en zuiverheid van denken noemt men mentale ascese.


DE DRIE TYPEN VAN ASCESE

17. Deze drievoudige ascese (in gedachte, woord en daad), beoefend door yogi’s die geen materiële gewin nastreven, maar voldoening vinden in het verhevene geloof, behoort tot de geaardheid goedheid .

18. De ascese, die beoefend wordt met het doel respect roem en verering te winnen, en ter wille van het uiterlijk vertoon, noemt men hartstocht. Ze zijn onbestendig en kortstondig.

19. De ascese, die men, uit onverstand met zelffoltering gepaard, beoefend of met het doel iemand anders te doden of te kwetsen, noemt men onwetendheid.


DE DRIE TYPEN VAN NAASTENLIEFDE

20. Het geschenk welke gegeven wordt uit plicht, te juister tijd en plaats, aan iemand die het waard is, zonder dat men er iets voor terug verwacht, wordt beschouwd als barmhartigheid in de geaardheid goedheid.

21. Dat wat gegeven wordt met het doel er iets voor in de plaats te ontvangen of in de verwachting van de vruchten van handeling, of met tegenzin, wordt beschouwd als zijnde de geaardheid hartstocht.

22. De aalmoes, die niet op de juiste plaats en tijd en aan de verkeerde personen wordt geschonken, met geringschatting en minachting, behoort tot de geaardheid onwetendheid.


DE DRIEVOUDIGE NAAM VAN GOD

23. Sedert het begin der schepping zijn de drie lettergrepen ‘Aum Tat Sat’ gebruikt om de Verhevene Absolute Waarheid aan te duiden. Hiermede werden Brahmanas, Vedas en offeranden gewijd .

24. Daarom worden de offeranden, giften en ascese, zoals deze voorgeschreven zijn in de schriften, steeds door de kenners van het eeuwige Brahman ingeleid met het uitspreken van het woord “Aum”.

25. De zoekers naar verlossing verrichten verschillende types van offer, naastenliefde en ascese door “Hij is alles ” uit te spreken, zonder daarom een beloning te verwachten .

26. Het woord “Waarheid ” staat voor Realiteit en goedheid. Het woord Waarheid wordt eveneens voor een gunstige handeling aangehaald, O Arjuna .

27. Standvastigheid in het verrichten van offers, naastenliefde, en ascese worden ook Waarheid genoemd. Ongehechte dienstbaarheid voor de zaak van de Verhevene wordt ook als Waarheid bepaald .

28. Alles wat men zonder geloof verricht – ongeacht het offer, naastenliefde, ascese of eender welke andere handeling is nutteloos. Het heeft geen waarde hier en in het hiernamaals, O Arjuna .

 

 

 

18. VERLOSSING DOOR VERZAKING

1. Arjuna zei: Ik begeer te weten waartoe verzaking dient en waartoe de respectievelijke zelfverzaking dient, O Heer Krishna .


DEFINITIE DER VERZAKING EN OFFER

2. De Heer Krishna zei: De wijzen noemen het verzaken van handelingen, die door begeerte worden ingegeven, zelfverzaking (sannyasa). Het afzien van de vruchten van alle handeling wordt door de wijzen onthouding (tyaga) genoemd . (Zie ook 5.01, 5.05, en 6.01)

3. Sommige filosofen verklaren dat alle vruchtdragende activiteit dient te worden gestaakt, maar er zijn ook anderen die erop houden, dat men activiteit inzake offers, barmhartigheid en ascese nimmer moet laten varen.

4. O Arjuna, luister nu naar wat Ik u uiteenzet over verzaking. Verzaking is, zoals gezegd wordt, drievoudig.

5. Activiteiten in verband met offers, barmhartigheid en ascetisch leven dienen niet te worden gestaakt, maar te worden verricht. Want offers, barmhartigheid en ascese reinigen de verstandigen.

6. Al deze activiteiten dienen te worden verricht zonder dat men er iets voor terug verwacht. Ze dienen te worden verricht uit plichtsbetrachting, is mijn vaste overtuiging, O Arjuna.


DRIE TYPEN VAN OFFERS

7. Voorgeschreven plichten dient men nimmer te verzaken. Als men als gevolg van begoocheling zijn voorgeschreven plichten staakt, noemt zulks verzaking de geaardheid onwetendheid.

8. Wie zijn voorgeschreven plichten staakt omdat hij ze lastig vindt, of uit vrees, wordt geacht te handelen in de geaardheid hartstocht. Deze vorm van handelen leidt nimmer tot de hoogte die men door verzaking bereikt.

9. Maar wie zijn voorgeschreven plicht vervult uitsluitend omdat ze moet worden gedaan, en alle gehechtheid ook de begeerte naar de vruchten laat varen – zo’n verzaking behoort tot de geaardheid goedheid, O Arjuna.

10. Degenen die geen afkeer hebben van onaangename arbeid, noch gehecht zijn aan aangenaam werk in de geaardheid goedheid, kennen wat betreft hun handelen geen twijfel.

11. Het is trouwens onmogelijk voor iemand, die in een lichaam leeft, volledig van handeling af te zien; maar wie afziet van de vruchten van handeling, die beoefent waarlijk verzaking.

12. Wie niet van verzaken weet, vallen na de dood de drievoudige vruchten van zijn handelen toe – de gewenste, de ongewenste en die daartussenin. Maar degenen die zich in het ascetisch leven bevinden behoeven niet van de vruchten van hun handelen te lijden of te genieten.


VIJF FACTOREN VOOR HET HANDELEN

13. Leer van Mij, O Arjuna, deze vijf factoren voor het verrichten van alle handelingen, zoals deze uiteengezet zijn in de Sankhya-filosofie:

14. De zetel van handeling (het lichaam) en de handelende (het verschijnsel ik), de verschillende organen, de diverse soorten van werkingen (bewegingen, ingespannen pogingen, wilsdaden) en ook de Voorzienigheid als de vijfde.

15. Wat een mens ook doet naar lichaam, geest of woord, hetzij goed, hetzij slecht, wordt door de vijf factoren veroorzaakt.

16. En aangezien het zo is, heeft hij, die – door zijn ongeoefende rede - zijn individuele zelf alleen aanziet voor de handelende, geen inziet, want zijn denken is fout .

17. Wie niet gedreven wordt door de ik-gerichtheid en niet verward is van verstand, doodt niet, zelfs al doodt hij deze volkeren . Evenmin wordt hij door zijn doen en laten gebonden.

18. Kennis, het doel der kennis en de kenner zijn de drie factoren welke tot handelen leiden; de zinnen, de handeling en de handelende persoon vormen de drievoudige grondslag van het handelen .


DRIE TYPEN VAN KENNIS

19. Kennis, handeling en handelende zijn in de categorie der geaardheden elk afzonderlijk, ook drievoudig door het verschil tussen de geaardheden; verneem dit eveneens zoals het behoort.

20. Die kennis waarmee men in alle vormen van bestaan één onverdeelde geestelijke natuur ziet in het verdeelde, is kennis in de geaardheid goedheid. (Zie ook 11.13, en 13.16)

21. Die kennis waarmee men in de verschillende soorten lichamen verschillende soorten levende wezens ziet, is kennis in de geaardheid hartstocht.

22. En die kennis waarmee men aan één soort werk gehecht geraakt, alsof er niets anders bestaat, zonder enig inzicht in de waarheid, en die uiterst schraal is, noemt kennis in de geaardheid onwetendheid te zijn.


DRIE TYPEN VAN HANDELEN

23. Wat het handelen aangaat: die handeling welke verricht wordt uit plicht, zonder gehechtheid, zonder liefde of haat, en zonder verlangen naar de vruchten, wordt handelen in de geaardheid goedheid genoemd.

24. Maar die handeling waarvoor men zich grote moeite getroost en die ter wille van zinsbevrediging verricht wordt vanuit een gevoel van ik-gerichtheid, wordt handelen in de geaardheid hartstocht genoemd.

25. En die handeling welke verricht wordt in onwetendheid en begoocheling zonder dat men acht slaat op de toekomstige gebondenheid en gevolgen van dien, en welke leed veroorzaakt en onpraktisch is, noemt men handelen in de geaardheid onwetendheid.

 

DRIE TYPEN VAN HANDELENDE PERSONEN

26. De handelde persoon die vrij is van alle materiële gebondenheid en van ik-gerichtheid, die geestdriftig en vastberaden is en onverschillig staat tegenover welslagen of falen, werkt in de geaardheid goedheid.

27. De handelde persoon die driftig werk verricht, vol verlangen naar de vruchten van handeling, hebzuchtig, schade berokkenend, onzuiver, gedreven door vreugde en smart, werkt in de geaardheid hartstocht.

28. En die handelende persoon die altijd bezig is met het werk dat tegen de geboden der Schriften indruist, die materialistisch is, koppig, vol bedrog en bedreven in het honen en beledigen, die lui is, gemelijk en alles altijd uitstelt, werkt in de geaardheid onwetendheid.

 

DRIE TYPEN VAN INTELLECT

29. Verneem nu ook volledig en alles na elkaar de drievoudige indeling van inzicht en standvastigheid volgens de geaardheden, O Arjuna.

30. O Arjuna, dat inzicht waardoor men weet wat wel en wat niet gedaan behoort te worden, wat men wel en niet dient te vrezen, wat bindt en wat verlost, is inzicht in de geaardheid goedheid.

31. En dat inzicht dat geen onderscheid weet te maken tussen de religieuze (Dharma) en de niet-religieuze (Adharma) levenswijze, tussen handelingen die wel en die niet verricht dienen te worden, dat onvolmaakte inzicht, O Arjuna, is in de geaardheid hartstocht.

32. Dat inzicht dat in de ban van begoocheling en duisternis goddeloosheid (Adharma) voor religie en religie (Dharma) voor goddeloosheid aanziet en altijd in de verkeerde richting streeft, O Arjuna, bevindt zich in de geaardheid onwetendheid.

 

DE DRIE TYPEN VAN RESOLUTIE, EN DE VIER DOELPUNTEN VAN HET MENSELIJK LEVEN

33. De resolutie waarmee men de geest, de Prana (bio-impuls) en de zinnen onwankelbaar in de God-realizatie laat opgaan, O Arjuna, is in goedheid .

34. En die resolutie waarmee men zich vastklampt aan de vruchten van zijn streven op het gebied van religie, van het verwerven van goederen en van zinsbevrediging, is in de geaardheid hartstocht, O Arjuna.

35. En die resolutie welke niet kan uitstijgen boven gedroom, vreesachtigheid, geklaag, gemelijkheid en begoocheling – dit soort onintelligentie standvastigheid bevindt zich in de geaardheid onwetendheid .

 

DRIE TYPEN VAN GENOEGENS

36. Hoor nu van Mij, O Arjuna, over de drie vormen van plezier. Het plezier dat men van geestelijke praktijken geniet, waardoor alle leed ten einde komt .

37. Dat, wat in het begin als vergif, maar tenslotte als nectar is; die vreugde, voortspruitend uit de rustige kalmte van het Zelf, noemt men de geaardheid goedheid.

38. Sensuele plezieren die eerst als nectar voorkomen, maar tenslotte als vergif lijken te veranderen; zulke genoegens komen van de geaardheid hartstocht. (Zie ook 5.22)

39. En het plezier dat zowel in het begin als daarna zelfbegoocheling is en dat voorkomt uit slaap, luiheid en zorgeloosheid, wordt plezier in de geaardheid onwetendheid genoemd.

40. Er bestaat geen enkel wezen, noch hier, noch onder de hemelse heersers in de hemelse gewesten, dat vrij is van de invloed der drievoudige aard der materiële natuur.

 

DE VERDELING VAN DE WERKZAAMHEID IS VOLGENS PERSOONLIJKE BEVOEGDHEID AFHANKELIJK

41. De werkzaamheden van Brahmanen, beschermers, meesters en knechten, o verdelger uwer vijanden zijn verdeeld al naar gelang van de hoedanigheden, uit hun eigen aard voortgesproten . (Zie ook 4.13)

42. Vreedzaamheid, zelfbeheersing, soberheid, reinheid, verdraagzaamheid, eerlijkheid, wijsheid, kennis en vroomheid – van deze aard is het werk van de Brahmanen.

43. Dapperheid, kracht, vastberadenheid, behendigheid, moed in de strijd, edelmoedigheid en leiderschap vormen de aard van het werk van de beschermers.

44. Landbouw, veeteelt en handel geven de aard van het werk van de meesters aan, en de dienaren dienen de anderen door hun arbeid.

 

HET BEREIKEN DER VERLOSSING DOOR PLICHT VERVULLING, DISCIPLINE, EN DEVOTIE

45. Ieder mens komt tot volmaaktheid, als hij opgaat in zijn eigen plicht. Luister, hoe volmaaktheid wordt verkregen door de mens, die geheel gericht is op zijn eigen karmische plicht.

46. Door aanbidding van de Verhevene Wezen, de oorsprong van alle schepselen, die alomtegenwoordig is, kan de mens bij het vervullen van zijn eigen plicht tot volmaaktheid komen. (Zie ook 9.27, 12.10)

47. Het is beter zich aan zijn eigen taak te wijden, ook al verricht men haar gebrekkig, dan zich over andermans taak te ontfermen en haar volmaakt te verrichten. De plichten die de mens zijn voorgeschreven naar gelang zijn wezen leiden nimmer tot terugslagen zoals bij zondige activiteiten. (Zie ook 3.35)

48. Ieder streven gaat gepaard met fouten, zoals vuur gepaard gaat met rook. Daarom dient men werk dat met zijn aard strookt niet te laten varen, O Arjuna, ook al wemelt het van de fouten.

49. Men kan de vruchten der verzaking ontvangen louter door zelfbeheersing, onthechting van materiële zaken en geringschatting van materiële geneugten. Dat is de hoogste volmaaktheid der verzaking.

50. O Arjuna, verneem van Mij hoe men tot het hoogste peil der volmaaktheid, Brahman, kan komen, door te handelen op een wijze die Ik nu kort zal samenvatten .

51-53.

Wanneer men door zijn verstand gelouterd wordt en de geest vastberaden beteugelt, wanneer men hetgeen de zinnen bevredigt laat varen en zich zo bevrijdt van gehechtheid en haat, wanneer men in afzondering leeft, weinig eet, lichaam en tong beheerst, altijd in verheven concentratie is en onthecht, zonder ik-gerichtheid, valse kracht, valse trots, lust en woede, en wanneer men geen materiële zaken aanneemt, raakt men beslist bevordert tot het peil der zelfverwerkelijking .

54. Opgaande in de Verhevene Wezen, verheven kalm in het Zelf, treurt hij niet en begeert hij niet; tegenover alle schepselen hetzelfde, bereikt hij de hoogste staat van toewijding aan Mij.

55. Door toewijding leert hij Mij in essentie kennen, wie en wat Ik ben; Mij aldus in essentie kennend, gaat hij zonder verwijl op in het koninkrijk Gods. (Zie ook 5.19)

56. Een Karma-yogi devoot bereikt de eeuwige onveranderlijke woonst van Mijn genade – zelfs terwijl alle verplichtingen worden verricht – gewoon door in Mij toevlucht te zoeken (door overgave van alle handelingen in liefdevolle devotie aan Mij) .

57. Wijd in oprechtheid alle handelingen aan Mij, en plaatst Mij als uw verhevene doel, en verbindt u gans aan Mij. Fixeer steeds uw gemoed op Mij, en verblijf in Karma-yoga .

58. Aan mij denkend, zult ge door Mijn genade alle belemmeringen te boven komen; maar zo ge uit zelfzucht niet wilt luisteren, zult ge tenietgaan.

 

DE KARMISCHE GEBONDENHEID

59. Handelt ge niet volgens Mijn aanwijzingen en weigert ge te strijden, maar dat is een loos besluit: de natuur zal u ertoe dwingen.

60. O Arjuna, gebonden door uw eigen karma, dat uit uw eigen aard is voortgekomen, zult ge juist dat hulpeloos verrichten wat ge uit misleiding niet wenst te doen.

 

WIJ WORDEN DE MARIONETTEN VAN ONZE EIGEN VRIJE WIL

61. De Verhevene Heer zetelt in ieders hart, O Arjuna, en bestuurt het doen en laten van alle levende wezens, die zich in het lichaam als het ware in een mechaniek bevinden, dat gemaakt is van de materiële energie.

62. Neemt uw toevlucht tot Hem met geheel uw wezen, O Arjuna; door zijn genade zult ge de opperste vrede verkrijgen, de Eeuwige Woonst.

63. Zo heb ik u de kennis medegedeeld die geheimer is dan ieder geheim: denk er goed over na, en handelt zoals u het goeddunkt.

HET PAD DER OVERGAVE IS DE ULTIEME PAD NAAR GOD

64. Luister nog eens naar Mijn verheven woord, dat het meest verborgen is van al: gij zijt Mij dierbaar en ge zijt standvastig; daarom wil ik in uw belang spreken.

65. Denk onafgebroken aan Mij en wees Mij toegewijd. Aanbid Mij en bewijs Mij eer. Zo zult gij voorzeker tot Mij komen. Ik geef u Mijn woord; gij zijt Mij dierbaar.

66. Laat alle vormen van geloof voor wat ze zijn en geeft u slechts aan Mij over. Ik zal u verlossen van de terugslagen van al uw zonden.

67. Nooit moogt gij hierover spreken met iemand, die geen asceet is, nooit met iemand zonder toewijding en ook niet met iemand, die niet wenst te luisteren en evenmin met degene, die Mij afgunstig is.

 

DE HOOGSTE DIENST AAN GOD EN DE BESTE NAASTENLIEFDE

68-69.

Wie dit verheven geheim aan de toegewijden onthult komt voorzeker tot toegewijde dienst en zal tenslotte tot Mij terugkeren. Geen dienaar ter wereld is Mij dierbaarder en nimmer zal er een Mij dierbaarder zijn.

 

DE GENADE VAN DE GÎTÂ

70. En Ik verklaar dat hij die zich in dit heilige gesprek verdiept, Mij aanbidt met zijn verstand .

71. En wie gelovig en zonder afgunst naar deze woorden luistert wordt bevrijd van de terugslagen van zijn zonden en gaat naat de gewesten waar de vromen verblijven .

72. O Arjuna, hebt gij aandachtig naar dit alles geluisterd? En zijn uw begoocheling en onwetendheid thans verdreven?

73. Arjuna zei: Mijn dierbare Krishna, O Onfeilbare, mijn begoocheling is thans geweken. Door Uw genade heb ik mijn geheugen weer terug en ik ben nu sterk, vrij van twijfel en bereid te handelen zoals Gij het mij opdraagt.

74. Sanjaya zei: Aldus heb ik de woorden vernomen die twee grote zielen, Krishna en Arjuna, tot elkaar spraken. En deze boodschap is zo wonderbaarlijk dat mijn haar ervan overeind staat.

75. Door de goedgunstigheid van Vyasa heb ik geluisterd naar dit geheim en de geheime yoga van de Heer van yoga, Krishna zelf, zoals hij voor mijn aangezicht sprak.

76. O Koning, terwijl ik me deze verwonderlijke en heilige tweespraak van Krishna en Arjuna telkens weer voor de geest haal, huiver ik onophoudelijk van vreugde.

77. O Koning, wanneer ik aan de heerlijke gedaante van Heer Krishna denk, word ik bevangen door nog groter verbazing en verheug ik me keer op keer.

 

TRANSCENDENTALE KENNIS EN HANDELING ZIJN BEIDE NODIG VOOR EEN EVENWICHTIG LEVEN

78. Overal waar Krishna, de Heer van yoga, of Dharma in de vorm der schrifturen, en Arjuna met de wapens van plicht en bescherming zullen zijn; zal er eeuwige voorspoed, overwinning, geluk en moraliteit wezen. Dit is mijn overtuiging .

In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het achttiende hoofdstuk beëindigd, genaamd Verlossing door Verzaking ”.

 

 

 

EPILOOG

DE AFSCHEIDSREDE VAN DE HEER KRISHNA

De Heer Krishna op de avond van Zijn vertrek der arena deze wereld, nadat was beëindigd de moeilijke taak de Dharma te vestigen, gaf Hij zijn laatste afscheidsrede aan Zijn onkel Uddhava die tevens Zijn geliefde devoot en volgeling was. Op het einde van een lange preek met de inhoud van meer dan duizend verzen (BP 11.06-29), zei Uddhava: O Heer, ik denk dat het naleven van yoga zoals Gij (aan Arjuna, en nu) tot mij hebt verteld, moeilijk is en zelfs voor de meeste mensen, daar het de controle bevat van de onhandelbare zinnen. Vertel me kort, eenvoudig, en gemakkelijk de weg naar de Godrealisatie. De Heer Krishna gaf op Uddhava’s aanvraag de bijzonderheden om in deze moderne tijd tot zelfrealisatie te komen, en deze zijn:

(1) Vervul zo goed mogelijk uw plichten voor Mij, zonder zelfzuchtige bedoelingen, en herinner Mij ten alle tijde – voor het begin van het werk, bij het voleindigen van een taak, en tijdens de inactiviteit.

(2) Praktiseer om Mij in alle creaturen te zien in gedachte, woord en daad; en maak hen mentaal een buiging.

(3) Ontwaakt uw slapende Kundalini Sakti en besef dat God’s kracht steeds met u is; door de activiteiten van het gemoed, de zinnen, de ademhaling, en de emoties; en dat Hij voortdurend al het werk verricht door u als een te instrument in gebruik. Yogïrâja Muntaz zei: de persoon die zich als een louter instrument herkend en zijnde een sportveld voor het gemoed en de materie, kent Brahma of de Waarheid. Het beëindigen van alle begeerten door de ware essentie der wereld en menselijk gemoed te realiseren, is Zelfrealisatie. Paramahamsa Hariharânanda zei: God is alles en zelfs boven alles. Daarom, indien ge Hem wilt realiseren, dient ge Hem te zoeken en Hem zien in ieder atoom, in iedere materie, in ieder lichamelijke functie, en elk wezen in een houding van overgave.

De essentie van de Godrealisatie is tevens in de Bhagavad Mahâ Purâna (BP 2.09.32-35) als volgt opgesomd:

De Verhevene Heer Krishna zei: O Brahma, de persoon die Mij wenst te kennen, de Verhevene Goddelijke Persoonlijkheid, de Heer Srî Krishna, zou moeten begrijpen dat Ik voor de schepping bestond, dat Ik in de schepping besta, en evenzo na de dissolutie. Al andere bestaan is niets anders dan Mijn denkbeeldig energie. Ik besta in de schepping, en tezelfdertijd buiten de schepping. Ik ben de alvervullend Verhevene Heer die overal bestaat, in alles, en ten alle tijde.