de onstandvastigheid van het ik
„Al wat ontstaan is, zal weder opgelost worden. Alle zorg over het Zelf is ijdel; het ik is gelijk een spiegel, en alle beroeringen, die het aanraken, zullen voorbijgaan. Zij zullen verdwijnen gelijk een nachtmerrie, wanneer de slapende ontwaakt.
„Hij, die ontwaakt is, is bevrijd van vrees; hij is Boeddha geworden; hij kent de ijdelheid van al zijn zorgen, zijn eerzucht en ook van zijn smarten.
„Het gebeurt lichtelijk, dat een man, die een bad neemt, op een nat touw stapt en meent, dat het een slang is. Afschuw zal hem doen ontstellen en hij zal sidderen van vrees, daar hij in de geest de doodstrijd voorziet, die van de giftige beet der slang het gevolg zal zijn. Welk een verlichting ervaart deze man, wanneer hij ziet, dat het touw geen slang is. De oorzaak van zijn schrik ligt in zijn dwaling, zijn onwetendheid, zijn waan. Zo de ware aard van het touw erkend is, zal zijn kalmte van geest wederkeren; hij zal zich verlicht gevoelen; hij zal vrolijk en gelukkig zijn.
„Dit is de geestestoestand van degeen, die erkend heeft, dat er geen Zelf is, de oorzaak van al zijn verwarring, zorgen en ijdelheden een luchtspiegeling, een schaduw, een droom is.
„Gelukkig degeen, die alle zelfzucht overwonnen heeft; gelukkig degeen, die de vrede bereikt heeft; gelukkig degeen, die de waarheid gevonden heeft.
„De waarheid is edel en liefelijk; de waarheid kan u van het kwade verlossen. Er is geen andere heiland in de wereld dan de waarheid.
„Heb vertrouwen in de waarheid, al vermoogt gij ze niet te begrijpen, al moogt gij haar zoetheid wanen bitter te zijn, al moogt gij er in het eerst voor terugschrikken. Vertrouw in de waarheid.
„De waarheid is het beste, zoals zij is. Niemand kan haar veranderen; noch kan iemand haar verbeteren. Heb vertrouwen in de waarheid en leef in de waarheid.
„Dwalingen leiden van de goede weg; inbeeldingen doen ellende ontstaan. Zij bedwelmen gelijk sterke drank; doch weldra verdwijnen zij en laten de mens ziek en in walging achter.
„Het Zelf is een koorts; het Zelf is een vluchtig visioen, een droom; doch de waarheid is gezond, de waarheid is verheven, de waarheid is eeuwig van duur. Er is geen onsterfelijkheid buiten de waarheid. Want de waarheid alleen blijft in eeuwigheid."
En toen de leer verkondigd was, onderscheidde de eerwaarde Kaundinja, de oudste der vijf bhiksjoe's, de waarheid met het oog zijns geestes, en hij zeide: „Voorwaar, o Boeddha, onze Heer, gij hebt de waarheid gevonden."
En de dewa's en de heiligen en alle goede geesten der voorbijgegane geslachten, die naar de prediking van de Tathagata geluisterd hadden, ontvingen vol vreugde de leer en riepen uit:
„Waarlijk, de Gezegende heeft het koninkrijk der gerechtigheid gevestigd. De Gezegende heeft de aarde bewogen; hij heeft het wiel der Waarheid tot wenteling gebracht; dat door niemand in het heelal, door god noch mens, ooit tegengehouden kan worden. Het koninkrijk der Waarheid zal op aarde verkondigd worden; het zal zich verbreiden; en gerechtigheid, welwillendheid en vrede zal onder de mensheid heersen."
~~~~
Zelf en Karma
Arada en Oedraka waren vermaard als leraars onder de Brahmanen, en er was niemand in die dagen, die hen overtrof in geleerdheid en wijsgerige kennis.
Bodhisattwa ging tot hen en zat aan hun voeten. Hij luisterde naar hun lering over atman of het „zelf,” hetwelk het geestelijk-ik is en degene, die alle daden doet. Hij leerde hun denkbeelden over de verhuizing der zielen en over de wet van karma; hoe de zielen van boze mensen moesten lijden door herboren te worden in mensen van lage stand, in dieren, of in de hel, terwijl degenen, die zichzelven verreinden door gaven en offeranden en door zelfkastijding, koningen of Brahmanen of dewa's zouden worden, tot steeds hoger trap van bestaan stijgende. Hij bestudeerde hun bezweringen en offers en de wijze, waarop zij in toestand van geestverrukking het „ik" wisten te bevrijden van het stoffelijk bestaan.
Arada zeide: „Wat is dat „zelf,” dat de werkzaamheid van de vijf wortelen des geestes, gevoel, reuk, smaak, gezicht en gehoor, waarneemt? Wat is datgene, wat werkzaam is in de twee wijzen van voortbeweging, in handen en voeten, Het vraagstuk der ziel vertoont zich in de uitdrukkingen „ik zeg,” „ik ken en neem waar,” „ik kom,” en „ik ga" of „ik wil hier blijven.” De ziel is niet uw lichaam; niet uw oog, noch uw oor, noch uw neus, noch uw tong; evenmin uw verstand. Het „ik" is hij, die de aanraking in uw lichaam voelt. Het „ik" is de ruiker in de neus, de proever in de tong, de ziener in het oog, de hoorder in het oor, en de denker in het verstand. Het „ik" beweegt uw handen en uw voeten. Het „ik" is uw ziel.
Twijfelen aan het bestaan der ziel is ongodsdienstig, en zonder het onderscheiden van deze waarheid is er geen weg ter verlossing.
Diep nadenken zal lichtelijk de geest verwarren; het leidt tot dwaling en ongeloof; maar reiniging der ziel voert tot de weg ter ontkoming. De ware bevrijding wordt bereikt door zich van de menigte af te zonderen en het leven van kluizenaar te leiden, en zich alleen met de opbrengst van aalmoezen te voeden. Door alle begeerten weg te doen en duidelijk het niet-bestaan der stof te erkennen, bereiken wij een toestand van volkomen ontbondenheid. Hierin vinden wij de voorwaarde van onstoffelijk leven. Gelijk het moendzja-gras, wanneer het ontdaan is van zijn hoornige huls, of gelijk de wilde vogel uit zijn gevangenis ontsnapt, zo vindt het „ik,” wanneer het zich van alle beperkingen losmaakt, volmaakte vrijheid. Dit is de ware bevrijding, doch alleen degenen, die een diep geloof hebben, kunnen dit leren."
Bodhisattwa vond geen bevrediging in deze leringen. Hij antwoordde: „De mensen zijn gebonden, omdat zij nog geen afstand gedaan hebben van het denkbeeld „ik.”
„Het voorwerp en zijn hoedanigheid verschillen van elkaar in onze gedachte, maar niet in werkelijkheid. Hitte is verschillend van vuur in onze gedachte, maar in werkelijkheid kan men hitte van vuur niet scheiden. Gij zegt, dat gij de hoedanigheden kunt wegnemen en het voorwerp zelf kunt achterlaten, maar indien gij uw leer ten einde uitdenkt, zult gij bevinden, dat dit niet zo is.
„Is niet de mens een organisme, dat uit vele samengevoegde delen bestaat? Bestaan wij niet uit verschillende skandha's, zoals onze wijzen hen noemen? De mens bestaat uit zijn stoffelijke gedaante, uit gevoel, uit gedachte, uit neigingen, en ten laatste uit verstand. Dat wat men het „ik" noemt, wanneer men zegt „ik ben,” is niet een wezen dat achter de skandha's ligt; het ontstaat door de samenwerking der skandha's. Daar is het verstand, daar is gevoel en gedachte, en daar is waarheid; en waarheid is het verstand, wanneer dit het pad der gerechtigheid begaat. Doch er is geen afzonderlijke ik-ziel buiten of achter de gedachten van de mens. Hij, die gelooft, dat het „ik" een afzonderlijk wezen is, heeft geen juiste opvatting der dingen. Ja zelfs het zoeken naar atman is verkeerd; het is een verkeerd uitgangspunt en zal in verkeerde richting leiden.
„Hoe veel verwarring van gedachten ontstaat uit onze belangstelling in ons zelf, en uit onze ijdelheid wanneer wij denken: „ik ben zo groot,” „ik heb deze wonderbaarlijke daad volbracht.” De gedachte aan ons ik staat tussen onze redelijke natuur en de waarheid; verbannen wij deze, dan zullen wij de dingen zien gelijk zij zijn. Hij, die juist denkt, zal zichzelf van onwetendheid bevrijden en wijsheid verkrijgen. De denkbeelden „ik ben" en „ik zal zijn" of „ik zal niet zijn" doen zich niet voor bij een helder denker.
„Daarenboven, wanneer uw ik bestaan blijft, hoe kunt gij dan in waarheid verlossing verwerven? Indien het ik herboren wordt in één der drie werelden, hetzij in de hel, op aarde of zelfs in de hemel, zo zullen wij telkens wederom dezelfde onvermijdbare vloek van het bestaan ondergaan. We zullen vastgewikkeld zijn in zelfzucht en zonde.
„Alle samenvoeging is onderworpen aan scheiding, en wij kunnen aan geboorte, ziekte, ouderdom en dood niet ontkomen. Is dit een afdoende ontkoming?"
Oedraka zeide: „Ziet gij niet om u heen de uitwerking van karma? Wat maakt de mensen verschillend in karakter, stand, bezittingen en lot? Het is hun karma, en karma sluit in zich verdienste en straf. De verhuizing der ziel is onderworpen aan haar karma. Wij erven van vroegere bestaanstoestanden de kwade gevolgen van onze kwade daden en de goede gevolgen van onze goede daden. Indien dit niet zo ware, hoe konden wij mensen dan verschillend zijn?"
De Tathagata overpeinsde diep de vraagstukken van zielsverhuizing en karma, en vond de waarheid, die er in besloten lag.
„De leer van karma,” zeide hij, „is niet te loochenen, maar uw leer van het ik heeft geen grond.
„Het leven der ziel is, evenals alle verschijnselen der natuur, onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg. Het tegenwoordige oogst, wat het verleden gezaaid heeft, en de toekomst is de vrucht van het tegenwoordige. Maar ik kan geen onveranderlijk ik-wezen ontdekken, geen „zelf" wat het zelfde blijft en overgaat van lichaam op lichaam.
„Is niet deze persoonlijkheid van mij een samenvoeging, stoffelijk zowel als geestelijk? Is zij niet opgebouwd uit hoedanigheden, die door een gestadige ontwikkeling in het aanzijn kwamen? De vijf wortelen der zinnelijke waarneming in dit organisme zijn afkomstig van voorouders, welke deze werkingen verrichtten. De gedachten, die ik denk, kwamen tot mij deels van anderen die ze dachten, en ten dele ontspringen zij uit samenvoegingen van deze gedachten in mijn eigen geest. Zij, die dezelfde organen der zinnen gebruikten en dezelfde gedachten dachten, alvorens ik in mijn tegenwoordige persoonlijkheid was samengesteld, zijn mijn vroegere bestaansvormen; zij zijn mijn voorouders evenzeer als ik van gisteren de vader ben van ik van heden, en het karma van vroegere daden is de voorwaarde van het lot van mijn tegenwoordig bestaan.
„Onderstel dat er een atman was, die de werkingen der zinnen teweegbracht, dan zou, indien de poort des gezichts werd neergerukt en het oog uitgestoken, die atman in staat zijn door de groter opening te kijken en de gestalten der omgeving beter en duidelijker te zien dan te voren. Hij zou in staat zijn geluiden beter te horen, indien de oren waren weggerukt; beter te ruiken, indien de neus ware afgesneden; beter te proeven indien de tong ware uitgetrokken; en beter te voelen, indien het lichaam vernietigd ware.
„Ik bemerk het bewaard-blijven en de verhuizing der ziel; ik bespeur de waarheid van karma, doch ik zie geen atman,welke uw leer stelt als dader uwer daden. Er is wedergeboorte zonder verhuizing van het „zelf.” Want deze atman, dit zelf, dit ik, dat zich voordoet in „ik zeg,” en „ik wil,” is een waan. Indien dit ik een werkelijkheid ware, hoe kon er dan ontkoming aan zelfzucht zijn? De verschrikking der hel zou eindeloos zijn, en geen verlossing kon geschonken worden. Het kwade van het bestaan zou niet te wijten zijn aan onze onwetendheid en zonde, maar zou de aard zelf van ons wezen uitmaken."
En Bodhisattwa ging tot de dienstdoende priesters in de tempels. Maar de zachte geest van de Sjakjamoeni vond aanstoot aan de onnodige wreedheid verricht op de altaren der goden. Hij zeide:
„Slechts onwetendheid kan oorzaak zijn, dat deze lieden feestmalen en grote offerbijeenkomsten aanrichten. Veel beter de waarheid te vereren dan te trachten de goden te bevredigen door het storten van bloed.
„Welke liefde kan de mens bezitten, die gelooft, dat de verwoesting van leven slechte daden verzoenen kan? Kan een nieuw kwaad oude zonden te niet doen? En kan het slachten van een onschuldig offer de zonden der mensheid wegnemen? Dit is godsdienst beoefenen door verwaarlozing van zedelijk gedrag.
„Reinigt uw harten en staakt het doden; dat is ware godsdienst.
„Godsdienstplechtigheden hebben geen nut; gebeden zijn ijdele herhaling van woorden; en bezweringen hebben geen reddende kracht. Maar afstand te doen van begeerlijkheid en zingenot, vrij te worden van kwade hartstochten en aan alle haat en kwaadwilligheid een einde te maken, dat is het goede offer en de ware aanbidding."
uit “Het Evangelie van Boeddha” door P. Carus, uitg. Ankh-Hermes