Uit “Het Aquariusevangelie van Jezus de Christus”, Levi Dowling

Uitgeverij Schors, Amsterdam

Bestelinformatie: http://www.schors.nl/book/dowl2349.html

 

 

HOOFDSTUK 47

Leven en werken van Jezus in Egypte

 

Jezus bij Elihu en Salomé in Egypte. Vertelt het verhaal van zijn reizen. Elihu en Salomé prijzen God. Jezus gaat naar de tempel in Heliopolis en wordt als leerling aangenomen.

 

EN  JEZUS  KWAM  IN  EGYPTEland en alles was wel. Hij bleef niet aan de kust, maar ging direct door naar Zoan, naar de woning van Elihu en Salomé, waar vijf en twintig jaren geleden, zijn moeder in hun gewijde school was onderwezen.

2. En daar was vreugde toen deze drie elkander ontmoetten. Toen de zoon van Maria het laatst deze gewijde dreven had gezien was hij nog een baby;

3. En nu een man sterk geworden door harde slagen van allerlei aard;

een leraar die in vele landen de menigten wakker had gemaakt.

4. En Jezus vertelde aan de bejaarde leraren over zijn leven; over zijn reizen in vreemde landen; over zijn ontmoetingen met de meesters en over de vriendelijke ontvangsten door de menigten.

5. Elihu en Salomé hoorden zijn verhaal met opgetogenheid aan; zij hieven hun ogen ten hemel en zeiden:

6. Onze Vader-God, laat nu uw dienstknechten gaan in vrede, want wij hebben de glorie van God gezien;

7. En wij hebben met hem, de boodschapper van liefde en van het verbond van vrede op aarde en goede wil voor de mensen, gesproken.

8. Door hem zullen volkeren der aarde gezegend worden; door hem, Immanuel.

9. En Jezus bleef vele dagen in Zoan; en ging toen naar de stad van de zon, die Heliopolis wordt genoemd en verzocht toegang tot de tempel van de heilige broederschap.

10. De raad van de broederschap stemde toe en Jezus stond voor de hiërofant; hij beantwoordde alle vragen die hem gesteld waren duidelijk en met macht.

11. De hiërofant riep uit: Opperste van alle rabbijnen, waarom komt u hier? Uw wijsheid is de wijsheid der goden; waarom zult u in de oorden der mensen naar wijsheid zoeken?

12. En Jezus zeide: Ik wilde alle wegen van het aardse leven bewandelen; ik wilde zitten in iedere hal van onderricht; de hoogten die enig mens bereikt heeft, wilde ik bereiken.

13. Wat enig mens geleden heeft, wilde ik ondergaan, opdat ik het leed, de teleurstellingen en de zware beproevingen van mijn broeder 'mens' zou kennen; opdat ik zou weten, hoe zij, die in nood zijn, geholpen moeten worden.

14. Ik bid u, broeders, laat mij gaan in uw droevigste onderkomens en ik zou uw zwaarste proeven willen ondergaan.

15. De meester zeide: Leg dan de eed van de geheime broederschap af. En zo deed Jezus.

16. De meester sprak opnieuw en zeide: De grootste hoogten worden bereikt door hen, die door de diepste diepten gaan; en u zult door de diepste diepten gaan.

17. Toen ging de gids Jezus voor en leidde hem naar de fontein waarin hij baadde, waarna hij in passend gewaad, wederom voor de hiërofant

verscheen.

 

HOOFDSTUK 48

 

Jezus ontvangt van de hiërofant zijn mystieke naam en nummer. Ondergaat de eerste proef van de broederschap en ontvangt de eerste graad: oprechtheid.

 

DE MEESTER NAM EEN LIJST van de wand waarop het nummer en de naam van alle karaktereigenschappen werd geschreven. Hij zeide:

2. De cirkel is het symbool van de volmaakte mens en zeven is het getal van de volmaakte mens.

3. De logos is het volmaakte woord; dat wat schept, dat wat vernietigt en dat wat redt.

4. Deze hebreeuwse meester is de logos van de Eén-Heilige, de cirkel van het menselijke ras, de zeven-tijd.

5. En de schrijver schreef in het register: De logos - cirkel - zeven. En zo was Jezus getypeerd.

6. De meester zeide: De logos moet acht slaan op hetgeen ik zeg: Geen mens kan in het licht binnengaan voor hij zichzelf heeft gevonden. Gaat en zoekt tot ge uw ziel hebt gevonden en keer dan terug.

7. De gids leidde Jezus naar een kamer, waarin het licht flauw en zacht was, als het licht van een jonge dageraad.

8. De muren van de kamer waren bewerkt met mystieke tekens, met hiëroglyphen en gewijde teksten; en in deze kamer bevond Jezus zich alleen en bleef daar vele dagen.

9. Hij las de gewijde teksten; doorvorste de bedoeling van de hiëroglyphen en zocht naar de betekenis van de opdracht van de meester om zichzelf te vinden.

10. Een openbaring kwam; hij leerde zijn ziel kennen; hij vond zichzelf; toen was hij niet meer alleen.

11. Op een nacht toen hij sliep, ging tegen middernacht een deur die hij nog niet opgemerkt had, open en een priester in somber gewaad trad binnen en zeide:

12. Mijn broeder, vergeef mij dat ik op dit onbehoorlijke uur kom, maar ik ben gekomen om uw leven te redden.

13. Gij zijt het slachtoffer van een gruwelijk complot. De priesters van Heliopolis zijn jaloers op uw vermaardheid en zij hebben gezegd dat u deze sombere crypt nooit levend zult verlaten.

14. De hogere priesters gaan niet voort met het onderrichten van de wereld en gij zijt gedoemd tot tempelslavernij.

15. Dus, wanneer ge vrij zou willen zijn, moet ge deze priesters om de tuin leiden; en hun vertellen dat ge hier uw leven lang zult blijven.

16. En dan, wanneer u vergaard hebt al wat u wenst, kom ik terug en zal u langs een geheime weg uitleiden opdat ge in vrede kunt weggaan.

17. En Jezus zeide: Mijn broeder, zijt ge hier gekomen om mij bedrog te leren? Ben ik hier binnen deze heilige muren gekomen om de slinkse streken van geheime huichelarij te leren?

18. Neen, man, mijn Vader veracht bedrog, en ik ben hier om Zijn wil te doen.

19. Deze priesters om de tuin leiden. Nooit, zolang de zon schijnen zal. 

Wat ik gezegd heb, dat heb ik gezegd. Ik wil eerlijk zijn tegenover hen, tegenover God en tegenover mijzelf.

20. En toen verdween de verzoeker en Jezus was wederom alleen; maar na korte tijd verscheen een in het wit geklede priester en zeide:

21. Goed gedaan. De logos heeft gezegevierd. Dit is de kamer voor onderzoek naar huichelarij. En toen ging hij Jezus vóór en stond deze voor de vierschaar.

22. En alle broeders stonden; de hiërofant trad naar voren, legde zijn hand op het hoofd van Jezus en legde in zijn handen een rol waarop slechts één woord geschreven stond: OPRECHTHEID; en geen woord werd gesproken.

23. De gids verscheen opnieuw en ging hem voor en in een ruime kamer vol met alles wat een leerling kan verlangen, werd Jezus verzocht te rusten en te wachten.

 

 

HOOFDSTUK 49

 

Jezus ondergaat de tweede proef van de broederschap, en ontvangt de tweede graad: gerechtigheid.

 

DE LOGOS HAD GEEN BEHOEFte aan rust; hij zeide: Waarom moet ik wachten in deze luxueuze kamer? Ik heb geen rust nodig; het werk van mijn Vader jaagt mij voort.

2. Ik wil doorgaan en al mijn lessen leren. Als er beproevingen komen, laat ze komen, want elke overwinning over mijzelf verhoogt mijn krachten.

3. En toen bracht de gids hem in een kamer, donker als de nacht en daar werd hij alleen gelaten; en vele dagen werden in deze diepe eenzaamheid doorgebracht.

4. En Jezus sliep, en in het nachtedonker werd een geheime deur geopend, en, twee als priesters geklede mannen kwamen binnen; een ieder van hen droeg een kleine flikkerende lamp in zijn hand.

5. Jezus naderende, een van hen sprak en zeide: Jonge man, onze harten zijn bedroefd om alles wat ge hier in deze holen moet ondergaan, en wij zijn gekomen om u, als vrienden, licht te brengen en u de weg naar de vrijheid te wijzen.

6. Wij waren eens, evenals u, in zulk een hok opgesloten en dachten, dat wij langs deze griezelige, zonderlinge wegen, tot gelukzaligheid en macht zouden geraken.

7. Maar door een toeval werden wij uit de droom geholpen en, gebruik makende van al onze kracht, verbraken wij onze ketenen en toen zagen wij in, dat alles vermomde corruptie is. Deze priesters zijn ondergedoken misdadigers.

8. Zij gaan op in offer-plechtigheden; zij offeren aan hun goden en branden voor hen arme levende vogels en dieren. Ja, zelfs kinderen, vrouwen, mannen.

9. En nu houden ze u hier vast en te zijner tijd nemen ze u als slachtoffer.

10. Wij smeken u, broeder, verbreek uw ketenen; kom, ga met ons mede; aanvaard de vrijheid nu ge nog kunt.

11. En Jezus zeide: Jullie kleine waspitten laten zien wat voor licht jullie brengen. Voorwaar, wie zijn jullie? De woorden van een mens zijn niet meer waard dan de mens zelf.

12. Deze tempelmuren zijn sterk en hoog, hoe kwamen jullie deze plaats binnen?

13. De mannen antwoordden: Onder deze muren zijn veel verborgen wegen en wij zijn priesters geweest, die maanden en jaren in deze holen hebben doorgebracht; wij weten er alles van.

14. Dan zijn jullie verraders, zeide Jezus. Een verrader is een vijand. Hij die een ander verraadt is nooit te vertrouwen.

15. Wanneer iemand het niveau van bedrog bereikt heeft is hij op bedrog gesteld, en zal een vriend bedriegen om zijn zelfzuchtige zelf te dienen.

16. Zeker mensen, of wat ge ook moogt zijn, ik begrijp best wat ge wilt zeggen.

17. Kan ik voorbarig oordelen over deze honderd priesters, verrader worden van mijzelf en van hen, om alles wat gij zegt, terwijl gij zelf uw verraad bekent?

18. Geen mens kan voor mij oordelen; en als ik oordeel voordat alle bewijzen er zijn, zou ik niet juist kunnen oordelen.

19. Neen, mensen, op welke wijze gij hier ook gekomen zijt, keer terug. Mijn ziel verkiest de duisternis van het graf boven deze kleine flikkerende lichten, die gij gezit.

20. Mijn bewustzijn regeert; ik zal wel horen wat deze, mijn broeders, hebben te zeggen, en wanneer alle bewijzen aanwezig zijn, zal ik beslissen. Gij kunt niet voor mij oordelen en ik niet voor u.

21. Scheer je weg, mannen, scheer je weg, en laat mij over aan dit charmante licht; want hoewel de zon niet schijnt, binnen in mijn ziel is een licht, dat het licht van de zon en van de maan te boven gaat.

22. Toen, onder het uiten van woedende dreigement, dat zij hem kwaad zouden doen, verdwenen de doortrapte verzoekers en Jezus was wederom alleen.

23 . Weer verscheen de in het wit geklede priester en ging hem voor en Jezus stond weer voor de hiërofant.

24. En geen woord werd gesproken, maar de meester legde in zijn handen een rol waarop het woord GERECHTIGHEID was geschreven.

25. En Jezus was meester over de fantomen vooroordeel en verraad.

 

 

HOOFDSTUK 50

 

Jezus ondergaat de derde proef van de broederschap en ontvangt de derde graad: geloof

 

DE   LOGOS     WACHTTE      ZEVEN    DAgen en werd toen geleid naar de hal van roem, een weelderig ingericht vertrek en verlicht door gouden en zilveren lampen.

2. De kleuren van het plafond, versieringen, meubels en muren waren blauw en goud.

3. De boekenplanken waren gevuld met boeken van grote geesten; de schilderijen en de beelden waren het werk van de grootste kunstenaars.

4. En Jezus was verrukt over al deze elegance en deze wijze van vormgeving van gedachten. Hij las de gewijde boeken en zocht naar de betekenis van de symbolen en hiëroglyphen.

5. En toen hij zeer in gedachten verdiept was, naderde een priester hem en zeide:

6. Voorwaar, welk een heerlijk oord; mijn broeder. gij zijt rijk gezegend. Er zijn weinig mensen op aarde, die zo jong reeds zulk een roemvolle hoogte hebben bereikt.

7. Als ge nu uw leven niet verspilt met het zoeken naar verborgen dingen, die mensen nooit kunnen begrijpen, zoudt ge stichter van een instituut van denken kunnen worden en blijvende roem uw deel zijn;

8. Want uw filosofie is veel dieper dan die van Plato en het gewone volk hoort uw lessen liever dan die van Socrates.

9. Waarom zoeken naar mystiek licht binnen deze verouderde onderkomens? Ga naar buiten en wandel met mensen, en denk met mensen, en zij zullen u vereren.

10. En bovendien, al deze geheimzinnige inwijdingen konden wel eens fabels zijn, en uw hopen op de Messias wel eens valse illusies van het moment.

11. Ik zou u willen raden onzekere dingen vaarwel te zeggen en de koers te nemen die naar zekere roem leidt.

12. En aldus zong de priester, een vermomde demoon, zijn syrene zangen van wantrouwen; en Jezus dacht lang en diep na over hetgeen hij zeide.

13. Het conflict was bitter, want koning Eerzucht is een sterke vijand om mee te vechten.

14. Gedurende veertig dagen worstelde het hoger zelf met het lager zelf, en toen was de strijd gewonnen.

15. Het geloof verrees zegevierend; wantrouwen, ongeloof, was niet meer. Eerzucht verborg zijn gelaat en vluchtte weg, en Jezus zeide:

16. De weelde, de eer en de roem der aarde zijn slechts beuzelingen van een uur.

17. Wanneer deze korte spanne tijds van aards leven afgelegd is, zullen die brandende beuzelingen van de mens tezamen met zijn botten verbrand worden.

18. Ja, wat een mens voor zijn lager zelf doet, zal niet op de creditzijde van zijn leven geschreven worden.

19. Het goede dat de mensen voor anderen doen, wordt een sterke ladder, waarlangs de ziel zal kunnen opklimmen tot weelde, macht en roem van Gods eigen aard, die nooit voorbij kunnen gaan.

20. Geef mij de armoede van de mensen, het bewustzijn van in liefde verrichte plicht, de goedkeuring van mijn God, en ik zal tevreden zijn.

21. En toen hief hij zijn ogen ten hemel en zeide:

22. Mijn Vader-God, ik dank u voor dit uur. Ik vraag niet om de glorie van U-zelf; ik zou met vreugde een bewaarder van Uw tempelpoorten zijn en mijn broedermens dienen.

23. Wederom werd Jezus geroepen om voor de hiërofant te verschijnen; wederom werd geen woord gesproken, maar de meester legde in zijn handen een rol, waarop het woord GELOOF geschreven stond.

 24. En Jezus boog, ootmoedig dankend, zijn hoofd; en ging zijns weegs.

 

 

HOOFDSTUK 51

 

Jezus ondergaat de vierde proef van broederschap en ontvangt de vierde graad: naastenliefde.

 

TOEN ENIGE DAGEN VERLOPEN waren, leidde de gids Jezus naar de hal der vrolijkheid, rijkelijk gemeubileerd, vol van alles wat een vleselijk hart maar kon begeren.

2. De meest uitgezochte gerechten en de heerlijkste wijnen stonden op de tafels; en diensters, in vrolijke kleding, bedienden allen met bevalligheid en opgewektheid.

3. En daar waren mannen en vrouwen, allen rijk gekleed; en zij waren dol van vreugde; zij namen een teugje van elke beker vrolijkheid.

4. Een tijdje lang sloeg Jezus de vrolijke drom in stilte gade, en toen kwam een man, gekleed als wijze, en zeide: Het meest gelukkig is de mens, die als de bijen, het zoete uit elke bloem kan verzamelen.

5. De wijze mens is hij, die de genoegens najaagt en deze overal kan vinden.

6. Op z'n best is de spanne van het leven van een mens op aarde, kort, en dan sterft hij en gaat heen, maar hij weet niet waarheen.

7. Daarom, laat ons eten en drinken en dansen en zingen en de vreugde van het leven nemen, want de dood komt met rasse schreden.

8. Het is alleen maar dwaasheid om een leven aan andere mensen te besteden. Voorwaar, allen sterven en liggen tezamen in een graf, waar niemand iets van dankbaarheid kan weten, noch dankbaarheid kan tonen.

9. Maar Jezus antwoordde niet; hij staarde, zwijgend, in gedachten, op al die schijn-deftige gasten, druk in de weer met al hun pleziertjes.

10. En toen zag hij onder de gasten een sjofel geklede man, die in gelaat en handen de sporen van zwoegen en armoede droeg.

11. De lichtzinnige schare vond er een genoegen in hem te beledigen; zij duwden hem tegen de muur en lachten om zijn kennelijke beduusdheid.

12. En toen kwam een arme, zwak uitziende vrouw, die in haar gelaat en voorkomen de tekenen van zonde en schande droeg; zij werd genadeloos bespuwd en gehoond en uit de zaal gejaagd.

13. En toen kwam een verlegen en hongerig kind binnen en vroeg slechts een hapje van hun eten.

14. Maar het werd ongespijzigd en liefdeloos weggejaagd; en de vrolijke dans ging ongestoord voort.

15. En toen de genotzoeker Jezus voorstelde zich bij hen te voegen, zeide hij:

16. Hoe kan ik vrolijk zijn waar anderen in nood zijn? Hoe kunt u denken, dat ik mijzelf met het goede des levens kan volstoppen, terwijl de kinderen om brood huilen, terwijl zij die in zonde leven om sympathie en liefde roepen?

17. Ik zeg u, neen; wij zijn allen aan elkaar verwant, een ieder is een deel van het grote menselijke hart.

18. Ik kan mijzelf niet los zien van die man, die zo gehoond en tegen de muur geduwd werd;

19. Noch van die vrouw, die uit de holen van ondeugd kwam om sympathie en liefde vroeg en zo meedogenloos door u in die zondekrochten terug gestoten werd;

20. Noch voel ik mij los van dit kleine kind, dat uit uw midden in de koude, snijdende nachtwind gestuurd werd.

21. Ik zeg u, mensen, wat gij aan dezen, mijn verwanten, hebt misdaan, dat hebt gij mij gedaan.

22. Gij hebt mij in uw eigen huis beledigd, ik kan niet blijven. Ik ga weg en wil dat kind zoeken, die vrouw en die man en hen helpen tot mijn levensbloed geheel is weggeëbd.

23. Voor mij is het vreugde wanneer ik de hulpelozen help, de hongerigen voed, de naakten kleed, de zieken genees en bemoedigende woorden spreek tot die niet bemind, ontmoedigd en terneergeslagen zijn.

24. En dit wat gij vreugde noemt is slechts een fantoom van de nacht; maar in wezen zijn het vuurflitsen van hartstocht, gekleurde tekeningen op de muren van de tijd.

25. En terwijl de logos nog sprak trad de in het wit geklede priester binnen en zeide tot hem: De raad wacht u.

26. Toen stond Jezus wederom voor de vierschaar; wederom werd geen woord gesproken; de hiërofant legde in zijn handen een rol waarop geschreven stond: NAASTENLIEFDE.

27. En Jezus was overwinnaar van zijn zelfzuchtige Ik.

 

 

 

HOOFDSTUK 52

 

Jezus verblijft veertig dagen in de wouden bij de tempel. Hij ondergaat de vijfde proef van de broederschap en ontvangt de vijfde graad: moed.

 

DE GEWIJDE TEMPELWANDEN waren rijk voorzien van standbeelden, monumenten en altaren. Jezus wandelde en mediteerde hier gaarne.

2. En nadat hij zichzelf overwonnen had, sprak hij met de natuur in deze bossen, veertig dagen lang.

3. En toen nam de gids koorden en bond hem aan handen en voeten vast; en wierp hem dan in een hol met hongerige dieren, onreine vogels en kruipend gedierte.

4. Het hol was donker als de nacht, de wilde dieren huilden; de vogels krijsten woedend; de reptielen sisten.

5. En Jezus zeide: Wie heeft mij zo gebonden? Waarom liet ik mij zo gelaten met koorden binden?

6. Ik ben er zeker van dat niemand de macht heeft een menselijke ziel te binden. Waarvan zijn boeien gemaakt?

7. En hij stond op in macht en wat

hij voor boeien had aangezien waren waardeloze touwtjes, die braken toen hij ze aanraakte.

8. En toen lachte hij en zeide: De ketenen die de mensen aan de aardse karkassen binden, zijn gesmeed in de werkplaats van de fantasie; zijn gemaakt van lucht en gesmeed in de vuren van illusie.

9. Als de mens recht staat en de macht van de wil gebruikt, zullen zijn ketenen afvallen als waardeloze vodden; want wil en geloof zijn sterker dan de sterkste ketenen die de mensen ooit zullen maken.

10. En Jezus stond rechtop tussen de hongerige dieren en vogels en zeide: Wat is deze duisternis die mij omringt?

11. Zij is alleen de afwezigheid van licht. En wat is licht? Slechts de adem Gods die in het ritme van snelle gedachten vibreert.

12. En toen zeide hij: Er zij licht, en met een machtige wil stuwde hij de ethers op en hun vibraties bereikten de oorden van het licht en daar was licht.

13. De duisternis van het nachtdonker hol werd de klaarheid van een nieuw geboren dag.

l4. En toen keek hij om naar de beesten en de vogels en het kruipend gedierte, en zie, ze waren weg.

15. En Jezus zeide: Waarvoor zijn zielen bang? Vrees is de wagen waarin de mens naar de dood rijdt;

16. En wanneer hij zichzelf in de do-

denkamer hervindt, ziet hij in, dat hij bedrogen is; zijn wagen was een mythe en de dood een kind van de verbeelding.

17. Maar eens zullen alle lessen door de mens geleerd zijn, en vanuit het

hol met onreine dieren, vogels en kruipend gedierte, zal hij oprijzen en wandelen in het licht.

18. En Jezus zag een gouden ladder staan, die hij beklom en boven gekomen zijnde, wachtte de in het wit geklede priester hem op.

19. Wederom stond hij voor de vierschaar; wederom werd geen woord gesproken; wederom strekte de hiërofant zegenend zijn hand uit.

20. Hij legde in Jezus' handen een rol en hierop was geschreven: MOED.

21. De logos had de vrees en zijn gehele menigte fantomen het hoofd geboden en in het conflict de overwinning behaald.

 

 

HOOFDSTUK 53

 

Jezus ondergaat de zesde proef van de broederschap en ontvangt de zesde graad; de goddelijke liefde.

 

IN HET GEHELE LAND WAS geen plaats grootser ingericht dan de schitterende hallen van de tempel van de zon.

2. Slechts weinig leerlingen bezochten deze rijk ingerichte hallen; de priesters beschouwden ze met eerbied en noemden ze de mysteriehallen.

3. Toen Jezus de overwinning over de vrees had behaald, verkreeg hij het recht hier binnen te gaan.

4. De gids ging hem voor en na het passeren van vele rijk ingerichte hallen, bereikten zij de hal van harmonie en hier werd Jezus alleen gelaten.

5. Tussen de muziekinstrumenten stond een klavecimbel en toen Jezus het peinzend zat te bekijken trad heel rustig een jonkvrouw van verrukkelijke schoonheid de hal binnen.

6. Zij scheen Jezus, zoals hij daar zat te peinzen, niet op te merken.

7. Zij ging voor het klavecimbel zitten, sloeg heel zachtjes de accoorden aan en zong de liederen van Israël.

8. En Jezus was verrukt. Nooit had hij zulk een schoonheid gezien; nooit zulke muziek gehoord.

9. Het meisje zong haar liederen; zij scheen niet te weten dat er iemand aanwezig was; zij verdween weer.

10. En Jezus in zichzelf overleggende, riep uit: Wat is de bedoeling van dit voorval. Ik wist niet dat er onder de mensenkinderen zulk een verrukkelijke schoonheid en zulk een koninklijke lieftalligheid bestond.

11. Ik wist niet dat een engelenstem ooit een menselijke stem begenadigde of dat serafijnen-muziek ooit van menselijke lippen kon komen.

12. Dagenlang zat hij in vervoering; de loop van zijn gedachten was veranderd; hij dacht aan niets anders dan aan de zangeres en haar liederen.

13. Hij verlangde haar weer te zien en na enkele dagen kwam zij weer; zij sprak en legde haar hand op zijn hoofd.

14. Haar aanraking doorhuiverde zijn gehele ziel en een tijd lang was de arbeid waarvoor hij gezonden was, vergeten.

15. Weinig waren de woorden die het meisje sprak; zij ging weer heen; maar nu was het hart van Jezus aangeraakt.

16. Een vlam van liefde was in zijn ziel ontstoken en hij was genoodzaakt de zwaarste beproeving van zijn leven het hoofd te bieden.

17. Hij kon niet eten noch slapen. De gedachten aan het meisje kwamen; zij wilden niet weg gaan.

Zijn menselijke natuur riep luid om haar gezelschap.

18. En toen zeide hij: Zie, iedere vijand die ik ontmoet heb, heb ik overwonnen en zal ik nu door deze menselijke liefde overwonnen worden?

19. Mijn Vader heeft mij hier gezonden om de macht van de goddelijke liefde te tonen, die liefde die elk levend wezen bereikt.

20. Zal deze zuivere, universele liefde door menselijke liefde - geabsorbeerd worden?

21. Zal ik alle andere wezens vergeten en mijn leven verliezen aan deze schone jonkvrouw, hoewel zij de hoogste vertegenwoordigster is van schoonheid, zuiverheid en liefde?

22. Zijn ziel was tot in haar diepste diepte beroerd en lang worstelde hij met deze engel-afgod van zijn hart.

23. Maar toen de dag nagenoeg voorbij was, verrees zijn hoger ego in macht; hij hervond zichzelf weer en toen zeide hij: Ofschoon mijn hart zal breken, wil ik niet in mijn zwaarste opdracht falen; ik wil overwinnaar zijn over menselijke liefde.

24. En toen de jonkvrouw kwam en hem haar hand en hart bood, zeide hij:

25. Mijn lieve, alleen reeds uw aanwezigheid doortrilt mij met verrukking; uw stem is zegening voor mijn ziel; mijn menselijk wezen zou met u willen vluchten en bevredigd zijn in uw liefde.

26. Doch de gehele wereld hunkert naar een liefde die ik ben komen openbaren.

27. Ik moet u dus verzoeken heen te gaan; maar wij zullen elkander weer ontmoeten; onze wegen op aarde zullen niet gescheiden zijn.

28. Ik zie u in de gejaagde aardse menigte als dienares der liefde; ik hoor uw stem in de liederen die de harten der mensen voor betere dingen zal winnen.

29. En toen ging de jonkvrouw in verdriet en tranen heen en Jezus was wederom alleen.

30. En ogenblikkelijk begonnen de tempelklokken te luiden; de zangers zongen een geheel nieuw lied; alles baadde in een zee van licht.

31. De hiërofant verscheen zelf en zeide: Heil u, triomferende logos, heil.

De overwinnaar van menselijke liefde heeft de top bereikt.

32. En dan overhandigde hij Jezus een rol waarop geschreven was: GODDELIJKE LIEFDE.

33. Tezamen verlieten zij de schone omgeving en in de feestzaal was een feest aangericht en was Jezus de geëerde gast.

 

 

HOOFDSTUK 54

 

Jezus wordt een privé-leerling van de hiërofant en wordt onderricht in de mysteriën van Egypte. Terwijl hij de zevende proef van de broederschap ondergaat, werkt hij in de dodenkamer.

 

DE SENIORENLEERGANG WAS nu voor Jezus geopend en werd hij een leerling van de hiërofant.

2. Hij leerde de geheimen van de mystieke kunde van Egypteland; de mysteriën van leven en dood van de werelden achter de cirkel van de zon.

3. Toen hij alle studies van de seniorenleergang beëindigd had, ging hij naar de dodenkamer om de overoude methoden van het balsemen der doden, te leren; en hier werkte hij.

4. En dragers brachten het lichaam van de enige zoon ener weduwe, binnen om te worden gebalsemd; de wenende moeder volgde hem op de voet; haar verdriet was groot.

5. En Jezus zeide: Goede vrouw, droog uw tranen; gij volgt nu slechts een ledige huls; uw zoon is daar niet in.

6. Gij weent omdat uw zoon dood is. Dood is een wreed woord; uw zoon kan nooit sterven.

7. Hij had hier in het stofkleed een hem opgedragen taak te volbrengen.

8. Hij kwam, deed zijn werk en legde het stofkleed terzijde om over te gaan tot het volbrengen van opdrachten, die boven het bewustzijn uitgaan, en zó zal hij ten slotte de kroon van het volmaakte leven ontvangen.

9. En wat uw zoon heeft en wat hij nog moet doen, moeten wij allen doen.

10. Als gij nu uw verdriet koestert en uw smart de vrije teugel laat, zullen zij elke dag groter worden. Zij zullen uw gehele leven in beslag nemen tot u ten slotte niets meer bent dan een hoopje ellende, doorweekt van bittere tranen.

11. In plaats van hem te helpen, maakt gij, door uw groot verdriet, het uw zoon alleen maar moeilijk. Hij zoekt nu uw troost, zoals hij steeds gedaan heeft; is blijde wanneer gij blij zijt; is bedroefd wanneer gij treurt.

12. Begraaf uw narigheden diep en glimlach om verdriet en verlies uzelf door de tranen van anderen te helpen drogen.

13. Na gedane plicht komen geluk en vreugde; en vrolijkheid bemoedigt de harten van hen, die overgegaan zijn.

 14. De wenende vrouw keerde zich om en ging op weg om geluk te vinden in hulpvaardigheid; om haar leed diep te begraven in het geven van vreugde.

15. toen kwamen wederom andere dragers en brachten het lichaam van een moeder naar de kamer der doden; en slechts één treurende volgde, een teer jong meisje.

16. En terwijl de stoet de deur naderde bemerkte het kind een vogel in grote nood; de pijl van een wrede jager had zijn borst doorboord.

17. Zij stopte met het volgen van de dode en ging de levende vogel helpen.

18. Teder en liefdevol drukte zij de gewonde vogel tegen haar borst en haastte zich dan terug naar haar plaats.

19. En Jezus zeide tot haar: Waarom verliet je de dode om een gewonde vogel te helpen?

20. Het meisje zeide: Dit levenloze lichaam heeft mijn hulp niet meer nodig, maar ik kan helpen wat nog leeft; mijn moeder heeft mij dat geleerd.

21. Mijn moeder leerde mij, dat verdriet en zelfzuchtige liefde, hoop en vrees slechts reflexen zijn van het lager zelf;

22. Dat wat wij voelen slechts rimpels zijn op de aanrollende golven van het leven.

23. Dat alles gaat voorbij; is niet werkelijk.

24. Tranen vloeien uit vleselijke harten; de geest weent nooit; en ik verlang naar de dag waarop ik in het licht wandelen zal, waar tranen weggewist worden.

 25. Mijn moeder zeide, dat alle emoties de fijne uitspruitsels zijn van menselijke liefde, hoop en angsten; dat wij geen volmaakt geluk kennen voordat deze overwonnen zijn.

26. En in tegenwoordigheid van het kind boog Jezus zijn hoofd in eerbied. Hij zeide:

27. Gedurende dagen, maanden en jaren heb ik getracht deze hoogste waarheid te leren en nu vertelt een jong kind, dat nog niet lang op de aarde is, mij alles in een korte spanne tijds.

28. Geen wonder dat David zeide: O God, onze God, hoe uitnemend is Uw naam over de gehele wereld;

29. Uit de mond van jonge kinderen en zuigelingen doet gij kracht voortkomen.

30. En toen legde hij zijn hand op het hoofd van het meisje en zeide: Ik ben er zeker van dat de zegeningen van mijn Vader-God voor altijd op je zullen rusten.

 

 

HOOFDSTUK 55

 

Jezus gaat door de zevende proef van de broederschap en ontvangt in de purperen zaal van de tempel, de zevende, de hoogste graad: de Christus. Hij verlaat de tempel als overwinnaar.

 

HET WERK VAN JEZUS IN DE dodenkamer was verricht en hij stond in de purperen zaal van de tempel voor de hiërofant.

2. En hij was gekleed in purperen gewaden; en alle broeders stonden. De hiërofant stond op en zeide:

3. Dit is een koninklijke dag voor al de scharen Israëls. Ter ere van hun uitverkoren zoon celebreren wij heden het grote paasfeest.

4. En toen zeide hij tot Jezus: Broeder, man, uitnemendste der mensen, in alle tempelproeven hebt gij glansrijk overwonnen.

5. Zes maal zijt gij door de vierschaar beoordeeld; zes maal hebt gij de hoogste onderscheidingen, die een mens kan geven, ontvangen; en thans staat gij gereed om de laatste graad te ontvangen.

6. Op uw voorhoofd plaats ik dit diadeem en in de grote loge van hemel en aarde, zijt gij de Christus.

7. Dit is uw groot paas-ritueel. Gij zijt nu geen neofiet meer, maar een grote geest.

8. Nu kan een mens niets meer doen; maar God zelf zal spreken en zal uw titel en graad bevestigen.

9. Gaat uw weg, want gij moet het evangelie van 'welbehagen in mensen en vrede op aarde' prediken; gij moet de gevangenisdeuren openen en de gevangenen bevrijden.

10. En terwijl de hiërofant nog sprak, luidden de tempelklokken overluid; een zuiver witte duif daalde neer en zette zich op het hoofd van Jezus.

11. En een stem, die de tempel op haar grondvesten deed schudden, zeide:

DIT IS DE CHRISTUS; en ieder levend wezen zeide: AMEN.

12. De grote tempeldeuren werden wijd geopend; de logos ging zijns weegs als overwinnaar.