4. HET PAD DER ZELFVERLOOCHENING DOOR KENNIS
9. DE VERHEVENE KENNIS EN HET GROTE GEHEIM
10. DE MANIFESTATIE DER ABSOLUTE
11. HET VISIOEN DER KOSMISCHE VORM
13. DE SCHEPPING EN DE SCHEPPER
14. DE DRIEVOUDIGE AARD DER MATERIËLE NATUUR
15. DE VERHEVENE (ABSOLUTE) WEZEN
16. DE GODDELIJKE EN DE DEMONISCHE AARD
~~~~
1. Dhrtarästra
zei: O Samjaya, nadat mijn zoons en de zoons van Pändu, verlangend naar de
strijd, zich op het bedevaartsveld Kuruksetra hadden verzameld, - wat deden ze?
2. Samjaya zei: O Koning, nadat
Koning Duryodhana het leger dat door de zoons van Pändu was opgesteld in
ogenschouw had genomen, ging hij naar zijn leraar en richtte als volgt het
woord tot hem:
3. O mijn meester, zie het
machtige leger van de zoons van Pändu en hoe vakkundig het is opgesteld door uw
schrandere leerling, de zoon van Drupada.
4. Er zijn in dit leger veel
heldhaftige boogschutters, die niet onderdoen voor Bhïma en Arjuna; en er zijn
ook grote krijgslieden, zoals Yuyudhäna, Viräta en Drupada.
5. Er zijn ook grote,
heldhaftige, machtige krijgers zoals Dhrstaketu, Cekiäna, Käsïräja, Purujit,
Kuntibhoja en Saibya.
6. Daar zijn de geweldenaar
Yudhämanyu, de stoere Uttamaujä, de zoon van Subhadrä, en de zoons van
Draupadï. Al deze krijgers zijn grote strijdwagenvechters.
INLEIDING VAN HET LEGER COMMANDO
7. O beste der brähmana’s, laat me u zeggen, zodat u op de hoogte bent, welke
aanvoerders het bekwaamst zijn om mijn troepenmacht te leiden .
8. Er zijn mannen onder als
uzelf, Bhïsma, Karna, Krpa, Asvatthämä, Vikarna, en de zoon van Somadatta,
Bhuriśravä, die altijd zegevieren in de strijd.
9. En er zijn nog vele andere
helden die hun leven voor mij willen offeren. Ze zijn allen goed uitgerust met
allerlei wapens en ze zijn allen bedreven in de krijgskunst.
10. Onze sterkte is onmetelijk en
we worden door Grootvader Bhïsma volmaakt beschermd, terwijl de sterkte van de
Pändava’s, onder de zorgzame hoede van Bhïma, beperkt is.
11. Jullie moeten nu allen
Grootvader Bhïsma ondersteunen, ieder vanaf zijn eigen strategische plaats in
de gevechtslinie.
DE OORLOG
BEGINT MET HET BLAZEN VAN DE SCHELPHOORNS
12. Toen blies Bhïsma, de grote, wakkere stamvader van de Kuru-dynastie, de
grootvader van de krijgers, zeer luid, als brulde er een leeuw, op zijn schelphoorn,
tot vreugde van Duryodhana.
13. Toen klonken plotseling alle
schelphoorns, signaalhoorns, trompetten, trommen en hoorns tegelijk, dat het
daverde.
14. Heer Krsna en Arjuna, die op
een grote, met witte paarden bespannen strijdwagen stonden, lieten van hun kant
hun bovenzinnelijke schelphoorns weerklinken.
15. Hrsïkeśa (Krsna) liet
Zijn schelphoorn, Päncajanya, schallen, Dhanajaya (Arjuna) blies op de zijne, Devadatta; en Bhïma, de onverzadigbare eter en
geduchte held, blies op zijn schrikwekkende schelphoorn Paundram.
16. Koning Yudhisthira, de zoon
van Kuntï, blies op zijn schelphoorn Anantavijaya, en Nakula en Sahadeva
bliezen op de Sughosa en de Manipuspaka.
17. Die grote boogschutter de
Koning van Käsï, de grote strijder Sikhandï, Dhstadyumna, Viräta en de
onoverwinnelijke Sätyaki,
18. Drupada, de zoons van
Draupadî en de anderen, O Koning, zoals de zoon van Subhadrâ, in volledige
wapenrusting, bliezen allen op hun schelphoorn.
19. Het schallen van al deze
schelphoorns werd stormachtig - en trillend zoveel in de lucht als in de
aardbodem, verscheurde het de harten van de zoons van Dhrtarästra.
ARJUNA WENST
HET LEGER TE INSPECTEREN WAARTEGEN HIJ MOET VECHTEN
20. O Koning, toen nam Arjuna, de zoon van Pändu, die op zijn strijdwagen stond
en Hanumäm in zijn vaandel voerde, zijn boog op en maakte zich gereed, zijn
pijlen af te schieten, zijn blik gericht op de zoons van Dhrtarästra. O Koning,
toen sprak Arjuna tot Hrsïkeśa (Krsna) de volgende woorden:
21-22. Arjuna zei: O onfeilbare,
rijd mijn wagen tussen de twee legers in, zodat ik kan zien wie er zijn, wie
ernaar verlangen te vechten en met wie ik me in deze grote slag moet meten.
23. Laat me zien wie er voor de
strijd zijn aangetreden om de boosaardige zoon van Dhrtarästra te behagen.
24. Sanjaya zei: O telg van
Bharata (Dhrtarästra), toen Hrsïkeśa (Krsna) aldus door Gudäkeśa
(Arjuna) was aangesproken, mende Hij de prachtige strijdwagen naar het
middenveld tussen de beide legers.
25. In tegenwoordigheid van
Bhïsma, Drona en alle leiders van de wereld zei Hrsïkeśa, de Heer: O
Pärtha, kijk toch naar alle Kuru’s, die hier verzameld zijn.
26. Toen kon Arjuna vanwaar hij
tussen de beide legers stond zijn vaders, grootvaders, leraren, ooms van
moederskant, broers, zoons, kleinzoons, vrienden en ook zijn schoonvader en
goede bekenden zien – die allen daar aanwezig waren.
ARJUNA’s
DILEMMA
27. Toen de zoon van Kuntï, Arjuna, al deze verschillende vrienden en
familieleden zag, werd hij door hevig mededogen overweldigd en sprak:
28. Arjuna zei: O Krsna, nu ik
mijn vrienden en bloedverwanten in zo’n strijdlustige
stemming voor me zie, voel ik dat mijn ledematen beginnen te beven en mijn mond
droog wordt.
29. Mijn hele lichaam trilt en
mijn haar staat overeind. Mijn boog Gändiva glijdt me uit de handen en mijn
huid gloeit.
30. Ik kan hier niet langer
blijven. Ik ken mezelf niet meer, mijn geest wankelt. Ik voorzie alleen maar
onheil, O vernietiger van de demon Keśï.
31. Ik voorzie niets goeds, O
Krsna, in het doden van mijn eigen bloedverwanten in deze strijd en ik verlang geenszins naar de overwinning, het koninkrijk of het geluk
dat ik als gevolg daarvan verwerf.
32-35. O Govinda
, wat baten onze koninkrijken, geluk of het leven zelf, wanneer degenen
voor wie we dit alles verlangen nu tegen ons opgesteld staan op dit slagveld? O
Madhusüdana, wanneer leraren, vaders, zoons, grootvaders, ooms van moederkant,
schoonvaders, kleinzoons, zwagers en alle familieleden, bereid hun leven en
goed te offeren, tegenover me staan, waarom zou ik ze willen doden, ook al
behoud ik het leven? O Janärdana, instandhouder van alle wezens, ik ben niet
bereid met ze te vechten, zelfs niet in ruil voor de drie werelden, laat staan
voor deze aarde.
36. Er zal zonde over ons komen
als we deze aanvallers doden. Daarom is het niet goed als we de zoons van
Dhrtarästra en onze vrienden van het leven beroven. O Mädhava, hoe zouden we
gelukkig kunnen zijn als we onze eigen familieleden zouden doden?
37-38. O Janärdana, ook al zien
deze mannen, overweldigd als ze zijn door begeerte, er geen kwaad in hun
bloedverwanten te doden of met vrienden te twisten, daarom hoeven wij, die de
zonde ervan beseffen, hier toch niet aan mee te doen?
39. Wanneer de dynastie wordt
vernietigd, raakt de eeuwige familie-traditie verbroken – en wie er dan nog over
zijn, vervallen tot goddeloosheid;
ARJUNA
VERHAALT DE GRUWELEN VAN DE OORLOG
40. Wanneer er goddeloosheid heerst in een familie, O Krsna, raken de vrouwen
verdorven en op de verlaging der vrouwen, O telg van Vrsni, volgt ongewenst
nageslacht.
41. Wanneer het ongewenste
bevolkingsdeel aanwast, ontstaat er een helse toestand zowel voor de familie
als voor degenen die de familie-traditie vernietigen. In zulke verdorven
families wordt er aan de voorouders geen voedsel en water meer geofferd.
42. Door de wandaden van degenen
die de familie-tradities verbreken worden allerlei gemeenschappelijke
ondernemingen en activiteiten ten dienste van het welzijn van de familie te
gronde gericht.
43. O Krsna, die de mensen in
stand houdt, via de erfopvolging der geestelijke leraren heb ik vernomen dat
degenen die de familie-traditie vernietigen altijd in de hel verblijven.
44. Ach, hoe vreemd is het dat we
alleen maar uit begeerte naar koninklijk geluk bereid zijn grote zonden op ons
te laden.
45. Ik had liever dat de zoons
van Dhrtarästra me doodden zonder dat ik het wapen tegen ze ophief of me
verzette, dan dat ik de strijd met ze aanging.
46. Sanjaya zei: nadat Arjuna
deze woorden gesproken had op het slagveld, wierp hij boog en pijlen naast zich
op de strijdwagen neer en ging zitten, overweldigd door verdriet.
2. TRANSCENDENTALE KENNIS
1. Sanjaya zei: toen Hij Arjuna, vol medelijden en met tranen van verdriet in
de ogen, zo zag zitten, sprak Madhusüdana, Krsna, de volgende woorden:
2. De Allerhoogste Persoon (Bhagavän)
zei: hoe kom je zo onzuiver, Arjuna? Dat past niet bij iemand die de hogere
waarden des levens kent. Het voert je niet naar hogere gewesten, maar naar
schande.
3. O zoon van Prthä, zwicht niet
voor deze vernederende zwakheid. Dat past je niet. Laat je kleinzieligheid
varen en sta op, o bedwinger van de vijand.
ARJUNA
VOLHARDT IN ZIJN REDENERINGEN TEGEN DE OORLOG
4. Arjuna zei: O doder van Madhu (Krsna), hoe kan ik de aanval in de strijd
beantwoorden door pijlen af te schieten op mannen als Bhïsma en Drona, aan wie
ik de hoogste eerbied verschuldigd ben?
5. Men kan in deze wereld beter
leven als bedelaar dan ten koste van het leven van de grote zielen die mijn
leraren zijn. Ook al worden ze door hebzucht gedreven, het blijven mijn
leraren. Als ze gedood worden, is onze zege bezoedeld met bloed.
6. Ook weten we niet wat beter is
– de zoon van Dhrtarästra overwinnen of door hen overwonnen worden. Doden we
ze, dan kunnen we het beter niet overleven. Nu staan ze voor ons op het
slagveld.
7. Ik weet niet meer wat mijn
plicht is en ik ben uit zwakheid volkomen uit mijn doen. In deze toestand
verzoek ik Je me duidelijk te maken wat het beste voor me is. Ik ben nu Je
leerling, Je toegedaan met hart en ziel. Onderricht me.
8. Ik weet niets te bedenken
waarmee ik dit verdriet, dat me van mijn zinnen berooft, verdrijven kan. Ik zal
het niet kunnen uitbannen, ook al win ik een onbetwist koninkrijk op aarde of
de heerschappij van een halfgod in de hemel.
9. Sanjaya zei: na deze woorden
zei Arjuna, de vijanden-bedwinger, tot Krsna: ‘Govinda, ik zal niet vechten’,
en zweeg.
10. O telg van Bharata, daarop
sprak Krsna midden tussen beide legers glimlachend de volgende woorden tot de
terneergeslagen Arjuna:
DE LERINGEN
VAN DE GITA BEGINNEN MET DE WARE KENNIS VAN DE GEEST EN HET MENSELIJK LICHAAM
11. De Allerhoogste zei: je spreekt geleerde woorden, maar treurt om iets wat
het verdriet niet waard is. Zij die wijs zijn weeklagen noch om de levenden,
noch om de doden.
12. Nimmer was er een tijd waarin
Ik niet bestond, noch jij, noch al deze vorsten; noch zal in de toekomst ook
maar één van ons ophouden te bestaan.
13. Zoals de belichaamde ziel in
dit lichaam geleidelijk van kinderjaren overgaat naar jeugd en ouderdom, zo
gaat ze bij de dood naar een ander lichaam over. Een zelfverwerkelijkte ziel
raakt door zo’n verandering niet uit haar evenwicht.
(Zie ook 15.08)
14. O zoon van Kuntï, het
afwisselend komen en gaan van geluk en verdriet is als het komen en gaan van
zomer en winter. Geluk en verdriet ontstaan uit zintuiglijke gewaarwording, O
telg van Bharata, en men moet ze onbewogen leren verdragen.
15. O beste onder de mensen
(Arjuna), wie zich door geluk noch verdriet uit zijn doen laat brengen en
altijd evenwichtig blijft, kan voorzeker zijn bevrijding bereiken.
DE GEEST IS
EEUWIG, HET LICHAAM IS VERGANKELIJK
16. De wijzen, die de waarheid zien, erkennen dat de onzichtbare Geest (Atma,
Atman) eeuwig is, en het zichtbare fysisch lichaam
vergankelijk. Ze kwamen tot deze conclusies na onderzoek van het wezen van
beide .
17. Weet dat hetgeen
waarvan het hele lichaam doordrongen is onvernietigbaar is. Niemand is in staat
de onvergankelijke ziel te vernietigen.
18. Allen het stoffelijk
lichaam van het onvernietigbare, onmeetbare en eeuwige levende wezen is aan
vernietiging onderhevig: daarom – vecht O telg van Bharata.
19. Wie denkt dat het levend wezen kan doden of kan worden gedood, verkeerd in
onwetendheid. Wie werkelijk kennis bezit, weet dat het zelf noch doodt, noch
wordt gedood.
20. De ziel kent geboorte noch
dood. En eenmaal zijnde, houdt ze nimmer op te zijn. Ze is ongeboren, eeuwig,
immer-zijnd, onsterfelijk en oorspronkelijk. Ze wordt niet gedood wanneer het
lichaam wordt gedood.
21. O Partha ,
hoe kan iemand die weet dat de ziel onvernietigbaar, ongeboren, eeuwig en
onveranderlijk is, iemand doden of iemand tot doden aanzetten.
DE DOOD EN
DE TRANSMIGRATIE VAN DE ZIEL
22. Zoals iemand zijn oude, versleten kleren wegdoet en zich in nieuwe steekt,
laat de ziel het oude, nutteloze lichaam achter en hult
zich in een nieuw.
23. Geen wapen kan de ziel ooit
in stukken snijden, noch kan ze door vuur worden verbrand, door water
verdronken of door de wind verdroogd.
24. Deze individuele ziel kan
breken noch oplossen, verbranden noch verdrogen. Ze is eeuwig, alomtegenwoordig,
onveranderlijk, onbeweeglijk en immer eender.
25. Er is gezegd dat de ziel
onzichtbaar, onvoorstelbaar en onveranderlijk is. Nu je dit weet, mag je niet
meer om het lichaam treuren.
26. Denk je echter dat de ziel
voortdurend geboren wordt en telkens sterft, dan bestaat er nog steeds geen
reden tot weeklagen, O sterk-gearmde.
27. Wie geboren is, gaat een gewisse dood tegemoet; en wie dood is, wordt zéker weer
geboren. Daarom behoor je bij het onvermijdelijk vervullen van je plicht geen
klacht te uiten.
28. Alle geschapen wezens zijn
niet-geopenbaard in hun begin, openbaar in hun tussen-toestand en wederom
niet-openbaar wanneer ze worden vernietigd. Wat valt er dus te treuren?
DE
ONVERGANKELIJKE GEEST TREEDT GEMOED EN SPRAAK BINNEN
29. Sommigen zien de ziel als verbazingwekkend, sommigen beschrijven haar als
verbazingwekkend en sommigen horen over haar als verbazingwekkend, terwijl
anderen, ook al hebben ze over haar gehoord, helemaal niets van haar begrijpen.
(Zie ook KaU 2.07)
30. O telg van Bharata, de ziel
in het lichaam is eeuwig en kan nimmer worden gedood. Daarom hoef je om geen
enkel schepsel te treuren.
DE HEER
KRISHNA BRENGT ARJUNA ZIJN PLICHT AS KRIJGER TOT HERINNERING
31. Ten aanzien van je bijzondere plicht als ksatriya behoor je te weten dat er
voor jou geen betere taak bestaat dan strijden volgens religieuze beginselen –
het is dus onnodig dat je nog aarzelt.
32. O Partha , gelukkig de
ksatriya’s die buiten hun toedoen zo’n gelegenheid
krijgen om te strijden, waardoor de toegang tot de hemelse gewesten zich voor
hen opent.
33. Als je deze religieuze oorlog
echter niet strijdt, zul je wegens plichtverzuim zonden op je laden en zo je
naam als held verliezen.
34. De mensen zullen altijd
schande van je blijven spreken – en voor mensen die eer hebben genoten is
eerloosheid erger dan de dood.
35. De grote veldheren, die een
hoge dunk hadden van je naam en eer, zullen denken dat je louter uit angst het
slagveld hebt verlaten en je daarom een lafaard vinden.
36. Je vijanden zullen vele onvriendelijke
woorden over je spreken en de draak steken met je heldhaftigheid. Wat zou er
pijnlijker voor je kunnen zijn?
37. O zoon van Kuntï, óf je zult
op het slagveld worden gedood en de hemelse gewesten bereiken, óf je zult de
strijd winnen en van je aardse koninkrijk genieten. Daarom – sta op en strijd
vastberaden.
38. Strijd om der wille van de
strijd, zonder te denken aan geluk of verdriet, verlies of winst, zege of
nederlaag – als je zo handelt, blijf je altijd van zonden vrij.
DE
BELANGRIJKHEID VAN KARMA-YOGA, DE ONBAATZUCHTIGE DIENSTVERLENING
39. Tot dus ver heb Ik je de analytische kennis van de sankhya-filosofie uitéén
gezet. Luister nu naar wat Ik te zeggen heb over de yoga, waarbij men werkt
zonder dat men daardoor aan zijn handelen gebonden raakt. O zoon van Partha , als je je deze kennis eigen maakt, kun je jezelf
bevrijden van de terugslagen van je doen en laten.
40. Wie dit nastreeft lijdt
verlies noch achteruitgang – en een kleine vooruitgang op deze weg kan een mens
voor het ernstigste gevaar behoeden.
41. Degenen die deze weg begaan,
zijn vastberaden en kennen slechts één doel. Maar de besluitelozen, O geliefd kind van de Kuru’s, worden geleid door een verstand
dat zich op vele dwaalplaatsen begeeft.
DE VEDA’s
BEHANDELEN BEIDE MATERIËLE EN GEESTELIJKE ASPECTEN VAN HET LEVEN
42-43. Mensen met weinig kennis voelen zich bijzonder aangetrokken door de
bloemrijke taal der Veda’s, die hun verschillende vormen van baatzuchtig
streven aanbevelen in geval ze willen worden verheven naar de hemelse gewesten,
waar hen een goede geboorte, macht en hemelse vreugde wachten. Begerig naar
zingenot en een leven in weelde, zeggen ze dat dit alles te boven gaat.
44. Degenen die te zeer aan
zingenot en aardse weelde hangen en hierdoor verward van geest zijn, komen niet
tot het vaste besluit de Allerhoogste toegewijd te dienen.
45. De Veda’s handelen
hoofdzakelijk over de drieërlei aard der stoffelijke natuur. Rijs boven deze
geaardheden uit, O Arjuna. Wees aan alle ontstegen. Wees
vrij van alle dualisme en alle bezorgdheid om veiligheid en winst en wees hecht
verankerd in het zelf.
46. Alle doeleinden die een
kleine bron geleidelijk dient, kunnen ineens worden gediend door meren en
zeeën. Evenzo kunnen alle doeleinden van de Veda’s worden gediend door degene
die weet wat hun ene doel is.
DE THEORIE
EN PRAKTIJK VAN KARMA-YOGA
47. Je hebt het recht je voorgeschreven plicht te vervullen, maar de vruchten
ervan komen je niet toe. Zie jezelf nooit als oorzaak van het resultaat van je bezigheden
en tracht nooit je plicht te verzaken.
48. Wees standvastig in yoga,
Arjuna. Doe je plicht en laat alle gehechtheid aan slagen en falen varen. Zo’n evenwichtigheid van geest wordt yoga genoemd.
49. O Dhananjaya
, bevrijd jezelf van alle baatzuchtig werk door toegewijde dienst en
geef je aan dat bewustzijn volkomen over. Zij die de vruchten van hun werk
willen plukken zijn schapers.
50. Wie toegewijde dienst
verricht, bevrijdt zich nog tijdens dit leven van de terugslagen zowel van
goede als van slechte daden, Arjuna. Tracht dus te handelen in Karma-yoga of
Seva – de kunst van alle arbeid.
51. De wijzen, die toegewijde
dienst verrichten, zoeken hun heil in de Heer en bevrijden zich uit de
kringloop van geboorte en dood door van de vruchten van hun arbeid in de
stoffelijke wereld af te zien. Zo kunnen ze daar komen, waar men van alle
ellende vrij is .
52. Wanneer je verstand uit het dichte woud der begoocheling te voorschijn
komt, zul je onverschillig zijn jegens alles wat er
gehoord is en alles wat er nog gehoord zal worden.
53. Is
je geest niet meer in beweging te brengen door de bloemrijke taal der Veda’s en
verkeert hij onwankelbaar in de verheven rust der zelfverwerkelijking, dan ben
je het goddelijk bewustzijn deelachtig geworden.
54. Arjuna zei: waaraan herkent
men iemand wiens bewustzijn aldus opgaat in het
Bovenzinnelijke? Hoe spreekt hij en wat zijn zijn woorden? Hoe zit hij en hoe
loopt hij?
DE KENMERKEN
VAN EEN ZELF- GEREALISEERDE PERSOON.
55. De Allerhoogste zei: O Partha, wanneer men alle zinnelijk verlangen dat uit
het dwalen van de gedachten voortkomt laat varen en wanneer men de geest alleen
in de zelfbevrediging laat vinden, heet men in zuiver bovenzinnelijk bewustzijn
te verkeren.
56. Wie zich niet van streek laat
brengen door het drievoudig leed, wie in gelukkige
omstandigheden niet opgetogen is en wie vrij is van gebondenheid, vrees en
woede, wordt een wijze van standvastige geest genoemd.
57. Wie zonder bindingen is, wie
zich niet verheugt wanneer hem iets goeds overkomt, noch treurt wanneer er iets
kwaads geschiedt, is echt verankerd in volmaakte kennis.
58. Wie – zoals een schildpad
zijn ledematen intrekt onder zijn schild – in staat is zijn zinnen af te wenden
van wat ze prikkelt, wordt geacht zich waarlijk in staat van kennis te
bevinden.
59. De belichaamde ziel kan
weliswaar van zingenot weerhouden worden, hoewel ze haar smaak voor het
zinneprikkelende behoudt. Maar wanneer ze zich er niet meer om bekommert,
doordat ze een hogere smaak ervaart, is ze echt in bovenzinnelijk bewustzijn
verankerd.
HET GEVAAR
VAN ONBETEUGELDE ZINTUIGEN
60. De zinnen zijn zo sterk en onstuimig, O Arjuna, dat ze zelfs de geest
meeslepen van een mens die onderscheidsvermogen bezit en juist zijn zinnen
tracht te beheersen.
61. Wie zijn zinnen beheerst en
zijn bewustzijn op Mij richt, is een evenwichtig en verstandig mens.
62. Wanneer men datgene beschouwt
wat de zinnen bekoort, begint men zich eraan te hechten en uit deze gehechtheid
ontwikkelt zich lust en uit lust ontstaat woede.
63. Uit woede komt begoocheling
voort en uit begoocheling geheugen-verwarring. Wanneer het geheugen verward is,
verdwijnt het verstand en wanneer het verstand verdwenen is, valt men terug in
het stoffelijk moeras.
HET
BEREIKEN VAN VREDE EN GELUK DOOR DE BEHEERSING VAN DE ZINNEN EN KENNIS
64. Wie zijn zinnen weet te beheersen door zich te houden aan de regels van
vrijheid in gebondenheid, kan zich de volkomen genade van de Heer verwerven en
zo verlost worden van alle voorkeur en afkeer.
65. Voor iemand die aldus in het goddelijk bewustzijn verkeert, bestaat het drievoudig leed
van de stoffelijke wereld niet meer; in zo’n gelukkige toestand komt het
verstand spoedig in evenwicht.
66. Wie niet in bovenzinnelijke bewustzijn verkeert, kan noch een beheerste
geest, noch een evenwichtig verstand hebben, zonder welke men geen vrede kan
vinden. En hoe kan er zonder vrede geluk bestaan?
67. Zoals de storm een schip over
het water weg kan blazen, zo kan alleen al één van de zinnen, waarop de geest zich
richt, iemands verstand op hol laten staan.
68. Daarom, O sterk-gearmde , beschikt iemand die de neigingen van zijn zinnen
beteugelt beschikt over een evenwichtig verstand.
69. De welbeteugelde waakt in
datgene wat iederéén als nacht beschouwt; en datgene wat iederéén in waakt is nacht voor de schouwende wijze .
70. Alleen hij die zich niet laat
verwarren door de ononderbroken stroom van begeerten – welke als rivieren
uitmonden in de oceaan, die aldoor gevuld wordt, maar altijd kalm is - alleen
hij kan vrede vinden, en degenen die zulke begeerten tracht te bevredigen niet
.
71. Wie elke neiging tot zinsbevrediging heeft opgegeven en een leven vrij van
begeerten leidt, wie elke gedachte dat hij enig-iets bezit heeft laten varen en
er geen vals ego op nahoudt – alleen die mens kan werkelijk vrede vinden.
72. Dit is de weg van het geestelijk en goddelijk leven en wie hem heeft gevonden kent
geen verbijstering meer. Wie in deze wezensstaat verkeert, al is het eerst in
het uur van zijn dood, bereikt de Weidsheid der rust .
3. HET PAD DER DIENSTBAARHEID
1. Arjuna zei: O Janärdana, O Keśava, waarom dwing Je me aan deze
gruwelijke strijd deel te nemen, als Je denkt dat verstandig zijn beter is dan
handelen terwille van het resultaat.
2. Mijn verstand is door Je
dubbelzinnige aanwijzingen van streek. Zeg me daarom ondubbelzinnig wat het
heilzaamst voor me is.
3. De Allerhoogste zei: O
zondeloze Arjuna, Ik heb al uitgelegd dat er twee soorten mensen zijn die het
Zelf trachten te verwerkelijken. Sommigen zijn geneigd
Het proefondervindelijk en wijsgerig bespiegelend te benaderen, anderen zoeken
Het door toegewijde arbeid.
4. Louter door zich van werken te
onthouden kan men zich niet vrijwaren van de terugslagen ervan, noch kan men
louter door verzaking tot volmaaktheid komen.
5. Alle mensen zijn gedwongen
hulpeloos te handelen overeenkomstig de drangen die
voortkomen uit de geaardheden der stoffelijke natuur; daarom kan niemand zich
ervan weerhouden iets te doen, zelfs geen ogenblik.
6. Wie de zinnen en de handelende
lichaamsdelen beheerst, maar intussen mijmert over zingenoegens, misleidt
zichzelf en wordt een huichelaar genoemd.
WAAROM
ANDEREN DIENEN?
7. Wie daarentegen de zinnen beteugelt met de geest,
en zijn handelende lichaamsdelen inschakelt in toegewijde arbeid, zonder zich
eraan te hechten, stijgt hier verre bovenuit.
8. Doe je voorgeschreven plicht,
want werken is beter dan niets doen. Een mens kan niet eens zijn lichaam
onderhouden zonder te werken .
9. Werk als offer aan Visnu
opgedragen, moet worden verricht, anders bindt werk ons aan de stoffelijke
wereld. Vervul daarom je voorgeschreven plicht om Zijnentwil, O zoon van Kuntï,
en aldus zul je altijd onthecht en vrij van gebondenheid blijven.
ELKAAR
HELPEN IS HET EERSTE GEBOD VAN DE SCHEPPER
10. In het begin van de schepping zond de Heer aller schepselen geslachten van
mensen en halfgoden uit met offers aan Visnu en zegende ze, zeggende: “Weest
gelukkig door deze yajna (offer), want hij zal jullie
alles schenken wat je begeert.”
11. De halfgoden, door de offers
tevredengesteld, zullen jou tevreden stellen; en door deze wisselwerking zal er
voor allen algehele voorspoed heersen.
12. De halfgoden, wier taak is in
de verschillende levensbehoeften te voorzien, geven de mens, wanneer hij hun
met yajna tevreden stelt, alles wat hij nodig heeft. Wie echter van deze gaven
geniet zonder ze aan de halfgoden te offeren is voorzeker een dief.
13. De
toegewijden van de Heer worden van alle zonden verlost, omdat ze voedsel
nuttigen dat eerst geofferd is. Anderen, die voedsel bereiden voor eigen
zingenot, eten waarlijk louter zonde.
14. Alle bestaande lichamen leven
van voedsel, dat slechts kan groeien wanneer er regen valt. Regen volgt op het
brengen van yajna (offers), waarvan de mens zich kwijt door zijn voorgeschreven
plichten te vervullen.
15. De Veda’s, die rechtstreeks
door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zijn geopenbaard, schrijven aan
regels gebonden handelen voor. Dienovereenkomstig is het alomtegenwoordige
bovenzinnelijke eeuwig in offer-handelingen aanwezig.
16. Mijn dierbare Arjuna, wie
zich niet richt naar het Vedische voorschrift om stelselmatig te offeren, leidt
een zondig leven, want wie slechts vreugde beleeft aan zijn zinnen, leeft
tevergeefs.
17. Maar wie
behagen schept in het zelf, wie verlichting geniet in het zelf, wie blij en
tevreden is met het zelf alleen, en daarin verzadigd – die kent geen plicht.
18. Een zelfverwerkelijkt
persoon heeft bij het vervullen van zijn voorgeschreven plicht geen bepaalde
oogmerken, noch heeft hij enige reden om zulk werk niet te verrichten. Evenmin heeft hij ook maar de geringste behoefte zich van een ander
levend wezen afhankelijk te stellen.
LEIDERS
MOETEN HET VOORBEELD GEVEN
19. Daarom dient men, zonder zich aan de vruchten van zijn daden te hechten,
louter uit plichtsbetrachting te handelen; want wanneer men belangeloos werkt,
bereikt men het Allerhoogste.
20. Zelfs vorsten als Janaka en
anderen bereikten het peil der volmaaktheid door hun voorgeschreven plichten te
vervullen. Daarom dien je, juist om de mensen een voorbeeld te stellen, je taak
verrichten.
21. Hoe een groot
man ook handelt, de gewone mensen volgen altijd zijn voorbeeld. En de maatstaf
die hij door zijn voorbeeldig handelen aanlegt, wordt door de hele wereld
aangehouden.
22. O zoon van Partha, in alle
drie van de gewesten-stelsels is er geen enkel werk dat Me is voorgeschreven.
Het ontbreekt Me aan niets, noch hoef Ik iets te hebben – en toch houd Ik Me
met werken bezig .
23. Want als Ik geen werk
verrichte, O Partha, zouden alle mensen beslist Mijn voorbeeld volgen.
24. Als Ik met werken ophield,
zouden al deze werelden ten gronde gaan. Ook zou Ik
dan de oorzaak zijn van ongewenste bevolking en daarmee de vrede van alle
levende wezens verstoren.
WAT ZOU DE
WIJZE TEGENOVER DE ONWETENDE MOETEN DOEN
25. Zoals de onwetenden hun plicht vervullen ter wille van de vruchten van
dien, zo kunnen ook wijzen handelen, maar dan belangloos, om de mensen voor te
gaan op het goede pad.
26. Laten de wijzen de geest der
onwetenden, die gehecht zijn aan baatzuchtig werk, niet in de war brengen. Ze
moeten niet worden aangemoedigd met werken op te houden, maar over te gaan tot
werken in toegewijde dienst. (Zie ook 3.29)
27. De geestelijke ziel, die door
de invloed van de drieërlei aard der stoffelijke natuur geheel in de war is,
denkt dat ze zélf van alles doet, wat in werkelijkheid door de natuur wordt
gedaan. (Zie ook 5.09, 13.29, and 14.19)
AL DE WERKEN
ZIJN DE WERKEN VAN DE NATUUR
28. Wie geworteld is in de kennis der Absolute Waarheid, O sterk-gearmde, houdt
zich niet bezig met de zinnen en derzelver bevrediging, want hij kent het
verschil tussen toegewijde dienst en zelfzuchtige activiteit.
29. Begoocheld door de
geaardheden der stoffelijke natuur, werpen de onwetenden zich op stoffelijke
bezigheden en raken eraan gehecht. Maar al houden ze zich uit gebrek aan kennis
op met laagstaand werk, dan mag dit voor de wijzen geen reden zijn hen te
verontrusten. (Zie ook 3.26)
30. Doe daarom, O Arjuna, alles
wat je doet voor Mij, met je geest op Mij gericht en werp je – zonder te willen
winnen, belangloos en wakker – in de strijd.
31. Wie zijn plicht doet volgens
Mijn voorschriften en zich trouw en zonder afgunst houdt aan hetgeen
Ik hier onderwijs, wordt bevrijd uit de gevangenschap waarin hij zich door zijn
baatzuchtig streven bevindt.
32. Maar wie uit afgunst deze
aanwijzingen veronachtzaamt en ze niet geregeld naleeft, dient beschouwd te
worden als verstoken van alle kennis, verdwaasd en gedoemd tot onwetendheid en
gevangenschap.
33. Zelfs iemand wiens leven in kennis wortelt, handelt naar zijn eigen aard,
want iedereen gedraagt zich naar zijn aard. Wat zou men dan met onderdrukking
kunnen bereiken?
TWEE
STRUIKELBLOKKEN OP HET PAD VAN DE VOLMAAKTHEID
34. Van alles wat op de zinnen inwerkt ondergaan de belichaamde wezens de
aantrekking en de afstoting, maar men moet zich niet door de zinnen en hetgeen op ze inwerkt laten leiden, want het zijn
struikelblokken op de weg naar zelfverwerkelijking.
35. Het is veel beter zijn eigen
voorgeschreven plicht te doen dan die van een ander. Want als men tijdens zijn
eigen plichtvervulling fouten maakt of zelfs gedood wordt, is dit beter dan
andermans plicht op zich te nemen, want het is gevaarlijk de weg van een ander
te volgen. (Zie ook 18.47)
LUST IS DE
OORSPRONG VAN DE ZONDE
36. Arjuna zei: O nakomeling van Vrsni, waardoor wordt iemand tot zondige daden
gebracht, zelfs tegen zijn wil, alsof hij ertoe gedwongen wordt?
37. De Allerhoogste sprak: het is
louter lust, Arjuna, die ontstaat uit aanraking met de stoffelijke geaardheid
hartstocht en later verandert in toorn: zij is de
alles-verslindende vijand van deze wereld en de oorzaak der zonde.
38. Zoals vuur verhuld wordt door
rook, een spiegel door stof of de vruchtkiem door de moederschoot, zo wordt het
levend wezen verhuld door verschillende graden van
deze lust.
39. Zo wordt het zuiver bewustzijn van het levend wezen verhuld door zijn
eeuwige vijand in de vorm van lust, die nooit bevredigd kan worden en brandt
als vuur.
40. Zinnen, geest en verstand zijn
de zetels van deze wellust, die de werkelijke kennis van het levend
wezen versluiert en het van streek brengt.
41. Bedwing daarom reeds in het begin, O Arjuna, beste der Bharata’s, dit grote
symbool der zonde (de lust) door de zinnen te beteugelen – en dood deze
vernietiger van kennis en zelfverwerkelijking.
HOE DE LUST
BEHEERSEN
42. De zinnen zijn boven de levenloze stof verheven; hoger dan de zinnen is de
geest; nog hoger dan de geest is het verstand; en hoger nog dan het verstand is
zij (de ziel) .
43.
Wanneer men aldus weet dat men boven de stoffelijke zinnen, de geest en het
verstand verheven is, dient men het lagere door het hogere zelf te beteugelen
en zo – door bovenzinnelijke kracht – deze onverzadelijke vijand, bekend als
lust, te overwinnen .
4. HET PAD DER ZELFVERLOOCHENING DOOR KENNIS
KARMA-YOGA
IS EEN OUDE VERGETEN GEBOD
1. De Heer Krishna zei: Ik onderwees deze onvergankelijke yoga-wetenschap aan
Vivasvän, de zonnegod, en Vivasvän onderwees haar aan Manu, de vader der
mensheid, en Manu onderwees haar op zijn beurt aan Iksväku.
2. Zo werd deze allerhoogste
wetenschap van geestelijk leraar op leraar ontvangen en zo ontvingen de heilige
vorsten haar. Maar in de loop der tijd raakte de geestelijke erfopvolging
verbroken en hierdoor lijkt de wetenschap-zoals-ze-is verloren te zijn.
3. Deze zeer oude wetenschap
betreffende de verhouding met de Allerhoogste zet Ik thans uiteen aan jou,
omdat je zowel Mijn toegewijde als Mijn vriend bent; dáádoor kun je het
bovennatuurlijke mysterie van deze wetenschap doorgronden .
HET DOEL VAN
GOD’s INCARNATIE
4. Arjuna zei: De zonnegod Vivasvän is ouder van geboorte dan Jij. Hoe kan ik
hiermee Je verklaringen rijmen, dat Je hem deze wetenschap in het begin hebt
onderwezen?
5. De Heer Krishna zei: Vele, vele
geboorten hebben zowel jij als Ik beleefd. Ik kan Me ze allemaal herinneren,
maar jij niet, O bedwinger van de vijand!
6. Hoewel Ik ongeboren ben en
Mijn bovenzinnelijk lichaam nooit vergaat en hoewel Ik de Heer van alle geboren
wezens ben, verschijn Ik in ieder tijdvak in Mijn oorspronkelijke
bovennatuurlijke kracht (Maya) . (Zie ook 10.14)
7. Waar en wanneer ook maar de
dienst van God in verval raakt, O telg van Bharata, en goddeloosheid de
overhand neemt – daar en te dien tijde daal Ik Zelf neer.
8. Om de
toegewijden te bevrijden en de goddelozen te verdelgen en om de beginselen der
godsdienst te herstellen, verschijn Ik Zelf in tijdperk na tijdperk.
9. Wie de bovenzinnelijke aard
van Mijn verschijnen en handelen kent, wordt na het verlaten van zijn lichaam
niet wedergeboren in de stoffelijke wereld, maar bereikt Mijn eeuwige woning, O
Arjuna.
10. Vrij van gebondenheid, angst
en woede, geheel in Me opgaand en Me als hun toeverlaat beschouwend, werden er
in het verleden zeer velen gelouterd door kennis aangaande Mij – en zo vatten
ze allen bovennatuurlijke liefde voor Me op .
HET PAD VAN
AANBIDDING EN GEBED
11. Allen volgen hoe dan ook Mijn weg, O zoon van Prthä, en naar gelang een
ieder zich aan Mij overgeeft, beloon Ik hem.
12. De mensen van deze wereld
wensen te slagen in hun baatzuchtig streven en aanbidden daarom de halfgoden.
Baatzuchtige arbeid in deze wereld werpt natuurlijk snel vruchten af.
WERKVERDELING
NAARGELANG DE VAARDIGHEID VAN DE MENSEN
13. Overeenkomstig de drieërlei aard der stoffelijke
natuur en de werkzaamheid daaraan toebedeeld, werden de vier geledingen der
menselijke samenleving door Mij geschapen. En hoewel Ik de schepper van dit
stelsel ben, dien je te weten dat Ik er niet aan gebonden ben, want Ik ben
onveranderlijk. (Zie ook 18.41)
14. Er is geen
enkele vorm van werk die invloed op Me heeft, noch houd Ik Me op met
baatzuchtig streven. Wie deze waarheid aangaande Mij begrijpt, raakt
evenmin als Ik verwart in de terugslagen van baatzuchtig werk.
15. Alle bevrijde zielen van vroeger
handelden vanuit dit inzicht en verkregen zo hun bevrijding. Doe daarom zoals
de ouden en vervul je plicht in dit goddelijk
bewustzijn .
GEBONDEN,
ONTBONDEN, EN VERBODEN DADEN
16. Zelfs de schranderen weten in het geheel niet wat
handelen en wat niet-handelen is. Ik zal je nu uitleggen wat handelen is en
weet je het eenmaal, dan zul je bevrijd zijn van alle zonden.
17. Handelen is zoiets
ingewikkelds, dat het zeer moeilijk te begrijpen valt. Daarom dient men
nauwkeurig te weten wat handelen, wat verboden handelen en wat niet-handelen
is.
EEN
KARMA-YOGI IS NIET ONDERWORPEN AAN DE KARMISCHE WETTEN
18. Wie niet-handelen in handelen ziet, en handelen in niet-handelen, is een
wijze persoon. Een dergelijke persoon is een yogi en heeft alles volbracht .
(Zie ook 3.05, 3.27, 5.08 en 13.29)
19. Wie bij geen enkel handelen verlangt naar zinsbevrediging, wordt geacht
volledige kennis te bezitten. De wijzen noemen zo iemand een werker wiens baatzuchtig streven is opgebrand in het vuur der
volmaakte kennis.
20. Alle gehechtheid aan de
vruchten van zijn arbeid opgevend, voortdurend tevreden en onafhankelijk, laat
hij elk baatzuchtig streven varen, ook al is hij met allerlei zaken in de weer.
21. Wie dit inzicht bezit gaat te
werk met volmaakte beheersing van geest en verstand, laat alle eigendomsgevoel
over zijn bezittingen varen en handelt slechts om in zijn allernoodzakelijkste
levensbehoeften te voorzien. Zo wordt hij niet getroffen door de terugslagen
van zondig doen en laten.
22. Wie tevreden is met wat hij
vanzelf ontvangt, wie met één maat meet, vrij is van afgunst en evenwichtig in
voor- en tegenspoed, raakt nimmer gebonden, hoe hij ook handelt.
23. Het doen en laten van iemand
die niet gebonden is aan de geaardheden der stoffelijke natuur en geheel in bovenzinnelijke
kennis verwijlt, gaat volkomen in het bovenzinnelijke
op.
24. De Geest zal bij hem worden
verwezenlijkt die alles als een manifestatie beschouwd, of een handelen van de
Geest . (Zie ook 9.16)
VERSCHILLENDE
TYPEN VAN GEESTELIJKE PRAKTIJKEN OF OFFERDADEN
25. Sommige yogi’s vereren de halfgoden met volmaakt gebrachte offers; andere
offeren in het vuur van het Allerhoogste Brahman.
26. Sommigen offeren het
luisteren en de zinnen in het vuur van de beheerste geest; andere offeren
datgene wat de zinnen beroert, zoals geluid, in het offervuur.
27. Degenen die naar
zelfverwerkelijking streven door geest en zinnen te beheersen, offeren zowel de
werking van alle zinnen als de levenskracht (adem) in het vuur van de
beteugelde geest.
28. Er zijn anderen, door het
offeren van hun have en goed in barre onthouding verlicht, die zich aan strenge
geloften houden en de achtvoudige yoga beoefenen; weer anderen verdiepen zich
in de Veda’s om te groeien in bovennatuurlijke kennis .
29. Anderen weer offeren de uitademing
(prana) in de inademing (apana); en de inademing in de uitademing; zij regelen
en beheersen de stroom van de uitademing (prana) en de inademing (apana),
volledig verzonken in adembeheersing (pranayama) .
30. Al deze yogi’s, die weten wat
offeren betekent, worden verschoond van de terugslagen van hun zonden en nadat
ze de nectar hebben geproefd van wat er van de offergaven overblijft, gaan ze
binnen in de allerhoogste, eeuwige sferen .
31. Zij, die de levengevende
nectar van het offer nuttigen, gaan in tot het
onveranderlijke, eeuwige Brahman . Deze wereld is niet voor degene die niet
offert; de andere wereld nog veel minder, O Arjuna. (Zie ook 4.38, en 5.06).
32. Al deze verschillende vormen
van offeren worden aanbevolen in de Veda’s en alle worden ze geboren uit
verschillende vormen van werk. Weet je dit, dan zul je worden verlost. (Zie ook
3.14)
HET BEREIKEN
VAN TRANSCENDENTALE WIJSHEID IS EEN SUPERIEURE GEESTELIJKE PRAKTIJK
33. O tuchtiger van de
vijand, het offeren van kennis is hoger dan het offeren van aardse goederen. O
zoon van Prthâ, uiteindelijk stijgt het offeren van werk ten top in
bovennatuurlijke kennis.
34. Tracht de waarheid te
vernemen door je tot een geestelijk leraar te wenden.
Stel hem in alle bescheidenheid vragen en wees hem dienstbaar. Een
zelfverwerkelijkte ziel kan je de kennis overdragen, omdat ze de waarheid heeft
doorschouwd.
35. Hebt ge
u wijsheid eigen gemaakt, dan zult ge nooit meer in verwarring geraken, O
Arjuna; door wijsheid zult ge alle schepselen zonder uitzondering in het Zelf
zien en aldus in Mij. (Zie ook 6.29, 6.30, 11.07, 11.13)
36. Ook al wordt men als de
zondigste der zondaars beschouwd, toch zal men, eenmaal aan boord van het schip
der bovennatuurlijke kennis, de oceaan der ellende volledig oversteken.
37. Zoals laaiend vuur brandhout
in as verandert, verbrandt ook het vuur der kennis alle terugslagen van het stoffelijk doen en laten tot as.
TRANSCENDENTALE
KENNIS IS AAN DE KARMA-YOGI AUTOMATISCH GEOPENBAARD
38. Er is in deze wereld niets zo verheven en zuiver als bovennatuurlijke
kennis. Deze kennis is de rijpe vrucht van alle mystiek. En wie haar verworven
heeft, zal spoedig in zichzelf de vreugde van het zelf ervaren. (Zie ook 4.31,
and 5.06, 18.78).
39. Een gelovig mens, die in bovennatuurlijke kennis verankerd is en zijn zinnen
in bedwang heeft, verkrijgt snel geestelijke rust of bevrijding.
40. Maar onwetende en ongelovige
lieden, die de geopenbaarde Schriften in twijfel trekken, komen niet tot
God-bewustzijn. De twijfelde ziel vindt noch in deze,
noch in de volgende wereld, geluk.
TRANSCENDENTALE
KENNIS EN KARMA-YOGA ZIJN BEIDE VOOR NIRVANA NODIG
41. Hij, die door yoga alle handelingen heeft opgegeven, die door kennis en
inzicht alle twijfel heeft uitgebannen, die beheerst wordt door het Zelf, wordt
niet door handeling gebonden, O Arjuna .
42.
Daarom moet de twijfel, die uit onwetendheid je hart bekropen heeft, worden
vernietigd met het wapen der kennis. O Bharata , wapen
je met yoga en sta op en strijd .
5. HET PAD DER VERZAKING
1. Arjuna zei: O Krishna, eerst vraag Je me alle werk te verzaken en nu raad Je
me aan toegewijd werk te doen. Wil Je me nu ondubbelzinnig duidelijk maken
welke van beide wegen het heilzaamst is? (Zie ook 5.05)
2. De Heer Krishna sprak: Zowel
het verzaken van werk als werk in toewijding leidt tot bevrijding. Maar van
deze twee is werk in toewijding beter dan het verzaken van werk.
3. Wie de vruchten van zijn
bezigheden haat noch begeert, wordt gekend als immer
onthecht. Zo iemand, die bevrijd is van dualiteit, overwint gemakkelijk zijn
gebondenheid aan de stof en raakt volkomen verlost, O sterkgearmde Arjuna.
BEIDE PADEN
LEIDEN TOT DE VERHEVENE
4. Alleen een onwetende zegt dat karma-yoga en
toegewijde dienst verschillen van het ontledend onderzoek van de stoffelijke
wereld. Degenen echter die werkelijk verstand van
zaken hebben zeggen dat wie zich toelegt op één van beide, beider vruchten
plukt.
5. Wie weet dat
wat door onthechting wordt bereikt eveneens kan worden bereikt door toegewijde
dienst, en dus ziet dat de wegen van activiteit en onthechting één zijn, ziet
de dingen zoals ze zijn. (Zie ook 6.01 en 6.02)
6. Tenzij men in toegewijde
dienst is van de Heer, kan louter verzaken van activiteit iemand niet gelukkig
maken. De wijzen echter, die gelouterd zijn door toegewijde werken, bereiken onverwijld Nirvana. (Zie ook 4.31, en 4.38)
7. Wie toegewijde dienst
verricht, een zuivere ziel is en zijn geest en zinnen beteugelt, is iedereen
dierbaar, terwijl iedereen hem dierbaar is. Zo iemand raakt, hoewel hij altijd
bezig is, nimmer verstrikt.
EEN
TRANSCENDENTALE BESCHOUWT ZICHZELF ALS IEMAND DIE NIETS DOET
8-9. Iemand in goddelijk bewustzijn weet innerlijk voortdurend, ook al houdt
hij zich bezig met kijken, luisteren, aanraken, ruiken, eten, rondbewegen,
slapen en ademhalen, dat hij in feite volstrekt niets doet. Want terwijl hij
spreekt, aanneemt of verwerpt, zich ontlast, zijn ogen opent of sluit, weet hij
voortdurend dat slechts de stoffelijke zinnen hun bezigheden verrichten en dat hij
er niet door wordt beroerd. (Zie ook 3.27, 13.29, en 14.19)
EEN
KARMA-YOGI WERKT VOOR GOD
10. Wie zijn taak doet zonder eraan gehecht te zijn en de baten hiervan
overdraagt aan de Allerhoogste, is niet onderhevig aan de terugslag van zondig
doen en laten, zoals een lotusbloem niet aangeraakt wordt door het water.
11. De yogi’s, die alle
gehechtheid laten varen, handelen met lichaam, geest, verstand en zelfs met de
zinnen, uitsluitend om gelouterd te worden.
12. De voortdurend toegewijde
ziel verkrijgt volmaakte vrede, omdat ze de voortbrengselen van al haar
handelen aan Mij offert; terwijl iemand die niet in overeenstemming met het
goddelijk is en de vruchten van zijn arbeid begeert, verstrikt raakt.
HET PAD VAN
DE KENNIS
13. Wanneer het belichaamd levend wezen zijn lagere
natuur beheerst en in zijn denken alle actie laat varen, woont het gelukkig in
de stad der Negen Poorten , zonder te werken of te doen werken.
14. De belichaamde ziel, die de
stad van haar lichaam bestuurt, veroorzaakt geen activiteiten, noch brengt ze
personen tot handelen, noch laat ze activiteiten vrucht dragen. Het is de
drieërlei aard der natuur die dit alles teweegbrengt.
15. De Allerhoogste kan Zich
nimmer verantwoordelijk stellen voor de zondige of vrome activiteiten van wie
dan ook. De belichaamde wezens zijn in de war, omdat hun wezenlijke kennis verhuld wordt door onwetendheid.
16. Wanneer men echter verlicht
wordt door de kennis die de onwetendheid vernietigt,
onthult deze kennis alles, zoals de zon overdag alles verlicht.
17. Mensen, met verstand en
gemoed volledig op het Allerhoogste gericht, in Hem verankerd, die God als hun
uiterste doel en enige toevlucht bezitten, en al de onzuiverheden door de
kennis van het Zelf vernietigd hebben, worden niet meer herboren .
BIJKOMENDE KENMERKEN VAN EEN VERLICHTE
PERSOON
18. Door zijn werkelijke kennis ziet de nederige wijze met gelijkgezinde blik:
een geleerde en zachtmoedige brahmaan, een koe, een olifant, een hond en een
hondenvleeseter (paria) . (Zie ook 6.29)
19. Degenen wier geest verankerd
is in gelijkgezindheid en gelijkmoedigheid hebben de banden van geboorte en
dood al overwonnen. Ze zijn even onberispelijk als Brahmaan en daarom bevinden
ze zich al in Brahmaan . (Zie ook 18.55)
20. Wie zich niet verblijdt
wanneer er iets aangenaam plaatsvindt, noch treurt wanneer hem iets onaangenaam
overkomt, wie zijn verstand van binnenuit ontvangt, niet door verbijstering
bevangen is en de wetenschap Gods kent, dient beschouwd te worden als reeds in het bovennatuurlijke zijnde . (Zie ook 18.55)
21. Zo’n
bevrijd persoon wordt niet aangetrokken door stoffelijk zingenot of uiterlijke
zaken, maar is altijd verheven en verheugt zich innerlijk. Op deze wijze geniet
de zelfverwerkelijkte een geluk zonder einde, want hij is verankerd in het
Allerhoogste.
22. De schrandere geeft zich
nimmer over aan zingenot. O zoon van Kuntï, zinnelijke vreugde kent zowel begin
als einde, en derhalve schept de wijze er geen behagen
in. (Zie ook 18.38)
23. Als men, alvorens het huidige
lichaam prijs te geven, reeds de drangen van de
stoffelijke zinnen kan weerstaan en de drangen van begeerte en woede weet te
beteugelen, is men een yogi en leeft men gelukkig in deze wereld.
24. Wie innerlijk gelukkig is,
innerlijk werkzaam, innerlijk verheugd en innerlijk stralend, is in feite de
volmaakte yogi. Bevrijd als hij is, bereikt hij uiteindelijk het Allerhoogste.
25. Wie boven dualiteit en
twijfel verheven is en wiens geest innerlijk werkzaam
is, wie altijd ijvert voor het welzijn van alle levende wezens en wie vrij is
van alle zonden, verwerft zich bevrijding in het Allerhoogste.
26. Wie vrij
van woede en alle stoffelijke begeerte is, wie zelfverwerkelijkt is, zich weet
te beheersen en voortdurend naar het volmaakte streeft, kan er zeker van zijn
dat hij in de zeer nabije toekomst zal worden bevrijd in het Allerhoogste.
HET DERDE
PAD – HET PAD VAN DEVOTIONELE MEDITATIE EN CONTEMPLATIE
27-28. Wanneer hij zich voor alle uiterlijke zaken afsluit, zijn ogen en
innerlijke blik gericht houdt op het punt tussen de beide wenkbrauwen, de in-
en uitgaande adem tegelijk zwevende houdt in de neusgaten, en op deze wijze
geest, zinnen en verstand beteugelt, raakt degene die het bovennatuurlijke
nastreeft bevrijd van begeerte, angst en woede. Wie zich altijd in deze staat
bevindt, is beslist verlost .
29.
De wijzen, die Mij kennen als het uiteindelijke doel van alle offers en
boetedoeningen, als de Opperheer van het gehele universum en halfgoden en de
weldoener en begunstiger van alle levende wezens, zullen vrede vinden van de
pijn der stoffelijke ellende.
6. HET PAD DER MEDITATIE
EEN
KARMA-YOGI IS EEN VERZAKER
1. De Heer Krishna sprak: Wie niet gehecht is aan de vruchten van zijn arbeid
en werkt volgens zijn plicht, bevindt zich op het peil van iemand die de wereld
verzaakt heeft en is de ware yogi: in tegenstelling tot hem die geen vuur maakt
en geen werk verricht.
2. O Arjuna, verzaking (Samnyasa)
is hetzelfde als Karma-yoga, want niemand kan een Karma-yogi worden indien hij
tegenover een volbrachte werk zich niet heeft ontdaan
van zelfzuchtige motieven. (Zie ook 5.01, 5.05, 6.01, en 18.02)
EEN
DEFINITIE VAN YOGA
3. Voor de nieuweling in het achtvoudig yoga-systeem
heet werken de weg te zijn; en voor iemand die al tot yoga gekomen is, heet het
staken van alle stoffelijke activiteiten de weg te zijn.
4. Iemand heet tot yoga gekomen
te zijn wanneer hij, na alle stoffelijke verlangens te hebben verzaakt, noch
handelt om zijn zinnen te bevredigen, noch zich ophoudt met baatzuchtig
streven.
HET GEMOED
IS DE BESTE ZOWEL ALS DE SLECHTSTE VRIEND
5. Men dient zich te verheffen door zijn eigen geest en zich niet te verlagen.
De geest is zowel de vriend als de vijand van de gebonden ziel.
6. Voor wie zijn geest heeft
overwonnen, is de geest zijn beste vriend; maar voor wie daar niet in is
geslaagd, is juist de geest zijn ergste vijand.
7. Voor wie de geest heeft
overwonnen, is het hoger Zelf reeds bereikt, want hij
is tot rust gekomen. Voor zo iemand zijn geluk en verdriet, hitte en kou, eer
en schande een en hetzelfde.
8. Een persoon wordt een yogi
genoemd die tegelijkertijd Zelfkennis en Zelf-realisatie bezit, die
gelijkmoedig is, die zijn gemoed en zinnen kan beheersen, en voor wie een
aardekluit, een steen, en goud hetzelfde is .
9. Een persoon wordt als
superieur beschouwd die onpartijdig is tegenover metgezellen, vrienden,
vijanden, neutralen, arbiters, haters, bloedverwanten, heiligen en zondaren .
MEDITATIE
TECHNIEKEN
10. Wie naar het bovenzinnelijke streeft, dient altijd te trachten zich op het
Allerhoogste Zelf te richten; hij behoort zich af te zonderen op een eenzame
plaats en steeds aandachtig zijn geest te beteugelen; hij dient vrij te zijn
van alle begeerte en elk bezitsgevoel ( en ).
11. Op een reine plek gezeten, op
een eigen vaste zitplaats, noch te hoog noch te laag, vervaardigd
van een laken, de huid van een zwarte antilope en kushagras, boven elkaar
gelegd;
12. Laat hem daar, als hij het
denken eenpuntig gemaakt heeft, zijn gedachten en de werkingen der zinnen heeft
beteugeld en roerloos gezeten is, meditatie praktiseren om het zelf te reinigen
.
13. Laat hem, terwijl hij
lichaam, hals en hoofd rechtop houdt, onbeweeglijk en bedaart, met gesloten
ogen de blik gericht op de punt van de neus .
14. Kalm, onbevreesd, onwrikbaar in
zijn gelofte van Brahmachari , zijn denken beheersend,
zijn gedachten gericht op Mij, harmonisch strevend naar Mij als Allerhoogste.
(Zie ook 4.29, 5.27, 8.10, en 8.12)
15. De yogi, die aldus steeds
gericht is op het Zelf, wiens denken beheerst is, komt
tot vrede; komt tot het allerhoogste Nirvana dat in Mij is.
16. Waarlijk, yoga is niet voor
hem die te veel eet, ook niet voor hem die overmatig vast, en evenmin voor hem
die te veel slaapt of die te veel waakt, O Arjuna.
17. Yoga verdrijft alle pijn voor
hem, die matig is in eten en ontspanning, matig in zijn gedragingen, matig in
slapen en waken.
18. Als zijn beheerste denken
gevestigd is op het Zelf, vrij van verlangen naar alle begerenswaardige dingen,
dan zegt men: hij is evenwichtig .
19. Als een lamp die, tegen de
wind beschut, niet flikkert, hiermee vergelijkt men de yogi, die zijn denken
beheersend, verzonken is in de yoga van het Zelf.
20. Dat, waarin het denken tot
rust komt, verstild door yoga beoefening; dat waarin men, het Zelf schouwend
door het Zelf, tevreden is in het Zelf;
21. Iemand’s oneindige zegen is
enkel door het intellect, buiten het bereik van de zintuigen, waargenomen. Na
de Absolute Realiteit gerealiseerd te hebben, kan iemand er nooit van afgeweken
worden .
22. Dat waarvan men, als het
eenmaal is verkregen, beseft dat er niets hogers is te verwerven en waar men,
eenmaal erin gegrondvest, zelfs door felle smart niet geschokt wordt:
23. Dat moet men kennen als yoga,
dit loskoppelen van de identiteit met pijn. Deze yoga moet men aanhangen met
onwrikbare overtuiging en onverdroten geest.
24. Men dient zich vastberaden en
vol vertrouwen aan yoga te wijden. Men moet zich zonder uitzondering ontdoen
van alle stoffelijke begeerten, die voortkomen uit het vals
ego, en zo met de geest alle zinnen geheel beheersen.
25. Geleidelijk, en met ferme
beheersing moet men tot rust en kalmte komen; en eenmaal de aandacht op het
Zelf gevestigd, laat men dan aan niets anders denken.
26. Laat de yogi, zo vaak de wankelde aandacht afdwaalt, deze ontomen en onder
beheersing van het Zelf brengen.
WIE IS EEN
YOGI
27. De yogi wiens gemoed op Mij gericht is verwerft zich voorzeker het hoogst geluk. Dankzij zijn eenheid met Brahman wordt hij
verlost; zijn geest heeft vrede, zijn drangen zijn tot rust gekomen en hij is
vrij van zonden.
28. Standvastig in het Zelf, van
alle stoffelijke smetten vrij, bereikt de yogi de hoogste volmaaktheid des
geluks in voortdurende verbinding met het Allerhoogste Bewustzijn.
29. Een ware yogi aanschouwt Me
in alle wezens en ziet ook elk wezen in Mij. De zelfverwerkelijkte ziet Me
werkelijk overal. (Zie ook 4.35, 5.18)
30. Voor wie
Mij overal ziet en alles in Mij ziet, ben Ik nimmer verloren, noch is hij ooit
verloren voor Mij.
31. Die yogi, die in eenheid
gegrondvest, Mij in alle schepselen verblijvend, aanbidt, leeft in Mij, hoe
zijn leefwijze ook mag zijn.
32. De volmaakte yogi, O Arjuna,
is hij die door vergelijking met zichzelf de ware gelijkheid van alle wezens
ziet, zowel in geluk als in verdriet.
TWEE
METHODEN OM HET RUSTELOOS GEMOED TE BEDWINGEN
33. Arjuna zei: O Krishna, het yoga-systeem dat Je me beschreven hebt lijkt me
onuitvoerbaar en niet vol te houden, want de geest is rusteloos en
onevenwichtig.
34. Want de geest is rusteloos,
woelig, koppig en zeer sterk, O Krishna, en hem bedwingen lijkt me moeilijker
dan het bedwingen van de wind.
35. De Heer
Krishna zei: Het is ongetwijfeld waar, O Arjuna, dat het denken moeilijk te
beteugelen en rusteloos is; maar door constante en harde oefening – zoals
meditatie – in volharding en ongehechtheid kan men het bedwingen.
36. Yoga is, naar mijn mening,
moeilijk te bereiken door een onbeheerst zelf; maar door degene, die door het
Zelf beheerst wordt, is het te bereiken met behulp van juist gerichte energie.
HET LOT VAN
EEN ONBEKWAME YOGI
37. Arjuna zei: Wat is de bestemming van de gelovige die niet volhardt op het
pad van de meditatie, die een begin maakt met zijn
streven naar zelfverwerkelijkheid, maar er later als gevolg van
wereldsgezindheid van afziet, en zo niet tot mystieke volmaaktheid komt?
38. Zal hij niet vergaan zoals
een gescheurde wolk, O Krishna, daar hij aan beide werelden is ontvallen, en
het pad ontloopt, dat voert tot het eeuwige Brahman?
39. O Krishna, wil toch mijn
twijfel volledig verdrijven; want niemand dan gij kan
deze twijfel wegnemen. (Zie ook 15.15)
40. Krishna
zei: O Arjuna, noch in deze wereld, noch in het hiernamaals wacht hem de
ondergang; nooit zal iemand, die het goede betracht, het pad van smart
betreden, geliefde vriend .
41. Na vele, vele jaren van
genieten op de werelden der rechtvaardigen wordt de yogi die het niet gehaald
heeft, geboren in een familie van rechtvaardig levende mensen of in een familie
van rijke adel.
42. Of hij wordt geboren in een
familie van personen die naar het bovennatuurlijke streven en zeer grote
wijsheid bezitten. Zo’n geboorte is waarlijk zeldzaam
in deze wereld.
43. Daar herkrijgt hij de
kenmerken, die tot zijn vorig lichaam behoorden en hiermee werkt hij opnieuw,
om tot volmaaktheid te komen.
44. Door zijn yogabeoefening in
vorige levens wordt hij onweerstaanbaar voortgezweept. En aangezien hij yoga
verlangt te kennen, stijgt hij uit boven het Woord ,
tot realisatie van het eeuwige Brahman.
45. Maar wanneer de yogi, van
alle smetten vrij, oprecht naar verdere vooruitgang streeft, bereikt hij
uiteindelijk, na vele, vele levens van oefenen, het allerhoogste doel.
WIE IS DE
BESTE YOGI
46. De yogi is hoger dan de asceten ; men vindt hem zelfs hoger dan de wijzen ;
de yogi is hoger dan de mens van handeling ; wordt gij
daarom een yogi, O Arjuna.
47.
En van alle yogi’s wordt hij, die Mij vol vertrouwen aanbidt, die met zijn
innerlijke Zelf in Mij verblijft, die Mij vereert, door Mij als de volkomen
evenwichtige beschouwt. (Zie ook 12.02 en 18.66)
7. ZELFKENNIS EN VERLICHTING
1. De Heer Krishna zei: Hoor nu, O Arjuna, hoe je door yoga te oefenen in vol
bewustzijn van Mij en met je geest op Mij gericht, Me geheel kunt kennen zonder
een spoor van twijfelen.
METAFYSISCHE KENNIS IS DE UITERSTE KENNIS
2. Ik zal u deze wijsheid en kennis volledig openbaren en wanneer ge u die hebt eigen gemaakt, blijft er verder niets over te
weten.
DE ZOEKERS ZIJN BEPERKT
3. Onder vele duizenden mensen streeft er misschien één naar volmaaktheid
, en van duizenden strevenden is er ternauwernood één, die Mij in wezen
kent.
DEFINITIES VAN DE MATERIE, BEWUSTZIJN, EN GEEST
4. Aarde, water, vuur, lucht, ether , geest , verstand en het ikbesef tezamen omvatten deze achtvoudige indeling Mijn
afgescheiden, stoffelijke energieën. (Zie ook 13.05)
5. Behalve deze lagere natuur, O
Arjuna, heb Ik een hogere natuur, welke bestaat uit alle levende wezens , die met de stoffelijke natuur worstelen en het
universum schragen.
DE VERHEVENE
GEEST IS DE GRONDVEST VAN MATERIE, BEWUSTZIJN EN GEEST
6. Wees ervan overtuigd dat van al wat stoffelijk en geestelijk is in deze
wereld, Ik zowel de oorsprong als de ontbinding ben . (Zie ook 13.26)
7. Er is niets, dat hoger is dan
Ik, O Arjuna. Alles houdt verband met Mij, als parels, aan een draad geregen.
DE VERHEVENE
GEEST IS DE BASIS VAN ALLES
8. O Arjuna, Ik ben de smaak in de wateren; het stralende in de maan en de zon,
de heilige syllabe OM in al de Vedas; geluid in ether
en kracht in het menselijk wezen.
9. Ik ben de oorspronkelijke geur
van de aarde en Ik ben de hitte in het vuur. Ik ben het leven van al wat leeft
en Ik ben de strenge eenvoud van de asceten.
10. O Arjuna, weet dat Ik het oorspronkelijk zaad ben van al wat is, het verstand van de
verstandigen en de moed van alle dapperen . (Zie ook 9.18 en 10.39).
11. Ik ben de begeerte in de
menselijke wezens, ontdaan van sensuele bevrediging in overeenstemming met de
dharma (voor het sacrale doel van procreatie na het huwelijk), O Arjuna .
12. Alle zijnstoestanden – in
goedheid, hartstocht of onwetendheid – worden geopenbaard door Mijn vermogen.
Ik ben in zekere zin alles, maar Ik ben onafhankelijk.
Ik word niet beïnvloed door de drieërlei aard der stoffelijke natuur. (Zie ook
9.04 en 9.05)
13. Begoocheld door de drieërlei
aard der stoffelijke natuur (goedheid, hartstocht, onwetendheid), is de gehele
wereld onbekend met Mij, die boven de geaardheden ben en onuitputtelijk?
HOE DE
GODDELIJKE ILLUSOIRE KRACHT (MAYA) OVERWINNEN
14. Deze Mijn goddelijke energie, bestaande uit de drieërlei aard der
stoffelijke natuur, is moeilijk te overwinnen. Maar degenen die zich aan Mij
overgeven, komen haar gemakkelijk te boven. (Zie ook 14.26, 15.19, en 18.66)
WIE
ZOEKEN GOD
15. De boosdoeners, de dwazen, de nietswaardigen, diens verstand door de
begoocheling is versluierd, die de geaardheid van demonen bezitten, zoeken hun
toevlucht niet tot Mij.
16. O Arjuna, vier soorten vrome
lieden bewijzen me toegewijde dienst – de verdrietige, hij die rijkdom begeert
, de nieuwsgierige en hij die naar kennis van het Absolute zoekt.
17. Van deze is de wijze, die immer in harmonie de Ene aanbidt, de uitnemendste; Ik ben de
wijze dierbaar bovenal, en hij is Mij dierbaar.
18. Al deze toegewijden zijn
ongetwijfeld grootmoedige zielen, maar degene die zich in kennis bevindt
aangaande Mij, verblijft waarlijk in Mij. Werkzaam in Mijn bovennatuurlijke
dienst, bereikt hij Mij . (Zie ook 9.29)
19. Na vele geboorten komt de
verlichte, die vervuld is van wijsheid tot Mij (of Verhevene Wezen). Zo een
grote ziel is uiterst zeldzaam .
20. Zij, wier denken verscheurd
is door begeerten, gaan tot andere godheden , en
zoeken hun toevlucht tot verschillende rituele gebruiken, al naar hun aard.
DE AANBIDDING
VAN EEN GODHEID IS OOK GOD AANBIDDEN
21. Hoe een toegewijde, vol geloof en vertrouwen Mij ook
zoekt te aanbidden, Ik maak dat geloof en vertrouwen van die mens standvastig.
22. Vervuld van geloof en
vertrouwen, zoekt hij zo’n halfgod te aanbidden, en
van hem verkrijgt hij de vervulling van zijn begeerten; Ik echter bepaal de
gunsten.
23. Mensen met weinig verstand
aanbidden de halfgoden en wat ze ontvangen is beperkt en tijdelijk. Degenen die
de halfgoden aanbidden gaan naar de hemelse gewesten van de halfgoden, maar
mijn devoters komen zeker tot Mij .
GOD KAN IN
EEN BEELD VAN EENDER GEWENSTE VORM VAN AANBIDDING GEZIEN WORDEN
24. Onverstandige lieden, die Mij niet kennen, denken dat Ik deze gedaante en
persoonlijkheid heb aangenomen. Als gevolg van hun geringe kennis, weten ze
niets van Mijn hogere natuur, die onveranderlijk en hoog verheven is.
25. Ik ben nimmer herkenbaar voor
de dwazen en onverstandigen. Ik ben door Mijn eeuwige scheppende kracht voor
hen verhuld; zo word Ik, die ongeboren en onfeilbaar ben door de begoochelde
wereld niet gekend.
26. Ik ken de schepselen van
verleden, heden en toekomst, O Arjuna, maar Mij kent niemand.
27. Door het illusoire van de
paren van tegenstellingen, die ontsproten zijn aan toeneiging en afstoting, O
Arjuna, worden alle schepselen geboren in volslagen begoocheling.
28. Maar de mensen, die zuiver en
deugdzaam leven, in wie geen zonde meer is; zij, die bevrijd zijn van de
begoochelende paren van tegenstellingen, aanbidden Mij, standvastig in hun
geloften.
29. Zij die, hun toevlucht
zoekend in Mij, streven naar bevrijding van geboorte en dood, kennen het
Eeuwige Brahman , zij hebben algehele kennis van het
Zelf en van de totaliteit van handeling.
30. De standvastige personen, die
Mij alleen kennen als het grondbeginsel van alles – de sterfelijke wezens, de
Tijdelijke Wezens, en de Eeuwige Wezen – zelfs op het uur van de dood, bereiken
ze Me . (Zie ook 8.04)
8. DE EEUWIGE GEEST
1. Arjuna vroeg: O mijn Heer, O Allerhoogste, wat is Brahman
? Wat is het zelf ? Wat zijn vruchtdragende
activiteiten? Wat is deze stoffelijke openbaring? En wat zijn de halfgoden ? Wees zo goed me dit uit te leggen.
2. Wat is de kennis van het offer
in dit lichaam, en hoe, O Madhusudhana ? En hoe zult
Gij in de ure des doods gekend worden door hen, die zich aan het Zelf hebben
onderworpen.
DEFINITIE
VAN DE VERHEVENE GEEST, GEEST, INDIVIDUELE ZIEL, EN KARMA
3. De Heer Krishna zei: het onvergankelijke , het
allerhoogste, het Absolute is het Eeuwige Wezen; Zijn wezenlijke aard noemt men
kennis van het Zelf; de emanatie, die de geboorte van de schepselen
veroorzaakt, wordt handeling genoemd.
4. De kennis der elementen
betreft de vergankelijke natuur: kennis omtrent de
halfgoden betreft de leven-gevende energie ; de kennis omtrent het offer
spreekt over Mij als wonend in het lichaam als de innerlijke Getuige, O gij
beste onder de levende schepselen .
DE THEORIE VAN REINCARNATIE EN KARMA
5. En alwie in het uur des doods zijn lichaam verlatend aan Mij denkt, komt
onmiddellijk tot Mij. Daar is geen twijfel aan.
6. De zijnstoestand die men zich
bij het verlaten van het lichaam herinnert, zal men voorzeker weer bereiken.
EEN
EENVOUDIGE METHODE VAN DE GOD-REALISATIE.
7. Denk daarom voortdurend aan Mij alleen, en strijd. Als uw verstand en uw
vrede vast op Mij gevestigd zijn, zult ge tot Mij
komen, daar is geen twijfel aan .
8. Door Mij met een onwankelbaar
gemoed te beschouwen , gedisciplineerd in het
praktiseren van de meditatie, gaat men de Verhevene Wezen bereiken, O Arjuna en
.
9. Men dient te mediteren op de
Verhevene Wezen als degeen die alles weet, die de oudste is, die de bestuurder
is, die kleiner is dan het kleinste, die alles in stand houdt, die Zich aan
elke stoffelijke benadering onttrekt, die men zich niet kan voorstellen en die
altijd een persoon is. Hij straalt als de zon en bevindt Zich, van
onvoorstelbare gestalte, buiten deze stoffelijke natuur .
10. Wie in het uur van zijn dood
zijn levenskracht op het punt tussen zijn wenkbrauwen richt en zich in
volledige toewijding de Opperheer voor ogen houdt, zal voorzeker tot de
Allerhoogste Persoonlijkheid Gods komen . (Zie ook de verzen 4.29, 5.27, 6.13)
11. Wat de Vedakenners het
Onvergankelijke noemen en wat asceten, vrij van gehechtheid, bereiken waartoe
ze het celibaat dienen te beoefenen, die staat wil ik u beknopt uiteenzetten.
BEREIKT
VERLOSSING DOOR OP HET UUR VAN DE DOOD OP GOD TE MEDITEREN
12. Hij, die alle poorten sluit, het bewustzijn in het hart besloten houdt, de
levensadem vasthoudt in het hoofd, in meditatie verzonken;
13. (Hij die) de heilige syllabe Aum reciteert, nimmer van Mij aflaat, terwijl hij
voortgaat , zal bij het verlaten van het lichaam het hoogste pad betreden en .
14. Wanneer die grote zielen, de
toegewijde yogi’s, Mij hebben bereikt, zullen ze nimmer terugkeren naar deze
tijdelijke wereld, die vol ellende is, omdat ze zich
de hoogste volmaaktheid hebben verworven .
15. Hebben zij Mij eenmaal
bereikt, dan keren deze verheven zielen niet terug tot geboorte in de wereld
van smart, het vergankelijke; zij hebben de hoogste volmaaktheid bereikt.
16. De werelden, te beginnen met
de wereld van Brahma, die komen en gaan, O Arjuna; maar wie Mij bereikt wordt
niet wederom geboren. (Zie ook 9.25)
ALLES IN DE
SCHEPPING IS CYCLISCH
17. Zij, die weten dat de dag van Brahma duizend yugas (een kalpa, dit is
432.000.000 jaar) duurt en dat de nacht van Brahma ook duizend yugas omvat, zij
kennen de dag en de nacht .
18. Bij het aanbreken van de dag
emaneert al het geopenbaarde uit het ongeopenbaarde; bij het vallen van de
nacht lost het weer op in dat wat het ongeopenbaarde genoemd wordt.
19. Dezelfde menigte schepselen,
komen bij het aanbreken van een creatieve cyclus steeds terug in het bestaan;
en is onvermijdelijk vernietigd bij het aanbreken van de afbrekende cyclus .
20. Maar hoger dan dat
ongeopenbaarde is een ander ongeopenbaarde, eeuwige ,
dat wanneer alle schepselen worden vernietigd, zelf niet tenietgaat.
21. Die allerhoogste woonplaats wordt
genoemd onvergankelijk en niet-geopenbaard, en ze is ieders hoogste doel. Wie
daarheen gaat keert nimmer terug. Dat is Mijn allerhoogste woning.
TWEE
FUNDAMENTELE VERTREKPADEN UIT DE WERELD
22. Het Allerhoogste Woonst, O Arjuna, kan bereikt worden door onwankelbare
toewijding aan Mij alleen, in Wie alle wezens verblijven; door Wie het gehele
universum wordt doordrongen . (Zie ook 9.04 en 11.55)
23. O Arjuna, Ik zal u nu
uitleggen, waarin men als yogi na het overgaan niet wederkeert, en ook van de tijd
waarin men, als yogi na het overgaan wel terugkeert.
24. Vuur, licht, dag, de heldere
veertien dagen van de maan, de zes maanden van het noordelijke solstitium van
de zon, de yogi’s die dan overgaan van het pad dezer
hemelse controleurs en die de eeuwige Geest kennen, bereiken de Verhevene .
25. Rook, nacht, de donkere
veertien dagen, de zes maanden van het zuidelijk pad; als hij dan overgaat,
verkrijgt de yogi het licht van de maan en keert terug.
26. Licht en duisternis worden geacht de eeuwigdurende paden van de wereld te zijn; langs
het ene pad gaat hij die niet terugkeert; langs het andere pad hij die
terugkeert en .
TRANSCENDENTALE
KENNIS LEIDT TOT VERLOSSING
27. Daar hij deze twee paden kent, O Arjuna, is de yogi nooit in verwarring.
Wees daarom vastberaden in het halen van de verlossing - ten
alle tijde het doelpunt van de menselijke geboorte.
28.
De yogi, die deze kennis verworven heeft, gaat voorbij aan de vruchten van
verdienstelijke daden, welke in de Vedas gehecht worden aan offers, aan verzaking,
en ook aan het geven van aalmoezen; en hij gaat tot de allerhoogste staat van
het oerbegin.
9. DE VERHEVENE KENNIS EN HET GROTE GEHEIM
1. De Heer Krishna zei: Aan u, die vol goede wil zijt om te begrijpen, zal ik dit allerdiepste geheim, wijsheid en gedetailleerde kennis
meedelen en verklaren en als ge dit weet, zult gij bevrijd zijn van wereldse
ellende.
KENNIS RONDOM DE NATUUR VAN DE VERHEVENE IS HET GROOTSTE GEHEIM
2. Zelfkennis is de koning van alle kennissen, het grootste geheim, is zeer
heilig, het kan door het instinct worden waargenomen, overeenkomstig
met rechtvaardigheid (Dharma), is gemakkelijk te beoefenen, en is tijdloos .
3. Degenen die de weg der toegewijde
dienst niet getrouw volgen kunnen Me niet bereiken, O overwinnaar der vijanden,
maar keren terug in de kringloop van geboorte en dood in deze wereld.
4. Dit gehele universum is van Mij
doordrongen in Mijn ongeopenbaarde vorm. Alle wezens zijn in Mij, maar Ik ben
niet in hen. (Zie ook 7.12)
5. Aanschouwt de kracht van Mijn goddelijke
geheim; in werkelijkheid, Ik – de instandhouder van alle levende wezens – ben
van hen niet afhankelijk, en zij niet afhankelijk van Mij. (In feite, is de
gouden keten niet van het goud afhankelijk; de gouden keten is niets anders dan
goud. Ook, zijn de materie en energie verschillend en tevens niet
verschillend).
6. Weet dat alle schepselen in Mij
geworteld zijn, zoals de machtige lucht, die overal in beweging is, in de ether
stoelt.
7. Alle schepselen keren terug tot Mijn oorspronkelijke materieel Natuur aan
het einde van een cyclus meer dan 311 triljoen zonnestelsel jaren, O Arjuna, en
Ik schep hen opnieuw aan het begin van een nieuwe cyclus . (Zie ook 8.17)
8. De gehele kosmische orde bevindt zich
onder Mij. Door Mijn wil wordt ze telkens weer geopenbaard en door Mijn wil
wordt ze, wanneer het eind er is, vernietigd.
9. Deze werken binden Mij echter niet, O
Arjuna, daar Ik onberoerd erboven troon, ongehecht aan handelingen.
10. Onder Mijn toezicht brengt de natuur
het beweeglijke en het onbeweeglijke voort; en hierdoor, O Arjuna, draait de
wereld. (Zie ook 14.03)
DE PADEN VAN DE WIJZE
EN VAN DE ONWETENDE ZIJN VERSCHILLEND
11. Dwazen bespotten Mij wanneer Ik neerdaal in Mijn menselijke gedaante. Ze weten
niet dat Mijn wezen bovennatuurlijk is, noch dat Ik heers over al wat leeft.
12. Degenen die aldus verdwaasd zijn,
voelen zich aangetrokken tot demonische en goddeloze opvattingen . In hun
begoochelde staat blijft er van hun hoop op verlossing, hun baatzuchtige
activiteit en hun kennis-ontwikkeling niets over.
13. De verheven zielen
(zie 16.01-03), O Arjuna, die deel hebben aan Mijn goddelijk wezen, aanbidden
Mij met niet aflatende aandacht, daar zij Mij kennen als de onvergankelijke
oerbron der schepselen.
14. Steeds Mij verheerlijkend, ijverig,
standvastig in hun geloften, werpen zij zich deemoedig
voor Mij neer en vereren Mij vol toewijding , immer harmonisch .
15. Anderen, die het offer brengen van
wijsheid, vereren Mij als de Ene en de Veelheid, alom aanwezig.
ALLES IS DE
MANIFESTATIE VAN DE ABSOLUUT
16. Ik ben het ritueel, het offer, de offergave aan de voorvaders, het
geneeskruid, de mantra . Ik ben de boter, het vuur en de offerande. (Zie ook
4.24).
17. Ik ben de vader van dit universum, de moeder,
de instandhouder en de grootvader. Ik ben het doel der kennis, de alles-reinigde, en de lettergreep OM. En Ik ben ook de
Rig-, de Sâma en de Yagur-veda .
18. Ik ben het doel, de instandhouder, de
meester, de getuige, de woning, de toevlucht en de hartsvriend. Ik ben de
schepping en de vernietiging, de grond van alles, de rustplaats en het eeuwig zaad. (Zie ook 7.10 en 10.39)
19. Ik geef hitte, Ik houd de regen terug
en zend hem neer; onsterfelijkheid en ook de dood, zijn en niet-zijn ben Ik, O
Arjuna. (De Verhevene Wezen is alles geworden, zie ook 13.12. )
VERLOSSING BEREIKT
DOOR DEVOTIONELE LIEFDE
20. De kenners van de rituelen in de Veda’s voorgeschreven, de drinkers van de
nectar van devotie, zij die van zonden gereinigd zijn, aanbidden Mij om door
goede werken de hemel te bereiken. Als resultaat voor hun
verdiende daden gaan ze naar de hemel waar ze goddelijke geneugten zullen
smaken .
21. Wanneer ze op deze wijze hemels
zingenot hebben gesmaakt , keren ze weer terug naar de
wereld der stervelingen. Zo komen ze door de Vedische beginselen te volgen
slecht tot voorbijgaand geluk. (Zie ook 8.25)
22. Maar wie Mij toegewijd aanbidden en op
Mijn bovennatuurlijke gedaante mediteren, schenk Ik wat ze missen en laat Ik
behouden wat ze hebben.
23. Zelfs zij, die vol
vertrouwen andere goden aanbidden, aanbidden en vereren Mij, O Arjuna, zij het
in strijd met de aloude wet .
24. Ik ben de enige genieter en het enige
doel van alle offers. Zij die Mijn werkelijke, bovennatuurlijke aard niet
doorgronden vallen terug in de kringloop van de geboorte en dood.
25. Degenen die de hemelse heersers
aanbidden zullen onder de hemelse heersers verblijven; degenen die de
voorouders vereren gaan naar de voorouders , degenen
die spoken en geesten vereren worden onder dergelijke wezens geboren, maar Mijn
devoters komen tot Mij, en worden niet herboren . (Zie ook 8.16)
DE HEER AANVAARDT EN
EET HET OFFER VAN LIEFDE EN DEVOTIE
26. Als men Mij met liefde en toewijding een blad, een bloem, fruit of water
offert, zal Ik het aanvaarden .
27. O Arjuna, wat ge
ook doet, wat ge ook eet, wat ge ook offert, wat ge ook schenkt als gift, wat
ge u ook ontzegt, doet dat als een offer aan Mij. (Zie ook 12.10, 18.46)
28. Zo zult ge
bevrijd worden van boeien van handeling, die goede en boze vruchten afwerpt; en
zelf tot harmonie gebracht door de yoga van verzaking , zult ge, wanneer ge
bevrijd zijt, tot Mij komen.
29. Ik ken afgunst noch partijdigheid jegens wie dan ook. Ik ben allen gelijkgezind. Maar wie Mij
toegewijd dient leeft in Mij; hij is Mij tot vriend, en Ik ben ook hem tot
vriend. (Zie ook 7.18)
ER IS GEEN ZONDAAR
DIE NIET VERGEVEN KAN WORDEN
30. Wie zich in toegewijde dienst bevindt, behoort, ook al begaat hij een
afschuwelijke daad, als heilig te worden beschouwd, omdat hij op de goede weg
is.
31. Spoedig wordt hij plichtsgetrouw en
gaat hij in tot de eeuwige vrede; O Arjuna, weet en verkondig aan allen, dat
wie Mij aanbidt, nimmer zal tenietgaan.
32. Wie hun toevlucht nemen tot Mij, O
Arjuna, al waren zij uit de schoot der zonde geboren, vrouwen, Vaishyas, ja
zelfs Sudras, ook zij betreden het hoogste pad . (Zie ook 18.66)
33. Hoeveel te meer dan voor de Brahmanen,
de rechtvaardigen, de toegewijden en de heilige
vorsten, die zuiver zijn en toegewijd. Gij, die deze
vergankelijke, vreugdeloze wereld hebt verkregen, aanbidt Mij met devotionele
liefde.
34. Denk onafgebroken aan Mij, bewijs Mij
eer en aanbid Mij. Als gij volkomen in Mij opgaat,
zult gij zeker tot Mij komen.
10. DE MANIFESTATIE DER ABSOLUTE
1. De Heer Krishna zei: O Arjuna, luister wederom naar Mijn verheven woord. Uw
welzijn beogend, wil Ik het u verkondigen, daar gij
Mij lief zijt.
GOD IS HET BEGIN VAN ALLES
2. Noch de hemelse heersers, noch de grote wijzen kennen Mijn oorsprong, want
Ik ben de oorsprong van de hemelse heersers en de grote wijzen overal .
3. Hij die Mij kent als de
Ongeborene, zonder begin, de grote Heer der wereld, hij is reeds
als sterveling zonder begoocheling, hij is bevrijd van de slavernij der Karma.
4-5. Verstand, kennis, vrijheid
van twijfel en begoocheling, vergevingsgezindheid, waarheid, zelfbeheersing en
kalmte, blijdschap en pijn, geboorte, dood, vrees, onbevreesdheid,
geweldloosheid, gelijkmoedigheid, tevredenheid, soberheid, barmhartigheid, eer
en schande worden geschapen door Mij alleen.
6. De grote heiligen, wijzen, en
al de schepselen van de wereld werden door Mijn potentiële energie geboren .
7. Wie deze Mijn macht en
heerlijkheid waarlijk kent, begeeft zich in zuivere toegewijde dienst; dit
lijdt geen twijfel.
8. Ik ben de oorsprong van allen;
alles komt uit Mij voort; dit begrijpend, in aanbidding verzonken, aanschouwen
de wijzen Mij (het Zelf).
9. Met hun gedachten op Mij gericht,
hun leven geheel in Mij geworteld, elkander
verlichtend, steeds over Mij sprekend, zijn zij tevreden en blijmoedig.
DE HEER
GEEFT ZIJN DEVOTEN KENNIS
10. Zij die Mij voortdurend zijn toegewijd en Mij liefdevol aanbidden, schenk
Ik het verstand waardoor ze tot Mij kunnen komen.
11. Omdat Ik in hun innerlijke
psyche als bewustzijn verblijf, om door de stralende lamp van transcendentale
kennis de duisternis uit onwetendheid geboren te vernietigen, en dit uit een
louter medelijdende handeling jegens hen. .
12. Arjuna zei: Gij zijt de
allerhoogste Eeuwige, het allerhoogste toevluchtsoord, de allerhoogste
Reiniger; de eeuwige goddelijke mens , de Godheid der
Goden, de Ongeborene, de alomtegenwoordige Heer.
13. Alle heiligen en wijzen
hebben van U getuigd, en nu verklaar Gij het me Zelf .
NIEMAND KENT
DE WERKELIJKE NATUUR VAN DE REALITEIT
14. O Krishna: Al wat Gij mij gezegd hebt aanvaard ik
volkomen voor waar. Noch de goden , noch demonen , O
Heer, kennen Uw persoonlijkheid. (Zie ook 4.06)
15. Waarlijk, Gijzelf kent Uzelf,
Soevereine Heer , O Gij oorsprong van alle wezens,
Heer der Schepselen, God der goden, Heerser der wereld.
16. Wil mij toch gans Uw eigen
goddelijke heerlijkheid verkondigen, waarin Gij verblijft, terwijl Gij deze
werelden met Uw leven doordringt.
17. Hoe moet ik op U mediteren, O
Soevereine Yogi? In welke verschillende gedaanten dien ik U in gedachten te
houden, O Heer?
18. O Heer, vertel me uitvoerig
over Uw geweldige vermogens en heerlijkheid, want ik kan nooit genoeg ontvangen
van uw levengevende woorden.
ALLES IS EEN
MANIFESTATIE DER ABSOLUTE
19. De Heer Krishna zei: Ja, Ik zal U van Mijn goddelijke heerlijkheid
vertellen, maar alleen het voornaamste, O Arjuna, want Mijn volheid kent geen
grenzen.
20. O Arjuna, Ik ben de Verhevene
Geest (of Superziel), verblijvend in de innerlijke psyche van alle wezens. Ik
ben tevens de schepper, de onderhouder, en de vernietiger – of het begin, het
midden, en het einde – van alle wezens .
21. Ik ben de ondersteuner, Ik
ben de stralende zon tussen de lichten , Ik ben de
beheerser van de wind, Ik ben de maan tussen de sterren .
22. Ik ben de Veda’s, Ik ben de
hemelse heerschappij, Ik ben het gemoed tussen de zinnen, Ik ben het bewustzijn
in de levende wezens .
23. Ik ben de Heer Siva, Ik ben
de god der rijkdom, Ik ben de vuurgod, en de bergen .
24. Ik ben de priester, en de
legergeneraal der hemelse heersers, O Arjuna. En van alle watervlakten ben Ik
de oceaan .
25. Ik ben de kosmische
monosyllabe geluid, OM , van tussen de woorden; Ik ben
het zingen van mantra’s onder de spirituele disciplines; en Ik ben de Himalaya
tussen de bergen .
EEN KORTE
BESCHRIJVING VAN DE GODDELIJKE MANIFESTATIES
26. Ik ben de heilige vijgenboom tussen de bomen, Narada onder de wijzen, en Ik
ben al de andere hemelse bestuurders .
27. Weet dat Ik van alle paarden
Uccaihsrava ben, die oprees uit de oceaan, geboren uit het elixer der
onsterfelijkheid; van de vorstelijke olifanten ben Ik Airavata en onder de
mensen ben Ik de koning.
28. Van alle wapens ben Ik de
bliksemschicht; onder koeien ben Ik de surabhi’s, die overvloedig melk geven.
Van de verwekkers ben Ik Kandarpa, de liefdesgod, en van alle slangen ben Ik
Vasuki, de belangrijkste.
29. Van de hemelse Naga-slangen
ben Ik Ananta; van de goden der waterwezens ben Ik Varuna. Van de overleden
voorouders ben Ik Aryama en onder hen die de wet uitvoeren ben Ik Yama, de heer
des doods.
30. Onder de Daitya-demonen ben
Ik de toegewijde Prahlada; van de onderwerpers ben Ik de tijd; van de dieren
ben Ik de leeuw en van de vogels ben Ik Garuda, de gevleugelde drager van
Visnu.
31. Van al wat reinigt ben Ik de
wind; van degenen die wapens hanteren ben Ik Rama; van de vissen ben Ik de haai
en van de stromende rivieren ben Ik de Ganges.
32. Van al het geschapene ben Ik het
begin, het eind en ook het midden, O Arjuna. Van alle wetenschappen ben Ik de
geestelijke wetenschap aangaande het Zelf, en onder logici ben Ik de
uiteindelijke waarheid.
33. Van de letters ben Ik de A en
onder de samenstellingen ben Ik het tweevoudig woord.
Ook ben Ik de onuitputtelijke tijd en van de scheppers ben Ik Brahman, wiens menigvuldige gezichten naar alle kanten kijken.
34. De alverslindende Dood ben Ik
en de oorsprong van al wat komen zal; en van de vrouwelijke hoedanigheden en
eigenschappen ben Ik de roem, de welvaart, de spraak, het geheugen, de
intelligentie, de kloekheid en de vergevingsgezindheid.
35. Van de gewijde zangen ben Ik
de Brihatsaman, aangeheven door Heer Indra, en van de poëzie ben Ik de Gayatri-mantra , die dagelijks door brahmana’s wordt gezongen. Van
de maanden ben Ik november en december en van de jaargetijden ben Ik de
bloeiende lente.
36. Ik ben het dobbelen van de
bedrieger; de stralende pracht der prachtige dingen ben Ik; Ik ben de zegen; Ik
ben de vastberadenheid; en de waarheid der waarachtigen, het goede der goeden
ben Ik.
37-38
Ik ben Krishna, Vyasa, Arjuna, en
de kracht van de bestuurders, de staatsmanbeleid van
de zoekers naar overwinning. Ik ben de stilte onder de geheimen, en de
Zelfkennis onder de denkers .
39.
Voorts, O Arjuna, ben Ik het zaad dat alle vormen van bestaan verwekt. Er is
geen wezen – of het nu bewegen kan of niet – dat bestaan kan zonder Mij. (Zie
ook 7.10 en 9.18)
40. Er is geen eind aan Mijn
goddelijke heerlijkheid, O Arjuna. Wat u is
verkondigd, is slechts een aanduiding van Mijn oneindige majesteit.
41. Weet dat alle schone,
heerlijke en machtige scheppingen voortkomen uit slechts één glimp van Mijn
stralende luister.
42.
Maar wat heeft het voor zin, O Arjuna, dit alles in bijzonderheden te weten? Met slechts één deeltje van Mijzelf doordringt en draag Ik dit
gehele universum.
11. HET VISIOEN DER KOSMISCHE VORM
1. Arjuna zei: Deze woorden over het verheven geheim aangaande het Zelf die Gij
uit mededogen jegens mij gesproken hebt, hebben de
begoocheling van mij doen wijken.
2. O Krishna, het ontstaan en het
tenietgaan der schepselen heb ik tot in bijzonderheden van U vernomen, o gij met Uw lotusogen, en eveneens Uw onvergankelijke
majesteit.
GOD’s
VISIOEN IS HET UITERSTE DOEL VAN DE ZOEKER
3. O Heer , zoals Gij Uzelf beschrijft, zo is het, O
Soevereine Wezen; mocht ik U toch in Uw onvergankelijke almacht zien.
4. O Heer, indien Gij meent, dat
deze door mij geschouwd kan worden. Heer van yoga, openbaar Uzelf dan als Uw
onvergankelijk Zelf.
5. De Heer Krishna zei:
Aanschouw, O Arjuna, mijn vormen, honderdvoudig, duizendvoudig, verschillend
van aard, goddelijk, van velerlei kleur en gestalte.
6. Aanschouw de Adityas, de
Rudras, de twee Asvins, en ook Maruts; aanschouw vele nimmer tevoren geschouwde
wonderen, O Arjuna.
7. Aanschouw nu hier het ganse
heelal, het beweeglijke en het onbeweeglijke als één in Mijn lichaam, O Arjuna,
en al wat ge verder verlangt te zien.
8. Maar ge
kunt Mij niet zien met de ogen die u hebt. Daarom geef Ik u het goddelijk oog , waarmee u Mijn mystieke volheid kunt
aanschouwen.
DE HEER
TOONT DE KOSMISCHE VORM AAN ARJUNA
9. Sanjaya zei: O Koning, met deze woorden openbaarde de Allerhoogste, de Heer
van alle mystieke kracht, de Persoonlijkheid Gods, Zijn universele gedaante aan
Arjuna.
10-11. Arjuna ontwaarde in die
universele gedaante ontelbare monden en ontelbare ogen. Alles was even
prachtig. De gedaante was getooid met goddelijke, oogverblindende sieraden en
gehuld in tal van gewaden. Ze was rijkelijk met
bloemenslingers omhangen en haar huid was ingewreven met verschillende
reukzalven. Alles was even schitterend, allesomvattend, onbegrensd. Dit was hetgeen Arjuna aanschouwde.
12. Als honderdduizenden zonnen
tegelijk zouden oprijzen in de hemel, zou dat op de stralengloed lijken van de
Allerhoogste Persoon in die universele gedaante.
13. Daar aanschouwde Arjuna het
ganse universum in al zijn veelvuldigheid als één geheel in het lichaam van de God
der goden. (Zie ook 13.16, en 18.20)
EEN PERSOON
ZOU NOG NIET BEREIDT OF GEKWALIFICEERD ZIJN DE HEER TE ZIEN
14. Overweldigd en verbijsterd boog Arjuna, wiens
haren te berge rezen, het hoofd diep voor de Heer en met de handpalmen tegen
elkander, sprak hij:
15. Arjuna zei:
In Uw gestalte, O Heer, zie ik al de goden en scharen van velerlei wezens; de
Heer, op zijn lotustroon gezeten, en al de rishis en de goddelijke slangen .
16. Met velerlei monden, ogen, armen,
buiken, aanschouw ik U allerwegen, onbegrensd; ik zie begin, noch midden, noch
einde van U, O Heer; ook niet Uw oorsprong, O Gij wiens vorm het oneindig Al is.
17. Uw gedaante, getooid met
verschillende soorten kronen, knotsen en werpschijven, is moeilijk te zien
vanwege haar stralende gloed, welke vurig en onmetelijk is als de zon.
18. Als het onvergankelijk, het
allerhoogste moet men U leren doorgronden; het verhevene, rijk aan schatten
zijt Gij; inwonend in al het geschapene; Gij de onsterfelijke bewaarder van de
eeuwige Wet (dharma); als de eeuwige Godmens zie ik U.
19. Begin, noch midden, noch
einde; oneindige kracht; ontelbare armen; Uw ogen, de zon en de maan. Ik
aanschouw Uw gelaat, laaiend als het offervuur, dat
dit ganse heelal doorgloeit met zijn stralende pracht.
20. Door U, de Unieke, worden
hemel en aarde vervuld en ook de gebieden ertussen; de drie werelden sidderen,
O Verheven Zelf als zij Uw ontzagwekkende, gemanifesteerde gestalte
aanschouwen.
21. De heerscharen
der goden geven zich in groepen aan U over en gaan in U binnen. Ze zijn uiterst
bevreesd en met gevouwen handen zingen ze de Vedische gezangen, U ter eer.
22. Rudras, Vasus, Sadhyas,
Adityas, Vishvas, de twee Ashvins, de Maruts, Usmapas, Gandharvas, Yakshas,
Siddhas en Asuras houden vol ontzag de blik op U gericht.
23. Al de werelden zijn evenals
ik ontzet, daar zij Uw geweldige vorm aanschouwen, met vele monden en ogen, O
Machtigarmige, met dijen en voeten zonder tal, met vele lijven en
schrikwekkende tanden.
ARJUNA IS
BEVREESD OM DE KOSMISCHE VORM TE ZIEN
24. Fel lichtend beroert Gij de hemelen in regenboogtinten, Uw mond wijd
geopend, Uw ogen groot glanzend. Tot in het diepst van mijn ziel ben ik
ontroerd, daar ik U heb gezien, O Vishnu, mijn kracht begeeft me, en mijn rust
en vrede.
25. O Heer der heren, O toevlucht
der werelden, wil mij genadig zijn. Ik kan mijn gemoedrust niet bewaren nu ik
Uw laaiende, doodse gezichten en afschuwelijke tanden zie. Ik ben volkomen van
streek.
26-27. Al mijn neven broeders en
met hen de scharen van al deze vorsten der aarde, Bhishma, Drona, Karna en al
onze soldaten, storten zich onstuimig in Uw opengesperde muilen met de
ontzettende slagtanden, angstwekkend om te zien; sommigen ziet men tussen Uw
tanden gevangen, het hoofd verpletterd en tot stof
vergruisd.
28. Zoals de rivieren in de
oceaan stromen, storten al deze grote krijgers zich in Uw laaiende monden en
vergaan.
29. Ik zie alle mensen zich met
volle vaart in Uw monden werpen, zoals muggen een laaiend vuur invliegen.
30. O Visnu, ik zie U alle mensen
in Uw vlammende monden verslinden en het universum vervullen met Uw onmetelijke
stralengloed. U openbaart Zich in de verzenging der werelden.
31. Openbaar mij Uw Zelf; Wie
zijt Gij, wiens vorm zo schrikwekkend is? Nederig
breng ik U mijn eerbiedige groet. Wees mij genadig, O Vooraanstaande Heer. Ik
zou U willen kennen, O Gij die waart van den beginne, want ik ken Uw werking
niet.
DE HEER
BESCHRIJFT ZIJN KRACHTEN
32. De Heer Krishna zei: Ik ben de tijd, de vernietiger der werelden, en Ik ben
gekomen om alle mensen in de strijd te brengen. Met uitzondering van jullie (de
Pandava’s) zullen alle hier aanwezige soldaten van beide partijen worden
gedood.
33. En daarom, rijs op, win roem
en eer voor uzelf; overwin uw vijanden; verkrijg een welvarend rijk. Door Mij
zijn zij reeds overwonnen. Wees gij
slechts de uiterlijke oorzaak, gij, wiens gewoonte het is met de linkerhand aan
te leggen .
34. Dood al deze krijgers die
door Mij reeds zijn gedood. Vrees niet. U zult zeker
de vijand in de strijd overwinnen; daarom, vecht!
ARJUNA’s
GEBEDEN TOT DE KOSMISCHE VORM
35. Samjaya zei: Nadat hij deze woorden van Kesava had gehoord, sprak Arjuna,
de drager van de kroon, zijn handen eerbiedig tegen elkaar, met bevende stem
wederom tot Krishna, stamelend van schrik en steeds weer diep buigend.
36. O Krishna, de wereld
verblijdt zich wanneer ze Uw naam verneemt en zo raakt een ieder aan U gehecht.
Degenen die de volmaaktheid hebben bereikt betuigen U eerbiedig alle eer, maar
de demonen worden bang en vluchten alle kanten uit. En zo is het goed.
37. Hoe zouden zij ook anders – O
grote ziel – tot U buigen, Gij schepper der beginne die zelf groter is dan de
schepper van de materiële werelden? O Oneindige Heer, O God van alle hemelse
heersers, O Woonst van het universum, U bent Eeuwig en Tijdelijk, en de
Verhevene Wezen die boven Eeuwigheid en Tijd staat . (Zie ook 9.19, en 13.12
voor uitleg)
38. Gij
zijt de eerste der goden, de oorspronkelijke Persoonlijkheid, God. Allerhoogste
toevlucht der wereld. Gij zijt de Kenner, dat wat
gekend wordt en de verheven woonst. Door U wordt dit heelal doordrongen, O Gij
van vormen zonder tal.
39. Gij
zijt lucht, vuur, water en Gij zijt de maan! Gij zijt
de allerhoogste bestuurder en de voorvader. Duizend maal breng ik U eerbiedig mijn
eerbetuiging keer op keer.
40. Ik breng U mijn groeten vóór,
achter en aan alle kanten! O onbegrensde macht, U bent de meester van alle
grenzeloos vermogen! U bent alomtegenwoordig en daarom bent U alles!
41. Indien ik, U slechts houdend
voor een vriend, mij aan U opdrong, ‘Krishna en O Yadava of O vriend!’ zei,
daar ik Uw verheven majesteit niet kende en achteloos was in mijn genegenheid
voor U.
42. Als ik mij gekscherend
betoonde of oneerbiedig bij het spel, of in de rustpoos, aan de maaltijd
aangezeten, met U alleen Onwankelbare, of tezamen met
mijn vrienden, wil toch mijn dwaling mij vergeven, O Gij, met geen maat te
meten.
43. Vader der werelden, van het
beweeglijke en onbeweeglijke, de eerbiedwaardigste, de grootste aller Gurus,
niemand is U gelijk, niemand, die U overtreft, of Uw macht benadert in de drie
werelden.
44. U bent de Opperheer, die door
elk levend wezen aanbeden moet worden. Zo werp ik me ter aarde om U mijn
eerbetuigingen aan te bieden en U genade af te smeken. Vergeef me het kwaad dat
ik U misschien heb aangedaan en wees geduldig met me zoals een vader met zijn
zoon, of een vriend met zijn vriend, of een minnaar met zijn lief.
45.
Nu ik deze universele gedaante heb gezien, die ik nimmer tevoren heb aanschouwd,
ben ik verblijd, maar tegelijk is mijn geest angstig en verward. Wil me daarom
Uw genade bewijzen en openbaar me wederom Uw gedaante als Persoonlijkheid Gods,
O Heer der heren, O toevlucht van het universum.
46. De kroon op het hoofd, de
scepter en discus als tevoren in de hand, zo zou ik U wederom willen zien: neem
Uw vierarmige gestalte weer aan, O Heer, O duizendarmige, O Gij van vormen
zonder tal.
47. Arjuna, door Mijn
goedgunstigheid hebt gij deze allerverhevenste vorm
aanschouwd, aan u geopenbaard door Atma-yoga , stralend gemaakt,
aldoordringend, zonder einde, wat was van den beginne, wat niemand dan gij ooit
gezien heeft.
48.
O Arjuna, noch door kennis der Veda’s, door offerande, studie, het bedelen van
aalmoezen, riten en ceremoniën, noch door strenge onthouding kan iemand Mij in
deze wereld in deze gestalte aanschouwen, dan alleen gij.
49. Wees niet geschokt, wees niet
verbijsterd, dat ge deze ontzagwekkende vorm hebt
aanschouwd; werp uw vrees van u, laat uw hart zich verblijden; aanschouw
wederom Mijn u zo vertrouwde gestalte.
50. Sanjaya
zei: Nadat Krishna aldus tot Arjuna had gesproken, toonde Hij weer zijn eigen
vorm; de verheven Heer vertroostte de ontstelde en hernam zijn zachtmoedig
voorkomen.
51.
Arjuna zei:Nu ik wederom Uw zachtmoedige, menselijke vorm aanschouw,
O Krishna, kom ik tot bedaren en ben ik mijzelf weer meester.
52. De Heer Krishna zei: Mijn
beste Arjuna, de gedaante welke u nu ziet is zeer moeilijk te aanschouwen.
Zelfs de hemelse heersers zijn er altijd op uit een kans te krijgen deze
gedaante te zien, die zo dierbaar is.
53. Noch door bestudering der
Veda’s, noch door ascese, noch door liefdadigheid, noch door het brengen van
offers, kan men Mij zien, zoals gij Mij hebt gezien.
54. Slechts door toewijding aan
Mij kan men Mij dus aanschouwen, wezenlijk kennen en zien, en in Mij opgaan, O
Arjuna.
55.
Mijn dierbare Arjuna, hij die handelingen verricht om Mijnentwil, hij voor wie
Ik het hoogste heil ben, hij die Mij is toegewijd, bevrijd van alle
gehechtheid, zonder haat jegens welke mens dan ook,
hij zal tot Mij komen. (Zie ook 8.22)
12. HET PAD DER DEVOTIE
ZOU MEN
EEN PERSOONLIJKE OF EEN ONPERSOONLIJKE GOD MOETEN AANBIDDEN
1. Arjuna vroeg: wie worden er beschouwd als méér volmaakt: degenen die zich op
de juiste wijze verbonden hebben in toegewijde dienst aan U, of degenen die het
onpersoonlijk Absolute, het ongeopenbaarde, aanbidden?
2. De Heer Krishna zei: Degene wiens geest gericht is op Mijn persoonlijke gedaante en die
altijd bezig is Mij met groot en verheven geloof te aanbidden, die beschouw Ik
als de meest volmaakte.
3-4. Maar degenen die door
zinsbeteugeling en gelijkgezindheid jegens iedereen
opgaan in aanbidding van het ongeopenbaarde, van datgene wat buiten
waarnemingsbereik van de zinnen ligt, het alomtegenwoordige, onvoorstelbare,
hechte en onbeweeglijke – het onpersoonlijke beeld van de Absolute Waarheid – diegenen
komen, omdat ze zich met aller welzijn bezig houden, uiteindelijk ook tot Mij.
REDENEN
WAAROM EEN PERSOONLIJKE VORM VAN GOD TE AANBIDDEN
5. Zelfrealisatie is moeilijker voor hen die hun gemoed op een onpersoonlijke,
ongemanifesteerde, en vormloos Absolute vestigen; daar het ongemanifesteerde
moeilijk te begrijpen is voor hen die in een lichaam leven .
6-7. Voor degene die Mij aanbidt,
die al zijn bezigheden aan Mij wijdt en Me onveranderlijk trouw is, die
verbonden is in toegewijde dienst en altijd op Me mediteert, die zijn geest op
Mij gericht houdt, O Arjuna, - voor hem ben Ik de snelle redding uit de oceaan
van geboorte en dood.
VIER PADEN
TOT GOD
8. Daarom, vestig uw gemoed op Mij, en laat uw intellect op Mij alleen
vertoeven door meditatie en contemplatie. Hierna zult gij
zeker in Mij verblijven .
9. Maar als ge
niet in staat zijt uw aandacht vast op Mij gericht te houden, probeer dan tot
Mij te komen door de yoga van oefening , O Arjuna.
10. Zo gij
ook niet opgewassen zijt tegen voortdurend oefenen, houd u dan ijverig bezig
met dienst aan Mij; door handeling te verrichten om Mijnentwil, zult ge
volmaaktheid bereiken.
11. Zo gij
zelfs hiertoe de kracht niet hebt, neem dan uw toevlucht tot eenwording met
Mij; geef alle vruchten van handeling op en bewerkt zelfbeheersing .
KARMA-YOGA
IS HET BESTE OM ERMEE TE BEGINNEN
12. Kennis is beter dan gedurende beoefening van concentratie
; meditatie is beter dan kennis; beter dan meditatie is verzaking van de
vruchten van handeling; op verzaking van de vruchten van handeling volgt
onmiddellijk vrede . (Zie meer over het onderwerp ‘verzaking’ in 18.02, 18.09)
DE
ATTRIBUTEN VAN EEN DEVOOT
13-14. Wie niet afgunstig is, maar een goede vriend van alle levende wezens,
wie niet denkt dat hij enig-iets bezit, wie vrij is van eigendunk en
gelijkmoedig in geluk en verdriet, wie altijd voldaan is en onwankelbaar in
zijn verrichting van toegewijde dienst en wiens geest en verstand op Mij zijn
afgestemd – die is Mij zeer dierbaar.
15. Wie niemand in moeilijkheden
brengt, zich niet door angst laat verontrusten en evenwichtig is in geluk en
verdriet, is Mij zeer dierbaar.
16. Wie geen begeerten koestert,
zuiver, waardig in handeling, onbekommerd en door niets verontrust is, wie alle
initiatief heeft opgegeven en Mij vereert, die is Mij dierbaar.
17. Wie zich niets aantrekt van
vreugde of verdriet, wie klachten noch begeerten koesteren en wie zich noch met
gunstige, noch met ongunstige zaken inlaat, is Mij zeer dierbaar.
18-19.
Wie vriend en vijand gelijkgezind is, wie evenwichtig
blijft in eer en schande, hitte en kou, geluk en verdriet, roem en smaad, wie
altijd rein is, altijd zwijgzaam en met alles tevreden, wie zich niet bekommert
om zijn onderdak, wie in kennis verankerd is en verbonden in toegewijde dienst,
is Mij zeer dierbaar.
MEN ZOU IN ALLE OPRECHTHEID MOETEN PROBEREN GODDELIJKE
KWALITEITEN TE ONTWIKKELEN
20. Maar de trouwe devoten, die Mij als hun verhevene bestemming hebben genomen
en volgen – of die gewoon in oprechtheid proberen te ontwikkelen – de hogerop
aangehaalde nectar van morele waarden, zijn Mij heel dierbaar .
13. DE SCHEPPING EN DE SCHEPPER
DE
SCHEPPINGSTHEORIE
1. De Heer Krishna zei: O Arjuna, dit lichaam wordt het veld genoemd, en degene
die dit lichaam kent wordt de kenner van het veld genoemd .
2. O Arjuna, weet dat in ieder
lichaam ook Ik de kenner ben, en dat begrijpen wat dit lichaam en wie de kenner
is, kennis wordt genoemd. Dat is wat Ik ervan zeg.
3. Verneem in het kort van Mij
wat het veld is en van welke aard, hoe het gewijzigd wordt, vanwaar het stamt,
en wie Hij is, de Kenner van het veld en wat Hij vermag.
4. Deze kennis van het veld der
activiteiten en van de kenner der activiteiten is door verschillende wijzen in
menige Vedische geschriften beschreven – met name in
de Vedanta-sutra – met volledige behandeling van oorzaak en gevolg .
5-6. De grote elementen,
individualiteit, rede, en ook het ongemanifesteerde, de tien zinnen en de één (het denken), en de vijf objecten der zinnen;
begeerte, afgunst, vreugde, smart, het gehele organisme (het lichaam),
intelligentie en vastberadenheid, vormen in het kort het veld en zijn
transformaties. (Zie ook 7.04)
DE
VIERVOUDIGE EDELE WAARHEID ALS MIDDEL TOT NIRVANA
7-8. Nederigheid, bescheidenheid, geweldloosheid, verdraagzaamheid, eenvoud,
dienstbaarheid tegenover een leraar , zuiverheid,
standvastigheid, zelfbeheersing. Ongehechtheid jegens
de objecten der zinnen, onzelfzuchtigheid en ook inzicht in het euvel van
geboorte, dood, ouderdom en ziekte ,
9-11. Ongehechtheid met kinderen,
echtgenote, tehuis; voortdurende evenwichtigheid in gewenste en ongewenste
omstandigheden. Onwankelbare toewijding aan Mij door yoga zonder enig ander
doel, verblijf op eenzame plaatsen, ongehechtheid van alle mensen in het
algemeen; volhardend zich verdiepen in de kennis omtrent
het Zelf , besef van het doel der kennis omtrent de essentie; dat is wat men
wijsheid noemt; alles wat hiertegen ingaat is onwetendheid .
GOD KAN DOOR
PARABELEN WORDEN BESCHREVEN, EN OP GEEN ENKEL ANDERE MANIER
12. Ik zal nu verklaren wat men hoort te weten en wat, als men het weet, de
onsterfelijkheid doet ervaren, het Allerhoogste, Eeuwige, Verhevene Wezen, het
Absolute, zonder begin, dat men noch zijn, noch niet-zijn kan noemen. (Zie ook
9.19, 11.37, en 15.18)
13. Zijn handen en benen, Zijn
ogen en gezichten zijn overal, en Hij hoort alles. Zo is de Superziel
alomtegenwoordig.
14. De Superziel is de oorsprong
van de zinnen van alle levende wezens, maar Zelf heeft Hij geen zinnen. Hij is
aan niets gehecht, en toch houdt Hij alles in stand. Hij is ontstegen aan de
geaardheden der materiële natuur, en tegelijk is Hij meester der hoedanigheden.
15. De Verhevene Waarheid bestaat
zowel binnen als buiten, zowel in het bewegende als in het niet bewegende. Hij
kan niet worden waargenomen of doorgrond met behulp van de stoffelijke zinnen.
Hoewel Hij ver, ver weg is, is Hij overal erbij.
16. Hoewel de Superziel verdeeld
lijkt, is Hij nimmer verdeeld. Hij is één. Hoewel Hij de instandhouder van alle
levende wezens is, dient ge te weten dat Hij het ook
is, die ze alle verslindt en ze alle tot ontwikkeling laat komen. (Zie ook
11.13, en 18.20)
17. Hij is de lichtbron van al
wat licht geeft. Hij verwijlt buiten de duisternis der
stof en is daarin ongeopenbaard. Hij is kennis, Hij is het kenbare en Hij is
het doel der kennis. Hij bevindt Zich in ieders hart.
18. Aldus luidt in het kort Mijn
beschrijving van het veld der activiteiten (het lichaam), kennis en het
kenbare. Enkel degenen die Mij toegewijd zijn, kunnen deze zaken begrijpen en
zo tot Mijn wezen doordringen.
EEN
BESCHRIJVING VAN DE VERHEVENE GEEST, GEEST, MATERIËLE NATUUR, EN DE INDIVIDUELE
ZIELEN
19-20. Weet, dat materie en geest beide zonder begin zijn; weet eveneens dat de
transformaties en de hoedanigheden alle uit de materie voortspruiten. Materie , natuur, wordt de oorzaak genoemd van het
voortbrengen van oorzaken en gevolgen; de geest wordt de oorzaak genoemd van
der ervaring van vreugde en smart.
21. De geest, in de materie
verblijvend, geniet de hoedanigheden uit de materie voortgekomen; gehechtheid
aan de hoedanigheden is de oorzaak van zijn geboorte uit een goede of kwade
moederschoot.
22. Maar er is in het lichaam nog
een andere – bovennatuurlijke – genieter. Het is de Heer, de hoogste bezitter,
die toeziet en toestaat, en die de Superziel wordt genoemd.
23. Wie deze kennis aangaande de
materiële natuur, het levend wezen en de wisselwerking
van de geaardheden der natuur begrijpt, zal zeker worden verlost. Ongeacht zijn
huidige toestand, zal hij hier niet worden wedergeboren.
24. Sommigen aanschouwen de
Superziel door meditatie, anderen door hun metafysische kennis te verdiepen, en
weer anderen door onbaatzuchtige arbeid.
GELOOF
ALLEEN KAN TOT NIRVANA LEIDEN
25. Ook zijn er, die onwetend hieromtrent Mij aanbidden en
vereren, na er van anderen gehoord te hebben; ook deze zullen naar de andere
zijde komen, uitstijgend boven de dood, daar zij zich houden aan wat zij hebben
gehoord.
26. Weet, O Arjuna, dat elk
schepsel, dat geboren wordt, hetzij beweeglijk of onbeweeglijk, voortkomt uit
de vereniging tussen het veld en de Kenner van het veld. (Zie ook 7.06)
27. Hij die dezelfde eeuwige
Verhevene Heer ziet als het onvergankelijke in het vergankelijke, gelijkelijk verblijvend in alle schepselen, ziet de dingen
zoals ze zijn.
28. Wie de Superziel overal in
elk levend wezen in dezelfde gedaante ziet, laat zich niet meer door zijn geest
naar het lagere meeslepen. En zo nadert hij zijn Verhevene Woonst.
29. Wie zien kan dat alle
activiteiten worden verricht door het lichaam, dat de materiële natuur
geschapen is, en ziet dat het zelf niets doet, ziet de dingen zoals ze zijn.
(Zie ook 3.27, 5.09, en 14.19)
30. Wanneer men niet langer op grond
van de verscheidenheid der materiële lichamen aanneemt dat alles van elkaar
verschilt, maar dat alles in de Ene geworteld is, bereikt men de Verhevene
Geest .
DE
ATTRIBUTEN VAN DE GEEST (BRAHM)
31. Degenen die begiftigd zijn met de blik der eeuwigheid kunnen zien dat de
ziel bovennatuurlijk, eeuwig en vrij van de geaardheden der natuur is. In
weerwil van haar contact met het stoffelijk lichaam, O
Arjuna, verricht de ziel geen handelingen, noch is ze verstrikt.
32. Vanwege zijn fijnheid mengt
de ruimte zich nergens mee, hoewel hij alles doordringend is. Evenzo mengt de
ziel zich niet met het lichaam, alhoewel ze zich in
het lichaam bevindt.
33. Zoals de ene zon deze hele
wereld verlicht, zo verlicht de Heer van het veld het ganse veld, O Arjuna.
34. Zij,
die met het oog van wijsheid dit verschil zien tussen het veld en de Kenner van
het veld , en ook de bevrijding van de schepselen uit
de materiële gevangenschap, gaan in tot het Verhevene Woonst.
14. DE DRIEVOUDIGE AARD DER MATERIËLE NATUUR
1. De Heer Krishna zei: Wederom zal Ik je deze verhevene wijsheid uiteenzetten,
de meest verheven kennis, waardoor de wijzen, die haar bevatten, tot de hoogste
volmaaktheid kwamen.
2. Daar zij hun toevlucht tot
deze wijsheid hebben genomen en in Mijn wezen zijn opgegaan, worden zij niet
wederom geboren, zelfs niet bij de schepping van een heelal, en evenmin zullen
zij lijden als het uiteenvalt.
ALLE WEZENS ZIJN DOOR DE VERENIGING VAN GEEST EN MATERIE GEBOREN
3. Mijn materiële Natuur is de moederschoot van de schepping, waarin Ik de kiem
der Bewustzijn breng; hieruit spruiten alle schepselen voort, O Arjuna . (Zie
ook 9.10)
4. Men dient te begrijpen, O
Arjuna, dat uit welke moeder de stervelingen ook geboren worden, de materiële
Natuur is hun moederschoot, en de Geest of Bewustzijn, is de leven-gevende
Vader .
HOE DE
DRIEVOUDIGE MATERIËLE NATUUR DE GEEST ZIEL AAN HET LICHAAM BINDT
5. De materiële natuur bestaat uit de drie geaardheden – goedheid, hartstocht
en inertie. Wanneer het onvergankelijk levend wezen
met de natuur in aanraking komt, O Arjuna, raakt het door deze geaardheden
geconditioneerd .
6. O zondeloze Arjuna, de
geaardheid goedheid, die zuiverder is dan de beide andere, verlicht het levend wezen en bevrijdt het van de terugslagen van zijn
zondig doen en laten. Degenen die zich in deze geaardheid bevinden ontwikkelen
kennis, maar raken gebonden door het geluksgevoel waarmee goedheid gepaard gaat
.
7. O Arjuna, de geaardheid
hartstocht bestaat uit ongebreidelde verlangens en hunkeringen, en hierdoor raakt
men gebonden aan materiële activiteiten en de vruchten van dien.
8. Weet, O Arjuna, dat de
geaardheid onwetendheid brengt alle levende wezens in illusie. Onwetendheid
leidt tot waanzin, luiheid en slaap, waardoor de ziel gebonden raakt.
9. Harmonie hecht de mens aan
zaligheid; beweeglijkheid aan handeling, O Arjuna. Inertie die de wijsheid
versluiert, echt de mens daarentegen aan nalatigheid,
achteloosheid .
KARAKTERISTIEKEN
VAN HET DRIEVOUD DER NATUUR
10. Soms heeft de harmonie de overhand, wanneer ze beweeglijkheid en traagheid
heeft bedwongen, O Arjuna; soms beweeglijkheid, als deze harmonie en traagheid
heeft overwonnen; en soms traagheid als ze harmonie en beweeglijkheid heeft
overmeesterd.
11. Wanneer door alle poorten van
het lichaam het licht der Zelfkennis binnendringt, kan men ervan verzekerd zijn
dat de geaardheid goedheid zich openbaart .
12. O Arjuna, wanneer de
geaardheid hartstocht zich laat gelden, ontwikkelen er zich symptomen van grote
gehechtheid, onbedwingbare begeerte, verlangen en hevig streven.
13. O Arjuna, duisternis,
stilstand, achteloosheid en ook de waan, deze spruiten voort uit de toename van
inertie.
DE
DRIEVOUDIGE AARDEN ZIJN OOK DE VOERTUIGEN VOOR DE TRANSMIGRATIE VAN DE
INDIVIDUELE ZIEL
14. Sterft men tijdens de overhand van goedheid dan bereikt men de hemel – de
zuivere wereld van de kenners der Verhevene .
15. Sterft men in de geaardheid
hartstocht, dan wordt men geboren onder hen die zich bezighouden met baatzuchtige streven; en sterft men in de geaardheid
onwetendheid, dan wordt men onder de lagere wezen geboren.
16. Door te handelen in de
geaardheid goedheid raakt men gelouterd. Werk dat men doet in de geaardheid
hartstocht leidt tot verdriet, en activiteiten in de geaardheid onwetendheid
leiden tot dwaasheid.
17. Uit de geaardheid goedheid
ontwikkelt zich werkelijke kennis; uit de geaardheid hartstocht ontwikkelt zich
verdriet; en uit de geaardheid onwetendheid ontwikkelen zich dwaasheid, waanzin
en begoocheling.
18. Zij die zich in de geaardheid
goedheid bevinden stijgen geleidelijk op naar de hogere gewesten; zij die in de
geaardheid hartstocht leven op aarde; en zij die in de geaardheid onwetendheid verkeren dalen af naar de lagere gewesten der hel .
HET BEREIKEN
VAN NIRVANA NA DE DRIEVOUDIGE AARD DER MATERIËLE AARD TE HEBBEN OVERTROFFEN
19. Als de ziener ziet
dat er niets anders is wat handelt dan de leibanden en weet wat er boven de
leibanden uitgaat, gaat hij in Mij op . (Zie ook 3.27, 5.09, en 13.29)
20. Wanneer de ziel ontstijgt aan
deze drie geaardheden (gunas) , waaraan het lichaam is
ontsproten, is ze vrij van geboorte, dood, ziekte en ouderdom en bereikt ze
onsterfelijkheid.
HET
VERLOOP OM BOVEN DE DRIE AARDEN TE KOMEN
21. Wat zijn de kenmerken van hem, die aan de drie geaardheden (gunas) is
ontstegen, O Heer Krishna? Hoe gedraagt hij zich? En hoe transcendeert hij deze
drie geaardheden (gunas)?
22. De Heer Krishna zei: Hij die
geen afkeer heeft van verlichting, gehechtheid en begoocheling
, wanneer deze zich voordoen, en er ook niet naar verlangt, als ze er
niet zijn.
23. Hij die als
het ware terzijde zit, en onberoerd blijft door de geaardheden (gunas); die met
de woorden: ‘de gunas weren zich’, onbeweeglijk terzijde staat;
24. Hij die evenwichtig is in wel
en wee; vol zelfvertrouwen; voor wie een kluit aarde, een kei en een klomp goud
gelijk zijn; die gelijkmatig is jegens degenen die hij
liefheeft en die hij niet mag, standvastig, gelijkmoedig onder lof en blaam;
25. Hij die gelijkmoedig is in eer
en schande, onpartijdig tegenover vriend en vijand, die zich niet identificeert
met wat hij ook onderneemt, hij is boven de gunas uitgestegen.
DE BANDEN
DER DRIE AARDEN KUNNEN DOOR DEVOTIONELE LIEFDE WORDEN AFGEDAAN
26. Wie zich volledig verbindt in toegewijde dienst en in geen enkele
omstandigheid ten val komt, ontstijgt terstond aan de
geaardheden der materiële natuur en bereikt Nirvana of verlossing. (Zie ook
7.14 en 15.19)
27.
Want ‘Ik Ben’ de eeuwige Geest en de overgankelijke nectar der onsterfelijkheid,
de eeuwige gerechtigheid (Dharma), de onvergankelijk en eeuwige rust in Mij .
15. DE VERHEVENE (ABSOLUTE) WEZEN
DE
SCHEPPING IS ZOALS EEN BOOM DOOR DE KRACHTEN VAN MAYA GESCHAPEN
1. De Heer Krishna zei: Het universum (of menselijk lichaam) kan met een
eeuwige boom vergeleken worden die met zijn afkomst (of wortels) in de
Verhevene Wezen omhoog verblijft en met zijn takken omlaag in de kosmos. De
Vedische gezangen zijn de bladeren van deze boom. Hij, die dit weet, is een
Veda-kenner .
2. De takken van deze eeuwige
boom zijn over de gehele kosmos verspreidt . De boom is door de drievoudige
geaardheid der materiële Natuur gevoed; haar twijgen zijn de zinsgenoegens; en
haar wortels het ego en begeerte verspreidt omlaag in de menselijke samenleving
en in de boeien van Karmische gebondenheid .
HOE ZICH
VAN HET BOOM DER GEHECHTHEID ONTTREKKEN EN VERLOSSING BEREIKEN DOOR GOD’S
TOEVLUCHT TE ZOEKEN
3-4. De werkelijke gedaante van deze boom kan door niemand worden waargenomen
in deze wereld. Niemand kan zien waar hij eindigt, begint of staat . Maar
vastberaden moet men deze sterk gewortelde boom omhakken met de bijl der
onthechting, op zoek naar het oord vanwaar men, wanneer men het eenmaal heeft
bereikt, nimmer terugkeert, en zich daar overgeven aan de Verhevene
Persoonlijkheid Gods, bij wie alles begonnen is en in
wie alles sinds onheugelijke tijden verwijlt .
5. Wie vrij is van begoocheling,
valse trots en verkeerd gezelschap, wie het eeuwige begrijpt, wie afgedaan
heeft met aardse lust en verlost is van de dualiteit van geluk en verdriet en
weet hoe zich over te geven aan de Verhevene Wezen, die bereikt de Verhevene
Oord.
6. Mijn Verhevene Woonst wordt
door zon noch maan verlicht, noch door vuur. En ieder die haar bereikt keert
nimmer terug in deze materiële wereld.
DE
BELICHAAMDE ZIEL IS DE GENIETER
7. Een onsterfelijke eeuwig deeltje van Mijn Zelf, in de wereld der levenden
neergetransformeerd als een levende geest , omhult zich met de vijf zinnen en
als zesde het bewustzijn , versluierd in materie.
8. Als de Heer
een lichaam aanneemt en als Hij het verlaat, grijpt Hij deze dingen, namelijk
de vijf zinnen en manas en neemt ze mee, zoals de wind de frisse geuren uit hun
schuilhoeken meedraagt. (Zie ook 2.13)
9. Verborgen in het oor, het oog,
de huid, de tong, de neus en ook in het bewustzijn ,
geniet Hij van de objecten der zinnen.
10. Zij, die bewogen door de drie
materiële geaardheden in de begoocheling leven, worden Hem niet gewaar, als Hij
heengaat of verblijft, of geniet; zij die zien met de ogen van wijsheid, worden
Hem gewaar.
11. Ook yogi’s, in hun streven
naar eenheid, worden Hem gewaar, gegrondvest in het Zelf; maar al zouden de
niet-intelligenten ernaar streven, zij zouden Hem niet gewaar worden, daar hun
zelf ongeoefend is.
DE GEEST IS
DE ESSENTIE VAN ALLES
12. Het stralende licht van de zon, dat het duister van de gehele wereld
verdrijft, komt van Mij. En het stralende licht van de maan en het stralende
licht van het vuur zijn eveneens van Mij afkomstig. (Zie ook 13.17 en 15.06)
13. De aarde met Mijn
levenskracht doordringend, houd Ik de schepselen in stand; en door het
verrukkelijke Soma-sap te worden , voed ik alle
planten.
14. Ik ben het
spijsverteringsvuur in ieder levend lichaam en Ik ben de levensadem, zowel de
uitgaande als de ingaande, en zo verteer ik de vier soorten voedsel.
15. Ik woon in ieders hart en van
Mij komen geheugen, kennis en vergetelheid. De bedoeling van alle Veda’s is dat
men Mij leert kennen. Ik ben voorwaar de schrijver van de Vedanta en degene die
de Veda’s doorgrondt. (Zie ook 6.39)
WIE ZIJN DE
VERHEVENE GEEST, GEEST EN DE INDIVIDUELE ZIEL
16. Er zijn tweeërlei entiteiten in de kosmos: de veranderlijke Tijdelijke
Wezens, en de onvergankelijke Eeuwige Wezen (Geest). Al de geschapen wezens
zijn aan verandering onderhevig, maar de Geest blijft onveranderd .
17. De Verhevene Geest staat
boven beide – de Tijdelijke Wezens en de Eeuwige Wezen. Hij wordt ook de
Absolute Realiteit genoemd die beide het Tijdelijke en het Eeuwige in alles tot
stand houdt .
18. Daar de Verhevene Wezen boven
beide het Tijdelijke en het Eeuwige verblijft; staat Hij in de wereld en de
geschriften als de Verhevene Wezen (Absolute realiteit, Waarheid, Superziel) bekend .
19. Hij, die vrij van
begoocheling, Mij aldus kent als de Verhevene Wezen ,
aanbidt Mij met zijn hele wezen, O Arjuna. (Zie ook 7.14, 14.26, en 18.66)
20.
En zo heb Ik dan de geheime transcendentale wetenschap der Absolute uitgelegd.
Moge hij, die dit vernomen heeft, als zijn taak vervuld is, de verlichting
ontvangen, O Arjuna .
16. DE GODDELIJKE EN DE DEMONISCHE AARD
1-3. De Heer
Krishna zei: Onbevreesdheid, levensloutering, ontwikkeling van geestelijke
kennis, barmhartigheid, zelfbeheersing, het brengen van offers, het bestuderen van
de Veda’s, soberheid en eenvoud; geweldloosheid, waarheidlievendheid, vrijheid
van woede; verzaking, rust, afkeer van vitten, onwankelbare vastberadenheid;
energie, vergevingsgezindheid, kracht, reinheid, vrijheid van afgunst en van
het verlangen naar eer – deze bovennatuurlijke eigenschappen, O Arjuna, treft
men aan bij lieden die begiftigd zijn met een goddelijke
karakter.
4. Hoogmoed,
trost, woede, verwaandheid, hardheid en onwetendheid zijn eigenschappen van
degenen die demonisch van aard zijn, O Arjuna.
5. De goddelijke eigenschappen
leiden tot verlossing, terwijl de demonische eigenschappen tot gevangenschap
leiden. Vrees niet, O Arjuna, want gij zijt geboren
met de goddelijke eigenschappen.
ER ZIJN MAAR
TWEE SOORTEN MENSELIJKE WEZENS – DE WIJZE EN DE ONWETENDE
6. Er zijn in deze wereld twee soorten wezens (of casten), O Arjuna, de
goddelijke of de wijze, en de demonische of de onwetende. Ik heb u reeds omstandig uiteengezet wat de goddelijke eigenschappen
zijn. Luister nu naar wat Ik over de demonische te zeggen heb.
7. Degenen die
demonisch zijn weten niet hoe het wel en niet hoort. Men vindt bij hen
reinheid, noch wellevendheid, noch waarheidlievendheid.
8. Ze beweren dat deze wereld
onwerkelijk is en nergens op berust en dat er geen God is die alles bestuurd;
ze komt voort uit seksueel verlangen en kent geen andere oorzaak dan lust.
9. Van deze opvattingen uitgaande
wijden de demonische wezens, die verloren zijn voor zichzelf en geen verstand
bezitten, zich aan heilloze, gruwelijke werken, die tot bedoeling hebben de
wereld te vernietigen.
10. De demonische wezens, die
zich overgeven aan ijdelheid, trots en onverzadelijke wellust, vallen ten prooi
aan begoocheling. Geboeid door het tijdelijke, wijden ze zich aan onreine
praktijken.
11. Zichzelf overgevend aan
mateloze zucht naar wereldse dingen, hetgeen alleen op
de dood uitloopt; de bevrediging van hun lusten als het hoogste beschouwend;
verzekerd dat dit alles is.
12. In verslaving gehouden door
het leven uit de verwachting, overgegeven aan lusten en toorn,
trachten zij langs slinkse wegen grote rijkdom te vergaren voor hun zinnelijke
genietingen.
13. ‘Dit heb ik vandaag gewonnen;
dat doel zal ik bereiken; dit heb ik reeds en dat zal
ik binnenkort ook nog bezitten.’
14. ‘Deze vijand heb ik gedood en
anderen zal ik nog doden. Ik heers, ik geniet, ik ben volmaakt, ik heb macht,
ik ben gelukkig.
15. ‘Ik ben rijk, van
aanzienlijke geboorte, wie kan mij evenaren? Ik wil offers brengen, ik wil
aalmoezen geven, ik wil genieten.’ Zo worden
dergelijke personen door onwetendheid begoocheld.
16. Aldus verward door allerlei
zorgen en verstrikt in een netwerk van begoocheling, raken de demonische
personen te zeer gehecht aan zingenot en vallen in de hel.
17. Verwaand als ze zijn en
altijd onbeschaamd, begoocheld door rijkdom en ijdelheid, brengen ze soms
offers om een goede indruk te maken, zonder zich ook maar aan één regel of
bepaling te houden.
18. Overgeleverd aan zelfzucht,
heerszucht, onbeschaamdheid, wellust, wraakgierigheid, boosaardig en vol haat jegens Mij in hun eigen lichaam en in dat van anderen.
HET LIJDEN
IS DE BESTEMMING VAN DE ONWETENDE
19. De afgunstigen en kwaadaardigen, die de laagsten onder de mensen zijn, werp
Ik in de oceaan der materiële ellende in de verschillende demonische levensvormen.
20. Telkens wedergeboren onder de
demonische moederschoot, begoocheld in de ene geboorte na de andere, nimmer Mij
bereikend, O Arjuna, zinken ze neer tot de diepste diepten .
LUST,
WOEDE, EN HEBZUCHT ZIJN DE DRIE POORTEN DER HEL
21. Er zijn drie poorten die toegang geven tot deze hel – lust, woede en
hebzucht. Ieder verstandig mens dient zich hiervan af te wenden, want ze leiden
de ziel omlaag.
22. De mens, die bevrijd is van
deze drie poorten der duisternis, O Arjuna, bewerkt zijn eigen welzijn en
bereikt aldus het hoogste doel.
MEN MOET DE
SCHRIFTELIJKE BEVELEN VOLGEN
23. Maar hij die de geboden der Schriften verwerpt en zich gedraagt zoals het
hem uitkomt, bereikt noch volmaaktheid, noch geluk, nog het hoogste doel.
24.
Laat u daarom leiden door het gezag der Schrift bij het bepalen van wat wel en
wat niet gedaan moet worden. Kent men deze regels en bepalingen, dan dient men
ernaar te handelen, zodat men geleidelijk verheven kan worden.
17. HET DRIEVOUDIG GELOOF
1. Arjuna zei: O Krishna, iemand die zich niet aan de beginselen der Schrift
houdt, maar op eigen wijze aanbidt, waar bevindt hij zich? Is hij in goedheid ,
in hartstocht of in onwetendheid ?
DE DRIE
TYPEN VAN GELOOF
2. De Heer Krishna zei: Naar gelang de geaardheden der natuur waarin de
belichaamde ziel zich bevindt, kunnen er drie vormen van geloof voorkomen – in
goedheid, hartstocht of onwetendheid. Hoor nu hieromtrent.
3. O Arjuna: Naar gelang men beïnvloed wordt door de verschillende geaardheden der
natuur, ontwikkelt men een bepaalde vorm van geloof. Het levend
wezen wordt geacht een vorm van geloof aan te hangen die overeenkomt met de
mate waarin het door geaardheden is beïnvloed .
4. Personen in de geaardheid
goedheid aanbidden de hemelse heersers; personen in de geaardheid hartstocht
aanbidden demonen; en personen in de geaardheid onwetendheid aanbidden de
schimmen der afgestorvenen en troepen van elementalen .
5-6. Degenen die ernstige
onthoudingen naleven en boete doen welke niet in de Schriften worden aanbevolen
en zulks uit trots, geldingsdrang, lust en
gehechtheid, die door hartstocht gedreven worden en zowel hun lichaamsorganen
als de Superziel die in ze woont martelen, dienen beschouwd te worden als
demonen.
DE DRIE
TYPEN VAN VOEDSEL
7. Zelfs het voedsel dat iedereen nuttigt is van
drievoudige aard, overeenkomstig de drie geaardheden der materiële natuur.
Hetzelfde geldt voor offers, boetedoening en barmhartigheid. Hoor nu het
onderscheid.
8. Het voedsel, dat vitaliteit,
energie, kracht, gezondheid, blijmoedigheid en opgewektheid ten goede komt, dat
heerlijk en aangenaam smaakt, voedzaam en lekker is,
dat hebben de mensen graag die de geaardheid goedheid naleven.
9. Mensen in de geaardheid
hartstocht verlangen voedsel, dat bitter, zuur, zout, zeer heet, pikant, droog
en brandend scherp is en dat pijn, leed en ziekte veroorzaakt.
10. Wat oudbakken, verschaald,
rottend en bedorven is, overschoten restjes en onrein voedsel is wat onwetende
mensen graag eten .
DE DRIE
TYPEN VAN OFFERS
11. Van alle offers dat plichtsgetrouw en volgens schriftuurlijke bepalingen
gebracht wordt, zonder dat men er beloning voor verwacht, behoort tot de
geaardheid goedheid.
12. Weet dat het offer, dat
gebracht wordt met het oog op de vruchten van handeling en ook inderdaad ter
wille van eigen glorie, tot de geaardheid hartstocht behoort, O Arjuna.
13. Het offer dat tegen de
Schriften ingaat en waarbij geen geestelijk voedsel wordt verdeeld, geen
gezangen worden gezongen en geen giften geschonken aan de priesters, en dat
zonder geloof wordt gebracht – dat offer behoort tot de geaardheid onwetendheid
.
ASCESE IN
GEDACHTE, WOORD, EN DAAD
14. Eerbetoon aan hemelse heersers, de priesters, de goeroe en de wijze; alsook
zuiverheid, oprechtheid, celibaat, en geweldloosheid; noemt men de ascese van
het lichaam .
15. Het gesproken woord, dat geen
ergernis wekt, dat waar, aangenaam en weldadig is, en de gewoonte de schriften
te bestuderen, noemt men de ascese van de spraak.
16. Rust, eenvoud, ernst,
zelfbeheersing en zuiverheid van denken noemt men mentale ascese.
DE DRIE
TYPEN VAN ASCESE
17. Deze drievoudige ascese (in gedachte, woord en daad), beoefend door yogi’s
die geen materiële gewin nastreven, maar voldoening vinden in het verhevene
geloof, behoort tot de geaardheid goedheid .
18. De ascese, die beoefend wordt
met het doel respect roem en verering te winnen, en ter wille van het uiterlijk vertoon, noemt men hartstocht. Ze zijn onbestendig
en kortstondig.
19. De ascese, die men, uit
onverstand met zelffoltering gepaard, beoefend of met
het doel iemand anders te doden of te kwetsen, noemt men onwetendheid.
DE DRIE
TYPEN VAN NAASTENLIEFDE
20. Het geschenk welke gegeven wordt uit plicht, te juister tijd en plaats, aan
iemand die het waard is, zonder dat men er iets voor terug verwacht, wordt
beschouwd als barmhartigheid in de geaardheid goedheid.
21. Dat wat gegeven wordt met het
doel er iets voor in de plaats te ontvangen of in de
verwachting van de vruchten van handeling, of met tegenzin, wordt beschouwd als
zijnde de geaardheid hartstocht.
22. De aalmoes, die niet op de
juiste plaats en tijd en aan de verkeerde personen wordt geschonken, met
geringschatting en minachting, behoort tot de geaardheid onwetendheid.
DE
DRIEVOUDIGE NAAM VAN GOD
23. Sedert het begin der schepping zijn de drie
lettergrepen ‘Aum Tat Sat’ gebruikt om de Verhevene Absolute Waarheid aan te
duiden. Hiermede werden Brahmanas, Vedas en offeranden gewijd .
24. Daarom worden de offeranden,
giften en ascese, zoals deze voorgeschreven zijn in de schriften, steeds door
de kenners van het eeuwige Brahman ingeleid met het uitspreken van het woord
“Aum”.
25. De zoekers naar verlossing
verrichten verschillende types van offer, naastenliefde en ascese door “Hij is
alles ” uit te spreken, zonder daarom een beloning te verwachten .
26. Het woord “Waarheid ” staat
voor Realiteit en goedheid. Het woord Waarheid wordt eveneens voor een gunstige
handeling aangehaald, O Arjuna .
27. Standvastigheid in het
verrichten van offers, naastenliefde, en ascese worden ook Waarheid genoemd.
Ongehechte dienstbaarheid voor de zaak van de Verhevene wordt ook als Waarheid
bepaald .
28.
Alles wat men zonder geloof verricht – ongeacht het offer, naastenliefde,
ascese of eender welke andere handeling is nutteloos. Het heeft geen waarde
hier en in het hiernamaals, O Arjuna .
18. VERLOSSING DOOR VERZAKING
1. Arjuna zei: Ik begeer te weten waartoe verzaking dient en waartoe de respectievelijke zelfverzaking dient, O Heer Krishna .
DEFINITIE DER VERZAKING EN OFFER
2. De Heer Krishna zei: De wijzen noemen het verzaken van handelingen, die door
begeerte worden ingegeven, zelfverzaking (sannyasa). Het afzien van de vruchten
van alle handeling wordt door de wijzen onthouding (tyaga) genoemd . (Zie ook
5.01, 5.05, en 6.01)
3. Sommige filosofen verklaren
dat alle vruchtdragende activiteit dient te worden gestaakt, maar er zijn ook
anderen die erop houden, dat men activiteit inzake
offers, barmhartigheid en ascese nimmer moet laten varen.
4. O Arjuna, luister nu naar wat Ik
u uiteenzet over verzaking. Verzaking is, zoals gezegd wordt, drievoudig.
5. Activiteiten in verband met
offers, barmhartigheid en ascetisch leven dienen niet te worden gestaakt, maar
te worden verricht. Want offers, barmhartigheid en ascese reinigen de
verstandigen.
6. Al deze activiteiten dienen te
worden verricht zonder dat men er iets voor terug verwacht. Ze dienen te worden
verricht uit plichtsbetrachting, is mijn vaste overtuiging, O Arjuna.
DRIE TYPEN
VAN OFFERS
7. Voorgeschreven plichten dient men nimmer te verzaken. Als men als gevolg van
begoocheling zijn voorgeschreven plichten staakt, noemt zulks
verzaking de geaardheid onwetendheid.
8. Wie zijn voorgeschreven
plichten staakt omdat hij ze lastig vindt, of uit vrees, wordt geacht te
handelen in de geaardheid hartstocht. Deze vorm van handelen leidt nimmer tot
de hoogte die men door verzaking bereikt.
9. Maar wie zijn voorgeschreven
plicht vervult uitsluitend omdat ze moet worden gedaan, en alle gehechtheid ook
de begeerte naar de vruchten laat varen – zo’n
verzaking behoort tot de geaardheid goedheid, O Arjuna.
10. Degenen die geen afkeer
hebben van onaangename arbeid, noch gehecht zijn aan aangenaam werk in de
geaardheid goedheid, kennen wat betreft hun handelen geen twijfel.
11. Het is trouwens onmogelijk
voor iemand, die in een lichaam leeft, volledig van handeling af te zien; maar
wie afziet van de vruchten van handeling, die beoefent waarlijk verzaking.
12. Wie niet van verzaken weet,
vallen na de dood de drievoudige vruchten van zijn handelen toe – de gewenste,
de ongewenste en die daartussenin. Maar degenen die zich in het ascetisch leven bevinden behoeven niet van de vruchten van
hun handelen te lijden of te genieten.
VIJF
FACTOREN VOOR HET HANDELEN
13. Leer van Mij, O Arjuna, deze vijf factoren voor het verrichten van alle
handelingen, zoals deze uiteengezet zijn in de Sankhya-filosofie:
14. De zetel van handeling (het
lichaam) en de handelende (het verschijnsel ik), de verschillende organen, de
diverse soorten van werkingen (bewegingen, ingespannen pogingen, wilsdaden) en
ook de Voorzienigheid als de vijfde.
15. Wat een mens ook doet naar
lichaam, geest of woord, hetzij goed, hetzij slecht, wordt door de vijf
factoren veroorzaakt.
16. En aangezien het zo is, heeft
hij, die – door zijn ongeoefende rede - zijn individuele zelf alleen aanziet
voor de handelende, geen inziet, want zijn denken is
fout .
17. Wie niet
gedreven wordt door de ik-gerichtheid en niet verward is van verstand, doodt
niet, zelfs al doodt hij deze volkeren . Evenmin wordt hij door zijn
doen en laten gebonden.
18. Kennis, het doel der kennis
en de kenner zijn de drie factoren welke tot handelen leiden; de zinnen, de
handeling en de handelende persoon vormen de drievoudige grondslag van het
handelen .
DRIE TYPEN
VAN KENNIS
19. Kennis, handeling en handelende zijn in de categorie der geaardheden elk
afzonderlijk, ook drievoudig door het verschil tussen de geaardheden; verneem
dit eveneens zoals het behoort.
20. Die kennis waarmee men in
alle vormen van bestaan één onverdeelde geestelijke natuur ziet in het
verdeelde, is kennis in de geaardheid goedheid. (Zie ook 11.13, en 13.16)
21. Die kennis waarmee men in de
verschillende soorten lichamen verschillende soorten levende wezens ziet, is
kennis in de geaardheid hartstocht.
22. En die kennis waarmee men aan
één soort werk gehecht geraakt, alsof er niets anders bestaat, zonder enig
inzicht in de waarheid, en die uiterst schraal is, noemt kennis in de
geaardheid onwetendheid te zijn.
DRIE TYPEN
VAN HANDELEN
23. Wat het handelen aangaat: die handeling welke verricht wordt uit plicht,
zonder gehechtheid, zonder liefde of haat, en zonder verlangen naar de
vruchten, wordt handelen in de geaardheid goedheid genoemd.
24. Maar die handeling waarvoor
men zich grote moeite getroost en die ter wille van zinsbevrediging verricht
wordt vanuit een gevoel van ik-gerichtheid, wordt handelen in de geaardheid
hartstocht genoemd.
25.
En die handeling welke verricht wordt in onwetendheid en begoocheling zonder
dat men acht slaat op de toekomstige gebondenheid en gevolgen van dien, en
welke leed veroorzaakt en onpraktisch is, noemt men handelen in de geaardheid
onwetendheid.
26. De handelde
persoon die vrij is van alle materiële gebondenheid en van ik-gerichtheid, die
geestdriftig en vastberaden is en onverschillig staat tegenover welslagen of
falen, werkt in de geaardheid goedheid.
27. De handelde
persoon die driftig werk verricht, vol verlangen naar de vruchten van
handeling, hebzuchtig, schade berokkenend, onzuiver, gedreven door vreugde en
smart, werkt in de geaardheid hartstocht.
28.
En die handelende persoon die altijd bezig is met het werk dat tegen de geboden
der Schriften indruist, die materialistisch is, koppig, vol bedrog en bedreven
in het honen en beledigen, die lui is, gemelijk en alles altijd uitstelt, werkt
in de geaardheid onwetendheid.
29. Verneem nu ook volledig en
alles na elkaar de drievoudige indeling van inzicht en standvastigheid volgens
de geaardheden, O Arjuna.
30. O Arjuna, dat inzicht
waardoor men weet wat wel en wat niet gedaan behoort te worden, wat men wel en
niet dient te vrezen, wat bindt en wat verlost, is inzicht in de geaardheid
goedheid.
31. En dat inzicht dat geen
onderscheid weet te maken tussen de religieuze (Dharma) en de niet-religieuze
(Adharma) levenswijze, tussen handelingen die wel en die niet verricht dienen
te worden, dat onvolmaakte inzicht, O Arjuna, is in de geaardheid hartstocht.
32.
Dat inzicht dat in de ban van begoocheling en duisternis goddeloosheid
(Adharma) voor religie en religie (Dharma) voor goddeloosheid aanziet en altijd
in de verkeerde richting streeft, O Arjuna, bevindt zich in de geaardheid
onwetendheid.
33. De resolutie waarmee men de
geest, de Prana (bio-impuls) en de zinnen onwankelbaar in de God-realizatie
laat opgaan, O Arjuna, is in goedheid .
34. En die resolutie waarmee men
zich vastklampt aan de vruchten van zijn streven op het gebied van religie, van
het verwerven van goederen en van zinsbevrediging, is in de geaardheid
hartstocht, O Arjuna.
35.
En die resolutie welke niet kan uitstijgen boven gedroom, vreesachtigheid,
geklaag, gemelijkheid en begoocheling – dit soort onintelligentie standvastigheid
bevindt zich in de geaardheid onwetendheid .
36. Hoor nu van Mij, O Arjuna,
over de drie vormen van plezier. Het plezier dat men van geestelijke praktijken
geniet, waardoor alle leed ten einde komt .
37. Dat, wat in het begin als
vergif, maar tenslotte als nectar is; die vreugde,
voortspruitend uit de rustige kalmte van het Zelf, noemt men de geaardheid
goedheid.
38. Sensuele plezieren die eerst
als nectar voorkomen, maar tenslotte als vergif lijken
te veranderen; zulke genoegens komen van de geaardheid hartstocht. (Zie ook
5.22)
39. En het plezier dat zowel in
het begin als daarna zelfbegoocheling is en dat voorkomt uit slaap, luiheid en
zorgeloosheid, wordt plezier in de geaardheid onwetendheid genoemd.
40.
Er bestaat geen enkel wezen, noch hier, noch onder de hemelse heersers in de
hemelse gewesten, dat vrij is van de invloed der drievoudige aard der materiële
natuur.
41. De werkzaamheden van
Brahmanen, beschermers, meesters en knechten, o verdelger uwer vijanden zijn
verdeeld al naar gelang van de hoedanigheden, uit hun eigen aard voortgesproten
. (Zie ook 4.13)
42. Vreedzaamheid,
zelfbeheersing, soberheid, reinheid, verdraagzaamheid, eerlijkheid, wijsheid,
kennis en vroomheid – van deze aard is het werk van de Brahmanen.
43. Dapperheid, kracht,
vastberadenheid, behendigheid, moed in de strijd, edelmoedigheid en leiderschap
vormen de aard van het werk van de beschermers.
44.
Landbouw, veeteelt en handel geven de aard van het werk van de meesters aan, en
de dienaren dienen de anderen door hun arbeid.
45. Ieder mens komt tot
volmaaktheid, als hij opgaat in zijn eigen plicht. Luister, hoe volmaaktheid
wordt verkregen door de mens, die geheel gericht is op zijn eigen karmische
plicht.
46. Door aanbidding van de
Verhevene Wezen, de oorsprong van alle schepselen, die alomtegenwoordig is, kan
de mens bij het vervullen van zijn eigen plicht tot volmaaktheid komen. (Zie
ook 9.27, 12.10)
47. Het is beter zich aan zijn
eigen taak te wijden, ook al verricht men haar gebrekkig, dan zich over
andermans taak te ontfermen en haar volmaakt te verrichten. De
plichten die de mens zijn voorgeschreven naar gelang zijn wezen leiden nimmer
tot terugslagen zoals bij zondige activiteiten. (Zie ook 3.35)
48. Ieder streven gaat gepaard
met fouten, zoals vuur gepaard gaat met rook. Daarom dient men werk dat met zijn
aard strookt niet te laten varen, O Arjuna, ook al wemelt het van de fouten.
49. Men kan de vruchten der
verzaking ontvangen louter door zelfbeheersing, onthechting van materiële zaken
en geringschatting van materiële geneugten. Dat is de hoogste volmaaktheid der
verzaking.
50. O Arjuna, verneem van Mij hoe
men tot het hoogste peil der volmaaktheid, Brahman, kan komen, door te handelen
op een wijze die Ik nu kort zal samenvatten .
51-53.
Wanneer men door zijn verstand
gelouterd wordt en de geest vastberaden beteugelt, wanneer men hetgeen de zinnen bevredigt laat varen en zich zo bevrijdt
van gehechtheid en haat, wanneer men in afzondering leeft, weinig eet, lichaam
en tong beheerst, altijd in verheven concentratie is en onthecht, zonder
ik-gerichtheid, valse kracht, valse trots, lust en woede, en wanneer men geen
materiële zaken aanneemt, raakt men beslist bevordert tot het peil der
zelfverwerkelijking .
54. Opgaande in de Verhevene
Wezen, verheven kalm in het Zelf, treurt hij niet en begeert hij niet; tegenover
alle schepselen hetzelfde, bereikt hij de hoogste staat van toewijding aan Mij.
55. Door toewijding leert hij Mij
in essentie kennen, wie en wat Ik ben; Mij aldus in essentie kennend, gaat hij
zonder verwijl op in het koninkrijk Gods. (Zie ook 5.19)
56. Een Karma-yogi devoot bereikt
de eeuwige onveranderlijke woonst van Mijn genade – zelfs terwijl alle
verplichtingen worden verricht – gewoon door in Mij toevlucht te zoeken (door
overgave van alle handelingen in liefdevolle devotie aan Mij) .
57. Wijd in oprechtheid alle
handelingen aan Mij, en plaatst Mij als uw verhevene doel, en verbindt u gans
aan Mij. Fixeer steeds uw gemoed op Mij, en verblijf in Karma-yoga .
58.
Aan mij denkend, zult ge door Mijn genade alle
belemmeringen te boven komen; maar zo ge uit zelfzucht niet wilt luisteren,
zult ge tenietgaan.
59. Handelt ge
niet volgens Mijn aanwijzingen en weigert ge te strijden, maar dat is een loos
besluit: de natuur zal u ertoe dwingen.
60.
O Arjuna, gebonden door uw eigen karma, dat uit uw eigen aard is voortgekomen,
zult ge juist dat hulpeloos verrichten wat ge uit
misleiding niet wenst te doen.
61. De Verhevene Heer zetelt in
ieders hart, O Arjuna, en bestuurt het doen en laten van alle levende wezens,
die zich in het lichaam als het ware in een mechaniek bevinden, dat gemaakt is
van de materiële energie.
62. Neemt
uw toevlucht tot Hem met geheel uw wezen, O Arjuna; door zijn genade zult ge de
opperste vrede verkrijgen, de Eeuwige Woonst.
63.
Zo heb ik u de kennis medegedeeld die geheimer is dan
ieder geheim: denk er goed over na, en handelt zoals u het goeddunkt.
64. Luister nog eens naar Mijn
verheven woord, dat het meest verborgen is van al: gij
zijt Mij dierbaar en ge zijt standvastig; daarom wil ik in uw belang spreken.
65. Denk onafgebroken aan Mij en
wees Mij toegewijd. Aanbid Mij en bewijs Mij eer. Zo zult gij
voorzeker tot Mij komen. Ik geef u Mijn woord; gij
zijt Mij dierbaar.
66. Laat alle vormen van geloof
voor wat ze zijn en geeft u slechts aan Mij over. Ik zal u verlossen van de
terugslagen van al uw zonden.
67.
Nooit moogt gij hierover spreken met iemand, die geen
asceet is, nooit met iemand zonder toewijding en ook niet met iemand, die niet
wenst te luisteren en evenmin met degene, die Mij afgunstig is.
68-69.
Wie
dit verheven geheim aan de toegewijden onthult komt
voorzeker tot toegewijde dienst en zal tenslotte tot Mij terugkeren. Geen
dienaar ter wereld is Mij dierbaarder en nimmer zal er een Mij dierbaarder
zijn.
70. En Ik verklaar dat hij die
zich in dit heilige gesprek verdiept, Mij aanbidt met zijn verstand .
71. En wie gelovig en zonder
afgunst naar deze woorden luistert wordt bevrijd van de terugslagen van zijn
zonden en gaat naat de gewesten waar de vromen verblijven .
72. O Arjuna, hebt gij aandachtig naar dit alles geluisterd? En zijn uw
begoocheling en onwetendheid thans verdreven?
73. Arjuna zei: Mijn dierbare
Krishna, O Onfeilbare, mijn begoocheling is thans geweken. Door Uw genade heb
ik mijn geheugen weer terug en ik ben nu sterk, vrij van twijfel en bereid te
handelen zoals Gij het mij opdraagt.
74. Sanjaya zei: Aldus heb ik de
woorden vernomen die twee grote zielen, Krishna en Arjuna, tot elkaar spraken.
En deze boodschap is zo wonderbaarlijk dat mijn haar ervan overeind staat.
75. Door de goedgunstigheid van
Vyasa heb ik geluisterd naar dit geheim en de geheime yoga van de Heer van
yoga, Krishna zelf, zoals hij voor mijn aangezicht
sprak.
76. O Koning, terwijl ik me deze
verwonderlijke en heilige tweespraak van Krishna en Arjuna telkens weer voor de
geest haal, huiver ik onophoudelijk van vreugde.
77.
O Koning, wanneer ik aan de heerlijke gedaante van Heer Krishna denk, word ik
bevangen door nog groter verbazing en verheug ik me keer op keer.
78.
Overal waar Krishna, de Heer van yoga, of Dharma in de vorm der schrifturen, en
Arjuna met de wapens van plicht en bescherming zullen zijn; zal er eeuwige
voorspoed, overwinning, geluk en moraliteit wezen. Dit is mijn overtuiging .
In
de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de
Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de
Heilige Krishna en Arjuna, staat aldus het achttiende hoofdstuk beëindigd, genaamd Verlossing door Verzaking ”.
De
Heer Krishna op de avond van Zijn vertrek der arena deze wereld, nadat was
beëindigd de moeilijke taak de Dharma te vestigen, gaf Hij zijn laatste
afscheidsrede aan Zijn onkel Uddhava die tevens Zijn geliefde devoot en
volgeling was. Op het einde van een lange preek met de inhoud van meer dan
duizend verzen (BP 11.06-29), zei Uddhava: O Heer, ik denk dat het naleven van
yoga zoals Gij (aan Arjuna, en nu) tot mij hebt verteld, moeilijk is en zelfs
voor de meeste mensen, daar het de controle bevat van de onhandelbare zinnen.
Vertel me kort, eenvoudig, en gemakkelijk de weg naar de Godrealisatie. De Heer
Krishna gaf op Uddhava’s aanvraag de bijzonderheden om in deze moderne tijd tot
zelfrealisatie te komen, en deze zijn:
(1) Vervul zo goed mogelijk uw
plichten voor Mij, zonder zelfzuchtige bedoelingen, en herinner Mij ten alle tijde – voor het begin van het werk, bij het
voleindigen van een taak, en tijdens de inactiviteit.
(2) Praktiseer om Mij in alle
creaturen te zien in gedachte, woord en daad; en maak hen mentaal een buiging.
(3)
Ontwaakt uw slapende Kundalini Sakti en besef dat God’s kracht steeds met u is; door de activiteiten van het gemoed, de zinnen, de
ademhaling, en de emoties; en dat Hij voortdurend al het werk verricht door u
als een te instrument in gebruik. Yogïrâja Muntaz zei: de persoon die zich als
een louter instrument herkend en zijnde een sportveld voor het gemoed en de
materie, kent Brahma of de Waarheid. Het beëindigen van alle begeerten door de
ware essentie der wereld en menselijk gemoed te realiseren, is Zelfrealisatie.
Paramahamsa Hariharânanda zei: God is alles en zelfs boven alles. Daarom,
indien ge Hem wilt realiseren, dient ge Hem te zoeken
en Hem zien in ieder atoom, in iedere materie, in ieder lichamelijke functie,
en elk wezen in een houding van overgave.
De
essentie van de Godrealisatie is tevens in de Bhagavad Mahâ Purâna (BP
2.09.32-35) als volgt opgesomd:
De
Verhevene Heer Krishna zei: O Brahma, de persoon die Mij wenst te kennen, de
Verhevene Goddelijke Persoonlijkheid, de Heer Srî Krishna, zou moeten begrijpen
dat Ik voor de schepping bestond, dat Ik in de schepping besta, en evenzo na de
dissolutie. Al andere bestaan is niets anders dan Mijn denkbeeldig energie. Ik
besta in de schepping, en tezelfdertijd buiten de schepping. Ik ben de
alvervullend Verhevene Heer die overal bestaat, in alles, en ten
alle tijde.